Oordeel
Het woord oordeel kan zwaar klinken. Misschien roept het het beeld op van een boze God, straf of de hel. Zulke beelden kunnen mede gevormd zijn door allerlei invloeden zoals onze opvoeding, cultuur, media, films, kerkelijke tradities of ideeën die we onderweg hebben meegekregen.
Maar wat bedoelen de Bijbelse schrijvers eigenlijk wanneer ze over oordeel spreken? Waarom oordeelt God, hoe ziet Zijn oordeel eruit en welke plaats heeft oordeel binnen de grotere lijn van de Bijbel?
Om dat beter te begrijpen, beginnen we bij de eerste bladzijden van Genesis en volgen we deze lijn door de Bijbel heen.
Oordeel en recht
Een belangrijk Hebreeuws woord dat met recht en oordeel te maken heeft is mishpat. Het hoort bij het werkwoord shafat, dat rechtspreken of oordelen betekent.
In onze taal kan oordeel klinken als het uitspreken van een straf. In de Bijbel heeft het een bredere betekenis. Rechtspreken betekent vaststellen wat recht is, onderscheid maken tussen goed en kwaad en optreden wanneer het recht wordt geschonden, zodat er weer recht wordt gedaan.
In het Oude Testament zien we dat rechters en later ook koningen de verantwoordelijkheid hadden om recht te doen. In de wetten en bij de profeten gaat het vaak over mensen die kwetsbaar waren voor onrecht, zoals armen, weduwen, wezen en vreemdelingen. Van een goede koning werd verwacht dat hij voor hen opkwam en ervoor zorgde dat er recht werd gedaan (Deuteronomium 10:17–18; Psalm 72:1–4, 12–14).
Als de Bijbel over oordeel spreekt, gaat het ook over recht. Voor iemand die onrecht doet, kan een rechtvaardige rechter iets zijn om te vrezen. Voor iemand aan wie onrecht wordt gedaan, betekent diezelfde rechter juist de hoop dat het onrecht wordt gezien en er recht wordt gedaan.
Dat zien we bijvoorbeeld in Psalm 98:
‘Laat de rivieren in de handen klappen
en samen met de bergen jubelen
voor de HEER, want Hij is in aantocht
als rechter van de aarde.
Rechtvaardig zal Hij de wereld berechten,
de volken oordelen naar recht en wet.’
(Psalm 98:8–9)
De schepping wordt opgeroepen om te jubelen omdat God komt om recht te doen. Hij ziet wat er in Zijn wereld gebeurt en laat onrecht en kwaad niet voor altijd voortbestaan. God laat Zijn goede schepping niet over aan wat haar verwoest.
Goed en kwaad
De eerste hoofdstukken van Genesis leggen een belangrijk fundament voor deze lijn. God schept een wereld die Hij steeds goed noemt. De mens wordt gemaakt naar Zijn beeld en krijgt binnen die goede schepping een plaats en verantwoordelijkheid. Mensen worden geroepen om namens God over de aarde te heersen en voor haar te zorgen (Genesis 1:26–28).
In het midden van de tuin staan de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad. Van allerlei bomen mag de mens eten, maar God waarschuwt voor het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:9, 16–17).
De boom brengt een vraag naar voren die we later in de Bijbel steeds weer tegenkomen. Zullen mensen vertrouwen op Gods wijsheid en van Hem leren onderscheiden wat goed en kwaad is, of zullen zij die wijsheid zelf grijpen en op hun eigen voorwaarden bepalen wat goed is?
Wanneer de mens van de boom eet, worden de gevolgen daarvan in de hoofdstukken die volgen steeds verder zichtbaar. Adam en Eva schamen zich en verbergen zich, Kaïn doodt zijn broer Abel en Lamech bezingt zijn eigen geweld. Wat begint met het grijpen naar wijsheid op eigen voorwaarden, loopt uiteindelijk uit op een wereld waarvan Genesis zegt dat zij vol geweld is (Genesis 3:6–10; 4:8, 23–24; 6:11).
Meer over de boom van de kennis van goed en kwaad lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.
Een wereld vol geweld
Vlak voor de zondvloed lezen we:
‘De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat Hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst.’
(Genesis 6:5–6)
Even later wordt de toestand van de aarde beschreven:
‘De aarde was in Gods ogen verdorven en vol onrecht.’
