Welvaart en voorspoed
De Bijbel spreekt veel over zegen, overvloed en de goede dingen die God geeft. Tegelijkertijd waarschuwt de Bijbel steeds voor wat er kan gebeuren wanneer bezit de plaats inneemt van vertrouwen op God. Mensen kunnen veel hebben en toch ver van Hem vandaan leven, terwijl mensen die Hem trouw volgen te maken kunnen krijgen met armoede, ziekte, verlies en lijden.
Ook vandaag worden binnen delen van het christendom geloof, gehoorzaamheid en geven verbonden met de verwachting van gezondheid, financieel succes en materiële voorspoed. Bijbelteksten over zegen, oogst en overvloed kunnen worden gelezen als beloften voor iedere gelovige.
Wat bedoelt de Bijbel eigenlijk met zegen en voorspoed? Belooft God gezondheid en materiële rijkdom aan mensen die Hem trouw volgen? En wat leren Jezus en de apostelen over bezit, overvloed, gebrek en de manier waarop mensen omgaan met wat hun is toevertrouwd?
God zegent Zijn goede schepping
De eerste keer dat de Bijbel over zegen spreekt, zijn we in Genesis 1. Nog voordat Abraham, Israël, het beloofde land of materiële rijkdom in beeld komen, zegent God Zijn goede schepping.
God schept een wereld waarin leven kan groeien en bloeien. Hij brengt orde, vult de zee met levende wezens, de hemel met vogels en het land met planten, bomen en dieren. Steeds opnieuw ziet God dat wat Hij heeft gemaakt goed is.
Wanneer God de dieren in de zee en de vogels in de lucht maakt, lezen we:
‘God zegende ze met de woorden: “Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.”’
(Genesis 1:22)
Zegen wordt verbonden met leven dat God geeft en dat zich verder mag vermenigvuldigen. Even later wordt ook de mens gezegend:
‘Hij zegende hen en zei tegen hen: “Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.”’
(Genesis 1:28)
Wanneer God mensen voor het eerst zegent, geeft Hij hun leven, voedsel en een plaats in Zijn wereld. Als Gods beeld mogen zij Hem in die wereld vertegenwoordigen, genieten van wat Hij geeft en verantwoordelijkheid dragen voor wat Hij hun toevertrouwt.
In Genesis 2 wordt verder beschreven wat God de mens geeft. Hij plant een tuin met bomen die mooi zijn om te zien en waarvan de vruchten goed zijn om te eten. Een rivier stroomt vanuit Eden en bevloeit het land. De mens ontvangt een plek waar alles aanwezig is om te leven en krijgt de opdracht de tuin te bewerken en erover te waken (Genesis 2:8–15).
Psalm 104 beschrijft God als de Gever van wat leeft. Hij geeft water aan het land, laat gras groeien voor de dieren en gewassen voor de mens. Mens en dier ontvangen hun voedsel en hun levensadem van Hem (Psalm 104:10–15, 27–30).
Wanneer ontvangen grijpen wordt
In Genesis 3 leeft de mens in een wereld waarin God overvloedig heeft gegeven. In de tuin groeien allerlei bomen die mooi zijn om te zien en waarvan de vruchten goed zijn om te eten. Te midden van die overvloed staat één grens. God zegt dat de mens niet mag eten van de boom van kennis van goed en kwaad (Genesis 2:16–17).
De slang zaait twijfel over Gods woorden en wekt de indruk dat God iets goeds achterhoudt. Terwijl God een tuin vol voedsel heeft gegeven, komt de aandacht te liggen op dat ene wat niet genomen mag worden.
De vrouw kijkt vervolgens naar de boom:
‘De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan.’
(Genesis 3:6)
Nu neemt de mens zelf van de boom die goed lijkt om van te eten en aantrekkelijk is om te zien. De vrouw verlangt naar de wijsheid die de boom haar lijkt te geven, vertrouwt niet langer op Gods wijsheid, maar bepaalt zelf wat goed is.
Dat patroon komt in de hoofdstukken daarna steeds terug. Kaïn wordt boos wanneer zijn offer niet wordt aanvaard en doodt zijn broer. Lamech gebruikt geweld en bezingt zijn eigen wraak. Voor de vloed is de aarde uiteindelijk gevuld met geweld (Genesis 4:1–24; 6:11).
Bij Babel krijgt dit patroon opnieuw een andere vorm. Mensen bouwen samen een stad en een toren en zeggen:
‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’
(Genesis 11:4)
God had de mens vanaf het begin leven gegeven, een plaats in Zijn wereld en de roeping om de aarde te vullen. Bij Babel zoeken mensen hun veiligheid op hun eigen manier en willen zij voor zichzelf een naam maken. Daarna roept God Abram en zegt Hij dat Hij zijn naam groot zal maken. God belooft Abraham te zegenen en door hem heen ook de volken te bereiken.
Gezegend om tot zegen te zijn
God roept Abraham weg uit zijn land en belooft hem een land, een grote familie en Zijn zegen:
‘Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. [...] Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
(Genesis 12:2–3)
Door hem heen wil God ook de volken zegenen. Hij ontvangt ook vee en bezit en wordt uiteindelijk zeer rijk (Genesis 13:2; 24:35).
Tegelijkertijd zien we in Genesis dat veel bezit niet betekent dat iemand trouw aan God leeft. Ook Lot bezit grote kudden (Genesis 13:5–6) en in dezelfde verhalen komen mensen voor die veel bezitten terwijl zij ver verwijderd leven van Gods bedoeling.
Bij Abraham komt opnieuw de vraag naar voren waarop hij zijn vertrouwen stelt. Wanneer hij na een overwinning de koning van Sodom ontmoet, weigert hij iets van hem aan te nemen:
‘Ik zweer bij de HEER, bij God, de Allerhoogste, de schepper van hemel en aarde, dat ik niets van u zal aannemen, zelfs geen draad of schoenriem, want ik wil niet dat u kunt zeggen: “Ik ben het die Abram rijk heeft gemaakt.”’
(Genesis 14:22–23)
Abraham weigert zijn rijkdom uit de handen van de koning van Sodom te ontvangen.
God heeft hem een grote familie beloofd, terwijl Abraham en Sara lange tijd geen kind krijgen. Hij heeft een land beloofd, terwijl Abraham daar jarenlang als vreemdeling woont. Abraham leeft jarenlang met Gods belofte terwijl hij nog niet ziet hoe die volledig vervuld zal worden.
Ook Jakob heeft Gods zegen beloofd gekregen en probeert die verschillende keren zelf naar zich toe te trekken. Uiteindelijk ontvangt hij de zegen van God.
Aan het einde van Genesis komt Jozef door allerlei moeilijke omstandigheden in Egypte terecht. Uiteindelijk krijgt hij daar een positie waarin hij tijdens een zware hongersnood voedsel kan bewaren en uitdelen. Wat Jozef ontvangt aan wijsheid en verantwoordelijkheid wordt gebruikt om tijdens de hongersnood vele levens te bewaren (Genesis 41–47).
Een goed land om in te leven
Wanneer Abrahams familie in Exodus opnieuw in beeld komt, leeft Israël als slaaf in Egypte. Farao gebruikt het volk voor zijn bouwprojecten en maakt hun leven steeds zwaarder. God ziet hun ellende, hoort hun hulpgeroep en bevrijdt hen uit de macht van Egypte.
Daarna brengt Hij Israël naar de Sinaï. Daar sluit Hij een verbond met het volk en leert Hij hen hoe zij als Zijn volk mogen leven. Uiteindelijk brengt Hij hen naar het land dat Hij aan Abraham had beloofd.
Dat land wordt beschreven als een goede plaats waar volop voedsel kan groeien:
‘Want de HEER, uw God, brengt u naar een goed land, een land met beken en bronnen, met waterstromen die ontspringen in dalen en op de bergen, een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgen en granaatappels, een land met olijven en honing, een land waar u brood kunt eten zo veel u wilt, waar u niets tekortkomt.’
(Deuteronomium 8:7–9)
In het land leert God Israël ook om te zorgen voor armen, vreemdelingen, weduwen en wezen. Boeren mogen hun akkers niet tot aan de rand afmaaien en wat na de oogst achterblijft niet opnieuw verzamelen. Dat blijft liggen voor mensen die weinig hebben (Leviticus 19:9–10; Deuteronomium 24:19–22).
In Egypte eiste farao steeds meer productie van de Israëlieten. Zelfs toen zij zelf het stro voor de stenen moesten verzamelen, bleef dezelfde hoeveelheid stenen van hen gevraagd worden (Exodus 5:6–18). Na hun bevrijding leert God Israël iedere zevende dag het werk neer te leggen. Zonen en dochters, slaven, vreemdelingen en dieren delen allemaal in die rust (Deuteronomium 5:12–15). Het leven in het land hoeft niet te worden beheerst door steeds meer produceren en verzamelen.
Dat komt ook terug in de wetten over schulden en het land. Iedere zeven jaar moeten schulden binnen Israël worden kwijtgescholden en Israëlieten die door armoede in slavernij terecht zijn gekomen, mogen niet met lege handen worden weggestuurd (Deuteronomium 15:1–15). Leviticus spreekt daarnaast over het jubeljaar, waarin land terugkeert naar de oorspronkelijke familie en mensen die zichzelf vanwege armoede hebben moeten verkopen weer vrij kunnen worden (Leviticus 25).
Het land dat Israël ontvangt blijft uiteindelijk van God.
‘Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort Mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij Mij te gast zijn.’
(Leviticus 25:23)
Israël mag het land bewonen, bewerken en van de opbrengst genieten. Het land blijft van God en is hun toevertrouwd.
In Deuteronomium zegt Mozes dat er onder Israël geen armen hoeven te zijn, omdat God het volk in het land zal zegenen (Deuteronomium 15:4–6). Enkele verzen later wordt rekening gehouden met de werkelijkheid dat er armen in het land zullen zijn en wordt Israël opgeroepen de hand wijd voor hen te openen (Deuteronomium 15:7–11).
Wanneer overvloed een gevaar wordt
Vlak voordat Israël het beloofde land binnengaat, waarschuwt Mozes voor het gevaar van overvloed.
In de woestijn was Israël iedere dag afhankelijk van God voor voedsel en water. In het land zal het volk genoeg te eten hebben, goede huizen bouwen en steeds meer vee, zilver en goud bezitten. Mozes zegt:
‘Wanneer u daar volop te eten hebt en mooie huizen bouwt, wanneer u steeds meer runderen, schapen en geiten, zilver en goud krijgt, wanneer uw hele bezit toeneemt, mag u daardoor niet hoogmoedig worden en de HEER, uw God, vergeten.’
(Deuteronomium 8:12–14)
Wanneer het volk in overvloed leeft, kan het vergeten van Wie het alles heeft ontvangen. Mozes vervolgt:
‘En u moet niet bij uzelf denken: Al die voorspoed hebben we op eigen kracht verworven!’
(Deuteronomium 8:17)
Mozes herinnert het volk aan God Die hen uit Egypte heeft bevrijd, door de woestijn heeft geleid en hun het vermogen geeft om welvaart te verwerven (Deuteronomium 8:14–18).
In Deuteronomium 28 worden vruchtbaarheid, oogst, voedsel en veiligheid genoemd als zegeningen die Israël in het land kan ontvangen. Wanneer het volk zich van God afkeert, volgen uiteindelijk verlies van het land en ballingschap.
Salomo ontvangt wijsheid, rijkdom en aanzien. Tijdens zijn regering groeit de rijkdom van het koninkrijk en komen mensen van ver om zijn wijsheid te horen (1 Koningen 10).
De beschrijving van Salomo doet denken aan de woorden over de koning in Deuteronomium. De koning van Israël mocht geen grote aantallen paarden verzamelen, veel vrouwen nemen of grote hoeveelheden zilver en goud vergaren (Deuteronomium 17:16–17). Bij Salomo nemen deze dingen steeds verder toe. Hij verzamelt paarden en strijdwagens, bezit enorme hoeveelheden goud en heeft vele vrouwen, die uiteindelijk zijn hart van de HEER afbrengen (1 Koningen 10:14–11:8).
Later spreken de profeten over mensen die in grote welvaart leven terwijl anderen worden uitgebuit. Amos beschrijft mensen die op ivoren bedden liggen, uitgebreid eten en wijn drinken, terwijl zij zich niet bekommeren om de ondergang om hen heen (Amos 6:4–6). Elders spreekt hij over mensen die armen vertrappen en uitkijken naar het moment waarop zij weer graan kunnen verkopen en winst kunnen maken (Amos 8:4–6).
Voorspoed zegt niet alles
In Spreuken wordt wijs leven regelmatig verbonden met goede gevolgen. Wie eerlijk werkt, zorgvuldig met bezit omgaat, vrijgevig is en naar wijsheid luistert, kan daarvan de vruchten ervaren. Luiheid, hebzucht en oneerlijkheid brengen vaak schade met zich mee.
Zo lezen we:
‘Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker,
wie gierig is, komt nog tekort.’
(Spreuken 11:24)
Even later staat:
‘Wie vrijgevig is, wordt verzadigd,
wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.’
(Spreuken 11:25)
Rijkdom die door bedrog of uitbuiting wordt verkregen, wordt in Spreuken afgewezen. Ook wordt een goede naam kostbaarder genoemd dan bezit:
‘Een goede naam is te verkiezen boven grote rijkdom,
waardering boven zilver en goud.’
(Spreuken 22:1)
Job laat een andere kant zien. Iemand kan trouw aan God leven en toch te maken krijgen met verlies, ziekte en lijden.
Aan het begin van Job wordt hij beschreven als een rechtschapen en onberispelijk mens die ontzag heeft voor God. Hij is ook zeer rijk. Vervolgens verliest hij in korte tijd zijn bezit, zijn kinderen en zijn gezondheid (Job 1–2).
Jobs vrienden proberen zijn lijden te verklaren. Zij gaan ervan uit dat God rechtvaardige mensen zegent en mensen die kwaad doen straft. Daarom denken zij dat Job iets gedaan moet hebben waardoor dit hem overkomt. Job blijft volhouden dat dit niet zo is.
Aan het einde wijst God Jobs vrienden terecht, omdat zij niet juist over Hem hebben gesproken (Job 42:7). Hun verklaring voor Jobs lijden blijkt niet te kloppen.
In Psalm 73 zien we bijna het tegenovergestelde. De dichter kijkt naar mensen die God niet zoeken en ziet dat het hun goed lijkt te gaan:
‘Zo zijn de goddelozen ten voeten uit,
ze verrijken zich, onverstoorbaar.’
(Psalm 73:12)
Daardoor begint hij zich af te vragen wat het betekent om trouw aan God te leven. Mensen die zich niets van God aantrekken lijken voorspoedig te zijn, terwijl hij zelf moeite en tegenslag kent. Wanneer hij Gods heiligdom binnengaat, verandert zijn blik. Hij ziet dat hun voorspoed niet het laatste woord heeft en richt zijn vertrouwen opnieuw op God (Psalm 73:17–26).
Ook Prediker laat zien dat rijkdom en succes niet alles kunnen geven wat mensen ervan verwachten. Iemand kan hard werken, veel bereiken en bezit verzamelen en uiteindelijk alles weer moeten achterlaten. Niemand kan door rijkdom aan de dood ontkomen.
Prediker spreekt ook over genieten van wat God geeft. Eten, drinken en vreugde vinden in het werk van je handen mogen als gave van God worden ontvangen (Prediker 3:12–13; 5:17–19).
Iemand kan trouw aan God zijn en toch lijden, terwijl iemand die God niet zoekt voorspoedig kan leven. Gezondheid, rijkdom en succes laten daarom niet zien hoe trouw iemand aan God is of hoeveel geloof iemand heeft.
Jezus over rijkdom en Gods Koninkrijk
Wanneer Jezus spreekt over geld en bezit, spreekt Hij ook over waar mensen hun vertrouwen op stellen. In de Bergrede zegt Hij:
‘Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.’
(Matteüs 6:19–21)
Vlak daarvoor heeft Jezus gesproken over geven aan mensen die arm zijn, over gebed en over vasten (Matteüs 6:1–18). Vervolgens zegt Hij dat niemand twee heren kan dienen. Een mens kan niet God en de mammon dienen (Matteüs 6:24).
Na Zijn woorden over schatten en de mammon spreekt Jezus over de zorg om eten, drinken en kleding. Hij wijst Zijn leerlingen op de vogels en de bloemen en op hun Vader, Die weet wat zij nodig hebben:
‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.’
(Matteüs 6:33)
Jezus leert Zijn leerlingen hun vertrouwen op hun Vader te stellen en eerst Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid te zoeken. In het Onze Vader leert Hij hen ook om te bidden om het brood dat zij iedere dag nodig hebben.
Meer over de betekenis en opbouw van dit gebed lees je in het Onze Vader.
Op andere momenten spreekt Jezus ook over rijkdom en bezit. Wanneer een rijke man vraagt wat hij moet doen om het eeuwige leven te ontvangen, zegt Jezus dat hij zijn bezit moet verkopen, het geld aan de armen moet geven en Hem moet volgen. De man gaat bedroefd weg, omdat hij veel bezittingen heeft (Marcus 10:17–22).
Daarna zegt Jezus hoe moeilijk het voor rijke mensen is om Gods Koninkrijk binnen te gaan.
In Lucas vertelt Hij over een rijke man wiens land een grote oogst heeft opgebracht. Zijn schuren zijn te klein en daarom besluit hij grotere te bouwen. Daar wil hij alles opslaan, zodat hij voor vele jaren genoeg heeft en kan rusten, eten, drinken en genieten. God noemt hem dwaas, omdat hij diezelfde nacht zal sterven. Jezus eindigt:
‘Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’
(Lucas 12:21)
De man heeft een overvloedige oogst ontvangen en houdt alles voor zichzelf om zijn toekomst veilig te stellen.
In het verhaal van de rijke man en Lazarus staat de overvloed van de ene man naast het gebrek van de ander. De rijke man leeft iedere dag uitbundig, terwijl Lazarus arm en ziek bij zijn poort ligt en verlangt naar wat van zijn tafel valt (Lucas 16:19–31).
Ook in de zaligsprekingen noemt Jezus mensen gezegend die niet leven in de voorspoed die vaak met zegen wordt verbonden. Hij spreekt over armen, mensen die treuren, zachtmoedigen en mensen die vervolgd worden (Matteüs 5:3–12; Lucas 6:20–23).
Meer over wat Jezus met Gods Koninkrijk bedoelt en hoe Gods Koninkrijk vanaf Genesis door de Bijbel heen zichtbaar wordt lees je in Gods Koninkrijk.
De zegen van Abraham en Jezus
De belofte die God aan Abraham gaf, komt in het Nieuwe Testament opnieuw naar voren. God had Abraham beloofd dat door hem de volken gezegend zouden worden. Paulus schrijft:
‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden [...] Zo zouden door Christus Jezus alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij door het geloof de beloofde Geest ontvangen.’
(Galaten 3:13–14)
Paulus verbindt de zegen van Abraham hier met Jezus, de volken en de beloofde Geest.
Een gemeenschap waarin niemand gebrek hoeft te lijden
Na Jezus’ opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest zien we in Jeruzalem hoe de eerste gelovigen met hun bezit omgaan. Lucas vertelt:
‘Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden.’
(Handelingen 2:44–45)
Later komt Lucas hier opnieuw op terug. Mensen die land of huizen bezitten, verkopen soms hun bezit en brengen de opbrengst naar de apostelen. Het geld wordt verdeeld onder mensen die iets nodig hebben (Handelingen 4:32–35). Hij schrijft:
‘Niemand onder hen leed enig gebrek.’
(Handelingen 4:34)
Die woorden doen denken aan Deuteronomium. Israël werd daar geleerd ruimhartig te geven aan mensen die arm waren, zodat niemand onder hen gebrek hoefde te lijden (Deuteronomium 15:4–11).
Mensen hebben nog steeds huizen waarin de gemeente samenkomt. Petrus zegt tegen Ananias dat zijn land vóór de verkoop van hem was en dat ook de opbrengst daarna tot zijn beschikking stond (Handelingen 5:4). Mensen worden dus niet gedwongen alles te verkopen.
Wanneer er hongersnood wordt voorspeld, besluiten de leerlingen in Antiochië ieder naar vermogen iets te sturen naar de gelovigen in Judea (Handelingen 11:27–30). Later organiseert Paulus onder verschillende gemeenten een inzameling voor arme gelovigen in Jeruzalem.
Hij schrijft:
‘Het is niet de bedoeling dat u door anderen te helpen zelf in moeilijkheden raakt. Er moet evenwicht zijn.’
(2 Korintiërs 8:13)
Paulus verbindt dit met het manna in de woestijn:
‘Wie veel had verzameld, had niet te veel, en wie weinig had verzameld, kwam niet tekort.’
(2 Korintiërs 8:15; Exodus 16:18)
In de woestijn ontving Israël iedere dag het manna dat God gaf. Nu gebruikt Paulus die woorden wanneer hij schrijft over het delen met mensen die tekortkomen.
In het volgende hoofdstuk spreekt Paulus over zaaien, oogsten en overvloed. Het gaat nog steeds over deze inzameling. Hij schrijft:
‘U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn.’
(2 Korintiërs 9:11)
Leren leven met overvloed én gebrek
Paulus kende zelf perioden van overvloed en van gebrek. Hij werkte met zijn handen, ontving ondersteuning van gemeenten en maakte ook honger en gevangenschap mee.
In zijn brief aan de Filippenzen staat een van zijn bekendste uitspraken:
‘Ik ben tegen alles bestand door Hem die mij kracht geeft.’
(Filippenzen 4:13)
De zinnen ervoor laten zien waar Paulus over spreekt:
‘Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. Ik ben volledig ingewijd; ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik kan overvloed hebben en gebrek lijden.’
(Filippenzen 4:12)
In die verschillende omstandigheden heeft Paulus geleerd op God te vertrouwen. Binnen die context staan zijn woorden dat hij tegen alles bestand is door Hem die hem kracht geeft.
Paulus kent gevangenschap, honger en gebrek. Tegelijkertijd schrijft hij dankbaar over de Filippenzen, die hem meerdere keren hebben geholpen en hem ook tijdens zijn gevangenschap ondersteunen (Filippenzen 4:14–18).
Ook in zijn brief aan Timoteüs schrijft Paulus over mensen die rijk zijn:
‘Draag de rijken van deze wereld op niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet in zoiets onzekers als rijkdom te stellen, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten.’
(1 Timoteüs 6:17)
Paulus vervolgt:
‘En draag hun op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen.’
(1 Timoteüs 6:18)
Eerder in dezelfde brief waarschuwt Paulus voor mensen die godsdienst verbinden met financieel gewin. Ook waarschuwt hij voor het verlangen om rijk te worden en voor de liefde voor geld (1 Timoteüs 6:5–10).
Belooft God gezondheid en rijkdom?
Binnen sommige christelijke stromingen worden geloof, gehoorzaamheid en geven verbonden met de verwachting van gezondheid en materiële voorspoed. Teksten over zegen, oogst en overvloed worden dan gelezen als beloften die voor iedere gelovige gelden. Gezondheid en financieel succes kunnen tekenen worden dat iemand voldoende geloof heeft of goed met God leeft. Wanneer iemand vervolgens ziek wordt, financiële problemen krijgt of lange tijd met moeilijke omstandigheden te maken heeft, kan de vraag ontstaan of diegene wel genoeg geloof heeft, goed genoeg heeft gebeden of iets verkeerd heeft gedaan.
Door de Bijbel heen zien we dat God geeft en voor mensen zorgt. Jezus leert Zijn leerlingen hun Vader te vertrouwen voor wat zij iedere dag nodig hebben. Paulus schrijft dat God ‘ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten’ (1 Timoteüs 6:17).
Naast de zegeningen in Deuteronomium zien we in Job, de Psalmen en in het leven van Jezus en Paulus dat trouw aan God ook kan samengaan met ziekte, verlies, armoede en lijden.
Ook 3 Johannes 2 wordt soms gelezen als een belofte van gezondheid en voorspoed:
‘Geliefde broeder, ik hoop dat het u in alle opzichten goed gaat en dat u gezond bent. Met uw ziel gaat het immers ook goed.’
(3 Johannes 2)
Deze woorden staan aan het begin van een persoonlijke brief aan Gajus. Johannes spreekt hier de wens uit dat het goed met hem gaat en dat hij gezond is. In de verzen die volgen schrijft hij over de trouw van Gajus en over de manier waarop hij andere gelovigen ontvangt en helpt (3 Johannes 3–8).
Ook woorden over zaaien, oogsten en overvloed in 2 Korintiërs 9 worden soms verbonden met materiële voorspoed. Zoals we eerder zagen, schrijft Paulus deze woorden binnen de inzameling voor mensen die ondersteuning nodig hebben (2 Korintiërs 9:6–12).
Veel bezit laat niet zien dat God iemands keuzes of bediening bevestigt. Door de Bijbel heen komen ook mensen voor die veel bezitten, terwijl hun leven steeds verder van Gods bedoeling verwijderd raakt. Ook ziekte, financiële problemen of andere moeilijke omstandigheden betekenen niet dat iemand te weinig geloof heeft of dat God hem heeft verlaten.
Zegen kan daarom niet alleen worden afgemeten aan gezondheid, bezit of succes. Vanaf Genesis zien we dat God leven geeft en mensen zegent om met Hem te leven, te ontvangen wat Hij geeft en tot zegen voor anderen te zijn. Door Jezus bereikt de zegen van Abraham de volken en ontvangen zij de beloofde Geest.
Meer over ziekte, geloof, gebed en genezing door de Bijbel heen lees je in Genezing in de Bijbel.
Overvloed en de nieuwe schepping
Aan het einde van de Bijbel komen beelden uit Genesis opnieuw terug. In Openbaring 21 en 22 ziet Johannes een vernieuwde hemel en aarde waar dood en pijn uiteindelijk verdwijnen.
Johannes hoort een stem vanaf de troon:
‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen Zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’
(Openbaring 21:3–4)
In het laatste hoofdstuk komt ook de tuin uit Genesis terug. Johannes ziet een rivier met levenswater die vanuit de troon van God en van het Lam stroomt. Aan weerszijden staat de levensboom, die iedere maand vrucht draagt en waarvan de bladeren tot genezing van de volken dienen (Openbaring 22:1–2).
De Bijbel begon met een tuin vol leven, voedsel en Gods aanwezigheid. Aan het einde zien we opnieuw een wereld vol leven waarin God bij de mensen woont. De levensboom is weer toegankelijk en de vloek is verdwenen (Openbaring 22:3).
God is vanaf het begin de Gever van leven. Door menselijke opstand komen dood, geweld en gebrokenheid die wereld binnen.
In Jezus zien we al vooruit naar wat God uiteindelijk met Zijn schepping zal doen. Hij geneest zieken, voedt hongerige mensen, bevrijdt mensen uit de macht van het kwaad en brengt goed nieuws aan armen. Wanneer God Hem uit de dood opwekt, begint de nieuwe schepping, terwijl ziekte, gebrek en dood nog deel uitmaken van deze wereld.
De goede dingen die God geeft mogen dankbaar worden ontvangen en genoten. Jezus leert Zijn leerlingen om hun vertrouwen op God te stellen en te delen met mensen die weinig hebben. De hoop ligt daarom niet in een leven waarin alles hier en nu voorspoedig verloopt.
Aan het einde van de Bijbel maakt God alles nieuw. Hij woont bij de mensen, dood en pijn zijn verdwenen en de vloek is er niet meer. De levensboom die aan het begin van de Bijbel in de tuin stond, staat er opnieuw. Zo eindigt de Bijbel met een vernieuwde schepping waarin God en mensen weer samen wonen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb