Wapenrusting van God

De wapenrusting van God is een bekend gedeelte uit Efeziërs 6. Paulus schrijft over een strijd die niet tegen mensen van vlees en bloed wordt gevoerd en roept zijn lezers meerdere keren op om stand te houden tegenover geestelijke machten.

Deze woorden staan aan het einde van een brief waarin Paulus heeft geschreven over wat God door Jezus heeft gedaan, over een nieuwe mensheid die Hij samenbrengt en over machten in de hemelsferen. Ook de beelden van de wapenrusting hebben een veel oudere Bijbelse achtergrond. Waarheid, gerechtigheid, vrede en redding komen eeuwen eerder al terug bij de profeet Jesaja, waar ze verbonden zijn met God Zelf en met de beloofde Koning.

Wat betekent het dan om de wapenrusting van God aan te trekken? Waarom gebruikt Paulus hiervoor beelden uit Jesaja? En wat laat de rest van zijn brief zien over de manier waarop Gods volk samen standhoudt tegenover het kwaad?

De wapenrusting van God

Aan het einde van zijn brief aan de Efeziërs schrijft Paulus over een strijd die niet tegen mensen van vlees en bloed wordt gevoerd. Hij spreekt over machten en krachten, over standhouden tegen het kwaad en over de wapenrusting van God. Waarheid wordt een gordel, gerechtigheid een pantser, geloof een schild en redding een helm. Het zijn bekende beelden die vaak als een los gedeelte over geestelijke strijd worden gelezen.

De wapenrusting staat aan het einde van een brief waarin Paulus uitgebreid heeft geschreven over wat God in Jezus heeft gedaan, over machten die onder Zijn gezag zijn gebracht, over een nieuwe mensheid waarin mensen die van elkaar gescheiden waren worden samengebracht en over een leven dat steeds meer wordt gevormd naar Gods karakter.

De beelden die Paulus gebruikt hebben ook een veel oudere Bijbelse achtergrond. Eeuwen eerder gebruikt de profeet Jesaja dezelfde beelden wanneer hij spreekt over God en de Messias. Gerechtigheid, redding, waarheid en vrede horen daar bij Gods eigen optreden in een wereld vol onrecht. Wanneer Paulus zijn lezers oproept om de wapenrusting van God aan te trekken, grijpt hij terug op deze woorden en beelden.

 

De wapenrusting binnen de brief aan de Efeziërs

Vanaf het begin van zijn brief schrijft Paulus over wat God in Jezus heeft gedaan en over de plaats die deze gemeente daarin heeft. God wil in Christus alles in de hemel en op aarde onder één hoofd samenbrengen (Efeziërs 1:9–10).

Paulus spreekt in dezelfde hoofdstukken ook over geestelijke machten. Hij bidt dat de gelovigen zullen begrijpen hoe groot Gods kracht is, dezelfde kracht waarmee Hij Jezus uit de dood heeft opgewekt en Hem een plaats heeft gegeven:
‘hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige.’
(Efeziërs 1:21)

Tegelijkertijd schrijft Paulus over wat God door Jezus onder mensen doet. In Efeziërs 2 gaat het over Joden en niet-Joden die lange tijd van elkaar gescheiden waren. Door Jezus worden zij samengebracht. Paulus noemt dit de schepping van ‘één nieuwe mens’ (Efeziërs 2:15). Mensen die voorheen van elkaar gescheiden waren, worden samen één familie en één tempel waarin God door Zijn Geest woont.

In het volgende hoofdstuk verbindt Paulus deze nieuwe gemeenschap opnieuw met de geestelijke wereld. Hij schrijft dat Gods veelkleurige wijsheid door de gemeente bekendgemaakt wordt aan ‘de vorsten en heersers in de hemelsferen’ (Efeziërs 3:10). 

Wanneer Paulus aan het einde van de brief over de wapenrusting schrijft, richt hij zich tot deze gemeente van Joden en niet-Joden die door Jezus is samengebracht.

Meer over geestelijke machten door de Bijbel heen lees je in Geestelijke machten in de Bijbel.

 

Een leven dat past bij die roeping

Vanaf Efeziërs 4 schrijft Paulus uitgebreid over de manier waarop dit nieuwe leven zichtbaar wordt. Hij roept de gelovigen op om te leven op een manier die past bij hun roeping en spreekt daarbij over nederigheid, zachtmoedigheid, geduld, liefde en het bewaren van de eenheid die de Geest geeft (Efeziërs 4:1–3).

Later schrijft hij over waarheid spreken, de omgang met boosheid, vrijgevigheid, vergeving en liefde. Hij roept zijn lezers op om God na te volgen en de weg van de liefde te gaan, zoals Christus hen heeft liefgehad (Efeziërs 4:25–5:2).

 

Onze strijd is niet tegen mensen

Paulus schrijft:
‘Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.’
(Efeziërs 6:11–12)

Paulus spreekt over vorsten, heersers, machten van de duisternis en kwade geesten in de hemelsferen. Achter de verdeeldheid en het kwaad waarmee mensen te maken krijgen, ziet hij ook een geestelijke werkelijkheid.

Paulus heeft eerder in de brief al geschreven dat Jezus boven iedere macht en kracht is verheven en dat Gods wijsheid door de gemeente aan de vorsten en heersers in de hemelsferen bekend wordt.

Paulus’ uitspraak dat de strijd niet tegen mensen wordt gevoerd krijgt extra gewicht. Mensen die door afkomst, geschiedenis of vijandschap tegenover elkaar zijn komen te staan, worden in Jezus geroepen om samen één lichaam te vormen. Paulus roept hen op om de eenheid van de Geest te bewaren en waarschuwt voor leugen, bitterheid, woede en andere manieren van leven die mensen opnieuw tegenover elkaar zetten. Deze gemeente roept hij op om stand te houden tegenover de machten die zich tegen God en Zijn werk verzetten.

 

De wapenrusting begint bij Jesaja

Paulus schrijft over een helm, pantser en andere delen van een wapenrusting. Deze beelden passen bij de wereld van een Romeinse soldaat, maar verschillende onderdelen hebben ook een veel oudere Bijbelse achtergrond en komen terug in Jesaja.

In Jesaja 59 lezen we over een wereld waarin recht en waarheid steeds verder naar de achtergrond verdwijnen. God ziet het onrecht en dat er niemand is die ingrijpt. Dan komt Hij Zelf in beweging om recht en redding te brengen en trekt Hij de wapenrusting aan:
‘Hij gordde het harnas van de gerechtigheid aan
en zette de helm van de redding op Zijn hoofd.’
(Jesaja 59:17)

Hier draagt God Zelf de wapenrusting.

Eerder had Jesaja gesproken over de toekomstige koning uit de lijn van David:
‘Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen
en trouw als een gordel om zijn heupen.’
(Jesaja 11:5)

Ook het beeld van voeten die verbonden zijn met goed nieuws komt uit Jesaja:
‘Hoe welkom is de vreugdebode
die over de bergen komt aangesneld,
die vrede aankondigt en goed nieuws brengt.’
(Jesaja 52:7)

De beelden horen in Jesaja bij Gods eigen optreden en bij de koning die uit de lijn van David zal komen. Gerechtigheid, redding, trouw en vrede horen bij Gods antwoord op het kwaad en bij Zijn komende heerschappij.

Wanneer Paulus deze beelden later gebruikt voor de volgelingen van Jezus, grijpt hij terug op deze woorden uit Jesaja. De gemeente die Paulus eerder het lichaam van Christus en een nieuwe mensheid heeft genoemd, wordt geroepen om stand te houden in waarheid, gerechtigheid, vrede en trouw. Wat in Jesaja bij God en Zijn beloofde koning hoort, wordt zo verbonden met het leven van Zijn volk.

Meer over Gods Koninkrijk en hoe Gods goede heerschappij in Jezus, de beloofde Koning, zichtbaar wordt lees je in Gods Koninkrijk.