(Genesis 6:11)
Het Hebreeuwse woord dat hier wordt gebruikt is chamas. Het kan geweld, onrecht en gewelddadig kwaad aanduiden. De mensen die geroepen waren om voor Gods goede wereld te zorgen en haar met leven te vullen, hebben haar gevuld met geweld.
God ziet wat er met Zijn schepping gebeurt en wordt daar diep door geraakt. De wereld die Hij goed heeft gemaakt, wordt steeds verder gevuld met menselijk geweld. Tegen die achtergrond volgt de zondvloed.
De zondvloed
De zondvloed grijpt op verschillende manieren terug op Genesis 1. Daar scheidt God de wateren van elkaar, verschijnt het droge land en wordt de aarde gevuld met leven. Tijdens de vloed gebeurt het tegenovergestelde. De wateren komen opnieuw samen, het droge land verdwijnt en de wereld keert terug naar de waterige chaos waarmee Genesis begon (Genesis 1:2, 6–10; 7:11–24).
De vloed wordt zo een ont-schepping. Wat God in Genesis 1 ordent en met leven vult, wordt als het ware weer teruggedraaid. De wereld die mensen met geweld hebben gevuld, valt terug in chaos. Toch bewaart God Noach, zijn familie en de dieren in de ark (Genesis 6:17–22; 7:23).
Wanneer de vloed voorbij is, lezen we:
‘Toen dacht God weer aan Noach en aan alle wilde dieren en het vee bij hem in de ark. Op Gods bevel begon er een wind over de aarde te waaien, waardoor het water afnam.’
(Genesis 8:1)
Het Hebreeuwse woord dat hier met wind wordt vertaald is ruach. Het kan wind, adem of geest betekenen. Hetzelfde woord komen we tegen in Genesis 1:2, waar Gods ruach boven het water is. Ook na de vloed beweegt een ruach over het water, trekt het water terug en verschijnt het droge land weer.
Daarna zegent God Noach en zijn zonen met woorden die we ook uit Genesis 1 kennen:
‘Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde.’
(Genesis 9:1)
Een nieuwe start, hetzelfde menselijke probleem
Al snel wordt duidelijk dat de vloed het diepere probleem niet heeft opgelost. Nadat Noach de ark heeft verlaten en een offer heeft gebracht, zegt God:
‘Nooit weer zal Ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht.’
(Genesis 8:21)
Voor de vloed zagen we hoe het kwaad zich steeds verder uitbreidde. Kaïn doodde zijn broer, het geweld nam toe en uiteindelijk was de aarde ermee gevuld. Na de vloed spreekt God opnieuw over wat er in het menselijke hart leeft. De aarde heeft een nieuw begin gekregen, maar het probleem van zonde en kwaad is daarmee niet verdwenen.
Dat wordt ook zichtbaar in de hoofdstukken die volgen. Bij Noach ontstaan opnieuw schaamte en gebrokenheid binnen zijn familie en in Genesis 11 zien we bij Babel hoe mensen opnieuw hun eigen weg gaan (Genesis 9:20–27; 11:1–9).
God sluit ondertussen een verbond met Noach, zijn nakomelingen en alle levende wezens en belooft dat een vloed niet opnieuw al het leven zal wegvagen. De boog in de wolken wordt het teken van dat verbond (Genesis 9:8–17).
Vanaf Genesis 12 begint vervolgens de geschiedenis van Abraham en de familie door wie God Zijn zegen naar alle volken wil brengen (Genesis 12:1–3).
Oordeel dat bevrijdt
In Exodus verschijnt oordeel binnen een andere situatie. De familie van Abraham is inmiddels uitgegroeid tot een volk, maar leeft als slaaf in Egypte. Farao onderdrukt de Israëlieten, legt hun zware arbeid op en geeft uiteindelijk opdracht om hun pasgeboren zonen te doden (Exodus 1:8–22).
God hoort hun geroep:
‘God hoorde hoe ze jammerden en dacht aan het verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. God zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan.’
(Exodus 2:24–25)
Hij treedt op tegen farao en Egypte, de plagen volgen en uiteindelijk brengt Hij Israël door het water heen uit de slavernij. Wat voor farao en Egypte oordeel betekent, betekent voor Israël bevrijding (Exodus 7–14).
Hier zien we hoe oordeel en recht met elkaar verbonden zijn. God hoort het geroep van mensen die worden onderdrukt en treedt op tegen de macht die hen gevangenhoudt.
Oordeel en Gods boosheid
Oordeel en Gods boosheid komen in de Bijbel soms samen, maar ze betekenen niet hetzelfde. Bij de zondvloed ligt de nadruk op Gods verdriet over wat mensen met Zijn schepping hebben gedaan. Later spreekt de Bijbel ook over Gods boosheid als reactie op kwaad, onrecht en menselijke ontrouw (Genesis 6:5–6; Exodus 32:7–10; Jesaja 5:20–25).
Wanneer God in Exodus 34 Zijn karakter aan Mozes bekendmaakt, zegt Hij:
‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig.’
(Exodus 34:6)
Achter het woord geduldig staat in het Hebreeuws de uitdrukking ’erekh appayim, die letterlijk ‘lang van neus’ betekent. In het Hebreeuwse taalgebruik werd boosheid verbonden met de neus, alsof iemand bij woede zwaar door zijn neus ademt. Van God wordt gezegd dat Hij ‘lang van neus’ is: Zijn boosheid komt langzaam.
Boosheid is daarmee niet het uitgangspunt van waaruit God naar Zijn schepping kijkt. Hij is de Schepper Die leven geeft en Zijn goede wereld zegent. Omdat God goed is en betrokken blijft bij Zijn schepping, is Hij niet onverschillig tegenover zonde, geweld en onrecht en wat deze in Zijn wereld teweegbrengen.
Door de Bijbel heen zien we dat God reageert op kwaad en tegelijkertijd geduldig is. Hij waarschuwt mensen, roept hen terug en geeft ruimte om tot inkeer te komen. Soms grijpt Hij in om het kwaad te stoppen of te begrenzen en op andere momenten geeft Hij mensen over aan de gevolgen van hun eigen keuzes (Ezechiël 18:30–32; Romeinen 1:24–28).
In Romeinen 1 beschrijft Paulus hoe mensen de Schepper inruilen voor het geschapene en hun vertrouwen en aanbidding richten op wat God heeft gemaakt. Vervolgens schrijft hij drie keer dat God hen ‘uitlevert’: aan hun zedeloze begeerten (Romeinen 1:24), aan onterende verlangens (Romeinen 1:26) en aan verwerpelijke denkbeelden (Romeinen 1:28).
Zij worden als het ware overgelaten aan hun keuzes en de gevolgen daarvan.
Israël wordt zelf verantwoordelijk gehouden
Na de bevrijding uit Egypte ontvangt Israël de Torah. God roept Israël om Zijn volk te zijn en Hem te vertegenwoordigen onder de volken. Dat krijgt vorm in de manier waarop zij leven en met elkaar omgaan, met bijzondere aandacht voor vreemdelingen, armen en andere kwetsbare mensen (Exodus 19:4–6; 22:20–26; Deuteronomium 24:17–22).
Wanneer Israël daar steeds verder van afwijkt, spreken de profeten het volk daarop aan. Zij spreken over afgoderij, maar ook over corruptie, geweld en uitbuiting en over mensen die geen recht meer kunnen vinden (Jesaja 1:21–23; Amos 2:6–8).
Jesaja zegt:
‘Leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij.’
(Jesaja 1:17)
En Amos zegt:
‘Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.’
(Amos 5:24)
Het volk dat zelf uit de onderdrukking in Egypte is bevrijd, maakt zich later schuldig aan afgoderij, onrecht en geweld.
Uiteindelijk valt eerst het noordelijke koninkrijk Israël en later ook Juda. Jeruzalem wordt verwoest en een deel van het volk wordt naar Babylon weggevoerd. De profeten spreken hierover als Gods oordeel. Tegelijkertijd blijven zij vooruitkijken naar herstel. God zal Zijn volk herstellen, Zijn Geest geven, harten vernieuwen en Zijn recht over de aarde brengen (2 Koningen 17:6–23; 25:1–21; Jeremia 31:31–34; Ezechiël 36:24–28).
Wanneer de profeten Gods oordeel aankondigen, roepen zij het volk vaak ook op om terug te keren naar God en tot inkeer te komen.
Dat zien we bijvoorbeeld bij Ezechiël:
‘Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Waarom zouden jullie sterven, Israëlieten? De dood van een mens geeft Me geen vreugde – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!’
(Ezechiël 18:31–32)
Oordeel kan ook zuiveren
Bij de profeten wordt Gods oordeel soms vergeleken met zuivering. Maleachi vergelijkt Gods komst bijvoorbeeld met het vuur van een smid die metaal zuivert. Het vuur verwijdert wat onzuiver is, zodat het metaal gereinigd achterblijft (Maleachi 3:2–3).
Ook andere profeten spreken na woorden van oordeel over herstel. Zij schrijven over een overblijfsel, genezing, een vernieuwd hart en God die weer onder Zijn volk zal wonen. Andere teksten spreken over vernietiging en verlies (Jesaja 10:20–22; Jeremia 30:17–22; Ezechiël 36:24–28).
De dag van de HEER
Bij de profeten lezen we regelmatig over de dag van de HEER. Daarmee wordt een moment bedoeld waarop God ingrijpt in de menselijke geschiedenis om recht te doen. Soms spreken de profeten over gebeurtenissen die binnen hun eigen historische situatie liggen (Jesaja 13:6–13; Joël 2:1–11).
Zij spreken over Gods oordeel over machtige koninkrijken zoals Assyrië en Babylon. Ook Israël zelf komt onder dat oordeel wanneer het zich schuldig maakt aan afgoderij, geweld en onrecht. Amos waarschuwt Israël daarom dat de dag van de HEER niet vanzelf een dag van redding voor hen zal zijn. Ook Gods eigen volk wordt verantwoordelijk gehouden voor de manier waarop het leeft (Jesaja 10:5–19; 13:1–22; Amos 5:18–24).
De profeten spreken over verschillende momenten waarop God ingrijpt en recht doet. Tegelijkertijd kijken zij verder vooruit naar een dag waarop God uiteindelijk recht zal doen onder de volken, het kwaad zal oordelen en Zijn schepping zal herstellen. De dag van de HEER wordt verbonden met de hoop op een wereld waarin geweld en onrecht niet voor altijd blijven bestaan en God opnieuw bij Zijn volk woont (Joël 4:12–21; Jesaja 65:17–25).
Waarom God oordeelt
Door de Bijbel heen zien we Gods oordeel in heel verschillende situaties. Bij de zondvloed is de aarde vol geweld en grijpt God in wanneer Zijn goede schepping steeds verder wordt verwoest. In Egypte hoort Hij het geroep van een volk dat wordt onderdrukt en treedt Hij op tegen farao en de macht die hen gevangenhoudt (Genesis 6:11–13; Exodus 2:23–25; 3:7–10).
Ook bij Sodom wordt oordeel verbonden met recht. In Genesis 18 hoort God het geroep over Sodom en Gomorra vanwege het ernstige kwaad dat daar plaatsvindt. Wanneer Abraham met God spreekt over wat er met de stad zal gebeuren, vraagt hij: ‘Zou de rechter van de hele aarde geen recht doen?’ (Genesis 18:25). Gods oordeel wordt hier verbonden met de vraag naar wat rechtvaardig is.
Bij Israël en Juda zien we opnieuw een andere situatie. God houdt Zijn eigen volk verantwoordelijk voor afgoderij, geweld, uitbuiting en onrecht. Hij stuurt profeten die het volk waarschuwen en oproepen om terug te keren. Wanneer het volk daar niet naar luistert, volgen uiteindelijk de val van Jeruzalem en de ballingschap. Tegelijkertijd blijven de profeten vooruitkijken naar herstel (2 Koningen 17:7–23; Jeremia 25:1–11; 29:10–14).
Het boek Jona laat zien dat de aankondiging van oordeel ook ruimte geeft voor omkeer. Jona kondigt Gods oordeel over Nineve aan, maar de inwoners keren zich af van hun slechte weg. Wanneer God ziet dat zij zich omkeren, brengt Hij het aangekondigde onheil niet over hen (Jona 3:10).
Deze voorbeelden laten zien dat Gods oordeel in de Bijbel verschillende vormen kan aannemen. God treedt op tegen machten die anderen onderdrukken, begrenst kwaad en houdt mensen en volken verantwoordelijk voor wat zij doen. Soms betekent dit dat mensen worden overgegeven aan de gevolgen van de weg die zij hebben gekozen. Op andere plaatsen gaat oordeel samen met zuivering en herstel. De aankondiging van oordeel kan ook een waarschuwing zijn die mensen oproept om zich om te keren en de weg van het leven te kiezen.
In al deze verschillende situaties zien we dezelfde lijn terug. God heeft de mens gemaakt om Zijn beeld te dragen en voor Zijn goede wereld te zorgen. Wanneer mensen en machten die wereld vullen met geweld, onderdrukking en onrecht, blijft God daar niet onverschillig tegenover. Hij hoort het geroep van mensen die worden onderdrukt, confronteert wat Zijn wereld verwoest en roept mensen terug naar de weg van het leven.
Door de Bijbel heen zien we dat Gods oordeel steeds verbonden is met recht doen. Die lijn loopt uiteindelijk naar de hoop dat God alles wat Zijn goede schepping verwoest zal overwinnen en Zijn bedoeling met de mens en Zijn schepping tot herstel zal brengen.
Jezus kondigt Gods Koninkrijk aan
Wanneer Jezus begint rond te trekken door Galilea, verkondigt Hij dat het Koninkrijk van God nabij is en roept Hij mensen op om tot inkeer te komen (Marcus 1:14–15). Eeuwen eerder hadden de profeten al gesproken over God Die als Koning zou komen, Zijn volk zou redden en recht zou doen (Jesaja 52:7–10).
Israël leeft in Jezus’ tijd onder Romeins gezag. In die situatie kondigt Jezus aan dat Gods heerschappij werkelijkheid begint te worden op aarde. Zijn woorden en daden laten zien hoe die heerschappij eruitziet. Hij geneest zieken, bevrijdt mensen van kwade machten, vergeeft zonden en eet met mensen die door anderen werden buitengesloten. Wanneer Jezus mensen bevrijdt van kwade machten, zegt Hij dat het Koninkrijk van God hen heeft bereikt (Lucas 11:20).
De komst van Gods Koninkrijk brengt ook een oproep tot omkeer met zich mee. Jezus nodigt mensen uit om Hem te volgen en te leren leven volgens de weg van Gods Koninkrijk. In Zijn onderwijs spreekt Hij onder andere over liefde voor vijanden, vergeving, recht doen en vertrouwen op God (Matteüs 5–7). Zo vormt Hij leerlingen die leren leven onder Gods goede heerschappij.
Tegelijkertijd waarschuwt Jezus Israël voor oordeel. Hij ziet dat Jeruzalem een weg gaat die uiteindelijk op verwoesting zal uitlopen en roept het volk op om terug te keren naar God. Wanneer Hij Jeruzalem nadert, huilt Hij over de stad en spreekt Hij over de verwoesting die zal komen (Lucas 19:41–44). Later waarschuwt Hij opnieuw voor de verwoesting van Jeruzalem en de tempel (Lucas 21:5–24). Hij gebruikt de woorden en beelden die aansluiten bij de profeten van Israël.
Jezus kondigt zo Gods Koninkrijk aan als goed nieuws dat bevrijding brengt en mensen oproept tot omkeer. Tegelijkertijd waarschuwt Hij voor het oordeel dat komt wanneer mensen de weg blijven volgen die tot verwoesting leidt. In Hem begint Gods goede heerschappij zichtbaar te worden, terwijl Hij mensen uitnodigt om Hem te volgen en te leren leven volgens de weg van dat Koninkrijk.
Meer over Gods Koninkrijk en hoe deze lijn door de Bijbel heen loopt lees je in Gods Koninkrijk.
Oordeel, kruis en opstanding
Uiteindelijk gaat Jezus Zelf de werkelijkheid van menselijke zonde, geweld en dood binnen. Aan het kruis komen verschillende lijnen uit de Bijbel samen. Het Nieuwe Testament spreekt over Zijn dood in taal van offer, reiniging en verzoening en gebruikt ook beelden van loskoop, bevrijding en overwinning op zonde en dood. Daarachter liggen onder andere de offers van Israël en de bevrijding uit de slavernij in Egypte (Romeinen 3:24–25; Efeziërs 1:7; Kolossenzen 1:13–14; 2:15; Hebreeën 9:11–14).
Jezus wordt door de leiders in Jeruzalem overgeleverd aan de Romeinse gouverneur Pontius Pilatus en door Rome tot de kruisdood veroordeeld. Kruisiging was een openbare en vernederende Romeinse executie. Jezus heeft Gods Koninkrijk aangekondigd en wordt als Messias aan een Romeins kruis gedood (Marcus 15:1–39).
Jezus blijft trouw aan God en aan de weg van Zijn Koninkrijk, ook wanneer die weg Hem naar de dood brengt. God wekt Jezus op uit de dood en daarmee begint de overwinning op de macht van zonde en dood die sinds Genesis over de mensheid ligt. (Handelingen 2:22–36; Romeinen 6:9–10).
Paulus noemt Jezus de eersteling van hen die gestorven zijn. Zoals de eerste opbrengst van een oogst vooruitwijst naar wat nog zal volgen, zo wijst Jezus’ opstanding vooruit naar de opstanding van anderen (1 Korintiërs 15:20–23). In Romeinen 8 verbindt Paulus die hoop ook met de schepping. Gods kinderen zien uit naar de verlossing van hun lichaam en de schepping ziet uit naar bevrijding uit haar vergankelijkheid (Romeinen 8:19–23).
In Jezus’ dood en opstanding komen Gods verzoening, bevrijding en overwinning op zonde en dood samen. Zijn opstanding is het begin van het nieuwe leven dat uiteindelijk ook de rest van de schepping zal omvatten. De lijn loopt verder naar de vernieuwde schepping, waarin God bij de mensen woont en zonde, kwaad en dood geen plaats meer hebben (1 Korintiërs 15:20–28; Openbaring 21:1–5).
Jezus als rechter
Na Zijn opstanding wordt Jezus in het Nieuwe Testament verkondigd als de opgestane Heer en als degene door wie God uiteindelijk recht zal doen (Handelingen 17:30–31).
De woorden over Jezus als rechter grijpen terug op Daniël 7. Daniël ziet vier beesten uit de zee opkomen die verschillende menselijke koninkrijken voorstellen. Vooral het laatste rijk wordt gekenmerkt door geweld en onderdrukking en keert zich tegen Gods volk. Daarna verandert het visioen. God, de ‘Oude van dagen’, neemt plaats op Zijn troon en het hemelse gerecht begint. De macht van de beesten wordt weggenomen (Daniël 7:1–12).
Vervolgens ziet Daniël ‘iemand die eruitzag als een mens’ met de wolken van de hemel naar God komen. Aan hem worden macht, eer en koningschap gegeven en zijn heerschappij zal niet verdwijnen (Daniël 7:13–14). Later in het visioen wordt ook gezegd dat de heiligen van de Allerhoogste het koningschap zullen ontvangen (Daniël 7:18, 27). Tegenover de beestachtige koninkrijken die door geweld en onderdrukking worden gekenmerkt, staat een menselijke heerschappij die van God afkomstig is.
Jezus gebruikt deze taal van de Mensenzoon voor Zichzelf. Daarmee verbindt Hij Zijn eigen weg en koningschap met het visioen van Daniël. De Jezus Die zieken geneest, zonden vergeeft, Zijn vijanden liefheeft en uiteindelijk Zijn eigen leven geeft, is ook de Mensenzoon aan Wie God koninklijke macht geeft en het oordeel toevertrouwt (Matteüs 26:63–64; Johannes 5:22–27).
Daarbij worden mensen verantwoordelijk gehouden voor de manier waarop zij hebben geleefd. Jezus spreekt over de Mensenzoon die zal komen en ieder naar zijn daden zal belonen (Matteüs 16:27). Ook Paulus schrijft dat God ieder mens naar zijn daden zal beoordelen en dat mensen voor de rechterstoel van Christus rekenschap afleggen van hun leven (Romeinen 2:6; 2 Korintiërs 5:10).
Het toekomstige oordeel maakt deel uit van de grotere verwachting dat God uiteindelijk recht zal doen en de doden zal opwekken.
Gods uiteindelijke oordeel loopt uit op de vernieuwing van Zijn schepping. De overwinning op zonde en dood die in Jezus’ dood en opstanding is begonnen, zal uiteindelijk heel Gods schepping omvatten (Romeinen 8:19–23; 1 Korintiërs 15:24–28).
Het Lam dat overwint
In Openbaring gebruikt Johannes beelden uit Genesis, Exodus, de profeten en Daniël om te laten zien hoe God uiteindelijk afrekent met de machten die Zijn wereld verwoesten.
Een van de belangrijkste beelden is het geslachte Lam. In Openbaring 5 hoort Johannes over de Leeuw uit de stam Juda, de Messias die heeft overwonnen. Wanneer hij kijkt, ziet hij een Lam dat geslacht is en toch leeft. Jezus overwint door Zijn leven te geven en uit de dood op te staan (Openbaring 5:5–10).
Dat beeld helpt ook om de latere visioenen te begrijpen. In Openbaring 19 verschijnt Jezus als een koning op een wit paard. Zijn kleding is al met bloed doordrenkt voordat de strijd begint en het scherpe zwaard waarmee Hij de volken treft komt uit Zijn mond. De overwinnende koning is dezelfde Jezus die eerder als het geslachte Lam is verschenen (Openbaring 19:11–16).
Tegelijkertijd worden de machten die Gods wereld verwoesten geoordeeld. Babylon valt, de draak en de beesten worden verslagen en uiteindelijk verdwijnen ook de dood en het dodenrijk (Openbaring 18:1–19:3; 19:19–20; 20:10, 14).
Zo blijft het beeld van het Lam bepalend voor de manier waarop Jezus overwint. De Messias overwint het kwaad door Zijn eigen leven te geven, en als de opgestane Koning rekent Hij uiteindelijk af met de machten die Gods goede wereld verwoesten.
Meer over geestelijke machten en hoe deze lijn door de Bijbel heen loopt lees je in Geestelijke machten.
Het laatste oordeel en de nieuwe schepping
Daarna ziet Johannes:
‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.’
(Openbaring 21:1)
God komt bij de mensen wonen. Hij wist hun tranen af en dood, rouw en pijn zullen er niet meer zijn. Hemel en aarde zijn niet langer van elkaar gescheiden. Gods aanwezigheid vult Zijn vernieuwde schepping (Openbaring 21:2–4).
In het laatste hoofdstuk van de Bijbel verschijnt opnieuw de boom van het leven waarmee we aan het begin van Genesis kennismaakten. De vloek is verdwenen en de bladeren van de boom brengen de volken genezing (Openbaring 22:1–3).
Zo komt aan het einde van de Bijbel de lijn terug die in Genesis begon. Mensen werden gemaakt om Gods beeld te dragen, in Gods aanwezigheid te leven en met Hem over Zijn goede wereld te heersen. In de nieuwe schepping zien we waar die bedoeling vanaf het begin naartoe leidde. Mensen delen opnieuw in de roeping om met God over Zijn vernieuwde schepping te heersen (Genesis 1:26–28; Openbaring 22:3–5).
Voor vandaag
Oordeel blijft in de Bijbel een ernstig onderwerp. Menselijke keuzes, kwaad en onrecht doen ertoe, en mensen worden verantwoordelijk gehouden voor de manier waarop zij met elkaar en met Gods schepping omgaan.
Door de hele Bijbel heen leren we tegelijkertijd de Rechter kennen als de Schepper Die betrokken blijft bij Zijn wereld. Hij hoort het geroep van mensen die worden onderdrukt, confronteert wat het leven verwoest, heeft geduld en roept mensen terug naar de weg van het leven.
Een wereld waarin God nooit oordeelt zou ook een wereld zijn waarin geweld, uitbuiting en machtsmisbruik uiteindelijk zonder antwoord blijven. Daarom wordt Gods oordeel in de Bijbel ook verbonden met de hoop dat kwaad en onrecht niet voor altijd zullen blijven bestaan.
Die hoop komt samen in Jezus. In Zijn dood en opstanding wordt de macht van zonde en dood doorbroken en begint het nieuwe leven dat uiteindelijk heel Gods schepping zal omvatten.
Gods oordeel hoort bij Zijn bedoeling om recht te doen en Zijn goede schepping te herstellen. Hij rekent af met wat Zijn wereld verwoest en brengt Zijn bedoeling met de mens en Zijn schepping uiteindelijk tot herstel.
Wie Jezus volgt, wordt daarom geroepen om nu al te leren leven volgens de weg van Zijn Koninkrijk en mee te werken aan wat recht, vrede en leven brengt.
Maak jouw eigen website met JouwWeb