De (klassiek) gereformeerde lens

De manier waarop we de Bijbel lezen wordt mede gevormd door wat we onderweg hebben geleerd. Onze opvoeding, cultuur en kerkelijke achtergrond kunnen invloed hebben op wat ons opvalt wanneer we de Bijbel openen, welke vragen we aan de tekst stellen en hoe we verschillende Bijbelgedeelten met elkaar verbinden.

Binnen kerkelijke tradities zijn door de eeuwen heen bepaalde manieren van Bijbellezen ontstaan. Die kunnen zo vertrouwd raken dat we ons niet altijd meer bewust zijn van de aannames die we meenemen. Ook achter de (klassiek) gereformeerde manier van Bijbellezen ligt een lange geschiedenis.

Waar liggen de wortels van deze traditie en hoe heeft deze zich door de eeuwen heen ontwikkeld? Hoe kregen thema’s als de zondeval, erfzonde, genade, verkiezing en rechtvaardiging een belangrijke plaats? En welke invloed kan dit theologische kader hebben op ons beeld van God en de mens en op de manier waarop we de Bijbel lezen?

Waar komt de (klassiek) gereformeerde manier van Bijbellezen vandaan?

Door de eeuwen heen zijn Bijbelteksten op verschillende manieren uitgelegd en met elkaar in verband gebracht. Woorden als zonde, genade, verkiezing, rechtvaardiging en verzoening hebben binnen kerkelijke tradities een bepaalde betekenis en plaats gekregen.

Dat geldt ook voor de (klassiek) gereformeerde traditie. Veel overtuigingen die we tegenwoordig met het calvinisme verbinden, hebben een lange geschiedenis. Verschillende theologen en kerkelijke ontwikkelingen hebben bijgedragen aan de manier waarop deze overtuigingen zijn ontstaan en verder zijn uitgewerkt.

Hoe heeft deze traditie zich ontwikkeld? Welke ideeën en theologische vragen hebben daarin een rol gespeeld? En hoe werkt deze geschiedenis door in de manier waarop we vandaag de Bijbel lezen?

 

De eerste eeuwen van de kerk

De eerste christenen lazen de Schriften van Israël vanuit hun geloof dat Jezus de Messias was Die God uit de dood had opgewekt. Ze probeerden te begrijpen hoe Zijn leven, dood en opstanding verbonden waren met wat God eerder door Mozes en de profeten had bekendgemaakt.

Daarbij kwamen allerlei vragen naar voren. Wie is Jezus en hoe verhouden de Vader, de Zoon en de Geest zich tot elkaar? Wat betekenen Zijn dood en opstanding voor de mensheid? Wat heeft God door Jezus gedaan met zonde en dood? En wat betekent het om gered te worden?

Over zulke vragen werd in de eerste eeuwen veel gesproken en geschreven. Christenen onderzochten de Schriften, legden Bijbelteksten met elkaar in verband en kwamen daarbij niet altijd tot dezelfde conclusies. Zo kregen verschillende manieren van spreken over God, Jezus, de mens en redding verder vorm. Sommige daarvan kregen veel invloed op het latere christendom.

Een van de theologen die later veel invloed zou krijgen op het westerse christendom was Augustinus.

 

Augustinus en de menselijke wil

Augustinus van Hippo leefde van 354 tot 430. Hij schreef over veel verschillende onderwerpen, waaronder de schepping, liefde, het menselijk verlangen, de kerk, de Drie-eenheid en het leven met God. Vooral zijn latere ideeën over Adam, de menselijke wil, genade en verkiezing kregen veel invloed op het westerse christendom.

Zijn denken hierover ontwikkelde zich gedurende zijn leven. In zijn eerdere werk legde Augustinus meer nadruk op de menselijke wil en verantwoordelijkheid en liet hij meer ruimte voor menselijk initiatief. Later kwam hij, mede door zijn lezing van Paulus, steeds sterker tot de overtuiging dat ook het begin van geloof en de beweging van de mens naar God afhankelijk zijn van Gods genade.

