Onderscheiden van geesten
In 1 Korintiërs 12 noemt Paulus ‘het onderscheiden van geesten’ als een van de gaven die door de Heilige Geest worden gegeven. Verderop in dezelfde brief schrijft hij over het beoordelen van profetie, en ook op andere plaatsen in het Nieuwe Testament worden gelovigen opgeroepen om geestelijke uitingen en boodschappen te toetsen.
Wat bedoelt Paulus met het onderscheiden van geesten? Hoe werd er in de eerste gemeenten omgegaan met geestelijke uitingen en boodschappen? Is dit een bijzondere gave die aan sommige mensen wordt gegeven, of worden alle gelovigen opgeroepen om te onderscheiden? En waaraan kan worden herkend of iets werkelijk van Gods Geest komt?
Onderscheiden van geesten in 1 Korintiërs 12
Paulus noemt het onderscheiden van geesten midden in zijn onderwijs over de verschillende gaven van de Geest. De gemeente in Korinte kende veel geestelijke gaven. Tegelijkertijd waren er verdeeldheid, rivaliteit en vragen over de manier waarop deze gaven binnen de gemeente werden gebruikt.
De Korintiërs leefden in een wereld waarin verschillende goden en religieuze praktijken deel uitmaakten van het gewone leven. Voordat Paulus over de verschillende gaven spreekt, herinnert hij hen eraan dat zij vroeger afgoden vereerden en zich daardoor lieten meevoeren.
Hij schrijft:
‘Daarom zeg ik u nadrukkelijk: niemand kan ooit door toedoen van de Geest van God zeggen: “Vervloekt is Jezus,” en niemand kan ooit zeggen: “Jezus is de Heer,” behalve door toedoen van de heilige Geest.’
(1 Korintiërs 12:3)
Paulus maakt hiermee duidelijk dat de Heilige Geest mensen ertoe brengt Jezus als Heer te erkennen. Wanneer iemand beweert door Gods Geest te spreken, is daarom ook van belang wat diegene over Jezus zegt.
Daarna schrijft Paulus:
‘Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt.’
(1 Korintiërs 12:4–6)
Paulus noemt wijsheid, kennis, geloof, genezing, wonderen en profetie. In dezelfde opsomming staat ook het onderscheiden van geesten:
‘Aan de een schenkt de Geest wijsheid, aan de ander kennis; aan de een schenkt dezelfde Geest geloof, aan de ander genezende kracht; de een de kracht om wonderen te verrichten, de ander de gave om te profeteren, en weer een ander de gave om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is.’
(1 Korintiërs 12:8–10)
De Griekse woorden die hier worden gebruikt zijn diakriseis pneumatōn. Diakrisis heeft te maken met onderscheiden of beoordelen, met het herkennen van verschil. Het onderscheiden van geesten staat tussen de andere gaven die uit dezelfde Geest voortkomen en ten opbouw van de gemeente worden gegeven.
Even daarvoor schrijft hij:
‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente.’
(1 Korintiërs 12:7)
Verderop in dezelfde brief schrijft Paulus opnieuw over het beoordelen van geestelijke uitingen binnen de samenkomst. Wanneer er wordt geprofeteerd, schrijft hij:
‘Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken; daarna moeten de anderen het beoordelen.’
(1 Korintiërs 14:29)
Het werkwoord dat Paulus hier gebruikt, diakrinō, komt uit dezelfde woordfamilie als diakrisis in 1 Korintiërs 12:10. In beide gedeelten gaat het om onderscheiden of beoordelen.
Onderzoek wat van God komt
Ook in zijn brief aan de Tessalonicenzen schrijft Paulus over het onderzoeken van wat er binnen de gemeente naar voren komt. Aan het einde van de brief geeft hij een aantal korte aanwijzingen:
‘Doof de Geest niet uit en veracht profetieën niet. Onderzoek alles, behoud het goede en vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet.’
(1 Tessalonicenzen 5:19–22)
Johannes gebruikt heel nadrukkelijk de woorden ‘toets de geesten’. Hij schrijft aan gemeenten die te maken hebben met mensen die beweren namens God te spreken:
‘Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen.’
(1 Johannes 4:1)
Johannes spreekt over geesten en verbindt dit in dezelfde zin met valse profeten. In deze context gaat het om mensen die een boodschap brengen en beweren dat die van God afkomstig is.
Johannes geeft een concreet punt waarop getoetst wordt:
‘Hieraan herkent u de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God.’
(1 Johannes 4:2)
Johannes schrijft aan gelovigen die te maken hebben met mensen die een andere boodschap over Jezus verkondigen. Daarom benadrukt hij dat Jezus Christus werkelijk als mens is gekomen. Wat iemand over Jezus leert, is voor Johannes een belangrijk onderdeel van het toetsen van geesten.
Vervolgens waarschuwt Johannes voor de geest die Jezus niet belijdt (1 Johannes 4:3). Even later schrijft hij:
‘Wij komen uit God en wie God kent, luistert naar ons. Wie niet uit God komt, luistert niet naar ons. Hieraan herkennen wij de Geest van de waarheid en de geest van de dwaling.’
(1 Johannes 4:6)
Waar Paulus in 1 Korintiërs een specifieke gave van het onderscheiden van geesten noemt, richt Johannes zijn oproep om de geesten te toetsen tot de gemeente als geheel. Paulus schrijft daarnaast dat profetische woorden binnen de gemeente beoordeeld moeten worden (1 Korintiërs 14:29).
Van welke bron komt iets?
De Bijbel laat zien dat Gods Geest spreekt, leidt en in mensen werkt. Mensen kunnen ook hun eigen gedachten en verlangens aan God toeschrijven. Jeremia spreekt bijvoorbeeld over profeten die woorden uit hun eigen hart verkondigen en daarbij zeggen dat zij namens God spreken (Jeremia 23:16–17, 21). Jakobus schrijft dat verleiding niet van God komt en wijst daarbij op de verlangens die in mensen zelf werkzaam zijn (Jakobus 1:13–16). Daarnaast spreekt de Bijbel over geesten en geestelijke machten die zich tegen God richten en mensen kunnen misleiden (Efeziërs 6:12; 1 Timoteüs 4:1; 1 Johannes 4:1).
Dat iemand er oprecht van overtuigd is dat iets van God komt, betekent niet dat dit ook zo is. Wanneer Petrus Jezus probeert af te houden van de weg die voor Hem ligt, zegt Jezus tegen hem: ‘Ga terug, achter Mij, Satan!’ Hij zegt daarbij dat Petrus zich laat leiden door wat mensen willen en niet door wat God wil (Matteüs 16:23).
Jezus laat hiermee zien hoe menselijke gedachten en verlangens kunnen ingaan tegen Gods bedoeling, zelfs wanneer iemand denkt het goede te doen.
Wanneer Paulus en zijn medewerkers in Filippi zijn, komen zij een slavin tegen die een waarzeggende geest heeft. Met haar waarzeggerij verdient zij veel geld voor haar eigenaars. Ze loopt dagenlang achter Paulus en zijn medewerkers aan en roept dat zij dienaren van de allerhoogste God zijn en de weg naar redding verkondigen. Uiteindelijk keert Paulus zich om en gebiedt hij de geest in de naam van Jezus Christus uit haar weg te gaan (Handelingen 16:16–18).
Wat het meisje over Paulus en zijn medewerkers zegt, is op zichzelf waar. Toch vertelt Lucas dat zij een waarzeggende geest heeft, die Paulus uiteindelijk in Jezus' naam uitdrijft. Deze gebeurtenis laat zien dat een boodschap waar kan klinken, terwijl de geestelijke bron ervan toch niet van God komt.
De woorden alleen vertellen dus niet waar iets vandaan komt. Een sterke of bijzondere ervaring betekent niet automatisch dat deze van God komt.
Meer over de geestelijke machten waarover de Bijbel spreekt en hun plaats binnen de grotere Bijbelse lijn lees je in Geestelijke machten.
Wanneer mensen namens God spreken
Ook Israël kende mensen die namens God spraken terwijl God hen niet had gezonden. In Deuteronomium wordt Israël gewaarschuwd voor iemand die een teken of wonder aankondigt dat daadwerkelijk plaatsvindt en vervolgens oproept om andere goden te volgen (Deuteronomium 13:2–4).
De vraag is niet alleen of iets bovennatuurlijks gebeurt, maar ook waar het mensen naartoe leidt. Israël wordt opgeroepen de HEER te volgen, Hem lief te hebben en Hem trouw te blijven.
Meer over de plaats van tekenen en wonderen, de vraag wie wonderen kan verrichten en hoe bijzondere tekenen in de Bijbel worden onderscheiden lees je in Tekenen en wonderen in de Bijbel.
In Deuteronomium 18 wordt gesproken over iemand die namens de HEER zegt te spreken terwijl God hem die woorden niet heeft opgedragen. Israël vraagt hoe het kan weten dat een boodschap niet van de HEER komt. Mozes wijst dan o.a. op een woord dat niet uitkomt (Deuteronomium 18:20–22).
Ezechiël spreekt over profeten die hun eigen visioenen volgen en toch zeggen dat hun boodschap van de HEER komt. Zij zeggen: ‘Dit zegt de HEER,’ terwijl de HEER hen niet heeft gezonden. Deze profeten spreken over vrede terwijl er geen vrede is. Ezechiël vergelijkt deze profeten met mensen die een zwakke muur met een laag kalk bedekken. Van buiten lijkt de muur stevig, maar wanneer er een storm komt, stort hij in. Zo geven deze profeten het volk een vals gevoel van veiligheid (Ezechiël 13:1–16).
Jeremia beschrijft profeten die vrede beloofden terwijl er geen vrede was (Jeremia 6:13–14; 23:16–17). God zegt:
‘Ik heb die profeten niet gezonden, toch rennen ze eropuit. Ik heb niet tot hen gesproken, toch profeteren ze.’
(Jeremia 23:21)
In 1 Koningen 22 wil koning Achab ten strijde trekken en vraagt hij de profeten om raad. Een grote groep profeten verzekert hem dat hij zal overwinnen. De profeet Micha brengt echter een andere boodschap. Hij waarschuwt dat de veldtocht slecht zal aflopen en beschrijft hoe een leugengeest de profeten heeft misleid. Dat veel mensen hetzelfde zeggen, betekent nog niet dat hun woorden van God komen (1 Koningen 22:1–28).
Jezus waarschuwt voor valse profeten
De waarschuwingen van de profeten klinken ook door in het onderwijs van Jezus. In de Bergrede waarschuwt Hij Zijn leerlingen voor mensen die beweren namens God te spreken:
‘Pas op voor valse profeten. Ze komen naar jullie toe als schapen, maar ze zijn in werkelijkheid roofzuchtige wolven.’
(Matteüs 7:15)
Vervolgens zegt Hij:
‘Aan hun vruchten kunt u hen herkennen.’
(Matteüs 7:16)
Jezus gebruikt het beeld van een boom. Een goede boom brengt goede vruchten voort en een slechte boom slechte vruchten (Matteüs 7:17–20).
Met deze vergelijking leert Jezus Zijn leerlingen om verder te kijken dan wat iemand zegt of beweert te kunnen doen. Ook de manier waarop iemand leeft en handelt, laat zien welke weg diegene volgt.
Deze woorden staan binnen Jezus' onderwijs over de weg die naar het leven leidt. Even verderop spreekt Hij zelfs over mensen die Hem ‘Heer’ noemen en in Zijn naam profeteren, demonen uitdrijven en wonderen doen. Toch wijst Hij hen af (Matteüs 7:21–23).
Jezus richt de aandacht op de vrucht die uit een leven voortkomt en op het doen van de wil van Zijn Vader. Daarna spreekt Hij over de mens die Zijn woorden hoort en ernaar handelt en daarmee zijn huis op de rots bouwt (Matteüs 7:24–27).
Een verkeerde keuze, zonde of tekortkoming maakt iemand nog niet tot een slechte boom. De vraag is welke vrucht er groeit en of iemands woorden en manier van leven passen bij de weg die Jezus Zijn leerlingen leert.
Eerder in hetzelfde hoofdstuk waarschuwt Jezus Zijn leerlingen voor het veroordelen van anderen terwijl zij geen oog hebben voor wat er in hun eigen leven speelt (Matteüs 7:1–5). Dezelfde leerlingen die worden opgeroepen vrucht te herkennen, worden dus ook geroepen eerlijk naar zichzelf te kijken. Onderscheiden vraagt om aandacht voor wat ergens uit voortkomt, zonder voortdurend op zoek te gaan naar wat er bij een ander verkeerd is.
Waarop wordt getoetst?
Wanneer Johannes zijn lezers oproept om de geesten te toetsen, richt hij hun aandacht op wat er over Jezus wordt gezegd. Hij waarschuwt voor mensen die zich op God beroepen, terwijl hun boodschap over Jezus niet overeenkomt met wat de gemeente over Hem heeft ontvangen (1 Johannes 4:1–6).
Ook Paulus waarschuwt voor een boodschap die afwijkt van het evangelie dat de gemeente heeft ontvangen. Aan de Galaten schrijft hij:
‘Al zouden wijzelf of een engel uit de hemel u een ander evangelie verkondigen dan ik u verkondigd heb, laat die vervloekt zijn!’
(Galaten 1:8)
Tussen Paulus’ onderwijs over de gaven in 1 Korintiërs 12 en 14 staat zijn onderwijs over de liefde. Zelfs profetie, kennis en geloof verliezen hun betekenis wanneer de liefde ontbreekt (1 Korintiërs 13:1–3). De gaven worden gegeven ten bate van anderen en dienen de opbouw van het lichaam van Christus.
Jezus waarschuwt voor valse messiassen en profeten die indrukwekkende tekenen en wonderen doen (Matteüs 24:24). In Korinte waarschuwt Paulus voor mensen die zich voordoen als apostelen van Christus. Hij schrijft daarbij dat zelfs satan zich voordoet als een engel van het licht (2 Korintiërs 11:13–15). Daarmee laat Paulus zien dat misleiding zich ook kan voordoen als iets goeds en betrouwbaars.
Jezus zegt over de Geest:
‘Hij zal Mij eren, want Hij zal uit het Mijne nemen en het jullie verkondigen.’
(Johannes 16:14)
Bij het toetsen komen daarom verschillende vragen samen. Wat wordt er over Jezus gezegd? Komt de boodschap overeen met het evangelie? Waar leidt zij mensen naartoe? Welke vrucht groeit eruit? Draagt het bij aan liefde en de opbouw van Gods volk?
Onderscheiden is ook iets waarin mensen kunnen groeien. Paulus schrijft over de vernieuwing van het denken, waardoor mensen leren onderscheiden wat God wil en wat goed is (Romeinen 12:2). Ook Hebreeën spreekt over mensen die door ervaring geoefend zijn in het onderscheiden van goed en kwaad (Hebreeën 5:14).
Meer over de vrucht die de Geest in het leven van Jezus’ leerlingen vormt lees je in De vrucht van de Geest.
Wat betekent dit voor ons?
Vanaf Genesis gaat het steeds over de vraag naar wie mensen luisteren en bij wie zij wijsheid zoeken over wat goed is. Israël ontvangt Gods onderwijzing en leert ook woorden die in Gods naam worden gesproken te toetsen. Jezus roept Zijn leerlingen om Hem te volgen en Zijn woorden te doen. Binnen de gemeente noemt Paulus vervolgens het onderscheiden van geesten als een van de gaven die de Geest geeft, terwijl gelovigen samen worden opgeroepen om te onderzoeken en het goede vast te houden.
Paulus schrijft:
‘Onderzoek alles, behoud het goede.’
(1 Tessalonicenzen 5:21)
Daarbij hoeft onderscheiden geen angstige zoektocht te worden naar wat er misschien achter iedere gedachte of ervaring verborgen zit. Johannes roept zijn lezers op de geesten te toetsen en schrijft in hetzelfde gedeelte:
‘Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst.’
(1 Johannes 4:4)
Onderscheiden helpt om het goede vast te houden en trouw te blijven aan Jezus. Door Zijn Geest leren Zijn leerlingen steeds meer om Hem te volgen en te leven zoals Hij dat leert. Zo mogen liefde voor God en de ander, vergeving, vrede en het dienen van anderen steeds meer zichtbaar worden in hun leven.
Maak jouw eigen website met JouwWeb