De 10 geboden
De Tien Geboden behoren misschien wel tot de bekendste woorden uit de Bijbel. Zowel gelovigen als niet-gelovigen kunnen er direct een bepaald beeld bij hebben. Ze worden vaak gezien als een lijst met regels over wat je wel en niet mag doen. Binnen sommige christelijke stromingen ligt de nadruk vooral op hoe deze geboden laten zien waarin de mens tekortschiet.
Maar wanneer we de Tien Geboden lezen binnen de grote lijn van de Bijbel, met aandacht voor de historische, culturele en literaire context, komt er een veel rijker beeld naar voren. We ontdekken hoe deze woorden verbonden zijn met Gods bedoeling met de mens vanaf het begin van de schepping, hoe deze lijn door de hele Bijbel heen loopt en uiteindelijk samenkomt in Jezus.
Welke diepere betekenis krijgen de Tien Geboden wanneer we ze binnen deze grotere samenhang lezen? En wat kunnen ze ons vandaag nog leren over het leven met God en met elkaar?
De Tien Geboden in de grote lijn van de Bijbel
Om te begrijpen waarom God deze geboden aan Israël geeft, helpt het om terug te gaan naar het begin van de Bijbel.
In Genesis 1 wordt de mens geschapen als Gods beeld. Mensen krijgen de taak om namens Hem voor de aarde te zorgen en Hem te vertegenwoordigen in de wereld. In Genesis 2 plaatst God de mens in de tuin en geeft Hij hem de vrijheid om van de bomen te eten, met één duidelijke grens. De mens wordt geroepen om op Gods wijsheid te vertrouwen.
In Genesis 3 vertrouwen de mensen niet langer op Gods wijsheid en grijpen zij zelf naar de kennis van goed en kwaad. In de hoofdstukken daarna werkt deze keuze steeds verder door. Kaïn doodt zijn broer, Lamech beroemt zich op zijn geweld en uiteindelijk wordt de aarde beschreven als vol geweld. Bij Babel komen mensen samen om een stad en een toren te bouwen en een naam voor zichzelf te maken.
Toch laat God Zijn bedoeling met de mens en de wereld niet los. Hij roept Abraham en belooft hem dat uit zijn familie een groot volk zal voortkomen en dat door hem alle volken op aarde gezegend zullen worden (Genesis 12:1–3). Uit deze familie ontstaat uiteindelijk het volk Israël.
Wanneer we Israël in Exodus ontmoeten, leven ze als slaven in Egypte. Farao gebruikt zijn macht om hen te onderdrukken. Wanneer het volk blijft groeien, beveelt hij dat iedere pasgeboren Hebreeuwse jongen in de Nijl moet worden gegooid. God ziet hun lijden, hoort hun roepen en bevrijdt hen uit Egypte.
Daarna brengt God Israël naar de Sinaï. Nog voordat Hij de Tien Woorden geeft, zegt Hij tegen het volk:
‘Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’
(Exodus 19:6)
God heeft Israël uit Egypte bevrijd en naar Zich toe gebracht. Nu roept Hij hen om als Zijn volk te leven en Hem te vertegenwoordigen te midden van de volken. Vanuit deze context sluit God Zijn verbond met Israël en geeft Hij hun Zijn woorden.
‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.’
(Exodus 20:2)
Met deze woorden beginnen de Tien Geboden. Voordat God Israël vertelt hoe zij moeten leven, herinnert Hij hen eraan dat Hij de God is die hen uit de slavernij heeft bevrijd.
Meer over de boom van kennis van goed en kwaad en wat deze betekent binnen de grote lijn van de Bijbel lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.
De Tien Woorden
Wat wij meestal de Tien Geboden noemen, worden in de Bijbel zelf de Tien Woorden genoemd (Exodus 34:28; Deuteronomium 4:13; 10:4). Deze woorden vormen het hart van de onderwijzing die God aan Israël geeft.
Het Hebreeuwse woord Torah wordt vaak vertaald met ‘wet’, maar heeft de bredere betekenis van onderwijzing of instructie. God leert Israël hoe zij met Hem en met elkaar kunnen leven. De Tien Woorden gaan over trouw aan God, rust, respect voor ouders, eerbied voor het leven, huwelijkstrouw, het respecteren van andermans bezit, eerlijkheid tegenover anderen en de verlangens van het menselijk hart.
Israël wordt geroepen om op Gods wijsheid te vertrouwen en vanuit Zijn onderwijzing te leven. In Egypte leefde het volk onder farao, die zijn macht gebruikte om mensen te onderdrukken. De Tien Woorden horen bij hun nieuwe leven als Gods volk en bij hun roeping te midden van de volken.
1. Vereer naast Mij geen andere goden
‘Vereer naast Mij geen andere goden.’
(Exodus 20:3)
Israël komt uit een wereld waarin het heel gewoon was om meerdere goden te vereren. In Egypte werden verschillende goden vereerd die verbonden waren met bijvoorbeeld de zon, de Nijl, vruchtbaarheid en het koningschap. Ook de volken in het land waar Israël naartoe zou gaan, dienden verschillende goden.
JHWH is de God die Zich aan Israël heeft bekendgemaakt als de God van Abraham, Isaak en Jakob. Hij heeft hun geroep in Egypte gehoord, hen uit de macht van farao bevrijd en hen naar Zich toe gebracht. Nu roept Hij Israël op om Hem alleen te dienen en Hem trouw te blijven.
Bij de Sinaï sluit God een verbond met Israël. Hij heeft Zich aan dit volk verbonden en vraagt van hen dat zij Hem trouw blijven. Later gebruiken de profeten de taal van een huwelijk om deze verbondsrelatie te beschrijven. Wanneer Israël andere goden gaat dienen en bij hen hulp en bescherming zoekt, beschrijven zij dit als ontrouw aan God (Hosea 2; Jeremia 3:6–10).
In de geschiedenis van Israël zien we hoe het volk zich herhaaldelijk tot andere goden wendt. In de tijd van koning Achab wordt bijvoorbeeld Baäl vereerd, een god die verbonden was met regen en vruchtbaarheid (1 Koningen 18). Israël zoekt daarmee bij andere goden wat het bij JHWH zou moeten zoeken.
Wanneer Jezus veertig dagen in de woestijn is, komt de oproep om God alleen te dienen opnieuw naar voren. Jezus wordt op de proef gesteld en antwoordt telkens met woorden uit Deuteronomium, het boek waarin Mozes Israël oproept om God trouw te blijven.
De verleider biedt Jezus macht over de koninkrijken van de wereld aan als Hij voor hem neerbuigt. Jezus antwoordt:
‘Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem’.
(Matteüs 4:10; Deuteronomium 6:13)
Waar Israël in de woestijn steeds opnieuw moeite heeft om op God te vertrouwen en Hem alleen te dienen, blijft Jezus trouw aan Zijn Vader. Hij weigert de verleider te aanbidden om macht te verkrijgen en blijft trouw aan de weg die Zijn Vader Hem wijst.
2. Maak geen beeld van God
‘Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet.’
(Exodus 20:4–5)
In de wereld rondom Israël waren beelden van goden heel gewoon. In tempels stonden beelden die goden vertegenwoordigden. Mensen brachten er offers en verzorgden de beelden als onderdeel van hun verering. Israël krijgt de opdracht om geen beeld te maken waarmee het God zichtbaar probeert te maken en te vereren. Bij de Sinaï hoorde het volk God spreken, maar zag het geen gestalte van Hem (Deuteronomium 4:12, 15–18).
Om de betekenis van dit gebod beter te begrijpen, gaan we terug naar Genesis 1. Daar lezen we dat God Zelf een beeld maakt. Het Hebreeuwse woord tselem betekent ‘beeld’ en wordt gebruikt wanneer God de mens naar Zijn beeld schept. In de wereld van het Oude Nabije Oosten kon een beeld een koning of een god vertegenwoordigen. God maakt mensen, mannelijk en vrouwelijk, naar Zijn beeld en geeft hun de verantwoordelijkheid om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen (Genesis 1:26–28).
Dat maakt wat er bij de Sinaï gebeurt des te betekenisvoller. Kort nadat Israël Gods woorden heeft gehoord, overtreedt het volk dit gebod al. Terwijl Mozes op de berg is, maken de Israëlieten een gouden kalf en zeggen: ‘Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!’ (Exodus 32:4). Aäron kondigt vervolgens een feest voor JHWH aan (Exodus 32:5). Ze proberen de God Die hen uit Egypte heeft bevrijd te vereren door middel van een beeld dat zij zelf hebben gemaakt.
De mensen die door God als Zijn beeld zijn geschapen, maken nu zelf het beeld van een dier en buigen ervoor. Terwijl zij geroepen zijn om God te vertegenwoordigen, geven zij hun vertrouwen en verering aan iets wat zij met hun eigen handen hebben gemaakt.
Later spreken de Psalmen over afgodsbeelden die ogen hebben maar niet zien, oren hebben maar niet horen en een mond hebben maar niet spreken. Vervolgens klinkt de waarschuwing dat degenen die zulke beelden maken en erop vertrouwen, aan hen gelijk worden (Psalm 115:4–8; 135:15–18). Waar mensen hun vertrouwen op richten en wat zij vereren, heeft invloed op wie zij worden.
In het Nieuwe Testament wordt Jezus ‘het beeld van de onzichtbare God’ genoemd (Kolossenzen 1:15). In Hem wordt zichtbaar Wie God is. Door Gods Geest worden mensen vernieuwd naar Zijn beeld en leren zij steeds meer op Jezus te lijken (2 Korintiërs 3:18; Kolossenzen 3:10).
3. Draag Gods naam niet op een verkeerde manier
‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie Zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan.’
(Exodus 20:7)
Dit gebod wordt vaak uitgelegd als een verbod om Gods naam als vloekwoord te gebruiken. Ook dat hoort bij zorgvuldig omgaan met Gods naam, terwijl de Hebreeuwse woorden een bredere betekenis hebben.
Het werkwoord nasa betekent onder andere ‘dragen’, ‘optillen’ of ‘meenemen’. Het woord lashav heeft te maken met wat leeg, vals of zonder waarde is. Het gebod kan daarom ook worden begrepen als een waarschuwing om Gods naam niet op een lege of verkeerde manier te dragen.
Om deze betekenis beter te begrijpen, helpt het om te kijken naar de roeping die Israël bij de Sinaï ontvangt. God heeft het volk uit Egypte bevrijd en noemt hen ‘een koninkrijk van priesters en een heilig volk’ (Exodus 19:5–6). Israël behoort bij God en wordt geroepen om Hem te vertegenwoordigen te midden van de andere volken. De manier waarop het volk leeft, heeft daarmee ook betekenis voor hoe de volken naar de God van Israël kijken.
Ook bij de priesters komt het dragen van namen terug. Aäron draagt de namen van de twaalf stammen op zijn schouders wanneer hij voor God verschijnt (Exodus 28:12). Op de gouden plaat op zijn voorhoofd staan de woorden ‘Aan de HEER gewijd’ (Exodus 28:36). Wanneer Aäron en zijn zonen het volk zegenen, zegt God dat zij daarmee Zijn naam op de Israëlieten leggen (Numeri 6:22–27).
Deze passages laten zien hoe nauw Gods naam verbonden is met het volk dat bij Hem hoort. Zijn naam staat voor Wie Hij is, en Israël draagt als Zijn volk de verantwoordelijkheid om Hem trouw te vertegenwoordigen.
Later beschrijft Ezechiël hoe Israël onder de volken terechtkomt en daar Gods heilige naam ontwijdt. De volken zien het volk dat bij God hoort en verbinden wat zij van Israël zien met de God Die zij dienen. God zegt dat Hij ter wille van Zijn heilige naam zal handelen en Zijn naam opnieuw zal heiligen onder de volken (Ezechiël 36:20–23).
In het Nieuwe Testament zien we hoe Jezus Zijn Vader bekendmaakt. In Johannes 17 zegt Hij: ‘Ik heb Uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt’ (Johannes 17:6). Door Zijn woorden, Zijn daden en de manier waarop Hij leeft, laat Jezus zien Wie Zijn Vader is.
Jezus leert Zijn leerlingen ook bidden: ‘laat Uw naam geheiligd worden’ (Matteüs 6:9). Wie bij God hoort, wordt geroepen om Zijn naam met eerbied te dragen en door de manier waarop hij leeft iets van Zijn karakter zichtbaar te maken.
Meer over wat het betekent om Gods naam te dragen en Hem in de wereld te vertegenwoordigen, lees je in Gods naam dragen.
4. Houd de sabbat in ere
‘Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag.’
(Exodus 20:8)
De sabbat begint niet pas bij de Sinaï. Aan het begin van de Bijbel zien we al het ritme van zes dagen en de zevende dag. Nadat God de schepping heeft voltooid, rust Hij op de zevende dag. Hij zegent deze dag en maakt hem heilig (Genesis 2:1–3).
Gods rust betekent hier dat Hij ophoudt met Zijn werk. De schepping is voltooid en de zevende dag vormt het hoogtepunt van het scheppingsverhaal.
In Egypte kende Israël een heel ander ritme. Wanneer Mozes aan farao vraagt het volk te laten gaan, verwijt farao hem dat hij het volk laat stoppen met werken. Vervolgens verzwaart hij hun werk en moeten ze dezelfde hoeveelheid stenen blijven maken (Exodus 5:4–9).
Nog voordat Israël bij de Sinaï aankomt, geeft God manna in de woestijn. Zes dagen mogen ze verzamelen en op de zevende dag rusten ze (Exodus 16:22–30). Een volk dat generaties lang als slaaf heeft gewerkt, leert zo dat het mag stoppen met verzamelen en erop mag vertrouwen dat God ook voor de zevende dag heeft voorzien.
Bij de Sinaï krijgt die rust een vaste plaats in het leven van heel Israël. Zonen en dochters, slaven en slavinnen, vreemdelingen en zelfs de dieren delen in deze rust (Exodus 20:10).
In Exodus 20 wordt de sabbat verbonden met de schepping. In Deuteronomium 5 wordt Israël herinnerd aan Egypte: ‘Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde’ (Deuteronomium 5:15).
De sabbat is verbonden met Gods rust na de schepping en met Israëls bevrijding uit Egypte. Daarmee leert God Zijn volk een ander ritme van leven. Onder farao draaide het leven om steeds meer produceren, zonder ruimte om te rusten. Bij God mag Israël stoppen. Eén dag niet werken vraagt om vertrouwen dat God voor hen zorgt en dat hun leven niet volledig afhangt van wat zij zelf kunnen produceren of onder controle kunnen houden.
Jezus geneest later op de sabbat. Dat leidt tot botsingen over wat op deze dag wel en niet toegestaan is. In deze genezingen komen rust, herstel en bevrijding opnieuw naar voren. Wanneer Jezus op sabbat een vrouw geneest die achttien jaar gebukt ging, spreekt Hij over haar bevrijding uit haar gebondenheid (Lucas 13:10–16). Wanneer Jezus wordt aangesproken op wat Zijn leerlingen op de sabbat doen, zegt Hij: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat’ (Marcus 2:27).
5. Toon eerbied voor je vader en je moeder
‘Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.’
(Exodus 20:12)
Het Hebreeuwse woord kaved heeft te maken met gewicht of zwaarte. Iemand eren betekent dat je die persoon gewicht geeft, serieus neemt en met respect behandelt. Dat is niet hetzelfde als alles doen wat een ouder zegt, ook ouders staan onder Gods gezag.
Dit gebod staat op de overgang van de woorden over Israëls verhouding tot God naar de woorden over de omgang met andere mensen. Het wordt tot heel Israël gesproken, ook tot volwassenen. Het eren van vader en moeder blijft belangrijk wanneer kinderen volwassen worden en hun ouders ouder worden.
Binnen Israël heeft het gezin ook een belangrijke plaats in het doorgeven van Gods onderwijzing. In Deuteronomium 6 roept Mozes het volk op om Gods woorden in het hart te dragen en ze aan hun kinderen door te geven. Ze moeten erover spreken wanneer ze thuis zijn, onderweg, bij het opstaan en bij het slapengaan (Deuteronomium 6:6–9). Zo leren nieuwe generaties Wie God is, wat Hij voor Zijn volk heeft gedaan en hoe zij onder Zijn koningschap mogen leven.
Jezus komt later op het vijfde gebod terug wanneer mensen hun bezit aan God wijden en dat gebruiken als reden om niet meer voor hun vader of moeder te zorgen. Hij zegt dat zij daarmee Gods gebod aan de kant schuiven (Marcus 7:9–13). Het eren van vader en moeder krijgt daarmee ook heel concreet vorm in de zorg voor hen.
Aan dit gebod is een belofte verbonden. Israël is op weg naar het land dat God hun heeft beloofd, waar zij als Zijn volk zullen wonen en waar nieuwe generaties zullen opgroeien. Het eren van ouders hoort bij het leven dat God Zijn volk leert, waarin zorg voor elkaar en het doorgeven van Zijn onderwijzing een belangrijke plaats hebben. Zo wordt dit gebod verbonden met de toekomst van Israël in het land dat God hun geeft.
6. Pleeg geen moord
‘Pleeg geen moord.’
(Exodus 20:13)
Het Hebreeuwse werkwoord ratsach wordt gebruikt voor het doden van een mens. In de Torah wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende situaties, bijvoorbeeld tussen iemand die opzettelijk een ander doodt en iemand die onbedoeld de dood van een ander veroorzaakt.
Om te begrijpen waarom het menselijk leven zo kostbaar is, gaan we terug naar Genesis 1. Daar lezen we dat God de mens naar Zijn beeld schept (Genesis 1:26–28). Ieder mens heeft daarmee een bijzondere waardigheid.
In Genesis 4 lezen we hoe Kaïn boos wordt op zijn broer Abel. God waarschuwt hem dat de zonde aan zijn deur ligt en dat hij erover moet heersen (Genesis 4:6–7). Toch doodt Kaïn zijn broer. Wanneer God hem vraagt waar Abel is, antwoordt hij: ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ (Genesis 4:9). Even later zegt God dat het bloed van Abel vanuit de aarde tot Hem roept (Genesis 4:10).
In de hoofdstukken daarna zien we hoe het geweld verder toeneemt. Lamech beroemt zich erop dat hij een man heeft gedood omdat die hem verwondde (Genesis 4:23–24). Uiteindelijk wordt de aarde beschreven als vol geweld (Genesis 6:11). Genesis laat zien hoe het geweld tussen mensen steeds verder om zich heen grijpt.
Na de vloed komt de waarde van het menselijk leven opnieuw naar voren wanneer God met Noach en zijn nakomelingen spreekt. God maakt duidelijk hoe ernstig het is om mensenbloed te vergieten. Als reden noemt Hij dat de mens naar Zijn beeld is gemaakt. Wie het leven van een ander mens neemt, doet daarmee geweld aan iemand die geschapen is om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen (Genesis 9:5–6).
Wanneer Jezus in de Bergrede terugkomt op het gebod ‘Pleeg geen moord’, spreekt Hij ook over woede, belediging en minachting tegenover anderen (Matteüs 5:21–22).
Vervolgens spreekt Hij over verzoening. Wanneer iemand zijn offer naar het altaar brengt en zich herinnert dat zijn broer iets tegen hem heeft, roept Jezus hem op om eerst verzoening te zoeken (Matteüs 5:23–24). Daarmee laat Jezus zien dat het gebod ook raakt aan wat er in ons hart leeft en hoe we met anderen omgaan. Hij roept Zijn leerlingen op om verzoening te zoeken wanneer de onderlinge verhouding beschadigd is.
7. Pleeg geen overspel
‘Pleeg geen overspel.’
(Exodus 20:14)
Dit gebod gaat over trouw binnen het huwelijk en het respecteren van het huwelijk van een ander. Overspel beschadigt het vertrouwen en de verbondenheid tussen twee mensen.
Om te begrijpen welke plaats het huwelijk in de Bijbel heeft, gaan we terug naar Genesis 2. Daar lezen we hoe God ziet dat het niet goed is dat de mens alleen is. Hij maakt voor de mens een helper die bij hem past. Wanneer de man de vrouw ziet, herkent hij in haar iemand die bij hem hoort. Vervolgens lezen we dat een man zijn vader en moeder verlaat, zich aan zijn vrouw hecht en zij samen één worden (Genesis 2:18–24).
Het huwelijk wordt hier beschreven als een bijzondere verbondenheid tussen twee mensen die hun leven met elkaar delen. Trouw aan elkaar hoort bij deze verbondenheid.
De profeten gebruiken het huwelijk ook als beeld voor Gods verbond met Israël. Daarmee krijgt huwelijkstrouw binnen de Bijbel een bredere betekenis. Het huwelijk wordt een beeld van de trouw die God aan Zijn volk laat zien en die Hij ook van Zijn volk vraagt (Hosea 2; Jeremia 3:6–10).
Wanneer Jezus in de Bergrede terugkomt op het gebod ‘Pleeg geen overspel’, spreekt Hij ook over wat er in het hart gebeurt. Hij zegt dat iemand die naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar heeft gepleegd (Matteüs 5:27–28).
Jezus laat hiermee zien dat trouw verder gaat dan alleen wat iemand doet. Ook de verlangens die iemand bewust koestert en de manier waarop hij naar een ander kijkt, spelen daarin een rol. Zijn woorden raken daarmee aan het hart, waar onze verlangens en keuzes vorm krijgen.
8. Steel niet
‘Steel niet.’
(Exodus 20:15)
Dit gebod gaat over het respecteren van wat aan een ander toebehoort. In Exodus 22 volgen verschillende wetten over diefstal en schade aan het bezit van anderen. Wie iets steelt, moet teruggeven wat hij heeft weggenomen. In sommige situaties moet er meer worden teruggegeven om de schade te herstellen (Exodus 22:1–4).
Ook op andere plaatsen in de Torah zien we hoe God Israël leert om rekening te houden met wat anderen nodig hebben. Een arbeider moet op tijd betaald worden, arme mensen mogen niet worden uitgebuit en bij de oogst moet iets achterblijven voor mensen die geen eigen land hebben (Leviticus 19:9–13; Deuteronomium 24:14–15).
Israël is bevrijd uit Egypte, waar farao zijn macht gebruikte om mensen te onderdrukken en hun arbeid uit te buiten. Nu leert God Zijn volk hoe zij met elkaar moeten leven. Daarbij gaat het ook om eerlijk omgaan met bezit, recht doen aan anderen en zorg dragen voor mensen die kwetsbaar zijn.
Later spreken de profeten zich uit tegen mensen die rijkdom verzamelen ten koste van anderen, land afpakken en armen uitbuiten. Micha beschrijft bijvoorbeeld hoe mensen het land en de huizen van anderen begeren en in bezit nemen (Micha 2:1–2). Ook Amos spreekt over het onrecht dat arme mensen wordt aangedaan (Amos 2:6–7).
Jezus waarschuwt later voor hebzucht en vertelt over een rijke man die steeds grotere schuren bouwt om zijn overvloedige oogst op te slaan. De man denkt dat zijn bezit hem zekerheid geeft en dat hij voor lange tijd genoeg heeft. Jezus laat met deze gelijkenis zien dat het leven van een mens niet afhangt van de hoeveelheid bezittingen die hij heeft (Lucas 12:13–21).
Paulus schrijft later: ‘Laat wie steelt niet meer stelen, maar eerlijk de kost verdienen door zelf hard te werken om iets weg te kunnen geven aan wie het nodig heeft’ (Efeziërs 4:28).
Daarmee krijgt dit gebod ook een positieve betekenis. Paulus roept mensen op om eerlijk te werken en wat zij hebben met anderen te delen. Waar iemand eerst iets van een ander wegnam, leert hij nu om zelf iets aan een ander te geven.
9. Leg geen vals getuigenis af
‘Leg over een ander geen vals getuigenis af.’
(Exodus 20:16)
Dit gebod gaat over het afleggen van een vals getuigenis tegen een ander. Het wordt vaak samengevat als ‘lieg niet’, maar heeft oorspronkelijk een specifiekere betekenis.
In Israël speelden getuigen een belangrijke rol in de rechtspraak. Een beschuldiging kon grote gevolgen hebben voor iemands leven. Daarom mocht iemand niet op basis van één getuige veroordeeld worden en waren er twee of drie getuigen nodig (Deuteronomium 19:15). Wanneer iemand bewust een valse beschuldiging aflegde, werd dat als een ernstige overtreding behandeld (Deuteronomium 19:16–21).
Ook in Spreuken lezen we hoe schadelijk een vals getuigenis kan zijn. Iemand die een vals getuigenis tegen een ander aflegt, wordt vergeleken met een knots, een zwaard en een scherpe pijl (Spreuken 25:18). Woorden kunnen een ander veel schade toebrengen.
De Torah waarschuwt tegen het verspreiden van valse geruchten en het verdraaien van het recht. Rechters mogen zich niet laten leiden door partijdigheid of steekpenningen (Exodus 23:1–8; Leviticus 19:15). God leert Israël om eerlijk en rechtvaardig met elkaar om te gaan, zodat ook mensen die kwetsbaar zijn beschermd worden tegen onrecht.
Later zien we hoe valse getuigenissen een rol spelen bij de veroordeling van Jezus. Wanneer de religieuze leiders een reden zoeken om Hem ter dood te laten brengen, proberen zij getuigenissen tegen Hem te vinden. Matteüs vertelt dat er valse getuigen naar voren komen (Matteüs 26:59–60).
In de Bergrede leert Jezus Zijn leerlingen om betrouwbaar te zijn in wat zij zeggen. Hij zegt: ‘Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee’ (Matteüs 5:37).
Daarmee zien we hoe belangrijk waarheid en betrouwbaarheid zijn in de omgang met anderen. Onze woorden hebben invloed op het leven van andere mensen. Ze kunnen schade veroorzaken, maar ook bijdragen aan vertrouwen en rechtvaardigheid.
10. Begeer niet wat van een ander is
‘Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’
(Exodus 20:17)
Verschillende van de voorgaande geboden gaan over wat iemand doet. Het laatste gebod richt zich uitdrukkelijk op wat iemand begeert. Het gaat over het verlangen naar iets wat aan een ander toebehoort.
Het Hebreeuwse werkwoord chamad betekent verlangen of begeren. Dit woord wordt ook gebruikt voor dingen die mooi of aantrekkelijk zijn. In Genesis 2 worden de bomen die God laat groeien bijvoorbeeld beschreven als aantrekkelijk om te zien en goed om van te eten (Genesis 2:9). Verlangen is op zichzelf dus niet verkeerd.
In Genesis 3 komt hetzelfde Hebreeuwse woord terug. De vrouw ziet dat de boom goed is om van te eten, aantrekkelijk is voor het oog en begeerlijk omdat hij wijsheid zou geven. Ze neemt van de vrucht en eet ervan (Genesis 3:6). Ze ziet, begeert en neemt wat God haar niet heeft gegeven om te nemen.
Een vergelijkbaar patroon zien we later bij Achan. Wanneer hij vertelt waarom hij spullen uit Jericho heeft meegenomen, zegt hij dat hij ze zag, begeerde en vervolgens meenam (Jozua 7:20–21). Zijn verlangen brengt hem ertoe iets te nemen wat hij niet mocht nemen.
Ook bij David en Batseba zien we hoe verlangen kan doorwerken in iemands handelen. David ziet Batseba en laat haar bij zich brengen. Als koning gebruikt hij zijn positie om te krijgen wat hij verlangt. Wanneer Batseba zwanger blijkt te zijn, probeert David te verbergen wat er is gebeurd. Uiteindelijk laat hij haar man Uria omkomen (2 Samuel 11). In deze gebeurtenis zien we hoe verschillende van de Tien Geboden met elkaar verbonden zijn.
Wanneer Jezus in de Bergrede spreekt over het gebod ‘Pleeg geen moord’, gaat Hij ook in op woede en minachting. Bij het gebod ‘Pleeg geen overspel’ spreekt Hij over het verlangen dat iemand in zijn hart koestert (Matteüs 5:21–28). Daarmee laat Jezus zien hoe belangrijk het is wat er in ons hart leeft en hoe onze verlangens ons handelen kunnen beïnvloeden.
Paulus komt in Romeinen 7 terug op het tiende gebod. Hij schrijft: ‘Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: “Zet uw zinnen niet op wat van een ander is”’ (Romeinen 7:7).
Paulus legt uit hoe de zonde het gebod aangrijpt om allerlei begeerten in de mens op te wekken (Romeinen 7:8). Daarmee laat hij zien dat het probleem dieper gaat dan alleen ons handelen. De zonde heeft ook invloed op onze verlangens.
Het laatste gebod brengt ons zo terug bij Genesis 3, waar de mens iets ziet, begeert en neemt. Het laat zien hoe belangrijk onze verlangens zijn en hoe deze kunnen doorwerken in de keuzes die we maken.
Jezus en de Tien Woorden
Wanneer Jezus in de Bergrede over de Torah spreekt, zegt Hij: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen’ (Matteüs 5:17).
Jezus staat hiermee midden in de geschiedenis van Israël en de beloften die God aan Zijn volk heeft gedaan. In Zijn onderwijs laat Hij zien waar Gods onderwijzing op gericht is.
Wanneer iemand Hem vraagt naar het belangrijkste gebod, antwoordt Jezus met woorden die Israël al in de Torah had ontvangen. Hij grijpt terug op het Shema uit Deuteronomium: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand’ en verbindt dit met ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ uit Leviticus (Matteüs 22:37–39; Deuteronomium 6:5; Leviticus 19:18).
Liefde voor God en liefde voor de naaste maakten vanaf het begin deel uit van Gods onderwijzing aan Israël. Ook de Tien Woorden raken aan beide. Ze gaan over trouw aan God, Zijn naam en de sabbat, en over de manier waarop mensen omgaan met hun ouders, het leven van anderen, het huwelijk, bezit, waarheid en hun verlangens.
In de Bergrede zien we hoe Jezus deze onderwijzing verder uitwerkt. Hij spreekt over woede en verzoening, over trouw en verlangen, en over liefde voor vijanden. Daarmee laat Hij zien dat Gods onderwijzing ook betrekking heeft op wat er in ons hart leeft en hoe dat zichtbaar wordt in de manier waarop we met anderen omgaan (Matteüs 5:21–48).
Jezus laat in Zijn eigen leven zien hoe die liefde eruitziet. Hij maakt Zijn Vader bekend, dient anderen, heeft oog voor mensen die worden buitengesloten, vergeeft en leert Zijn leerlingen om zelfs hun vijanden lief te hebben. Zo wordt in Zijn woorden en daden zichtbaar wat het betekent om God lief te hebben en de naaste als jezelf.
Meer over hoe Jezus in de Bergrede verder spreekt over Gods onderwijzing, gerechtigheid en het hart lees je in De Bergrede.
Een nieuw hart en Gods Geest
Israël had bij de Sinaï Gods woorden ontvangen. God had Zijn volk geleerd hoe zij met Hem en met elkaar moesten leven. Toch lezen we in de geschiedenis van Israël hoe het volk steeds opnieuw van Hem afdwaalde. De profeten spraken daarom over een tijd waarin God Zelf het hart van Zijn volk zou vernieuwen.
Jeremia spreekt over een nieuw verbond waarin God belooft Zijn onderwijzing in het binnenste van Zijn volk te leggen en in hun hart te schrijven (Jeremia 31:31–34). Ezechiël spreekt over een nieuw hart en een nieuwe geest. God belooft Zijn eigen Geest aan Zijn volk te geven, zodat zij leren leven naar Zijn onderwijzing (Ezechiël 36:26–27).
Met de komst van Jezus en de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren zien we hoe deze beloften werkelijkheid beginnen te worden. God geeft Zijn Geest aan de leerlingen van Jezus en vormt zo een volk dat leert leven onder Zijn koningschap (Handelingen 2).
Paulus verbindt het werk van Jezus en de Heilige Geest met de bedoeling van de Torah. In Romeinen 8 schrijft hij dat God door Zijn Zoon heeft gedaan wat de wet, door de menselijke zwakheid, niet kon bereiken. Door Gods Geest leren mensen nu te leven naar wat God met Zijn onderwijzing voor ogen had (Romeinen 8:3–4).
Paulus beschrijft wat de Geest in het leven van gelovigen voortbrengt. Hij noemt dit de vrucht van de Geest: ‘liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing’ (Galaten 5:22–23).
Waar de Tien Woorden Israël leerden hoe zij met God en met elkaar moesten leven, zien we hoe Gods Geest mensen van binnenuit vernieuwt. Hij vormt hun hart, hun verlangens en de manier waarop zij met anderen omgaan.
Zo zien we hoe Gods bedoeling met de mens vanaf het begin door de hele Bijbel heen terugkomt. In Genesis 1 schept God de mens naar Zijn beeld en geeft Hij hem de verantwoordelijkheid om namens Hem voor de schepping te zorgen en Zijn karakter te weerspiegelen in de wereld. God bevrijdt Israël uit Egypte en leert Zijn volk hoe zij met Hem en met elkaar moeten leven. In Jezus zien we hoe een mens leeft in trouw aan God en liefde voor de ander. Door Zijn Geest vernieuwt God Zijn volk, zodat zij steeds meer op Jezus gaan lijken en leren leven naar de roeping die God de mens vanaf het begin heeft gegeven.
Meer over Gods Geest en Zijn Koninkrijk lees je in De Heilige Geest en Gods Koninkrijk.
Maak jouw eigen website met JouwWeb