Romeinen 1-4: Gods gerechtigheid wordt zichtbaar
Paulus schrijft zijn brief aan gelovigen in Rome. Onder hen zijn Joden en mensen uit andere volken.
Enkele jaren eerder had keizer Claudius Joden uit Rome laten vertrekken. Toen zij later konden terugkeren, kwamen zij terecht in gemeenten waarin inmiddels veel niet-Joodse gelovigen samenkwamen. Binnen deze gemeenten ontstonden spanningen rond Joodse gebruiken en de plaats van de Torah en de besnijdenis.
Tegen deze achtergrond schrijft Paulus over het evangelie en over wat dit betekent voor Joden en andere volken die samen Jezus volgen.
Het evangelie over Jezus
Paulus begint zijn brief met het evangelie van God:
‘Het evangelie dat Hij al bij monde van Zijn profeten in de heilige geschriften heeft beloofd, het evangelie over Zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, aangewezen als Zoon van God en met macht bekleed door de heilige Geest, toen Hij opstond uit de dood: Jezus Christus, onze Heer.’
(Romeinen 1:2–4)
Jezus komt uit het nageslacht van David en wordt vanaf het begin verbonden met de verwachting van de beloofde Koning uit de Schriften van Israël. Paulus schrijft over Zijn opstanding uit de dood en noemt Hem Jezus Christus, onze Heer. Het goede nieuws over de opgestane Jezus richt zich niet alleen op Israël. Ook mensen uit de andere volken worden geroepen om Hem te volgen.
Paulus heeft de opdracht gekregen om dit goede nieuws onder de volken bekend te maken en mensen te brengen tot wat hij ‘gehoorzaamheid van het geloof’ noemt. Dezelfde woorden keren aan het einde van de brief terug en vormen zo een kader rond de brief.
Even later schrijft Paulus:
‘Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken.’
(Romeinen 1:16)
Gods gerechtigheid
Paulus vervolgt:
‘In het evangelie openbaart zich dat God enkel en alleen wie gelooft als rechtvaardige aanneemt, zoals ook geschreven staat: “De rechtvaardige zal leven door geloof.”’
(Romeinen 1:17)
Achter deze woorden staat de Griekse uitdrukking dikaiosynē theou, Gods gerechtigheid. Paulus gebruikt deze woorden wanneer hij spreekt over Gods rechtvaardige handelen. Door de brief heen wordt zichtbaar hoe dit verbonden is met Gods trouw aan Zijn beloften en met de redding die Hij brengt. In de hoofdstukken die volgen werkt Paulus verder uit hoe Gods gerechtigheid in Jezus zichtbaar wordt.
Paulus haalt hier Habakuk 2:4 aan: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’ Daarmee verbindt hij wat hij over het evangelie schrijft met de Schriften van Israël.
De Schepper en het geschapene
Vanaf Romeinen 1:18 beschrijft Paulus een wereld waarin mensen God niet de eer hebben gegeven die Hem als Schepper toekomt en hun aanbidding op het geschapene hebben gericht:
‘Ze hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door beelden van vergankelijke mensen, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren.’
(Romeinen 1:23)
De woorden doen denken aan Genesis 1. Daar schept God mensen, vogels, landdieren en kruipende dieren. De mens wordt gemaakt als Gods beeld en krijgt een plaats en roeping binnen Gods goede wereld.
In Romeinen 1 wordt die orde omgekeerd. Mensen, die geroepen zijn om zelf Gods beeld te dragen, maken beelden van mensen en dieren en geven aan het geschapene de eer die de Schepper toekomt.
Paulus schrijft:
‘Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de Schepper.’
(Romeinen 1:25)
Vanaf Genesis zien we hoe mensen Gods wijsheid loslaten en zelf gaan bepalen wat goed en kwaad is. Kaïn doodt zijn broer, Lamech verheerlijkt geweld, de aarde raakt gevuld met geweld en bij Babel proberen mensen een naam voor zichzelf te maken.
In Romeinen 1 beschrijft Paulus hoe diezelfde menselijke opstand zichtbaar wordt onder de volken. De Schepper wordt ingeruild voor het geschapene en dat werkt door in de manier waarop mensen leven en met elkaar omgaan.
Meer over deze roeping van de mens lees je bij Het beeld van God.
