Romeinen 9–11: Israël en de volken

In Romeinen 9–11 komt Paulus uitgebreid terug op Israël. God heeft Zijn beloften aan Israël gegeven en uit dit volk is de Messias voortgekomen. Toch erkennen veel mensen uit Israël Jezus niet als Messias, terwijl mensen uit andere volken door Hem bij de God van Israël komen.

Wat betekent dit voor Gods beloften aan Israël? Heeft God Zijn volk verstoten? En hoe passen de mensen uit andere volken die in Jezus geloven binnen wat God met Abraham en Israël is begonnen?

Paulus volgt deze vragen vanuit Abraham, Exodus en de profeten tot aan Israël en de volken. Hij schrijft over Gods keuze, verharding en ontferming en eindigt bij Gods blijvende trouw aan Zijn beloften.

In de eerste acht hoofdstukken heeft Paulus geschreven over Joden en andere volken die samen onder de macht van de zonde staan en over wat God door Jezus heeft gedaan. Hij heeft laten zien hoe God in Jezus een nieuwe mensheid vormt en hoe mensen door de Geest worden bevrijd uit de macht van zonde en dood.

Aan het einde van Romeinen 8 schrijft Paulus over Gods kinderen, de hoop op de vernieuwing van de schepping en Gods liefde waarvan niets hen kan scheiden. Daarna richt hij zich op Israël.

God had Abraham geroepen en beloofd dat door zijn familie alle volken gezegend zouden worden. Israël ontving de verbonden, de Torah en de beloften en uit dit volk kwam de Messias. Toch erkennen veel Israëlieten Jezus niet als Messias.

Als mensen uit andere volken nu door Jezus bij Gods volk worden gebracht, wat betekent dit dan voor Israël en voor de beloften die God aan Zijn volk heeft gegeven?

Paulus schrijft aan Joodse en niet-Joodse gelovigen in Rome. Enkele jaren eerder had keizer Claudius de Joden uit de stad laten vertrekken. Toen zij na zijn dood konden terugkeren, troffen zij gemeenten aan die inmiddels voor een groot deel uit mensen uit de volken bestonden. In de brief komen vragen naar voren over Israël en de Torah en over verschillen rond onder andere voedsel en Joodse dagen.

Paulus begint hoofdstuk 9 met zijn verdriet om zijn eigen volk. Veel van zijn volksgenoten erkennen Jezus niet als de Messias.

Paulus schrijft:
‘Ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld.’
(Romeinen 9:2)

Vervolgens noemt hij wat Israël heeft ontvangen: het kindschap, Gods aanwezigheid, de verbonden, de Torah, de eredienst en de beloften. De aartsvaders behoren tot Israël en uit dit volk is de Messias voortgekomen.

Paulus schrijft:
‘Gods belofte is niet komen te vervallen.’
(Romeinen 9:6)

Om uit te leggen wat hij daarmee bedoelt, gaat Paulus terug naar Abraham en zijn familie.

 

God kiest Abraham en zijn familie

Na de verspreiding van de volken bij Babel roept God Abraham. Hij belooft hem land, een groot nageslacht en zegen. Die zegen reikt vanaf het begin verder dan Abraham en zijn familie:
‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
(Genesis 12:3)

De lijn van deze belofte gaat verder via Isaak en daarna via Jakob, hoewel hun levens ook laten zien dat zij zelf niet altijd trouw zijn. Abraham probeert verschillende keren zelf invulling te geven aan wat God heeft beloofd en ook Jakobs leven kent bedrog en strijd.

Toch blijft God trouw. Uit Abraham groeit het volk Israël en uit dit volk komt uiteindelijk Jezus, door wie de zegen die aan Abraham was beloofd ook de andere volken bereikt.

 

Isaak, Jakob en Esau

Paulus schrijft:
‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’
(Romeinen 9:7)

Abraham had ook Ismaël als zoon, maar God had beloofd dat Abraham en Sara samen een zoon zouden krijgen. Via die zoon, Isaak, gaat de belofte aan Abraham verder.

Bij de volgende generatie is Rebekka zwanger van een tweeling. God zegt tegen haar:
‘Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.’
(Genesis 25:23)

De oudste zoon had binnen een familie normaal gesproken een bijzondere plaats. Toch gaat God hier verder via iemand van wie dat niet vanzelfsprekend werd verwacht. Nog voordat Jakob en Esau geboren zijn, zegt God dat de oudste de jongste zal dienen en spreekt Hij over de twee volken die uit hen zullen voortkomen.

Paulus haalt daarna Maleachi aan:
‘Jakob heb Ik liefgehad, Esau heb Ik gehaat.’
(Romeinen 9:13)

Maleachi leefde eeuwen na Jakob en Esau en spreekt over Israël en Edom, de volken die uit beide broers zijn voortgekomen. Paulus haalt deze woorden aan terwijl hij bezig is met de vraag of Gods belofte aan Israël is mislukt.

Ook Ismaël ontvangt van God een belofte en Esau krijgt een eigen land en nageslacht. De belofte die God aan Abraham heeft gegeven gaat verder via Isaak en daarna via Jakob, uit wie uiteindelijk het volk Israël ontstaat.

 

‘Ik zal Mij ontfermen’

Na Jakob en Esau stelt Paulus de vraag:
‘Is God dan onrechtvaardig? Natuurlijk niet.’
(Romeinen 9:14)

Hij antwoordt met woorden uit Exodus:
‘Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn, Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.’
(Romeinen 9:15)

God spreekt deze woorden in Exodus 33, nadat Israël uit Egypte is bevrijd en bij de Sinaï een verbond met Hem heeft gesloten. Terwijl Mozes op de berg is, maakt het volk het gouden kalf en schrijft het de bevrijding uit Egypte toe aan een beeld.

God spreekt deze woorden nadat Israël het gouden kalf heeft gemaakt en daarmee ontrouw is geworden aan het verbond dat het kort daarvoor met Hem heeft gesloten. Mozes pleit voor het volk en vraagt God om hen niet los te laten en met hen mee te blijven gaan. God besluit met Israël verder te gaan en spreekt in dat gesprek met Mozes over Zijn genade en ontferming.

Door deze woorden aan te halen, herinnert Paulus aan een moment waarop Israëls voortbestaan al afhankelijk was van Gods ontferming.

 

Farao en verharding

Daarna schrijft Paulus over farao:
‘De Schrift zegt immers tegen de farao: “Ik heb u alleen maar aangesteld om u Mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie Ik ben.”’
(Romeinen 9:17)

Farao staat aan het hoofd van een rijk dat Israël onderdrukt. Hij heeft de Israëlieten tot slaven gemaakt en opdracht gegeven hun pasgeboren zonen te doden. Wanneer Mozes hem namens God opdraagt Israël te laten gaan, weigert hij.

Tijdens de eerste plagen krijgt farao verschillende keren de mogelijkheid om Israël te laten gaan. Toch blijft hij weigeren. We lezen dat hij zijn hart verhardt of dat zijn hart hard blijft. Later verandert de manier waarop Exodus hierover spreekt en lezen we dat God farao’s hart verhardt.

Farao heeft dan al verschillende keren geweigerd Israël te laten gaan en blijft zich tegen hun bevrijding verzetten. Door de plagen heen wordt steeds duidelijker dat Farao Israël niet in zijn macht kan houden. Wanneer hij het volk uiteindelijk zelfs tot aan de zee achtervolgt, bevrijdt God Israël definitief uit de macht van Egypte. Door alles wat daar gebeurt wordt zichtbaar wie de God van Israël is en wordt Zijn naam ook buiten Israël bekend.

Paulus heeft vlak daarvoor Israël bij het gouden kalf aangehaald. Ook Israël komt in opstand en heeft Gods ontferming nodig. Daarna schrijft hij over farao, die Israël steeds opnieuw weigert te laten gaan. Toch bevrijdt God Zijn volk uit Egypte en wordt juist door wat er gebeurt Zijn macht zichtbaar.

 

Waarom verwijt God mensen dan nog iets?

Paulus stelt vervolgens de vraag:
‘Waarom verwijt God ons dan nog iets? Niemand kan toch tegen Zijn wil ingaan?’
(Romeinen 9:19)

Daarop gebruikt hij het beeld van de pottenbakker en de klei:
‘Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare als een alledaagse pot te maken?’
(Romeinen 9:21)

Het beeld van de pottenbakker en de klei komt ook bij de profeten terug. Bij Jesaja gaat het over mensen die God ter verantwoording roepen voor wat Hij doet, alsof klei tegen de pottenbakker zegt dat hij niet weet wat hij maakt.

In Jeremia 18 ziet de profeet een pottenbakker aan het werk. Wanneer een pot tijdens het maken mislukt, vormt de pottenbakker dezelfde klei opnieuw tot een andere pot. God vergelijkt Israël met die klei en spreekt daarna over Zijn omgang met volken. Als een volk zich afkeert van het kwaad, kan God besluiten het aangekondigde oordeel niet uit te voeren. Als een volk zich juist van Hem afkeert en kwaad doet, reageert God daar ook op.

Paulus schrijft vervolgens over Gods geduld en ontferming en komt daarna bij de mensen die God heeft geroepen:
‘En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, uit de Joden maar ook uit de andere volken.’
(Romeinen 9:24)

Paulus begon dit gedeelte met de vraag of Gods belofte aan Israël is komen te vervallen. Nu schrijft hij over mensen uit zowel de Joden als de andere volken die God heeft geroepen. Daarna gaat hij verder met woorden uit Hosea en Jesaja en blijft de vraag naar Israël centraal staan.

 

Hosea: ‘Niet Mijn volk’ wordt Mijn volk

Paulus haalt Hosea aan:
‘Wat Mijn volk niet was, zal Ik Mijn volk noemen; wie Ik niet liefhad, zal Ik Mijn geliefde noemen.’
(Romeinen 9:25)

Hosea leefde in een tijd waarin Israël het verbond met God steeds opnieuw brak. Zijn kinderen krijgen namen die het oordeel over Israël uitbeelden. Een van hen wordt Lo-Ammi genoemd: ‘Niet Mijn volk’.

Later spreekt Hosea over herstel. Het volk dat ‘Niet Mijn volk’ werd genoemd, zal opnieuw ‘kinderen van de levende God’ worden genoemd.

Bij Hosea gaan deze woorden over Israël. Paulus haalt ze aan wanneer hij schrijft over mensen die God heeft geroepen uit de Joden en uit de andere volken. Mensen uit de volken die eerst niet bij Israël hoorden, worden nu ook bij Gods volk gebracht.

 

Jesaja en het overblijfsel

Paulus haalt vervolgens Jesaja aan. Jesaja spreekt over een overblijfsel van Israël dat zal terugkeren. Ook wanneer Israël vanwege zijn ontrouw onder oordeel komt en in ballingschap terechtkomt, betekent dat niet dat God Zijn volk heeft losgelaten.

Die lijn heeft al wortels in de Torah. Aan het einde van Deuteronomium voorziet Mozes dat Israël zich van God zal afkeren en onder de volken verspreid zal worden. Maar de hoop op herstel blijft. God zal Zich opnieuw over Zijn volk ontfermen.

 

De steen waarover Israël struikelt

Aan het einde van hoofdstuk 9 schrijft Paulus over Israël en de mensen uit andere volken. Mensen uit de volken zijn door geloof gaan delen in Gods gerechtigheid. Israël zocht naar gerechtigheid door de Torah te volgen, maar struikelde over Jezus.

Paulus brengt daarbij twee teksten uit Jesaja bij elkaar:
‘In Sion leg Ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’
(Romeinen 9:33)

In Jesaja is God Zelf een steen waaraan Israël zich stoot. En hij spreekt over een steen die God in Sion legt als een betrouwbaar fundament voor wie op Hem vertrouwt. Oordeel en hoop staan daar dicht bij elkaar.

Paulus verbindt deze woorden met Jezus. De Messias die uit Israël is voortgekomen, wordt voor velen binnen Israël de steen waarover zij struikelen. En tegelijkertijd is Hij het fundament waarop mensen mogen vertrouwen.

 

Paulus blijft verlangen naar Israël

Hoofdstuk 10 begint opnieuw met Paulus’ verlangen naar zijn eigen volk:
‘Broeders en zusters, het is mijn vurige wens en ik bid tot God dat ze gered worden.’
(Romeinen 10:1)

Hij schrijft dat zijn volksgenoten God met veel toewijding willen dienen. Toch herkennen zij niet hoe God door Jezus heeft gehandeld. Zij zoeken naar gerechtigheid, maar zien niet dat Gods gerechtigheid in Jezus zichtbaar is geworden.

Daarbij komt Paulus opnieuw bij de Torah:
‘De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard.’
(Romeinen 10:4)

Het Griekse woord telos kan zowel naar een einde als naar een doel of bestemming verwijzen. Eerder in Romeinen heeft Paulus de Torah heilig, rechtvaardig en goed genoemd. Tegelijkertijd heeft hij laten zien dat de Torah mensen die onder de macht van de zonde staan niet uit die macht kan bevrijden.

In Jezus komt de Torah tot haar doel. Hij blijft trouw aan God waar mensen steeds opnieuw ontrouw zijn en door de Geest worden mensen vernieuwd om te leven zoals God het heeft bedoeld.

Daarna gaat Paulus verder met woorden uit Deuteronomium 30.

 

Deuteronomium 30

Mozes staat met Israël aan de grens van het beloofde land. Hij spreekt over zegen en vloek en waarschuwt dat ontrouw uiteindelijk tot ballingschap zal leiden. Daarna kijkt hij vooruit naar een tijd waarin Israël terugkeert naar God. God zal Zijn volk verzamelen en hun hart besnijden, zodat zij Hem kunnen liefhebben met heel hun hart en heel hun ziel.

Mozes zegt vervolgens dat Gods gebod niet ver weg of onbereikbaar is. Niemand hoeft naar de hemel te gaan om het te halen of de zee over te steken:
‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart.’
(Romeinen 10:8)

Paulus haalt deze woorden aan en verbindt ze met Jezus. 

Hij schrijft:
‘Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered.’
(Romeinen 10:9)

Daarna schrijft hij:
‘Er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft Zijn rijke gaven aan allen die Hem aanroepen.’
(Romeinen 10:12)

Vervolgens haalt hij Joël aan:
‘Iedereen die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’
(Romeinen 10:13)

Bij Joël gaat het om het aanroepen van de naam van de HEER, de God van Israël. Paulus heeft vlak daarvoor geschreven dat Jezus Heer is en haalt daarna deze woorden van Joël aan over iedereen die de naam van de Heer aanroept. 

 

Hoe kunnen zij geloven als zij niet hebben gehoord?

Paulus schrijft verder over het goede nieuws dat wordt verkondigd. Mensen kunnen de Heer niet aanroepen zonder in Hem te geloven, niet geloven zonder te horen en niet horen wanneer niemand het goede nieuws bekendmaakt.

Daarbij haalt hij Jesaja aan:
‘Hoe welkom is de vreugdebode die goed nieuws verkondigt.’
(Romeinen 10:15)

Bij Jesaja gaat het om het goede nieuws dat God als Koning naar Sion terugkeert en Zijn volk bevrijdt. Paulus gebruikt deze woorden wanneer hij schrijft over het goede nieuws van Jezus.

Toch heeft niet iedereen in Israël dit goede nieuws aangenomen. Paulus eindigt hoofdstuk 10 met woorden uit Jesaja waarin God de hele dag Zijn handen uitstrekt naar een volk dat Hem blijft weerstaan.

 

Heeft God Zijn volk verstoten?

Aan het begin van hoofdstuk 11 stelt Paulus daarom de vraag:
‘Heeft God Zijn volk soms verstoten? Beslist niet.’
(Romeinen 11:1)

Paulus begint bij zichzelf. Hij behoort zelf tot Israël, is een nakomeling van Abraham en komt uit de stam Benjamin.

Daarna gaat hij terug naar de tijd van Elia. In die tijd is afgoderij diep in Israël doorgedrongen. Elia klaagt bij God dat Israël het verbond heeft verlaten, de altaren heeft afgebroken en de profeten heeft gedood. Hij denkt dat hij als enige is overgebleven, maar God antwoordt dat er nog zevenduizend mensen zijn die niet voor Baäl hebben geknield.

Ook in Paulus’ eigen tijd is er binnen Israël een overblijfsel. Hoewel veel Israëlieten Jezus niet als Messias erkennen, heeft God Zijn volk niet verstoten.

 

Zijn zij gestruikeld om ten val te komen?

Paulus vraagt:
‘Zijn zij soms gestruikeld om ten val te komen? Beslist niet.’
(Romeinen 11:11)

Door Israëls struikelen is het goede nieuws bij de andere volken terechtgekomen. Mensen uit de volken komen door Jezus, de Messias van Israël, bij de God van Israël. Paulus hoopt dat dit ook zijn eigen volksgenoten zal aanzetten om zich tot God te keren.

Israëls struikelen betekent voor Paulus dus niet dat hun val het einde is. Hij blijft hopen op hun herstel.

 

De olijfboom

Voordat Paulus over de olijfboom schrijft, gebruikt hij twee korte beelden: het eerste deel van het deeg en de wortel van een boom. Als de wortel heilig is, horen ook de takken bij die wortel.

Daarna vergelijkt Paulus Israël met een olijfboom. Sommige natuurlijke takken zijn afgebroken en takken van een wilde olijf worden tussen de overgebleven takken geënt. Paulus noemt dit zelf ‘tegen de natuur in’. De wilde takken staan voor mensen uit andere volken die in Jezus geloven. Zij worden opgenomen in een boom die er al was en mogen delen in de rijke wortel.

Paulus waarschuwt :
‘Laat u er niet op voorstaan dat u beter bent dan die takken.’
(Romeinen 11:18)

De wilde takken dragen de wortel niet, de wortel draagt hen. Zij worden opgenomen in de familie die bij Abraham begon.

Paulus schrijft verder:
‘Wees daarom niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God.’
(Romeinen 11:20)

De natuurlijke takken zijn vanwege ongeloof afgebroken en de wilde takken staan door geloof. Dat geeft mensen uit de andere volken geen reden om zich boven Israël te verheffen. De God die natuurlijke takken heeft afgebroken, kan hen ook weer op hun eigen boom enten.

Over de natuurlijke takken schrijft Paulus:
‘En als zij hun ongeloof laten varen, zullen zij opnieuw geënt worden. God heeft de macht om hen opnieuw te enten.’
(Romeinen 11:23)

Paulus spreekt zelfs over ‘hun eigen olijfboom’. Israëls struikelen is voor hem niet het einde. Hij blijft hopen dat ook de afgebroken natuurlijke takken opnieuw op de boom worden geënt.

 

‘Heel Israël zal worden gered’

Hij spreekt over een geheimenis. Veel mensen binnen Israël erkennen Jezus niet als Messias. Paulus noemt dit een gedeeltelijke verharding. Tegelijkertijd komen mensen uit andere volken bij de God van Israël. Deze situatie zal niet altijd zo blijven.

Daarna schrijft hij:
‘Dan zal heel Israël worden gered.’
(Romeinen 11:26)

Paulus haalt opnieuw Jesaja aan en schrijft:
‘God neemt Zijn genadegaven en roeping nooit terug.’
(Romeinen 11:29)

God blijft trouw aan de beloften die Hij aan Israël heeft gegeven. Mensen uit de andere volken waren eerder ongehoorzaam aan God en hebben ontferming ontvangen. Nu schrijft Paulus over de ongehoorzaamheid van Israël en over de ontferming die ook voor hen bedoeld is.

Hij schrijft:
‘Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn.’
(Romeinen 11:32)

Zowel Joden als mensen uit andere volken staan onder de macht van de zonde. Geen van beide kan zich beroepen op afkomst, de Torah of een bijzondere positie. 

 

Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn wegen

Paulus heeft vanaf hoofdstuk 9 geschreven over Gods keuze, Israëls ontrouw, de komst van de volken, verharding en ontferming.

Hij eindigt met verwondering:
‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk Zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk Zijn wegen.’
(Romeinen 11:33)

Daarna haalt hij woorden uit Jesaja en Job aan:
‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit Zijn raadsman?’
(Romeinen 11:34)

En uiteindelijk:
‘Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.’
(Romeinen 11:36)

Paulus begon hoofdstuk 9 met zijn verdriet om Israël. Daarna ging hij terug naar Abraham, Isaak en Jakob, naar de Exodus en naar de profeten. Hij schreef over Jezus, over Israëls struikelen en over mensen uit andere volken die bij de God van Israël zijn gekomen.

Aan het einde komt hij terug bij de vraag waarmee hij begon. Wat betekent dit alles voor Gods beloften aan Israël? Gods belofte is niet komen te vervallen.

 

Israël en de volken

In Romeinen 9–11 houdt Paulus zich bezig met de vraag wat Israëls ongeloof betekent voor de beloften die God aan Zijn volk heeft gegeven.

Daarvoor gaat hij terug naar Abraham en de geschiedenis van Israël. God riep Abraham en beloofde dat door zijn familie alle volken gezegend zouden worden. Die lijn loopt via Isaak en Jakob, door Israël heen en uiteindelijk naar Jezus. Hij komt uit Israël en door Hem bereikt de beloofde zegen ook mensen uit andere volken.

Dat veel Israëlieten Jezus in Paulus’ tijd niet als Messias erkennen, betekent voor Paulus niet dat God Israël heeft verstoten. Mensen uit andere volken worden als wilde takken geënt op een boom die er al was. Daarom waarschuwt Paulus hen om zich niet boven Israël te verheffen.

God blijft trouw aan Zijn beloften aan Israël. Door Jezus bereikt de zegen die aan Abraham werd beloofd ook mensen uit andere volken. God heeft Israël niet losgelaten. Aan het einde spreekt Paulus over Gods ontferming over Israël en de volken.

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb