Het onze Vader
Het Onze Vader is een van de bekendste gebeden uit de Bijbel. De woorden zijn voor veel mensen vertrouwd. Jezus leert dit gebed aan Zijn leerlingen midden in de Bergrede, waar Hij spreekt over het leven in Gods Koninkrijk.
Hoewel het gebed uit maar een paar zinnen bestaat, komt er veel in samen. De woorden die Jezus Zijn leerlingen leert hebben diepe wortels in de Bijbel en raken aan veel grotere thema’s die daar doorheen lopen. Daardoor krijgt ieder deel van dit korte gebed veel meer betekenis wanneer het binnen die grotere samenhang wordt gelezen.
Wat betekenen deze bekende woorden eigenlijk? Welke achtergrond ligt er achter dit gebed? Waarom leert Jezus Zijn leerlingen op deze manier bidden? En hoe past het Onze Vader binnen de grote lijn van de Bijbel?
Midden in de Bergrede
Jezus leert het Onze Vader aan Zijn leerlingen midden in de Bergrede. In het gedeelte eromheen spreekt Hij over geven, bidden en vasten. Het zijn bekende praktijken binnen het Joodse geloof. Bij alle drie wijst Jezus Zijn leerlingen steeds op hun Vader, Die ziet wat in het verborgene gebeurt.
Wanneer Jezus over gebed spreekt, waarschuwt Hij voor een manier van bidden waarbij veel woorden worden gebruikt vanuit de gedachte dat God daardoor zal luisteren. Hij zegt:
‘Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het Hem vragen.’
(Matteüs 6:8)
Direct daarna zegt Jezus: ‘Bid daarom als volgt.’
Het Onze Vader staat midden in Jezus’ onderwijs over het leven in Gods Koninkrijk. Het gebed begint bij de Vader en bij Zijn naam, Zijn Koninkrijk en Zijn wil. Daarna leert Jezus Zijn leerlingen bidden voor wat zij iedere dag nodig hebben, voor vergeving en voor bevrijding van het kwaad.
Onze Vader in de hemel
‘Onze Vader in de hemel.’
(Matteüs 6:9)
Door de hele Bergrede heen spreekt Jezus over God als Vader. Bij Zijn doop wordt Jezus door God Zijn geliefde Zoon genoemd (Matteüs 3:16–17). Nu leert Hij Zijn leerlingen om samen tot God te bidden als hun Vader.
Jezus begint met ‘Onze Vader’. Ook verderop in het gebed spreekt Hij steeds over ‘ons’. Geef ons brood, vergeef ons onze schulden, breng ons niet in beproeving en red ons van het kwaad. Wanneer Zijn leerlingen bidden, nemen zij ook elkaar mee in wat ze aan God vragen.
Jezus heeft hun al verteld dat hun hemelse Vader hen kent en weet wat zij nodig hebben, nog voordat ze Hem iets vragen (Matteüs 6:8). Ze mogen in vertrouwen tot Hem komen.
Laat Uw naam geheiligd worden
‘Laat Uw naam geheiligd worden.’
(Matteüs 6:9)
Wanneer God Israël uit Egypte heeft bevrijd, brengt Hij het volk naar de Sinaï. Daar roept Hij Israël om Zijn kostbaar bezit, een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn (Exodus 19:4–6).
Kort daarna geeft God de Tien Woorden. Een daarvan gaat over Zijn naam:
‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie Zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan.’
(Exodus 20:7)
In dit gebod waarschuwt God Israël om Zijn naam niet te misbruiken. Het Hebreeuwse woord nasa betekent dragen of optillen. Israël is het volk dat bij de HEER hoort. De manier waarop zij leven en God vertegenwoordigen, heeft invloed op hoe Gods naam onder de andere volken bekend wordt.
Later lezen we bij Ezechiël dat Israël in ballingschap is terechtgekomen. Gods heilige naam is onder de volken ontwijd. God zegt dat Hij Zijn naam opnieuw zal heiligen. Hij zal Zijn volk verzamelen, reinigen en hun een nieuw hart geven. Ook belooft Hij Zijn Geest in hen te leggen, zodat zij weer naar Zijn woorden kunnen leven (Ezechiël 36:16–28).
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden dat Gods naam geheiligd wordt, vragen zij dat Zijn naam als heilig erkend zal worden. In de Bergrede heeft Jezus hun ook geleerd om zo te leven dat anderen hun goede daden zien en hun Vader in de hemel eren (Matteüs 5:16).
Jezus laat Zelf zien wat het betekent om Gods naam te eren. In alles wat Hij zegt en doet, maakt Hij bekend Wie Zijn Vader is. Wanneer Hij Zijn leerlingen leert bidden dat Gods naam geheiligd wordt, nodigt Hij hen ook uit om zo te leven dat anderen door hen hun hemelse Vader leren kennen.
Meer over wat het betekent om Gods naam te dragen lees je in De Tien Geboden.
Laat Uw Koninkrijk komen
‘Laat Uw Koninkrijk komen.’
(Matteüs 6:10)
Al in Genesis lezen we dat God de hemel en de aarde schept. Hij maakt de mens naar Zijn beeld en geeft hem de verantwoordelijkheid om namens Hem over de aarde te heersen en voor Zijn schepping te zorgen (Genesis 1:26–28).
Als Gods beeld wordt de mens geroepen om Gods wijsheid en karakter te weerspiegelen in de manier waarop hij leeft en met Zijn schepping omgaat.
Maar in Genesis 3 kiezen de mensen ervoor om hun eigen weg te gaan en zelf te bepalen wat goed en kwaad is. In de hoofdstukken die volgen, zien we hoe geweld en onrecht steeds verder toenemen.
Toch laat God Zijn schepping niet los. De profeten spreken over een tijd waarin God recht zal doen, Zijn volk zal herstellen en Zelf als Koning zal regeren.
Wanneer Jezus Zijn verkondiging begint, zegt Hij:
‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’
(Matteüs 4:17)
Jezus geneest zieken, bevrijdt mensen uit de macht van het kwaad, vergeeft zonden en zoekt mensen op die aan de rand van de samenleving staan. Hij laat zien hoe het leven eruitziet wanneer God als Koning regeert.
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden om de komst van Gods Koninkrijk, leert Hij hen verlangen naar een wereld waarin Gods goede heerschappij overal zichtbaar wordt en mensen leven zoals Hij het vanaf het begin heeft bedoeld.
Daarom leert Hij hen ook bidden dat Gods wil op aarde gedaan wordt zoals in de hemel.
Meer over hoe de lijn van Gods Koninkrijk vanaf Genesis via Israël naar Jezus en Gods vernieuwde schepping loopt lees je in Gods Koninkrijk.
Laat Uw wil gedaan worden
‘Laat Uw wil gedaan worden,
op aarde zoals in de hemel.’
(Matteüs 6:10)
In Genesis 2 en 3 lezen we hoe God de mens een plaats geeft in de tuin van Eden. Hij mag vrij eten van de bomen, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad. Wanneer de slang Gods woorden ter discussie stelt, kiest de mens ervoor om zelf te nemen wat hem goed lijkt.
De vraag die in Eden naar voren komt, blijft door de Bijbel heen terugkeren. Zullen mensen op Gods wijsheid vertrouwen en Zijn weg gaan, ook wanneer hun eigen verlangens hen een andere richting op trekken?
Later in Matteüs bevindt Jezus Zich opnieuw in een tuin. In Getsemane weet Hij wat Hem te wachten staat en bidt Hij:
‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’
(Matteüs 26:39)
Jezus spreekt Zijn eigen verlangen uit en vertrouwt Zich toe aan de wil van Zijn Vader. Waar mensen vanaf het begin steeds opnieuw hun eigen weg zijn gegaan, blijft Jezus trouw aan Zijn Vader. Hij gaat de weg die voor Hem ligt en doet Zelf wat Hij Zijn leerlingen heeft leren bidden.
Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben
‘Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.’
(Matteüs 6:11)
Wanneer Israël uit Egypte is bevrijd, trekt het volk door de woestijn. Daar is geen voedsel en het volk begint te klagen. God geeft hun manna uit de hemel. Iedere familie mag verzamelen wat zij voor die dag nodig heeft. Alleen voor de sabbat ontvangen zij genoeg voor twee dagen (Exodus 16).
Later herinnert Mozes Israël eraan waarom God hen deze periode heeft laten meemaken. Ze moesten leren dat een mens niet alleen van brood leeft, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt (Deuteronomium 8:2–3).
Wanneer Jezus veertig dagen in de woestijn heeft gevast en honger krijgt, haalt Hij precies deze woorden aan (Matteüs 4:1–4). Net als Israël wordt Hij op de proef gesteld. Hij blijft vertrouwen op Zijn Vader en weigert om op het voorstel van de verleider in te gaan.
Nu leert Jezus Zijn leerlingen om hun Vader te vragen om het brood dat zij vandaag nodig hebben. Zoals Israël iedere dag afhankelijk was van wat God gaf, zo mogen ook zij op Hem vertrouwen voor hun dagelijkse behoeften.
Verderop in de Bergrede wijst Jezus op de vogels die door hun hemelse Vader worden gevoed. Hij herinnert Zijn leerlingen eraan dat hun Vader weet wat zij nodig hebben (Matteüs 6:25–32).
Vergeef ons onze schulden
‘Vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.’
(Matteüs 6:12)
Jezus gebruikt hier het woord ‘schulden’. Daarmee spreekt Hij over wat mensen tegenover God en tegenover elkaar verkeerd hebben gedaan. Dat zien we ook direct na het gebed, wanneer Jezus spreekt over het vergeven van misstappen (Matteüs 6:14–15).
In de Torah lezen we al over het kwijtschelden van schulden. In Deuteronomium 15 krijgt Israël de opdracht om iedere zeven jaar schulden kwijt te schelden. Ook in Leviticus 25 lezen we over het jubeljaar. Mensen die door armoede hun land waren kwijtgeraakt of zichzelf als arbeider hadden moeten verkopen, konden weer vrijkomen en terugkeren naar hun familie en bezit.
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden om vergeving, gebruikt Hij het beeld van een schuld die wordt kwijtgescholden. Tegelijkertijd leert Hij hun om zelf anderen te vergeven. Eerder in de Bergrede heeft Hij gesproken over het liefhebben van vijanden en het bidden voor mensen die hen vervolgen (Matteüs 5:38–44).
Direct na het Onze Vader zegt Jezus:
‘Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven.’
(Matteüs 6:14)
Later vertelt Jezus over een dienaar aan wie een enorme schuld wordt kwijtgescholden. Wanneer een ander hem een veel kleiner bedrag schuldig is, weigert hij die schuld kwijt te schelden (Matteüs 18:23–35).
Jezus waarschuwt dat wie anderen hun misstappen niet vergeeft, zelf ook geen vergeving van de Vader zal ontvangen (Matteüs 6:14–15). Zijn woorden laten zien hoe belangrijk vergeving is in het leven van Zijn leerlingen. Wie Gods barmhartigheid ontvangt, wordt geroepen om ook zelf barmhartig te zijn tegenover anderen.
Breng ons niet in beproeving
‘En breng ons niet in beproeving,
maar red ons van het kwaad.’
(Matteüs 6:13)
Het Griekse woord peirasmos kan verwijzen naar een beproeving of een situatie waarin iemand in verleiding komt om een verkeerde weg te kiezen.
Maar waarom leert Jezus Zijn leerlingen bidden dat God hen niet in beproeving brengt? Jakobus schrijft dat God niemand tot het kwaad verleidt (Jakobus 1:13). Toch lezen we in de Bijbel ook hoe mensen op de proef worden gesteld en moeten leren om op God te vertrouwen.
Dat zien we al in Genesis 3, wanneer de slang Gods woorden ter discussie stelt en de mens een andere weg voorhoudt.
Ook Israël wordt in de woestijn op de proef gesteld. Nadat God het volk uit Egypte heeft bevrijd, trekt Israël door de woestijn. Daar moet het volk leren om op God te vertrouwen voor voedsel, water en de weg die Hij wijst. Steeds opnieuw blijkt hoe moeilijk Israël dat vindt.
Ook Jezus gaat na Zijn doop de woestijn in (Matteüs 3:13–4:11). Net als Israël gaat Hij door het water en komt Hij daarna in de woestijn. Israël verbleef daar veertig jaar en Jezus verblijft er veertig dagen. Daar wordt Hij door de duivel op de proef gesteld.
De antwoorden die Jezus geeft, komen alle drie uit Deuteronomium, uit gedeelten waarin Mozes terugkijkt op Israëls tijd in de woestijn. Waar Israël moeite had om op God te vertrouwen, blijft Jezus Zijn Vader trouw. Hij leeft van Gods woord, stelt God niet op de proef en weigert iemand anders dan Hem te dienen.
Aan het einde van Matteüs komt dezelfde taal opnieuw terug. In Getsemane weet Jezus wat Hem te wachten staat. Terwijl Hij bidt tot Zijn Vader, zegt Hij tegen Zijn leerlingen:
‘Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’
(Matteüs 26:41)
De leerlingen vallen in slaap en wanneer Jezus wordt gevangengenomen, vluchten ze weg. Jezus blijft Zijn Vader trouw en gaat de weg die voor Hem ligt.
Jezus leert Zijn leerlingen om hun eigen kwetsbaarheid te erkennen en hun Vader te vragen hen te bewaren wanneer zij op de proef worden gesteld, zodat zij Hem trouw kunnen blijven.
De woorden ‘breng ons niet in beproeving’ horen bij wat daarna volgt: ‘maar red ons van het kwaad.’
Red ons van het kwaad
Jezus leert Zijn leerlingen ook bidden dat hun Vader hen van het kwaad redt. Het Griekse tou ponērou kan zowel ‘het kwaad’ als ‘de boze’ betekenen.
In Genesis 3 zien we hoe de slang de mens probeert af te brengen van Gods woorden. Ook Jezus wordt in de woestijn door de duivel op de proef gesteld. De verleider probeert Hem ertoe te brengen een andere weg te kiezen, maar Jezus blijft trouw aan Zijn Vader.
Het kwaad komt in de Bijbel naar voren in de keuzes die mensen maken en in de geestelijke tegenstand waarmee zij te maken krijgen. Jezus leert Zijn leerlingen om ook hierin hun vertrouwen op de Vader te stellen en Hem te vragen hen te bewaren en te bevrijden.
Meer over de slang, de duivel en geestelijke tegenstand lees je in Geestelijke machten.
Het hele gebed bij elkaar
Wanneer Jezus Zijn leerlingen het Onze Vader leert bidden, begint Hij bij hun Vader in de hemel. Ze mogen Hem vragen om wat zij iedere dag nodig hebben, om vergeving en om bescherming wanneer zij op de proef worden gesteld.
Tegelijk leren ze om verder te kijken dan hun eigen leven. Ze bidden dat Gods naam geheiligd wordt, Zijn Koninkrijk komt en Zijn wil op aarde gedaan wordt zoals in de hemel.
In Jezus zien we wat het betekent om op de Vader te vertrouwen en Zijn wil te doen. In de woestijn blijft Hij trouw wanneer Hij op de proef wordt gesteld. In Getsemane legt Hij Zijn leven in de handen van Zijn Vader, ook wanneer de weg die voor Hem ligt naar het kruis leidt.
Het Onze Vader leert ons om met alles wat we nodig hebben bij God te komen en ons leven op Hem te richten. Terwijl we bidden om de komst van Gods Koninkrijk, leren we om op onze Vader te vertrouwen, elkaar te vergeven en te leven naar de woorden van Jezus.
Maak jouw eigen website met JouwWeb