 

De gordel van de waarheid

Paulus begint de beschrijving van de wapenrusting met waarheid:
‘Houd stand, met de waarheid als gordel om uw heupen, de gerechtigheid als harnas om uw borst.’
(Efeziërs 6:14)

Waarheid is in Efeziërs al eerder ter sprake gekomen. Paulus schrijft dat zijn lezers Christus hebben leren kennen en in Hem zijn onderwezen, ‘zoals de waarheid in Jezus is’ (Efeziërs 4:21). Even later roept hij hen op om de leugen af te leggen en de waarheid tegen elkaar te spreken, omdat zij samen één lichaam vormen (Efeziërs 4:25).

Waarheid is in Efeziërs verbonden met wat God in Jezus bekend heeft gemaakt en met de manier waarop Zijn volk vanuit die waarheid leert leven. Een gemeenschap die bij Jezus hoort, wordt geroepen om de leugen af te leggen en betrouwbaar en waarachtig met elkaar om te gaan.

In Jesaja 11 wordt over de toekomstige koning uit de lijn van David gezegd dat gerechtigheid de gordel om Zijn lendenen is en trouw de gordel om Zijn heupen. Het Hebreeuwse woord emunah heeft te maken met trouw, betrouwbaarheid en standvastigheid.

Wanneer Paulus zijn lezers oproept om waarheid als een gordel te dragen, verbindt hij deze woorden uit Jesaja met het leven van de gemeente. Tegenover de listen van de duivel en misleiding staat een gemeenschap die geworteld blijft in de waarheid die zij in Jezus heeft leren kennen.

 

Het pantser van gerechtigheid

Het tweede beeld is de gerechtigheid die als een pantser wordt gedragen.

Gerechtigheid is ook in Efeziërs al eerder ter sprake gekomen. Wanneer Paulus schrijft over het oude leven dat wordt afgelegd en het nieuwe leven dat daarvoor in de plaats komt, zegt hij:
‘Trek de nieuwe mens aan, die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid.’
(Efeziërs 4:24)

God brengt in Jezus mensen samen en vernieuwt hen naar Zijn bedoeling. Zij leren leven op een manier die bij Zijn karakter past. Gerechtigheid wordt zichtbaar in de manier waarop zij met elkaar en met anderen omgaan.

In Jesaja 59 trekt God het pantser van gerechtigheid aan in een samenleving waarin het recht is teruggedrongen, waarheid ontbreekt en onrecht vrij spel heeft gekregen. God komt Zelf in beweging om recht te brengen. Wanneer Paulus hetzelfde beeld gebruikt voor Gods volk, roept hij hen op om midden in een wereld waarin onrecht nog aanwezig is te leven vanuit Gods recht en trouw.

 

Voeten die klaarstaan voor het goede nieuws van vrede

Paulus vervolgt:
‘en de inzet voor het evangelie van de vrede als sandalen aan uw voeten.’
(Efeziërs 6:15)

Vrede loopt door de hele brief heen. Over Jezus schrijft Paulus:
‘Want Hij is onze vrede.’
(Efeziërs 2:14)

Op de achtergrond klinken opnieuw de woorden van Jesaja:
‘Hoe welkom is de vreugdebode
die over de bergen komt aangesneld,
die vrede aankondigt en goed nieuws brengt.’
(Jesaja 52:7)

Het beeld van voeten en goed nieuws komt in Jesaja terug bij de aankondiging dat God Koning is en redding brengt. De vreugdebode kondigt vrede en goed nieuws aan en zegt tegen Sion: ‘Uw God is Koning’ (Jesaja 52:7).

Door Zijn dood heeft Jezus de vijandschap tussen Jood en niet-Jood doorbroken en mensen die van elkaar gescheiden waren samengebracht tot één nieuwe mens (Efeziërs 2:14–16).

Kort daarvoor heeft Paulus gezegd dat de strijd niet tegen mensen van vlees en bloed wordt gevoerd. De gemeente wordt geroepen om stand te houden tegenover het kwaad en het goede nieuws te verkondigen van de Koning die vrede brengt. Die vrede wordt zichtbaar wanneer mensen die eerder tegenover elkaar stonden door Jezus met God en met elkaar worden verzoend en samen leren leven als Zijn volk.

 

Het schild van geloof

Daarna noemt Paulus het schild van geloof:
‘en draag daarbij het geloof als schild waarmee u alle brandende pijlen van hem die het kwaad zelf is kunt doven.’
(Efeziërs 6:16)

Al in Genesis zegt God tegen Abram dat Hij zijn schild is (Genesis 15:1), en in de Psalmen wordt God steeds beschreven als degene bij Wie mensen bescherming zoeken.

Geloof heeft binnen de Bijbel te maken met vertrouwen en trouw. In Efeziërs schrijft Paulus over het vertrouwen op Jezus en bidt hij dat Christus door het geloof in de harten van zijn lezers zal wonen, zodat zij geworteld en gegrondvest blijven in de liefde (Efeziërs 3:17). Hun vertrouwen ligt niet in hun eigen vermogen om het kwaad te overwinnen, maar in God en in wat Hij door Jezus heeft gedaan.

Ook bij tegenstand blijft dat vertrouwen op God gericht. Jezus is opgewekt en boven de machten verheven.

 

De helm van redding

Vervolgens schrijft Paulus:
‘Draag de verlossing als helm.’
(Efeziërs 6:17)

Opnieuw klinkt Jesaja 59 mee, waar God Zelf de helm van redding draagt. Paulus neemt hetzelfde beeld over en gebruikt het nu voor Gods volk.

Redding is in Efeziërs vanaf het begin verbonden met wat God in Jezus heeft gedaan. Mensen die dood waren door hun overtredingen worden met Christus levend gemaakt. Paulus schrijft dat zij door genade zijn gered, met Christus zijn opgewekt en in Hem een nieuwe plaats hebben gekregen (Efeziërs 2:4–8).

Redding staat in Efeziërs binnen alles wat God door Jezus aan het herstellen is. Mensen worden uit de macht van zonde en dood gehaald en ontvangen deel aan het nieuwe leven dat in Jezus is begonnen.

In Jesaja 59 zet God de helm van redding op wanneer Hij komt om in te grijpen in een wereld waarin recht en waarheid verloren zijn geraakt. De redding die Paulus zijn lezers als helm laat dragen, komt bij God Zelf vandaan. De gemeente leeft vanuit de redding die God in Jezus heeft gebracht en ziet uit naar de dag waarop Hij alles in Christus zal samenbrengen.

 

Het zwaard van de Geest

Als laatste onderdeel noemt Paulus:
‘en Gods woord als zwaard, dat u van de Geest ontvangt.’
(Efeziërs 6:17)

Het Griekse woord dat Paulus hier voor ‘woord’ gebruikt is rhēma, een woord dat kan verwijzen naar iets wat wordt gesproken of gezegd. Binnen Efeziërs heeft Paulus eerder geschreven over ‘het woord van de waarheid, het evangelie van uw redding’ dat zijn lezers hebben gehoord (Efeziërs 1:13). Het goede nieuws over Jezus heeft deze gemeenschap bereikt en vormt de waarheid waarop haar bestaan rust.

Paulus schrijft in Efeziërs over mensen die worden meegesleept door machten en verlangens die hen van Gods bedoeling verwijderen. Daartegenover roept hij zijn lezers op om hun denken te laten vernieuwen, de leugen af te leggen en de waarheid te spreken. Het woord van de waarheid maakt bekend wat God door Jezus heeft gedaan en dat Jezus de Heer is aan Wie deze gemeenschap toebehoort.

 

De wapenrusting aantrekken en Christus aantrekken

Het beeld van het aantrekken van een wapenrusting gebruikt Paulus ook op andere plaatsen. In Romeinen schrijft hij over de komst van Gods nieuwe dag en roept hij zijn lezers op om ‘de wapens van het licht’ aan te trekken. Enkele regels later zegt hij:
‘Omkleed u met de Heer Jezus Christus.’
(Romeinen 13:14)

Ook in Efeziërs gebruikt Paulus het beeld van iets aantrekken. Daar schrijft hij over het afleggen van de oude mens en het aantrekken van ‘de nieuwe mens’, die naar Gods wil geschapen is in rechtvaardigheid en heiligheid (Efeziërs 4:22–24).