Gods toorn en het overgeven van de mens
Paulus begint dit gedeelte met de woorden:
‘Gods toorn openbaart zich vanuit de hemel over al het kwaad en onrecht van hen die met hun onrecht de waarheid geweld aandoen.’
(Romeinen 1:18)
Vervolgens gebruikt hij drie keer vrijwel dezelfde woorden:
‘Daarom heeft God hen uitgeleverd aan de begeerten van hun hart.’
(Romeinen 1:24)
‘Daarom heeft God hen uitgeleverd aan onterende verlangens.’
(Romeinen 1:26)
En opnieuw schrijft Paulus dat God hen heeft uitgeleverd aan hun verwerpelijke denkbeelden.
(Romeinen 1:28)
Mensen verwisselen Gods majesteit voor beelden van het geschapene en Gods waarheid voor de leugen. Drie keer schrijft Paulus vervolgens dat God hen overgeeft. Hij geeft mensen over aan de weg die zij zelf hebben gekozen en aan wat uit die weg voortkomt.
Datzelfde patroon zien we eerder in de Bijbel. Wanneer Israël andere goden gaat dienen, lezen we verschillende keren dat God het volk overgeeft in de handen van andere volken. Zij kiezen voor de goden van die volken en worden uiteindelijk ook aan die volken overgegeven.
In Romeinen 1 gebruikt Paulus diezelfde beweging wanneer hij over de mensheid spreekt. Mensen keren zich van de Schepper naar het geschapene en God geeft hen over aan de verlangens en denkbeelden die daaruit voortkomen. Dat overgeven is hier een vorm van Gods oordeel.
Waar die weg toe leidt, wordt zichtbaar aan het einde van het hoofdstuk. Paulus noemt onder andere hebzucht, afgunst, moord, ruzie, bedrog, hoogmoed en liefdeloosheid. De afwijzing van de Schepper blijft niet beperkt tot de verhouding tussen God en mens, maar werkt door in menselijke relaties en in de wereld die mensen samen vormen.
En jij die oordeelt?
Na alles wat Paulus in Romeinen 1 over de volken heeft geschreven, verandert in hoofdstuk 2 ineens de richting van zijn woorden. Het is alsof hij zich omdraait naar degene die tot nu toe instemmend heeft meegeluisterd:
‘U bent dus niet te verontschuldigen, wie u ook bent, u die een oordeel velt.’
(Romeinen 2:1)
Wie naar de wereld uit Romeinen 1 kijkt en het kwaad bij anderen herkent, kan zichzelf niet buiten het probleem plaatsen. Paulus spreekt vervolgens over Gods goedheid, geduld en verdraagzaamheid:
‘Beseft u dan niet dat God u door Zijn goedheid tot inkeer wil brengen?’
(Romeinen 2:4)
Gods goedheid geeft ruimte om tot inkeer te komen. Tegelijkertijd laat Paulus zien dat ook het ontvangen en kennen van Gods Torah niet betekent dat Israël buiten het menselijke probleem staat dat hij in Romeinen 1 heeft beschreven.
‘Niet wie de wet slechts aanhoort zal voor God rechtvaardig zijn, maar wie de wet naleeft.’
(Romeinen 2:13)
Israël en de Torah
Vanaf Romeinen 2:17 spreekt Paulus degene aan die zichzelf Jood noemt en op de Torah vertrouwt. Israël heeft Gods woorden ontvangen en was geroepen om als Zijn volk onder de andere volken te leven en Zijn naam daar bekend te maken. Omdat Israël Gods woorden had ontvangen, draagt het juist verantwoordelijkheid voor wat het daarmee doet.
Paulus vraagt vervolgens:
‘U die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel?’
(Romeinen 2:21)
Het kennen van Gods woorden betekent niet dat iemand ernaar leeft. Paulus haalt daarbij woorden uit de profeten aan:
‘Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’
(Romeinen 2:24)
Israël was geroepen om Gods naam onder de volken bekend te maken, maar de eigen Schriften laten ook zien hoe het volk dat Gods woorden had ontvangen steeds opnieuw ontrouw werd.
Besnijdenis van het hart
Daarna richt Paulus zich op de besnijdenis, het teken van Gods verbond met Abraham en zijn familie. Ook dit uiterlijke teken kan de ontrouw van het menselijke hart niet oplossen.
Paulus schrijft:
‘Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is die van het hart. Het is het werk van de Geest, niet van een geschreven regel.’
(Romeinen 2:29)
Paulus grijpt hier terug op Deuteronomium. Daar wordt Israël opgeroepen om het hart te besnijden en zich niet langer tegen God te verzetten. Later spreekt Mozes over een tijd waarin God Zelf het hart van Zijn volk zal besnijden, zodat zij Hem met heel hun hart en heel hun ziel zullen liefhebben. Ook de profeten spreken over een vernieuwd hart en over Gods Geest die mensen van binnenuit vernieuwt.
Paulus komt later in Romeinen uitgebreider terug op het werk van de Geest en de vernieuwing die Hij brengt.
Meer over deze lijn door de Bijbel lees je bij De Heilige Geest.
Gods trouw en menselijke ontrouw
Als Israël Gods woorden heeft ontvangen en toch ontrouw is geweest, ontstaat de vraag wat dit betekent voor Gods beloften. Paulus vraagt:
‘Wat is dan het voordeel van het Jood-zijn, wat is het nut van de besnijdenis?’
(Romeinen 3:1)
Paulus antwoordt dat Israël veel is toevertrouwd:
‘Veel, in alle opzichten. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God Zijn woord heeft toevertrouwd.’
(Romeinen 3:2)
Daarna stelt Paulus een andere vraag:
‘Als sommigen van hen ontrouw zijn geworden, zal hun ontrouw dan de trouw van God tenietdoen?’
(Romeinen 3:3)
Zijn antwoord is:
‘Natuurlijk niet!’
(Romeinen 3:4)
Menselijke ontrouw maakt Gods trouw niet ongedaan. Israël is niet trouw gebleven aan wat God hun had toevertrouwd, maar God blijft trouw aan Zijn beloften. Paulus gaat vervolgens verder met Joden en andere volken, die allebei onder de macht van de zonde blijken te staan.
Joden en andere volken onder de zonde
Paulus brengt vervolgens de lijnen van de eerste hoofdstukken bij elkaar:
‘Zijn wij dan beter? Helemaal niet. Ik heb immers al vastgesteld dat alle mensen, Joden zowel als Grieken, in de macht van de zonde zijn.’
(Romeinen 3:9)
In het Grieks staat hyph’ hamartian: onder de zonde. Paulus spreekt hier niet alleen over zonden die mensen begaan, maar ook over de zonde als een heersende macht waaronder mensen leven. Later in Romeinen werkt hij dit verder uit wanneer hij schrijft over zonde die heerst, mensen tot slaaf maakt en uiteindelijk tot de dood leidt.
Daarmee brengt Paulus Joden en andere volken op hetzelfde punt. Ook Israël, dat Gods woorden en de Torah heeft ontvangen, blijkt niet buiten de macht van de zonde te staan.
Meer over hoe de Bijbel over zonde spreekt lees je bij Zonde en meer over de geestelijke machten die naast zonde en menselijke opstand in de Bijbel in beeld komen lees je bij Geestelijke machten.
‘Er is niemand die God zoekt’
Om dit te onderbouwen haalt Paulus verschillende teksten uit de Schriften aan. Hij begint met woorden uit Psalm 14 en Psalm 53:
‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één,
er is geen mens die verstandig is,
er is geen mens die God zoekt.’
(Romeinen 3:10–11)
In Psalm 14 beschrijft de dichter mensen die leven zonder rekening te houden met God en anderen onrecht aandoen. Tegelijkertijd spreekt dezelfde psalm over ‘de rechtvaardigen’ en eindigt hij met de hoop dat God Zijn volk zal bevrijden.
Paulus gebruikt deze woorden binnen zijn uitleg dat Joden en andere volken samen onder de zonde staan. De woorden uit de Psalm brengen zijn eerdere lijn verder: geen van beide groepen kan zichzelf buiten de menselijke opstand tegen God plaatsen of vanuit een positie van eigen rechtvaardigheid naar de ander wijzen.
De Schriften getuigen ervan
Paulus stopt niet bij Psalm 14. Romeinen 3:10–18 bestaat uit een verzameling teksten uit de Psalmen en Jesaja. Hij spreekt over bedrieglijke tongen, woorden die beschadigen, voeten die zich haasten om bloed te vergieten en mensen die de weg van de vrede niet kennen.
Hij eindigt met woorden uit Psalm 36:
‘Ontzag voor God kennen ze niet.’
(Romeinen 3:18)
Israëls eigen Schriften laten zien dat ook het volk dat de Torah heeft ontvangen deel uitmaakt van het menselijke probleem.
Paulus schrijft:
‘Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God.’
(Romeinen 3:19)
Zowel Israël als de andere volken staan daarmee tegenover God verantwoordelijk voor het kwaad waarvan zij deel uitmaken. Niemand kan zichzelf op grond van een bijzondere positie buiten Gods oordeel plaatsen. Het probleem ligt voor Paulus niet bij de Torah zelf. Later noemt hij de Torah heilig en het gebod heilig, rechtvaardig en goed.
Maar nu
Dan volgen twee woorden die een belangrijk keerpunt vormen: ‘Maar nu.’
Paulus schrijft:
‘Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, is nu ook buiten de wet zichtbaar geworden.’
(Romeinen 3:21)
Hier keert hij terug naar de gerechtigheid van God waarover hij aan het begin van zijn brief schreef. De wereld van de volken is verstrikt geraakt in afgoderij en menselijke opstand en Israël heeft Gods woorden ontvangen, maar blijkt zelf ook onder de zonde te staan.
Daarmee komt Paulus bij wat God Zelf heeft gedaan. Menselijke ontrouw maakt Gods trouw niet ongedaan. In de dood en opstanding van Jezus wordt zichtbaar hoe God handelt tegenover zonde en dood en trouw blijft aan wat Hij aan Abraham en Israël heeft beloofd. Hij schrijft dat de Torah en de Profeten al van Gods gerechtigheid getuigen. In de hoofdstukken die volgen grijpt hij daarom opnieuw terug op de Schriften.
Iedereen heeft gezondigd
Paulus schrijft:
‘Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God.’
(Romeinen 3:23)
Vanaf hoofdstuk 1 heeft Paulus eerst de wereld van de volken beschreven. Daarna laat hij zien dat ook Israël niet buiten deze werkelijkheid staat. Zowel Joden als andere volken staan onder dezelfde zonde.
Maar Paulus stopt niet bij de zonde:
‘en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat Hij ons door Christus Jezus heeft verlost.’
(Romeinen 3:24)
Dezelfde woorden die laten zien dat Joden en andere volken samen onder de zonde staan, gaan meteen verder met Gods genade en de verlossing die Hij door Jezus brengt.
Rechtvaardiging, verlossing en verzoening
Paulus gebruikt verschillende woorden om te beschrijven wat God door Jezus doet. Hij spreekt over rechtvaardiging, een woord met een juridische achtergrond dat gebruikt kan worden wanneer iemand in het gelijk wordt gesteld.
In Romeinen 3–4 verbindt Paulus rechtvaardiging ook met de vraag wie bij Gods volk horen. Joden en mensen uit andere volken worden op dezelfde grond gerechtvaardigd, door geloof. Dat wordt in hoofdstuk 4 verder zichtbaar wanneer Paulus teruggaat naar Abraham. Abraham werd al vóór zijn besnijdenis door geloof gerechtvaardigd en wordt vader van zowel besneden als onbesneden gelovigen.
Daarnaast spreekt Paulus over verlossing. Het Griekse woord apolytrōsis draagt de gedachte van bevrijding in zich. Deze taal heeft diepe wortels in de Schriften van Israël. God bevrijdt Israël uit de slavernij in Egypte en brengt het volk naar Zich toe. Verlossing gaat daarmee over bevrijding uit een macht die mensen gevangenhoudt.
Die lijn wordt later in Romeinen verder uitgewerkt. Paulus beschrijft de zonde als een macht die over mensen heerst en hen tot slaaf maakt. Door Jezus worden mensen uit die slavernij bevrijd om in een nieuw leven met God te leven.
Vervolgens gebruikt Paulus het woord hilastērion:
‘Hij is door God aangewezen om door Zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft.’
(Romeinen 3:25)
In de Griekse vertaling van de Torah wordt hilastērion gebruikt voor het verzoendeksel op de ark van het verbond. Op de Grote Verzoendag werd daar bloed gebracht in verband met de verzoening en reiniging van Israël. Paulus gebruikt hier dus een woord dat zijn lezers terugbrengt naar de tabernakel en de Grote Verzoendag.
De God van Joden en andere volken
Paulus vraagt vervolgens:
‘Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten.’
(Romeinen 3:27)
Als zowel Jood als niet-Jood onder de zonde staat en Gods redding een gave is, kan de ene groep zich niet boven de andere verheffen.
Daarna vraagt Paulus:
‘Is God soms alleen de God van de Joden en niet ook die van de andere volken? Zeker ook die van de andere volken.’
(Romeinen 3:29)
Paulus grijpt terug op Israëls belijdenis dat er één God is. Die ene God is niet alleen de God van de Joden, maar ook van de andere volken. Daarmee komt opnieuw de belofte aan Abraham in beeld, door wie Gods zegen uiteindelijk alle volken zou bereiken. In hoofdstuk 4 gaat Paulus verder met Abraham en de familie die God hem heeft beloofd.
Paulus eindigt hoofdstuk 3 met nog een vraag:
‘Stellen wij door het geloof de wet buiten werking?’
(Romeinen 3:31)
Zijn antwoord is:
‘Integendeel, wij bevestigen de wet juist.’
(Romeinen 3:31)
Wat Paulus over geloof en rechtvaardiging heeft geschreven, betekent niet dat de Torah haar betekenis verliest. In hoofdstuk 4 gaat hij terug naar Abraham en naar wat God hem heeft beloofd.
Terug naar Abraham
In hoofdstuk 4 gaat Paulus terug naar Abraham en naar wat God hem heeft beloofd. In Genesis roept God Abraham na de verspreiding van de volken bij Babel. Hij belooft hem een grote familie, een land en zegen, en door Abraham zullen uiteindelijk alle volken van de aarde gezegend worden.
Wanneer Abraham later nog steeds geen zoon heeft, neemt God hem mee naar buiten en wijst Hij hem op de sterren. God belooft hem een familie die hij zelf niet tot stand kan brengen.
Dan lezen we:
‘Abram vertrouwde op de HEER en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad.’
(Genesis 15:6)
Paulus haalt ook Gods woorden aan Abraham aan:
‘Ik heb u tot vader van vele volken gemaakt.’
(Romeinen 4:17)
Abraham wordt de vader van zowel besneden als onbesneden gelovigen. De familie die God hem beloofde bestaat uit mensen uit Israël en uit de andere volken die, net als Abraham, op God vertrouwen.
Meer over deze lijn van Abraham naar de volken lees je bij Uitverkiezing.
De God die leven geeft
Paulus legt vervolgens nadruk op de situatie waarin Abraham en Sara zich bevonden. God had een grote familie beloofd, terwijl zij oud waren en geen kind hadden. Abraham moest vertrouwen op een belofte die hij zelf niet tot vervulling kon brengen.
Paulus beschrijft God als:
‘de God die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat.’
(Romeinen 4:17)
Abraham vertrouwde op God, ook al leek de vervulling van Gods belofte onmogelijk. Paulus verbindt dat vertrouwen met de opstanding van Jezus: de God op wie Abraham vertrouwde, is dezelfde God die Jezus uit de dood heeft opgewekt.
Paulus schrijft uiteindelijk:
‘Wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in Hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt.’
(Romeinen 4:24)
Gods gerechtigheid wordt zichtbaar
In Romeinen 1–4 komen verschillende lijnen samen die al aan het begin van de Bijbel worden uitgezet. God schept een goede wereld en maakt de mens als Zijn beeld, maar mensen richten hun vertrouwen en aanbidding op het geschapene en gaan wegen die steeds verder van Gods goede bedoeling af komen te staan.
Na Babel roept God Abraham en belooft Hij dat door hem zegen naar de volken zal komen. Uit zijn familie ontstaat Israël, dat Gods woorden en de Torah ontvangt. Ook Israël maakt onderdeel uit van het menselijke probleem dat Paulus beschrijft.
Menselijke ontrouw maakt Gods trouw niet ongedaan. Waar mensen ontrouw zijn, gaat Jezus als Israëls Messias de weg van trouw. Door Jezus’ dood en opstanding brengt God redding en komen Zijn beloften tot hun doel. Paulus spreekt over rechtvaardiging, bevrijding en verzoening en keert terug naar Abraham en de belofte van een familie uit vele volken.
Paulus begon met het evangelie over Jezus en met de woorden dat daarin Gods gerechtigheid zichtbaar wordt. Aan het einde van hoofdstuk 4 richt hij de aandacht op de God die Jezus uit de dood heeft opgewekt. De God op wie Abraham vertrouwde, is dezelfde God op wie ook Joden en mensen uit andere volken worden geroepen te vertrouwen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb