Romeinen 12-16: Eén vernieuwd volk

Vanaf Romeinen 12 schrijft Paulus verder over het leven van de gelovigen in Rome. Joden en mensen uit andere volken volgen samen Jezus, ieder vanuit hun eigen achtergrond en gebruiken.

Hoe ziet een leven eruit dat door Gods ontferming is gevormd? Wat betekenen liefde, nederigheid en vergeving voor hun leven met elkaar? En hoe gaan zij om met verschillen binnen de gemeente?

Die verschillen worden later heel concreet. Joodse gelovigen waren opgegroeid met de Torah en met gebruiken rond voedsel en Joodse feestdagen, terwijl gelovigen uit de andere volken die achtergrond niet hadden. Paulus schrijft over hoe zij met deze verschillen kunnen omgaan zonder elkaar te veroordelen of op elkaar neer te kijken. Zij dienen allemaal dezelfde Heer.

Van Gods ontferming naar een vernieuwd leven

In de eerste elf hoofdstukken heeft Paulus geschreven over Joden en andere volken die samen onder de macht van de zonde staan en over wat God door Jezus heeft gedaan. Hij ging terug naar Abraham en Gods belofte om door zijn familie de volken te zegenen en schreef over Adam en over het nieuwe leven door de Geest.

In Romeinen 9–11 schreef Paulus over de vraag wat dit betekent voor Israël. Uit Israël is de Messias voortgekomen, maar veel Israëlieten erkennen Jezus niet als Messias. Tegelijkertijd komen door Hem mensen uit andere volken bij de God van Israël. Paulus houdt vast aan Gods trouw aan Israël en laat zien dat ook de komst van de volken hoort bij de belofte die God aan Abraham gaf. Zij vervangen Israël niet, maar worden als wilde takken opgenomen in de olijfboom die er al was.

Aan het einde van hoofdstuk 11 brengt Paulus Joden en mensen uit de volken samen bij Gods ontferming:
‘Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn.’
(Romeinen 11:32)

Daarna eindigt hij met verwondering over Gods wijsheid:
‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk Zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk Zijn wegen.’
(Romeinen 11:33)

Wanneer Paulus in hoofdstuk 12 verdergaat, begint hij met woorden die teruggrijpen op alles wat eraan voorafging:
‘Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in Zijn dienst te stellen.’
(Romeinen 12:1)

Vanaf hier verschuift de aandacht naar het leven van de gemeenschap. Wat betekent Gods ontferming voor de manier waarop deze Joodse en niet-Joodse gelovigen leven? Hoe gaan zij om met hun verschillende achtergronden, overtuigingen en gebruiken? En hoe krijgt het nieuwe leven waarover Paulus eerder heeft geschreven vorm in hun omgang met elkaar?

 

Een levend offer

Paulus gebruikt in Romeinen 12 taal die bekend is uit de tempel en de offerdienst. Alleen spreekt hij nu niet over een dier dat als offer wordt aangeboden. Hij vraagt zijn lezers zichzelf aan God te geven als een levend offer.

In Romeinen 6 gebruikte Paulus vergelijkbare taal. Omdat zij met Christus zijn gestorven en met Hem tot een nieuw leven zijn opgestaan, roept hij hen op zichzelf aan God aan te bieden en hun leven in dienst van Hem te stellen.

Nu schrijft hij:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen.’
(Romeinen 12:2)

In Romeinen 5–8 schreef Paulus over het sterven en opstaan met Jezus en over het nieuwe leven door de Geest. Vanaf Romeinen 12 schrijft hij verder over wat dit nieuwe leven betekent voor de manier waarop zij leven en met elkaar omgaan.

 

Eén lichaam met verschillende delen

Paulus richt zich nu op hun leven met elkaar. Niemand binnen de gemeenschap hoeft zichzelf belangrijker te maken dan een ander. Om uit te leggen hoe zij samen één gemeenschap vormen, gebruikt hij het beeld van een lichaam.

‘Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen.’
(Romeinen 12:4–5)

Hij noemt profetie, dienen, onderwijzen, bemoedigen, geven, leidinggeven en barmhartigheid. Zij vormen samen één lichaam, maar hebben daarin niet allemaal dezelfde functie. Ieder wordt opgeroepen de gave die hij heeft ontvangen te gebruiken.