Waarheid, gerechtigheid, vrede en trouw horen bij God en bij de Koning die Hij heeft beloofd. Wanneer Paulus deze beelden gebruikt voor de wapenrusting, verbindt hij ze met het leven van de mensen die bij Jezus horen. De wapenrusting aantrekken hoort zo bij een leven dat steeds meer wordt gevormd naar wie Jezus is en de weg die Hij heeft laten zien.

 

Steeds opnieuw: standhouden

Wanneer de afzonderlijke onderdelen naast elkaar worden gezet, komt één woord steeds terug. Paulus roept zijn lezers meerdere keren op om stand te houden.

Hij schrijft:
‘Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel.’
(Efeziërs 6:11)

Even later schrijft hij:
‘Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, en goed voorbereid stand te kunnen houden.’
(Efeziërs 6:13)

En daarna begint hij opnieuw:
‘Houd stand…’
(Efeziërs 6:14)

Steeds roept Paulus de gemeente op om te blijven staan en weerstand te bieden. De gemeente wordt niet opgeroepen om zelf de overwinning op de machten tot stand te brengen, maar om stand te houden en trouw te blijven aan Jezus.

Paulus richt deze woorden aan de gemeente als geheel. De oproepen om de wapenrusting aan te trekken en stand te houden staan in het meervoud. Door de hele brief heen spreekt hij over één lichaam, over mensen die door Jezus worden samengebracht en over een tempel waarin God door Zijn Geest woont. De wapenrusting is daarom ook een beeld van Gods volk dat samen standhoudt en trouw blijft aan Jezus.

 

Bidden in de Geest

Na het zwaard van de Geest noemt Paulus ook het gebed:
‘Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam en bid voortdurend voor alle heiligen.’
(Efeziërs 6:18)

Zijn lezers worden opgeroepen om waakzaam te blijven, zich bij het bidden door de Geest te laten leiden en voor alle heiligen te bidden. De gemeente houdt samen stand en draagt elkaar in gebed.

Paulus vraagt ook om gebed voor zichzelf. Hij zit gevangen en vraagt zijn lezers dat hem de juiste woorden gegeven worden om vrijmoedig het geheim van het evangelie bekend te maken (Efeziërs 6:19–20). Midden in zijn gevangenschap vraagt hij om vrijmoedigheid om het goede nieuws van Jezus te blijven bekendmaken en trouw te blijven aan de taak die hem is gegeven.

 

Geestelijke strijd vandaag

Eerder in de brief laat Paulus al zien dat geestelijke strijd ook zichtbaar wordt in de manier waarop de gemeente met elkaar leeft. Wanneer hij over boosheid schrijft, waarschuwt hij zijn lezers om de duivel geen kans te geven (Efeziërs 4:26–27). Leugen, bitterheid, woede en vijandschap kunnen mensen opnieuw tegenover elkaar zetten, terwijl Jezus hen samenbrengt in één lichaam. Paulus roept zijn lezers daarom steeds weer terug naar waarheid, vergeving, liefde en het bewaren van de eenheid.

 

Samen standhouden

Aan het einde van Efeziërs komen de lijnen uit de brief samen. Paulus geeft de beelden van Gods wapenrusting aan een gemeenschap die door Jezus is samengebracht en door Zijn Geest wordt gevormd. De waarheid, gerechtigheid, vrede en redding die in Jesaja verbonden zijn met God en Zijn beloofde koning, worden beelden voor het leven van Zijn volk.

Paulus roept deze gemeente steeds op om stand te houden. Dat doet zij samen, door trouw te blijven aan Jezus, te bidden door de Geest en het goede nieuws te blijven verkondigen. Zo leeft Gods volk midden in een wereld waarin het kwaad nog werkzaam is, terwijl het uitziet naar de dag waarop alles in hemel en op aarde in Christus wordt samengebracht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb