Tongentaal in de bijbel
Tongentaal is binnen sommige christelijke tradities een bekend onderdeel van gebed en samenkomsten. Ook bestaan er verschillende ideeën over wat tongentaal precies is en welke plaats deze gave heeft in het leven van een gelovige.
In het Nieuwe Testament lezen we op verschillende plaatsen over mensen die in andere talen of in tongentaal spreken. Dit gebeurt onder andere in Handelingen, wanneer de Heilige Geest wordt uitgestort, en komt ook ter sprake in de brief van Paulus aan de gemeente in Korinte. De volken en talen die we met Pinksteren tegenkomen, brengen ons terug naar Genesis en naar Gods belofte om Zijn zegen naar alle volken te brengen.
Wat gebeurt er precies met Pinksteren? Spreekt Paulus in 1 Korintiërs over hetzelfde verschijnsel? Wat bedoelt hij met ‘talen van mensen en engelen’? En krijgt iedere gelovige deze gave?
Pinksteren en de talen van de volken
Een van de bekendste gedeelten over het spreken in andere talen staat in Handelingen 2. Jezus is gestorven en opgestaan en heeft Zijn leerlingen opgedragen in Jeruzalem te wachten op de komst van de Heilige Geest. Vlak daarvoor zegt Hij dat zij kracht zullen ontvangen om van Hem te getuigen in Jeruzalem, Judea en Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde (Handelingen 1:8).
Wanneer het Wekenfeest, Sjavoeot, aanbreekt, zijn de leerlingen bij elkaar. Dit Joodse feest werd zeven weken na Pesach gevierd en is het feest dat wij kennen als Pinksteren. Het hoorde bij de jaarlijkse feesten waarvoor Israëlieten naar Jeruzalem kwamen en was verbonden met de oogst en het aanbieden van de eerste opbrengst aan God (Leviticus 23:15–21; Deuteronomium 16:9–12). Daardoor waren er tijdens het feest Joden uit verschillende gebieden in Jeruzalem. Op deze dag wordt de Heilige Geest uitgestort.
Dan horen de leerlingen een geluid als van een krachtige wind en verschijnen er iets als vuurtongen. Lucas schrijft:
‘Allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.’
(Handelingen 2:4)
Wanneer de aanwezigen de leerlingen horen spreken, reageren zij verbaasd:
‘Maar hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen?’
(Handelingen 2:8)
Lucas noemt verschillende volken en gebieden waar deze mensen vandaan komen. Zij horen de leerlingen in hun eigen taal spreken over Gods grote daden (Handelingen 2:9–11).
Babel, Abraham en Pinksteren
In Genesis 11 spreken alle mensen dezelfde taal. Zij trekken samen naar Sinear en vestigen zich daar. Ze zeggen:
‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’
(Genesis 11:4)
Dit staat tegenover de roeping die mensen vanaf Genesis hadden ontvangen om de aarde te vullen (Genesis 1:28; 9:1). Bij Babel willen mensen naam voor zichzelf maken en voorkomen dat zij over de aarde verspreid raken. God verwart hun taal en verspreidt hen over de aarde (Genesis 11:5–9).
Direct na Babel roept God Abram. Hij belooft hem dat Hij hem tot een groot volk zal maken en dat door hem alle volken op aarde gezegend zullen worden (Genesis 12:1–3). Uit Abraham ontstaat Israël en door deze familie wil God Zijn zegen naar de volken brengen.
De mensen die Lucas hier noemt zijn Joden die vanuit allerlei gebieden naar Jeruzalem zijn gekomen. De beweging naar de niet-Joodse volken ontvouwt zich verder door Handelingen heen. Dat volgt de woorden die Jezus vlak daarvoor had gesproken: Jeruzalem, Judea en Samaria en uiteindelijk de uiteinden van de aarde (Handelingen 1:8).
Direct na de uitstorting van de Geest verkondigt Petrus Jezus als de gekruisigde en opgestane Messias. Ongeveer drieduizend mensen sluiten zich die dag bij de leerlingen aan (Handelingen 2:14–41).
De belofte en aanwezigheid van de Geest
Joël had uitgezien naar een tijd waarin Gods Geest breed over Zijn volk zou worden uitgestort. Hij noemt zonen en dochters, jong en oud, dienaren en dienaressen. De gave van de Geest wordt daarmee niet beperkt tot een kleine groep leiders.
Lucas beschrijft de uitstorting van de Geest met beelden die eerder in de Bijbel verbonden zijn met Gods aanwezigheid.
Gods aanwezigheid wordt vaker zichtbaar in vuur. God verschijnt aan Mozes in het vuur van de brandende struik. Bij de Sinaï daalt Hij neer in vuur en wanneer de tabernakel is voltooid, vult Gods aanwezigheid deze woonplaats (Exodus 3:2; 19:18; 40:34–38). Later wordt ook de tempel gevuld met Gods aanwezigheid (1 Koningen 8:10–11).
Waar Gods aanwezigheid eerder de tabernakel en later de tempel vulde, rust met Pinksteren iets als vuur op de leerlingen en worden zij zelf vervuld van de Heilige Geest.
Meer over de Heilige Geest en deze grotere lijn door de Bijbel lees je in De Heilige Geest.
Tongentaal in Handelingen
Handelingen 2 is niet de enige plaats in het boek waar mensen in talen spreken wanneer zij de Heilige Geest ontvangen. Wanneer Petrus later het huis van Cornelius binnengaat, gebeurt iets wat voor de Joodse gelovigen onverwacht is. Cornelius en zijn huisgenoten zijn niet-Joden. Terwijl Petrus over Jezus spreekt, valt de Heilige Geest op iedereen die naar hem luistert.
‘De Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen, zagen vol verbazing dat ook heidenen het geschenk van de heilige Geest ontvingen, want ze hoorden hen in klanktaal spreken en God prijzen.’
(Handelingen 10:45–46)
Petrus verbindt wat daar gebeurt later zelf met Pinksteren. Hij vertelt dat de Heilige Geest op hen viel zoals in het begin op de leerlingen en zegt dat God aan de niet-Joden hetzelfde geschenk heeft gegeven (Handelingen 11:15–18).
In Handelingen 19 ontmoet Paulus in Efeze een groep leerlingen die alleen de doop van Johannes kennen. Nadat zij in de naam van Jezus zijn gedoopt en Paulus hun de handen oplegt, komt de Heilige Geest over hen en spreken zij in klanktaal en profeteren zij (Handelingen 19:1–7).
Tongentaal wordt niet iedere keer genoemd wanneer mensen de Geest ontvangen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Handelingen 8:14–18 en 9:17–19. In Handelingen 8 ziet Simon dat mensen de Heilige Geest ontvangen wanneer de apostelen hun de handen opleggen. Op andere plaatsen wordt tongentaal wel genoemd. De verschillende gebeurtenissen worden dus niet allemaal op dezelfde manier beschreven.
De gemeente in Korinte
De uitgebreidste bespreking van tongentaal vinden we in 1 Korintiërs 12–14. Deze hoofdstukken staan binnen een brief aan een gemeente waarin verdeeldheid en onderlinge conflicten een grote rol spelen.
Al aan het begin van de brief schrijft Paulus dat het de Korintiërs aan geen enkele genadegave ontbreekt (1 Korintiërs 1:7). Toch zijn er binnen de gemeente jaloezie, verdeeldheid en conflicten. Ook tijdens de maaltijd van de Heer worden deze onderlinge verschillen zichtbaar (1 Korintiërs 3:1–4; 11:17–22).
Aan het begin van hoofdstuk 12 herinnert Paulus de Korintiërs eerst aan hun vroegere leven. Voordat zij Jezus kenden, werden zij volgens Paulus naar stomme afgoden gedreven (1 Korintiërs 12:2). Daarna schrijft hij:
‘Niemand kan ooit zeggen: “Jezus is de Heer,” behalve door toedoen van de heilige Geest.’
(1 Korintiërs 12:3)
Voordat Paulus de verschillende gaven noemt, begint hij bij Jezus als Heer. Daarna schrijft hij:
‘Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt.’
(1 Korintiërs 12:4–6)
En vervolgens:
‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente.’
(1 Korintiërs 12:7)
Paulus spreekt hier over charismata, een woord dat samenhangt met charis, genade. Het zijn gaven van genade. De Geest deelt deze gaven aan verschillende mensen uit zoals Hij wil (1 Korintiërs 12:11).
Paulus noemt wijsheid, kennis, geloof, genezing, wonderen, profetie, het onderscheiden van geesten, verschillende soorten tongentaal en het uitleggen daarvan (1 Korintiërs 12:8–10).
Vervolgens vergelijkt Paulus de gemeente met een lichaam waarin verschillende delen elkaar nodig hebben. Niet ieder lichaamsdeel heeft dezelfde functie en geen deel kan tegen een ander zeggen dat het hem niet nodig heeft. Zelfs de delen die zwakker lijken zijn volgens Paulus onmisbaar (1 Korintiërs 12:14–22).
Liefde midden in het onderwijs over de gaven
Aan het einde van 1 Korintiërs 12 schrijft Paulus:
‘Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.’
(1 Korintiërs 12:31)
Daarna volgt hoofdstuk 13 over de liefde. Wanneer dat hoofdstuk eindigt, gaat Paulus verder:
‘Jaag de liefde na en richt u op de gaven van de Geest, vooral op die van de profetie.’
(1 Korintiërs 14:1)
Paulus begint met tongentaal. Al zou hij de talen van alle mensen en die van de engelen spreken, zonder liefde zou het volgens hem niets betekenen (1 Korintiërs 13:1). Daarna noemt hij profetie, kennis en een geloof dat bergen kan verplaatsen (1 Korintiërs 13:1–3).
Paulus gebruikt hier sterke voorbeelden om duidelijk te maken hoe belangrijk liefde is. Sommigen begrijpen de woorden over de talen van engelen als een verwijzing naar een hemelse taal. Anderen zien hierin een manier waarop Paulus zijn boodschap extra kracht bijzet. Paulus legt hier niet uit wat de talen van engelen precies zijn. Zijn aandacht gaat uit naar de liefde, zonder welke zelfs de meest bijzondere gaven hun betekenis verliezen.
De liefde waar Paulus over schrijft is geduldig en vol goedheid. Zij kent geen afgunst, schept niet op en zoekt zichzelf niet (1 Korintiërs 13:4–7). Dat raakt rechtstreeks aan de jaloezie, verdeeldheid, status en onderlinge verhoudingen waar Paulus eerder in de brief over heeft geschreven.
Paulus plaatst de gaven ook binnen een groter perspectief. Profetieën zullen verdwijnen, tongentaal zal verstommen en wat mensen nu kennen is nog onvolledig. Nu kennen en profeteren zij slechts gedeeltelijk, maar Paulus kijkt vooruit naar een tijd waarin dat onvolledige voorbij zal zijn (1 Korintiërs 13:8–12). De gaven hebben hun plaats in de tijd waarin de gemeente nog onderweg is en elkaar nodig heeft om opgebouwd te worden. Liefde is niet tijdelijk. Zij blijft.
Spreken tot God
Aan het begin van 1 Korintiërs 14 vergelijkt Paulus tongentaal met profetie. Hij schrijft:
‘Wie in klanktaal spreekt, spreekt niet tot mensen maar tot God. Niemand kan hem verstaan, want door toedoen van de Geest spreekt hij geheimtaal.’
(1 Korintiërs 14:2)
De andere aanwezigen begrijpen zonder uitleg niet wat er wordt gezegd. Wie profeteert spreekt woorden die anderen kunnen verstaan en daarmee worden zij opgebouwd, bemoedigd en getroost (1 Korintiërs 14:3–4).
Paulus schrijft vervolgens:
‘Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is belangrijker dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij die ook uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente erdoor wordt opgebouwd.’
(1 Korintiërs 14:5)
Paulus schrijft dat zij zich moeten richten op wat de gemeente opbouwt (1 Korintiërs 14:12).
Meer over de plaats van profetie door de Bijbel heen en over het beoordelen van profetische woorden lees je in Profetie in de Bijbel.
Handelingen 2 en 1 Korintiërs 14
Voor beide gedeelten wordt in het Grieks het woord glōssa gebruikt. Dat woord kan ‘tong’ of ‘taal’ betekenen. Toch worden de talen in Handelingen 2 en 1 Korintiërs 14 niet op dezelfde manier beschreven.
Lucas vertelt bij Pinksteren uitdrukkelijk dat mensen de leerlingen in hun eigen moedertaal horen spreken. Hij noemt zelfs de verschillende gebieden waar de aanwezigen vandaan komen (Handelingen 2:8–11). De talen die de leerlingen spreken, worden door de aanwezigen herkend en begrepen.
Paulus vertelt in 1 Korintiërs 14 niet welke taal iemand spreekt wanneer hij in tongentaal spreekt. Hij zegt wel dat de andere aanwezigen deze zonder uitleg niet verstaan. Paulus zegt er niet bij of het om een bestaande menselijke taal gaat die niemand in de gemeente kent, of om een andere vorm van taal.
Wel vertelt Paulus hoe tongentaal wordt gebruikt. Iemand die in tongentaal spreekt, spreekt tot God en bouwt zichzelf daarmee op (1 Korintiërs 14:2, 4). Wanneer Paulus over zijn eigen gebed spreekt, zegt hij dat hij met zijn geest kan bidden en zingen. Ook spreekt hij over het danken van God in de geest (1 Korintiërs 14:14–17).
Wanneer dit in de samenkomst gebeurt, houdt Paulus ook de andere aanwezigen in beeld. Zonder uitleg kan een ander niet begrijpen wat er wordt gezegd en ook geen ‘amen’ zeggen op het dankgebed (1 Korintiërs 14:16–17). Wanneer er niemand aanwezig is die de tongentaal kan uitleggen, schrijft Paulus dat degene die spreekt moet zwijgen in de gemeente en ‘voor zichzelf en voor God’ moet spreken (1 Korintiërs 14:27–28).
Tongentaal als teken
Midden in zijn uitleg haalt Paulus woorden uit Jesaja aan:
‘In de wet staat: “Ik zal tot dit volk spreken door mensen die een onverstaanbare taal spreken, door de mond van vreemdelingen, maar zelfs dan zullen ze niet naar Mij luisteren – zegt de Heer.”’
(1 Korintiërs 14:21; Jesaja 28:11–12)
Jesaja spreekt tot mensen die Gods woorden niet willen horen. Daarom zal God tot hen spreken door mensen met een andere taal. In de context van Jesaja hoort die vreemde taal bij de komst van een buitenlands volk en bij het oordeel over mensen die niet naar God wilden luisteren.
Paulus haalt deze tekst aan en schrijft dat tongentaal een teken is voor ongelovigen (1 Korintiërs 14:22). Hij geeft een voorbeeld. Wanneer de hele gemeente samenkomt en iedereen in tongentaal spreekt, kunnen buitenstaanders die binnenkomen denken dat de aanwezigen buiten zinnen zijn (1 Korintiërs 14:23). Zij begrijpen niet wat er wordt gezegd en worden daardoor ook niet opgebouwd door wat zij horen.
Wanneer er wordt geprofeteerd, beschrijft Paulus een andere uitwerking. Door wat iemand hoort kan hij worden aangesproken, kunnen de verborgen dingen van zijn hart aan het licht komen en kan hij erkennen dat God werkelijk in hun midden is (1 Korintiërs 14:24–25).
Moet iedere gelovige in tongentaal spreken?
In sommige christelijke tradities wordt tongentaal sterk verbonden met het ontvangen of vervuld worden van de Heilige Geest. Daarbij kan de indruk ontstaan dat iedere gelovige in tongentaal zou moeten kunnen spreken.
In Handelingen zien we verschillende momenten waarop mensen in tongentaal spreken wanneer zij de Heilige Geest ontvangen. Dat gebeurt met Pinksteren, in het huis van Cornelius en bij de leerlingen in Efeze (Handelingen 2:1–11; 10:44–46; 19:1–7).
Handelingen noemt tongentaal niet bij iedere gelegenheid waarop iemand de Geest ontvangt. Ook bij Paulus ontvangt niet iedereen dezelfde gave. De ene Geest geeft aan verschillende mensen wat Hij wil (1 Korintiërs 12:11).
Aan het einde van hoofdstuk 12 stelt Paulus een reeks vragen:
‘Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?’
(1 Korintiërs 12:29–30)
Deze vragen staan direct na Paulus’ uitleg over de gemeente als één lichaam met verschillende lichaamsdelen (1 Korintiërs 12:12–27).
Een hoofdstuk later schrijft Paulus dat hij zou willen dat allen in tongentaal konden spreken en dat hij nog liever wil dat zij profeteren (1 Korintiërs 14:5).
Paulus beschrijft tongentaal daarmee niet als een gave die iedere gelovige ontvangt of als het teken waaraan te herkennen is dat iemand de Heilige Geest heeft ontvangen. Eerder in hetzelfde hoofdstuk schrijft hij dat alle gelovigen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt (1 Korintiërs 12:13).
Ook wordt in Handelingen nergens beschreven dat mensen leren hoe zij in tongentaal kunnen spreken. Met Pinksteren spreken de leerlingen zoals de Geest hun ingeeft. Ook bij Cornelius en in Efeze begint het spreken wanneer de Heilige Geest over mensen komt (Handelingen 2:4; 10:44–46; 19:6). Paulus geeft de Korintiërs evenmin een methode waarmee zij tongentaal kunnen leren of ontwikkelen.
Meer over de verschillende gaven en hun plaats binnen het lichaam van Christus lees je in De gaven van de Geest.
Tongentaal en uitleg
Wanneer Paulus later beschrijft hoe een samenkomst eruit kan zien, schrijft hij:
‘Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij: een lied, een onderwijzing, een openbaring, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan. Laat alles tot opbouw van de gemeente zijn.’
(1 Korintiërs 14:26)
Er is ruimte voor verschillende mensen om iets bij te dragen. Ook tongentaal heeft daarin een plaats. Wanneer deze gave in de samenkomst wordt gebruikt, verbindt Paulus haar aan uitleg.
Hij schrijft dat er twee of hoogstens drie mensen mogen spreken, één voor één, en dat iemand moet uitleggen wat er wordt gezegd (1 Korintiërs 14:27).
Wanneer niemand kan uitleggen, schrijft Paulus:
‘Is er niemand die dit kan, dan moeten ze zwijgen in de gemeente en alleen voor zichzelf en voor God spreken.’
(1 Korintiërs 14:28)
Paulus gebruikt eerder het voorbeeld van muziekinstrumenten en een trompet. Als de klanken niet duidelijk zijn, kan niemand herkennen wat er wordt gespeeld of welk signaal wordt gegeven (1 Korintiërs 14:7–11).
Ook bij profetie geeft Paulus aanwijzingen voor de orde in de samenkomst. Twee of drie profeten mogen spreken en de anderen moeten beoordelen wat er wordt gezegd (1 Korintiërs 14:29).
Wanneer iemand anders een openbaring ontvangt, maakt de eerste spreker ruimte. Vervolgens schrijft Paulus:
‘Wie profeteert heeft macht over zijn geest.’
(1 Korintiërs 14:32)
Daarna schrijft hij:
‘God is niet een God van wanorde maar van vrede.’
(1 Korintiërs 14:33)
Aan het einde van het hoofdstuk schrijft Paulus:
‘Kortom, broeders en zusters, richt u op het profeteren en verhinder niet dat er in klanktaal gesproken wordt. Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren.’
(1 Korintiërs 14:39–40)
Paulus verbiedt tongentaal niet. Hij geeft wel duidelijke aanwijzingen voor het gebruik ervan tijdens de samenkomst. Er mogen twee of hoogstens drie mensen spreken, één voor één, en iemand moet uitleggen wat er wordt gezegd. Wanneer niemand kan uitleggen, moet degene die in tongentaal spreekt zwijgen in de gemeente en voor zichzelf en voor God spreken. Zo blijft de opbouw van de gemeente centraal staan.
Meer over het toetsen van geestelijke uitingen en wat Paulus bedoelt met het onderscheiden van geesten lees je in Onderscheiden van geesten.
Tongentaal binnen de grotere lijn
Na Babel roept God Abraham en belooft Hij dat door hem alle volken gezegend zullen worden. Door de profeten heen groeit de verwachting dat God Zijn Geest zal uitstorten. Jezus sterft en staat op en belooft Zijn leerlingen de kracht van de Geest om vanuit Jeruzalem tot aan de uiteinden van de aarde van Hem te getuigen.
Met Pinksteren wordt Gods Geest uitgestort en horen mensen uit verschillende gebieden in hun eigen taal over Gods grote daden. God brengt mensen uit verschillende volken samen rond Jezus en laat Zijn goede nieuws in hun eigen taal horen. Vanuit Jeruzalem gaat dit goede nieuws verder naar Samaria en de volken.
Wanneer Paulus later over tongentaal schrijft, staat deze gave binnen het leven van één lichaam waarin de Geest verschillende mensen op verschillende manieren toerust. Jezus staat als Heer centraal en wat de Geest geeft is bedoeld ten bate van de gemeente (1 Korintiërs 12:3–27).
Tongentaal krijgt plaats tussen de verschillende gaven waarmee de Geest de gemeente dient. Paulus wijst deze gave niet af. Tegelijkertijd geeft hij duidelijke aanwijzingen voor het gebruik ervan wanneer de gemeente samenkomt. Wat wordt gesproken, moet de ander kunnen dienen en opbouwen. Daarom vraagt tongentaal in de samenkomst om uitleg en om ruimte voor anderen om mee te doen en te begrijpen.
Zo houdt Paulus de liefde voor de ander steeds voor ogen. De gaven zijn geen teken dat de ene persoon geestelijker is dan de ander. Zij worden gegeven binnen een lichaam waarin mensen elkaar nodig hebben en samen leren leven in de weg van Jezus.
Maak jouw eigen website met JouwWeb