Zijn discussie met Pelagius en zijn volgelingen speelde daarin een belangrijke rol. Pelagius legde veel nadruk op de verantwoordelijkheid van de mens en zijn mogelijkheid om Gods geboden te gehoorzamen. Augustinus vond dat daarmee onvoldoende rekening werd gehouden met de gevolgen van Adams zonde voor de mensheid. Volgens hem was Gods genade noodzakelijk om de menselijke wil te vernieuwen en de mens tot geloof te brengen.

Ook zijn uitleg van Romeinen 9 veranderde. Eerder had Augustinus Gods keuze van Jakob en Esau nog verbonden met Gods voorkennis van hun geloof of ongeloof. Later kwam hij tot een andere uitleg. Beide behoren volgens hem tot de gevallen mensheid die door Adam onder de zonde is gekomen. Wanneer iemand wordt gered, ligt de uiteindelijke grond daarvan niet in iets wat God vooraf in die persoon ziet, maar in Gods genadige keuze.

Zo kregen Adam, erfzonde, de menselijke wil, genade en verkiezing bij de latere Augustinus een plaats binnen hetzelfde theologische kader.

 

De invloed van Augustinus

De geschriften van Augustinus werden in de eeuwen na zijn dood veel gelezen en bestudeerd. Theologen bouwden voort op zijn ideeën over Adam, zonde, genade, de menselijke wil en verkiezing. Daarbij bleven verschillende vragen een belangrijke rol spelen:

  • Wat is er door Adam met de mens gebeurd?

  • Hoe vrij is de menselijke wil na de zondeval?

  • Kan een mens zelf naar God toe komen?

  • Welke plaats heeft Gods genade?

  • Hoe verhouden Gods keuze en de menselijke reactie zich tot elkaar?

  • Hoe kan een zondig mens weer in de juiste verhouding tot God komen?

Ook in de eeuwen na Augustinus bleven theologen over deze vragen nadenken. Ze waren het erover eens dat de mens Gods genade nodig heeft, maar verschilden van mening over de rol van de menselijke wil. Kan de mens zelf op Gods genade reageren en met Hem meewerken, of is ook die eerste beweging naar God volledig afhankelijk van Zijn genade?

Augustinus bleef een belangrijke invloed op het westerse christendom. Eeuwen later speelden zijn ideeën ook een belangrijke rol in het denken van reformatoren als Maarten Luther en Johannes Calvijn.

 

Anselmus en de dood van Jezus

Naast vragen over zonde, genade en de menselijke wil werd binnen het christendom ook nagedacht over de betekenis van Jezus’ dood. De Bijbel gebruikt daarvoor verschillende woorden en beelden. We lezen over offer en verzoening, bevrijding en loskoop, vergeving en overwinning op zonde, dood en de machten. 

Aan het einde van de elfde eeuw gaf Anselmus van Canterbury een uitleg die veel invloed zou krijgen binnen het westerse christendom. In Cur Deus Homo, wat betekent Waarom werd God mens?, probeerde hij te begrijpen waarom de menswording en dood van Jezus nodig waren.

Volgens Anselmus geeft de mens door te zondigen niet aan God wat Hem toekomt. Daarmee doet de mens tekort aan Gods eer en ontstaat er een schuld die hij zelf niet kan goedmaken. Anselmus spreekt over genoegdoening: er moet iets worden gegeven om te herstellen wat door de zonde is geschonden.

Omdat de mens tegenover God tekort is geschoten, moet volgens Anselmus ook een mens die genoegdoening geven. Maar geen gewoon mens is daartoe in staat. Daarom is Jezus volgens hem zowel God als mens. Als mens kan Hij doen wat van de mens wordt gevraagd, en als God kan Hij geven wat geen ander mens kan geven.

Deze uitleg verschilt van de latere protestantse uitleg van Jezus’ dood, waarin meer nadruk komt te liggen op Christus Die in de plaats van zondaren de straf draagt. Bij Anselmus ligt de nadruk vooral op het herstellen van wat door de zonde tegenover God is geschonden. Zijn denken kreeg veel invloed op de manier waarop binnen het westerse christendom later over zonde, schuld en Jezus’ dood werd nagedacht.

 

Luther en de Reformatie

In de zestiende eeuw groeide binnen de westerse kerk de kritiek op bepaalde kerkelijke praktijken en op de manier waarop het geloof werd onderwezen. Ook in de eeuwen daarvoor hadden mensen al opgeroepen tot hervorming.

In Luthers tijd speelde onder andere de praktijk rond aflaten een belangrijke rol. Een aflaat had betrekking op de tijdelijke straf die volgens de kerk na de vergeving van zonden nog kon overblijven. Aan het verkrijgen van aflaten werden in die tijd soms betalingen verbonden. Luther kreeg steeds meer moeite met de manier waarop hiermee werd omgegaan.

Luther was zelf monnik en priester binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Zijn kritiek op de aflaten leidde tot een steeds groter conflict, waarbij ook andere vragen naar voren kwamen. Welk gezag had de kerk? Welke plaats had de Bijbel? En hoe wordt een mens rechtvaardig voor God?

Luther was gevormd binnen de westerse christelijke traditie en werd onder andere beïnvloed door Augustinus. Tijdens zijn bestudering van Paulus, vooral Romeinen en Galaten, hield hij zich steeds meer bezig met vragen over zonde, geloof, genade en rechtvaardiging.

Hij raakte ervan overtuigd dat een mens niet door eigen verdiensten of werken rechtvaardig voor God wordt. Rechtvaardiging was volgens hem een gave van God die door geloof wordt ontvangen.

Deze overtuiging kreeg een belangrijke plaats binnen de Reformatie en beïnvloedde ook de manier waarop Paulus werd gelezen. Vooral in Romeinen en Galaten kwam de vraag hoe een zondig mens rechtvaardig voor God kan staan sterk op de voorgrond.

 

Calvijn

Johannes Calvijn (1509–1564) behoorde tot een volgende generatie binnen de Reformatie. Hij bouwde voort op eerdere theologen, onder wie Augustinus, en op ontwikkelingen binnen de Reformatie.

In zijn Institutie beschreef hij verschillende onderdelen van het christelijke geloof in samenhang. Daarin kreeg de val van Adam een belangrijke plaats in zijn uitleg van de menselijke natuur en de gevolgen van de zonde.

Volgens Calvijn heeft Adams ongehoorzaamheid gevolgen voor zijn nageslacht. De menselijke natuur is door de zonde aangetast en de mens kan zichzelf daar niet uit bevrijden. Daarom krijgt Gods genade een beslissende plaats. Redding begint volgens Calvijn niet bij wat de mens zelf doet of verdient.

Ook de verbondenheid met Christus speelt een belangrijke rol in zijn denken. Door het geloof krijgt de mens deel aan Christus en Zijn weldaden, waaronder rechtvaardiging en vernieuwing van het leven. De mens wordt volgens Calvijn niet op grond van eigen werken rechtvaardig voor God.

Daarnaast schreef Calvijn uitgebreid over verkiezing en predestinatie. Daarin sloot hij op belangrijke punten aan bij Augustinus. Gods keuze rust volgens hem uiteindelijk niet op iets wat de mens eerst doet of verdient.

Zo krijgen onderwerpen die al eeuwen binnen het westerse christendom werden besproken bij Calvijn een duidelijke plaats binnen een samenhangend theologisch kader.

 

De verdere ontwikkeling van de gereformeerde traditie

Calvijn kreeg grote invloed op de gereformeerde traditie. Ook na zijn dood werd er verder nagedacht over onderwerpen als zonde, genade, de menselijke wil en verkiezing. Daarbij bouwden theologen voort op Calvijn en andere reformatoren, maar ontstonden ook nieuwe discussies.

Binnen de Nederlandse gereformeerde kerken kregen verschillende van deze overtuigingen een plaats in belijdenisgeschriften en het geloofsonderwijs. De Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en later de Dordtse Leerregels werden daarin belangrijk.

Deze geschriften laten zien hoe bepaalde opvattingen over God, de mens en redding binnen de gereformeerde traditie werden vastgelegd en met elkaar verbonden. Via de kerk, de prediking en het geloofsonderwijs werden ze aan volgende generaties doorgegeven.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis

De Nederlandse Geloofsbelijdenis werd in 1561 opgesteld door Guido de Brès en bestaat uit 37 artikelen waarin de belangrijkste overtuigingen van de gereformeerde kerken worden samengevat. De belijdenis spreekt onder andere over God, de Schrift, de schepping, de mens, Jezus Christus, redding, de kerk, de sacramenten (de doop en het avondmaal) en het laatste oordeel.

Wanneer de belijdenis over de mens en redding spreekt, wordt een duidelijke lijn zichtbaar. De mens werd goed en naar Gods beeld geschapen, maar door de ongehoorzaamheid van Adam is volgens artikel 14 zijn gehele natuur verdorven. Artikel 15 verbindt dit met de erfzonde, die zich over het hele menselijke geslacht heeft uitgebreid en wordt omschreven als een erfelijke verdorvenheid waarmee zelfs kleine kinderen al besmet zijn.

Artikel 16 spreekt vervolgens over ‘het gehele geslacht van Adam’ dat door de zonde van de eerste mens ‘in verderfenis en ondergang’ ligt. Uit deze gevallen mensheid verlost God degenen die Hij volgens Zijn eeuwige raad heeft uitverkoren. Anderen laat Hij volgens dit artikel in hun val en verderf.

Ook het werk van Jezus wordt binnen deze lijn beschreven. Artikel 20 spreekt over Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid en over Christus Die de straf voor onze zonden draagt. Artikel 21 beschrijft hoe Christus door Zijn lijden en dood genoegdoening heeft gegeven en Gods toorn heeft gestild. Daarna volgen de artikelen over rechtvaardiging door geloof, vergeving van zonden en de toerekening van Christus’ gehoorzaamheid.

Zo zien we hoe de val van Adam, de verdorven toestand van de mens, verkiezing, het dragen van de straf door Christus en rechtvaardiging door geloof binnen deze belijdenis met elkaar worden verbonden. Deze overtuigingen kregen een belangrijke plaats in het geloofsonderwijs van de gereformeerde kerken.

 

De Heidelbergse Catechismus

De Heidelbergse Catechismus verscheen in 1563 en werd later een belangrijk leerboek binnen de Nederlandse gereformeerde traditie. De catechismus begint met een vraag naar troost:
‘Wat is uw enige troost in leven en sterven?’
Het antwoord begint met het behoren aan Jezus Christus.

Daarna wordt gevraagd wat een mens moet weten om vanuit die troost te leven. Het antwoord noemt drie dingen: hoe groot zijn zonde en ellende zijn, hoe hij daarvan wordt verlost en hoe hij God voor die verlossing dankbaar kan zijn. Zo ontstaat de bekende indeling: ellende, verlossing en dankbaarheid.

De Heidelbergse Catechismus werd gebruikt om mensen te leren wat zij geloven en hoe zij als christen leven. Door de indeling van ellende, verlossing en dankbaarheid worden verschillende onderwerpen binnen het christelijke geloof met elkaar verbonden.

Wanneer mensen vanuit deze indeling over het geloof en de Bijbel leren, kan die ook het kader worden van waaruit zij de Bijbel gaan lezen.

 

Dordrecht

Aan het begin van de zeventiende eeuw onstond binnen de Nederlandse gereformeerde kerken een conflict over onder andere verkiezing, genade en de menselijke wil.

Jacobus Arminius en later zijn volgelingen hadden vragen bij bepaalde gereformeerde opvattingen over deze onderwerpen. Hij verzette zich vooral tegen de gedachte dat God vóór de schepping onvoorwaardelijk had bepaald welke individuele mensen gered zouden worden en welke niet. Arminius benadrukte dat Gods genade noodzakelijk is, maar zag ook ruimte voor de menselijke reactie op die genade.

Na de dood van Arminius legden zijn volgelingen in 1610 hun standpunten vast in de Remonstrantie. Daarin beschreven zij hun standpunten over vijf onderwerpen waarover binnen de gereformeerde kerken verschil van inzicht bestond. Het conflict hierover bleef voortduren. In 1618 werd de Synode van Dordrecht bijeengeroepen om deze geschillen te behandelen.

De Dordtse Leerregels ontstonden als antwoord op deze vijf geschilpunten. Daarom gaan ze uitgebreid in op verkiezing, Christus’ dood en verlossing, de toestand en bekering van de mens, Gods genade en de volharding van gelovigen.

De antwoorden die in Dordrecht op deze onderwerpen werden gegeven, werden later bekend als de vijf punten van het calvinisme. Deze punten kregen een belangrijke plaats in de manier waarop de gereformeerde leer werd uitgelegd en doorgegeven.

 

De vijf punten van het calvinisme

De vijf punten worden tegenwoordig vaak samengevat met het Engelse woord TULIP:

Total Depravity
Unconditional Election
Limited Atonement
Irresistible Grace
Perseverance of the Saints

In het Nederlands worden deze vijf punten meestal als volgt weergegeven:
Totale verdorvenheid:
De zonde heeft de hele mens aangetast. Daardoor kan de mens niet uit zichzelf tot God komen of zichzelf redden.
Onvoorwaardelijke verkiezing:
Gods keuze om mensen te redden berust niet op iets wat zij zelf doen of op geloof dat Hij vooraf in hen ziet, maar op Zijn eigen genadige keuze.
Beperkte verzoening:
Christus stierf voor de uitverkorenen en Zijn dood verzekert daadwerkelijk hun redding.
Onweerstaanbare genade:
Wanneer God een uitverkoren mens tot Zich roept, werkt Zijn genade zo dat deze persoon uiteindelijk tot geloof komt.
Volharding van de heiligen:
Degenen die werkelijk door God zijn gered, worden door Hem in het geloof bewaard en zullen daarin uiteindelijk volharden.

 

Na Dordrecht

Na de Synode van Dordrecht ontwikkelde de gereformeerde traditie zich verder. Binnen de Nederlandse Nadere Reformatie kwam veel aandacht voor de persoonlijke doorwerking van het geloof. Onderwerpen als bekering, wedergeboorte, heiliging, zelfonderzoek en geloofszekerheid kregen een belangrijke plaats. Zo werd het gereformeerde denken ook verbonden met de vraag hoe Gods genade zichtbaar wordt in het leven van de gelovige.

 

Adam en Christus

Binnen de gereformeerde theologie werd ook verder nagedacht over het verbond en de plaats van Adam binnen de mensheid. Calvijn had benadrukt dat Adams ongehoorzaamheid gevolgen heeft voor zijn nakomelingen. Latere gereformeerde theologen werkten deze gedachte verder uit en zagen Adam als vertegenwoordiger van de mensheid.

Paulus zet Adam en Christus naast elkaar in Romeinen 5 en 1 Korintiërs 15. Binnen de gereformeerde verbondstheologie werd deze vergelijking verder uitgewerkt. Daarbij kreeg onder andere het verbond der werken een belangrijke plaats. Volgens deze uitleg vertegenwoordigde Adam de mensheid, waardoor zijn ongehoorzaamheid gevolgen had voor zijn nakomelingen. Christus werd daartegenover gezien als de vertegenwoordiger van degenen die met Hem verbonden zijn en delen in wat Hij heeft gedaan.

Zo kreeg de tegenstelling tussen ‘in Adam’ en ‘in Christus’ een belangrijke plaats in de manier waarop binnen de gereformeerde traditie naar de toestand van de mens en zijn redding werd gekeken.

Meer over Adam en Christus en de lijn die Paulus in Romeinen 5 verder uitwerkt lees je in Romeinen 5–8 | Een nieuwe mensheid.

 

Wanneer een kader een lens wordt

Hier komen we terug bij de lens waardoor we de Bijbel lezen. We hebben gezien hoe bepaalde vragen en manieren om Bijbelteksten met elkaar te verbinden door de eeuwen heen een belangrijke plaats hebben gekregen binnen de gereformeerde traditie.

Dat kan invloed hebben op welke accenten bij het lezen naar voren komen. Bij Genesis 3 kan bijvoorbeeld veel aandacht uitgaan naar de gevolgen van Adams zonde voor de mensheid. In Romeinen kan de vraag centraal komen te staan hoe een mens rechtvaardig voor God wordt. Teksten over verkiezing kunnen vooral worden gelezen vanuit Gods keuze van mensen tot redding. En bij Jezus’ dood kunnen thema’s als schuld, oordeel, plaatsvervanging, verzoening en vergeving sterk naar voren komen.

Al deze onderwerpen komen in de Bijbel voor. Door de eeuwen heen zijn ze binnen de gereformeerde traditie op een bepaalde manier met elkaar verbonden en hebben ze samen een belangrijke plaats gekregen in de uitleg van verschillende Bijbelteksten.

Wanneer zo’n manier van lezen van generatie op generatie wordt doorgegeven, kan die zo vertrouwd raken dat we ons niet altijd meer bewust zijn van de vragen en aannames die we zelf meenemen wanneer we de Bijbel openen.

Meer over hoe verschillende vertrekpunten invloed kunnen hebben op de manier waarop we Romeinen lezen, lees je in Met welke lens lezen we Romeinen?

 

Wat doet zo’n lens?

Een lens heeft niet alleen invloed op wat iemand gelooft, maar ook op de vragen waarmee we de Bijbel openen.

Welke vraag stellen we als eerste?
Welke woorden vallen ons meteen op?
Aan welke andere Bijbelteksten denken we wanneer we een bepaald vers lezen?
Welke onderwerpen krijgen binnen het geheel veel aandacht?
En welke grotere lijn denken we door de Bijbel heen te zien?

Iemand die binnen een (klassiek) gereformeerde traditie is gevormd, kan daardoor bijvoorbeeld sneller letten op zonde, schuld, verkiezing, genade, rechtvaardiging en verzoening. Daarbij gaat het niet alleen om welke onderwerpen aandacht krijgen, maar ook om welke Bijbelteksten met elkaar worden verbonden en welke plaats deze onderwerpen binnen het geheel van de Bijbel krijgen.

Zo’n lens kan ook invloed hebben op hoe we het evangelie uitleggen en welke onderwerpen daarbij centraal komen te staan. Wanneer zonde, schuld en de vraag hoe een mens gered wordt het belangrijkste kader vormen, kan het evangelie vooral worden verteld als het antwoord op de vraag hoe een schuldig mens vergeving ontvangt en met God verzoend wordt.

Wanneer we het evangelie binnen de grotere lijn van de Bijbel lezen, komt een breder geheel in beeld. God schept een goede wereld, maakt mensen naar Zijn beeld en geeft hun een roeping binnen Zijn schepping. Wanneer de mens in Genesis 3 zelf naar kennis van goed en kwaad grijpt, in plaats van op Gods wijsheid te vertrouwen, en zonde en dood hun intrede doen, blijft God werken aan Zijn bedoeling met de mens en Zijn schepping. Via Abraham en Israël loopt deze lijn uit op Jezus, de Messias en Heer. In Hem wordt zichtbaar wat het betekent om werkelijk mens te zijn, en door Zijn dood en opstanding brengt Hij verzoening en overwint Hij zonde en dood. Gods Koninkrijk breekt door en door de Geest vormt God een volk dat Jezus volgt. Door de Geest leren mensen opnieuw te leven naar de roeping die God de mens heeft gegeven, terwijl zij uitzien naar het volledige herstel van de schepping.

Vergeving van zonden en verzoening met God hebben binnen deze grotere lijn een belangrijke plaats. Ze maken deel uit van het goede nieuws van wat God door Jezus doet voor de mens en Zijn schepping. De vraag is welke plaats deze verschillende onderwerpen binnen het geheel krijgen en welke lijn het kader wordt van waaruit we de andere begrijpen.

 

Ons beeld van God

Zo’n lens kan verder doorwerken in ons beeld van God. Wanneer zonde, schuld, Gods toorn en oordeel veel nadruk krijgen, kan God vooral worden gezien als een boze en straffende Rechter. Zijn oordeel over de zonde kan dan zo sterk op de voorgrond komen te staan dat er minder aandacht is voor Zijn liefde, geduld en barmhartigheid, en voor het beeld van God als een liefdevolle Vader.

Binnen de gereformeerde traditie wordt ook gesproken over Gods liefde, barmhartigheid en genade. De vraag is welke eigenschappen van God in de uitleg en verkondiging de meeste nadruk krijgen en hoe dat ons beeld van Hem kan vormen.

 

Ons mensbeeld

Ook ons mensbeeld kan hierdoor worden beïnvloed. Wanneer de nadruk sterk ligt op de gevallen en verdorven natuur van de mens, kan onze aandacht vooral uitgaan naar wat er mis is met de mens. We kunnen onszelf dan voornamelijk gaan zien als zondige mensen die schuldig staan tegenover God en afhankelijk zijn van Zijn genade.

Wanneer dit steeds opnieuw wordt benadrukt, kan dat ook doorwerken in hoe we onszelf en ons geloofsleven ervaren. Gevoelens van schuld en schaamte kunnen een grote plaats innemen. Er kan onzekerheid ontstaan over het eigen geloof, de vraag of we werkelijk gered zijn en het gevoel nooit goed genoeg te zijn.

Binnen de gereformeerde traditie is er ook aandacht voor thema’s als schepping, Gods Koninkrijk, roeping, het volk van God en de vernieuwde schepping. De vraag is vooral welke thema’s het belangrijkste kader vormen waarbinnen andere Bijbelteksten en onderwerpen worden gelezen en met elkaar worden verbonden.

Genesis begint vóór de zondeval. De mens wordt daar door God naar Zijn beeld gemaakt en krijgt een plaats en roeping binnen Zijn goede schepping. Deze lijn loopt verder door de hele Bijbel.

De vraag waar we beginnen, kan daarom een groot verschil maken voor de manier waarop we naar de mens kijken. Beginnen we vooral bij wat er door de zonde met de mens is misgegaan, of krijgt ook Gods oorspronkelijke bedoeling met de mens een bepalende plaats in ons mensbeeld?

Meer over Genesis 1–11 als fundament voor de grotere lijn van de Bijbel lees je in Het fundament van de Bijbel.

 

Het leven als volgelingen van Jezus

De lens waarmee we de Bijbel lezen, kan ook doorwerken in de manier waarop we het leven met God begrijpen. Wanneer redding vooral wordt verbonden met vergeving, rechtvaardiging en de persoonlijke verhouding met God, kunnen vragen rond bekering, geloof, zekerheid van redding en heiliging veel aandacht krijgen.

Wanneer de centrale vraag wordt hoe een zondig mens gered kan worden, kan ook de manier waarop we de Bijbel lezen sterker op het individu gericht raken: mijn zonde, mijn geloof, mijn bekering, mijn redding en mijn verhouding tot God.

De Bijbel spreekt mensen persoonlijk aan en onze reactie op God doet ertoe. Tegelijkertijd gaat de grotere lijn van de Bijbel verder dan de redding van afzonderlijke mensen.

Wanneer redding binnen de grotere lijn van Gods bedoeling met de mens en Zijn schepping wordt geplaatst, komt ook de roeping van de mens sterker in beeld. We ontvangen vergeving, worden met God verzoend en krijgen nieuw leven. We worden ook onderdeel van Gods volk en mogen als leerlingen van Jezus, door Zijn Geest, steeds meer naar Zijn beeld gevormd worden. Zo leren we opnieuw te leven naar de roeping die God de mens vanaf het begin heeft gegeven. Het leven met God krijgt daarmee een plaats binnen Zijn werk aan het herstel van Zijn goede schepping.

Redding gaat dan niet alleen over waaruit mensen worden gered, maar ook over waartoe zij worden gered.

Dat kan ook invloed hebben op de accenten in ons geloofsleven. Wanneer we vanuit de grotere Bijbelse lijn kijken, krijgen ook andere vragen meer aandacht. Wat betekent het om Jezus als Heer te volgen? Hoe vormt de Geest ons naar Zijn beeld? Hoe leren we samen leven als Gods volk? Welke roeping hebben we binnen Gods wereld? Hoe krijgt Gods Koninkrijk zichtbaar vorm in de manier waarop we leven?

Ook Gods vernieuwde volk is niet het eindpunt van deze lijn. De Bijbel begint met Gods goede schepping en loopt uit op de vernieuwde schepping waarin God bij de mensen woont, de dood er niet meer is en de volken delen in Zijn leven en zegen. Wat God in Genesis begint, laat Hij ondanks menselijke ontrouw niet los.

Welke grotere lijn we door de Bijbel heen zien, maakt daarom een groot verschil. De vraag is niet alleen hoe ik gered word. We leren ook wie God is, wat Hij vanaf het begin met Zijn schepping voor ogen heeft, hoe Hij ondanks menselijke ontrouw trouw blijft aan Zijn bedoeling en hoe Hij die uiteindelijk voltooit.

Meer over de grotere lijn die van Genesis tot de vernieuwde schepping door de Bijbel heen loopt, lees je in De rode draad van de Bijbel.