 

Laat uw liefde oprecht zijn

Daarna volgen verschillende korte oproepen:
‘Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan.’
(Romeinen 12:9)

Hij schrijft over onderlinge liefde, eerbied voor elkaar, gastvrijheid en het delen met mensen die gebrek lijden.

Ook schrijft hij:
‘Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft.’
(Romeinen 12:15)

De vernieuwing van het leven krijgt vorm in de omgang met andere mensen. Dat geldt niet alleen voor de omgang binnen de gemeenschap. Paulus schrijft ook over mensen die hen kwaad doen:
‘Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet.’
(Romeinen 12:14)

En even later:
‘Vergeld geen kwaad met kwaad.’
(Romeinen 12:17)

Hij roept zijn lezers op om met iedereen in vrede te leven, voor zover dat in hun macht ligt.

 

Overwin het kwade door het goede

Aan het einde van hoofdstuk 12 haalt Paulus woorden uit Spreuken aan: als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten, en als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken.

Hij schrijft:
‘Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.’
(Romeinen 12:21)

Ook Jezus riep Zijn leerlingen op hun vijanden lief te hebben en te bidden voor wie hen vervolgen. Paulus roept op kwaad niet met kwaad te beantwoorden en geen wraak te nemen.

In Romeinen 5 schreef Paulus dat Christus voor mensen stierf toen zij nog zondaars en vijanden waren. In Jezus wordt zichtbaar hoe God Zijn vijanden met liefde tegemoetkomt. Paulus roept op om op diezelfde manier met anderen om te gaan.

 

Het gezag van de overheid

Paulus schrijft vervolgens over de verhouding tot de overheid. Volgens hem heeft de overheid de verantwoordelijkheid om orde te bewaren en tegen kwaad op te treden.

Hij schrijft ook:
‘Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt.’
(Romeinen 13:7)

Vlak hiervoor heeft Paulus zijn lezers opgeroepen geen kwaad met kwaad te vergelden, geen wraak te nemen en het kwade door het goede te overwinnen. Zij hoeven het kwaad dus niet zelf te vergelden. Paulus schrijft vervolgens over de overheid en de verantwoordelijkheid die zij heeft om tegen kwaad op te treden.

Dat betekent niet dat een overheid altijd rechtvaardig handelt. Voor de volgelingen van Jezus blijft de oproep om vrede te zoeken, het goede te doen en het kwaad niet met kwaad te beantwoorden.

 

 

Liefde en de Torah

Paulus schrijft:
‘Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.’
(Romeinen 13:8)

Daarna noemt hij een aantal geboden uit de Torah: geen overspel plegen, niet doden, niet stelen en niet begeren. Vervolgens haalt hij woorden uit Leviticus aan:
‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
(Romeinen 13:9)

Eerder in de brief heeft Paulus geschreven dat de Torah goed is, maar mensen niet kan bevrijden uit de macht van de zonde. In Romeinen 8 schreef hij over het nieuwe leven door de Geest en vanaf hoofdstuk 12 laat hij zien hoe dat leven vorm krijgt in de omgang met anderen.

Paulus schrijft over nederigheid, het dienen van elkaar, oprechte liefde, het zegenen van vervolgers, het afzien van wraak en het zoeken naar vrede. Wanneer hij schrijft dat liefde de Torah vervult, sluit dat aan bij alles wat hij hiervoor heeft geschreven. De geboden die hij noemt komen voor hem samen in de oproep om de naaste lief te hebben.

Ook Jezus brengt de Torah samen in liefde voor God en liefde voor de naaste.

 

De nacht loopt ten einde

Paulus schrijft:
‘De nacht loopt ten einde, de dag nadert al.’
(Romeinen 13:12)

Met de opstanding van Jezus is het nieuwe leven begonnen, terwijl zonde en dood nog steeds aanwezig zijn. Paulus kijkt vooruit naar de dag waarop God Zijn werk zal voltooien. Daarom moeten zijn lezers de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aantrekken.

Even later verbindt Paulus dat beeld met Jezus zelf:
‘Omkleed u met de Heer Jezus Christus.’
(Romeinen 13:14)

De dag is nog niet volledig aangebroken, maar Paulus roept hen op nu al te leven in het licht van de dag die komt.

 

Verschillen rond voedsel en dagen

In Romeinen 14 schrijft Paulus over verschillen die binnen de gemeenten voor spanning zorgden, onder andere rond Joodse gebruiken. Sommigen aten alles, terwijl anderen alleen plantaardig voedsel aten. Sommigen beschouwden bepaalde dagen als bijzonder, terwijl anderen alle dagen gelijk behandelden.

Enkele jaren eerder had keizer Claudius de Joden uit Rome laten vertrekken. Daardoor waren de gemeenten een tijd lang vooral uit niet-Joodse gelovigen gaan bestaan. Toen Joodse gelovigen na zijn dood terugkeerden, kwamen zij terecht in gemeenten die in de tussentijd waren veranderd.

Joodse gelovigen waren opgegroeid met de Torah en met gebruiken rond voedsel en bepaalde dagen. Niet-Joodse gelovigen hadden die achtergrond niet. Nu volgden zij samen Jezus en kwamen deze verschillen binnen dezelfde gemeenten bij elkaar.

Hij schrijft:
‘Aanvaard mensen met een zwak geloof zonder hun overtuiging te bestrijden.’
(Romeinen 14:1)

Wie alles eet moet niet neerkijken op degene die dat niet doet, en wie bepaald voedsel niet eet moet degene die wel alles eet niet veroordelen. Paulus vraagt niet van hen dat zij allemaal dezelfde keuzes maken. Ieder moet overtuigd zijn van zijn eigen keuze en daarin de Heer willen eren.

Daarom vraagt Paulus:
‘Wie bent u dat u de dienaar van een ander beoordeelt?’
(Romeinen 14:4)

Beiden behoren aan dezelfde Heer toe en zijn door God aanvaard. Paulus richt zich vooral op de manier waarop zij met hun verschillen omgaan.

 

Voor de Heer

De een maakt onderscheid tussen dagen en de ander niet. Ieder moet voor zichzelf tot een overtuiging komen. Wie een bepaalde dag in ere houdt, doet dat voor de Heer. Wie eet, eet voor de Heer en dankt God. Ook degene die niet eet doet dat voor de Heer en dankt God.

Paulus schrijft:
‘Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer.’
(Romeinen 14:7–8)

Jezus is de Heer van hen allemaal. Hun verschillende overtuigingen over voedsel en dagen bepalen niet wie wel of niet bij Hem hoort.

Hij gaat verder met de gevolgen die hun keuzes voor elkaar kunnen hebben. Wat iemand zelf vrij is om te doen, kan voor een ander een struikelblok worden. Daarom schrijft hij:
‘Het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest.’
(Romeinen 14:17)

Paulus roept hen op rekening met elkaar te houden en te zoeken naar wat vrede brengt en de ander opbouwt:
‘Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar.’
(Romeinen 14:19)

 

Christus zocht niet Zijn eigen belang

Aan het begin van hoofdstuk 15 richt Paulus zich tot degenen die zichzelf als sterk beschouwen. Zij moeten rekening houden met de zwakheden van anderen en niet alleen zoeken naar wat henzelf behaagt.

Daarbij wijst hij naar Jezus:
‘Ook Christus zocht niet Zijn eigen belang.’
(Romeinen 15:3)

De omgang met verschillen wordt daarmee verbonden met de weg van Jezus zelf. Paulus vraagt niet alleen om verdraagzaamheid. Hij roept mensen op zichzelf niet steeds centraal te stellen en te zoeken naar wat de ander opbouwt.

Daarna bidt hij dat God hun eensgezindheid geeft, zodat zij samen God kunnen eren.

 

Aanvaard elkaar zoals Christus u heeft aanvaard

Vervolgens schrijft Paulus:
‘Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.’
(Romeinen 15:7)

Daarna verbindt hij deze oproep opnieuw met de grote lijn van de brief.

Jezus komt uit Israël. Door Hem laat God zien dat Hij trouw blijft aan de beloften die Hij aan Abraham, Isaak en Jakob heeft gegeven. De zegen die God aan Abraham beloofde, bereikt door Jezus ook de andere volken. Ook zij komen bij de God van Israël en prijzen Hem om Zijn ontferming.

Paulus haalt daarvoor verschillende gedeelten uit de Schriften aan. Eerst uit de Psalmen:
‘Daarom zal ik U prijzen onder de volken, psalmzingen ter ere van Uw naam.’
(Romeinen 15:9)

Daarna uit Deuteronomium:
‘Verheug u, volken, samen met Zijn volk.’
(Romeinen 15:10)

En vervolgens opnieuw uit de Psalmen:
‘Loof de Heer, alle volken, prijs Hem, alle naties.’
(Romeinen 15:11)

De woorden komen uit verschillende delen van de Schriften, maar Paulus brengt ze bij elkaar rond hetzelfde punt: Israël en de volken die samen God eren.

 

De telg van Isaï

Ten slotte haalt Paulus Jesaja aan:
‘De telg van Isaï zal komen, Hij die opstaat om over de volken te heersen; op Hem zullen de volken hun hoop vestigen.’
(Romeinen 15:12)

Isaï is de vader van David. Aan het begin van de brief schreef Paulus al dat Jezus uit het geslacht van David komt. Jesaja spreekt over een Koning uit de familie van David op wie Gods Geest rust en naar wie ook de volken zullen komen. In Jezus komen deze beloften samen. Hij is de Messias van Israël en ook mensen uit de andere volken vestigen hun hoop op Hem.

Daarna schrijft Paulus:
‘Moge God, die ons hoop geeft, u in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en vrede, zodat uw hoop steeds groter wordt, door de kracht van de heilige Geest.’
(Romeinen 15:13)

De Geest en de hoop waarover Paulus eerder in de brief schreef, komen hier terug. Joden en mensen uit de andere volken delen samen in deze hoop door de kracht van de Geest.

 

Paulus’ roeping onder de volken

Vanaf Romeinen 15:14 vertelt Paulus meer over zijn eigen werk. God heeft hem geroepen om het goede nieuws van Jezus onder de andere volken bekend te maken. Daarbij gebruikt Paulus woorden die doen denken aan de priesters en de offerdienst in de tempel.

Hij beschrijft de mensen uit de volken als een offer dat God welgevallig is en door de heilige Geest wordt geheiligd. Dit doet denken aan het begin van hoofdstuk 12, waar Paulus schreef over gelovigen die zichzelf als een levend offer aan God geven.

Paulus heeft het goede nieuws over Jezus onder de volken verkondigd en ziet hoe ook zij bij Gods volk worden gebracht en door de Geest aan Hem worden toegewijd.

 

Van Jeruzalem naar Spanje

Paulus schrijft dat hij het goede nieuws heeft verkondigd van Jeruzalem tot Illyrië. Nu wil hij verder naar gebieden waar Jezus nog niet bekend is. Hij hoopt via Rome naar Spanje te reizen.

Paulus hoopt hen tijdens zijn reis te bezoeken en daarna met hun hulp verder te reizen naar Spanje. Zo wil hij zijn werk onder de volken verder naar het westen voortzetten.

Maar voordat hij naar Rome kan komen, moet hij eerst naar Jeruzalem.

 

Een gift voor Jeruzalem

De gelovigen in Macedonië en Achaje hebben geld ingezameld voor arme gelovigen in Jeruzalem.

Paulus schrijft daarover:
‘Zij hebben daartoe zelf besloten, maar staan ook bij hen in de schuld, want als de heidenen deel hebben gekregen aan hun geestelijke gaven, zijn ze het aan hen verplicht hen ook met materiële gaven bij te staan.’
(Romeinen 15:27)

Mensen uit de volken zijn gaan delen in de geestelijke gaven die God aan Israël heeft gegeven. Nu delen zij op hun beurt wat zij hebben met Joodse gelovigen in Jeruzalem.

De verbondenheid tussen Joden en mensen uit de volken krijgt een heel concrete vorm. De eenheid waarover Paulus door de brief heen schrijft, wordt zichtbaar in de manier waarop zij voor elkaar zorgen.

 

Febe en de gemeenten in Rome

Aan het begin van hoofdstuk 16 beveelt Paulus Febe aan:
‘Ik beveel onze zuster Febe bij u aan, die in dienst staat van de gemeente in Kenchreeën.’
(Romeinen 16:1)

Paulus vraagt de gelovigen in Rome haar te ontvangen en haar te helpen met wat zij nodig heeft. Hij noemt haar een diakonos van de gemeente in Kenchreeën, een woord dat dienaar betekent.

Daarna volgt een lange reeks groeten. Paulus noemt Prisca en Aquila, die met hem hebben samengewerkt en hun leven voor hem op het spel hebben gezet. Zij waren Joodse volgelingen van Jezus die Rome onder Claudius hadden moeten verlaten en later waren teruggekeerd. Hij noemt daarnaast mannen en vrouwen die hard hebben gewerkt, mensen die gevangen hebben gezeten en mensen bij wie gemeenten in huis samenkomen.

Aan het begin van de brief schreef Paulus dat het goede nieuws Gods reddende kracht is voor ieder die gelooft, voor Joden en ook voor andere volken. Aan het einde van de brief zien we mensen met verschillende achtergronden terug in de gemeenten van Rome. Zij volgen dezelfde Heer en horen bij dezelfde gemeenschap.

 

De God van de vrede

Vlak voor het einde waarschuwt Paulus nog één keer voor verdeeldheid:
‘Ik spoor u aan, broeders en zusters, op uw hoede te zijn voor degenen die verdeeldheid zaaien en anderen in de weg staan, en die daarmee ingaan tegen alles wat u hebt geleerd. Ga hun uit de weg.’
(Romeinen 16:17)

De gemeenten in Rome bestaan uit mensen met verschillende achtergronden, gebruiken en overtuigingen. Door de brief heen heeft Paulus hen opgeroepen tot nederigheid, liefde, vrede en het aanvaarden van elkaar.

Kort daarna schrijft hij:
‘De God van de vrede zal Satan nu spoedig onder uw voeten vertrappen.’
(Romeinen 16:20)

Deze woorden doen denken aan Genesis 3, waar na de komst van de slang en de menselijke opstand wordt gesproken over het nageslacht van de vrouw dat de slang zal treffen.

Paulus schrijft dat God Satan onder hun voeten zal vertrappen. De God van de vrede zal uiteindelijk het kwaad overwinnen en de gemeenschap in Rome mag nu al leren leven in de vrede, liefde en trouw die Paulus door de brief heen heeft beschreven.

 

Van Abraham naar Rome

Aan het einde van de brief keert Paulus terug naar het goede nieuws en naar de Schriften. Hij schrijft over wat lange tijd verborgen was, maar nu bekend is gemaakt en door de profetische geschriften onder alle volken bekend wordt gemaakt.

Daarmee komt hij terug bij het begin van de brief, waar hij schreef over het goede nieuws van Jezus, de Messias uit het nageslacht van David, en over zijn roeping om mensen uit alle volken tot geloof en gehoorzaamheid te brengen.

Door de brief heen heeft Paulus geschreven over de mensheid onder de macht van de zonde, over Abraham en Gods belofte, over Adam en de nieuwe mensheid, over de Torah en de Geest en over Israël en de volken.

In Romeinen 12–16 wordt zichtbaar hoe dit het leven van de gemeenten vormt. Joden en mensen uit andere volken volgen samen Jezus als Heer. Zij hebben verschillende achtergronden en denken niet over alles hetzelfde, maar worden opgeroepen elkaar te aanvaarden, te dienen en lief te hebben.

De belofte aan Abraham om door zijn familie de volken te zegenen krijgt zo een concrete vorm. Mensen uit verschillende volken komen door Jezus bij de God van Israël en leren samen te leven als Zijn volk.

 

Voor vandaag

In Romeinen 12–16 laat Paulus zien wat alles wat hij hiervoor heeft geschreven betekent voor het leven van de gelovigen in Rome. Zijn oproepen om lief te hebben, te dienen, vrede te zoeken en elkaar te aanvaarden komen voort uit Gods ontferming. Het nieuwe leven door de Geest wordt zichtbaar in de manier waarop mensen met elkaar omgaan.

In Rome waren er verschillen tussen Joodse en niet-Joodse gelovigen. Zij hadden verschillende gebruiken en dachten niet over alles hetzelfde. Paulus vraagt hen niet om die verschillen weg te nemen. Wel vraagt hij hen om elkaar niet te veroordelen of op elkaar neer te kijken en rekening te houden met elkaar.

Ook vandaag denken mensen die Jezus volgen niet over alles hetzelfde. Zulke verschillen hoeven geen reden te zijn om elkaar af te wijzen. Paulus roept hen op elkaar lief te hebben, te dienen en te zoeken naar wat vrede brengt en de ander opbouwt.

Jezus is Heer van hen allemaal. Daarom schrijft Paulus dat zij elkaar mogen aanvaarden zoals Christus hen heeft aanvaard.