De Bergrede

De Bergrede behoort tot de bekendste gedeelten uit het onderwijs van Jezus. In Matteüs 5–7 lezen we hoe Hij Zijn leerlingen onderwijst over het leven in Gods Koninkrijk en wat het betekent om onder Gods goede heerschappij te leven.

Zijn woorden raken aan alle aspecten van het leven: onze relatie met God en met andere mensen, wat we doen en zeggen, onze verlangens, gebed, bezit, zorgen, vergeving en liefde voor vijanden. In Zijn onderwijs klinkt veel door van wat God eerder aan Israël heeft gegeven in de Torah en de Profeten.

Jezus zegt dat Hij niet gekomen is om de Wet en de Profeten af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Wat betekent dat precies? En wat leert de Bergrede ons over Gods bedoeling met de mens, het leven onder Zijn koningschap en wat het betekent om Jezus te volgen?

Jezus kondigt Gods Koninkrijk aan

Om de Bergrede beter te begrijpen, helpt het om naar de aanloop te kijken. In Matteüs 4 lezen we hoe Jezus naar Galilea gaat en begint te verkondigen:
‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’
(Matteüs 4:17)

Hij roept Zijn leerlingen, trekt door Galilea, onderwijst de mensen en geneest zieken. Vanuit verschillende gebieden komen grote groepen mensen naar Hem toe (Matteüs 4:18–25).

Dan schrijft Matteüs:
‘Bij het zien van al die mensen ging Hij de berg op. Toen Hij was gaan zitten, kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe. Hij nam het woord en onderrichtte hen.’
(Matteüs 5:1–2)

Eerder in het Evangelie beschrijft Matteüs hoe Jezus uit Egypte komt, door het water van de Jordaan gaat en veertig dagen in de woestijn op de proef wordt gesteld. Deze gebeurtenissen herinneren aan Israël dat uit Egypte werd bevrijd, door het water trok en veertig jaar door de woestijn reisde.

Bij de berg Sinaï ontving Israël Gods onderwijzing. Het volk was bevrijd uit slavernij en werd geroepen om als Gods volk te midden van de volken te leven, een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn (Exodus 19:4–6).

Nu gaat Jezus de berg op. Hij heeft aangekondigd dat Gods Koninkrijk nabij is gekomen en onderwijst Zijn leerlingen over wat het betekent om onder Gods koningschap te leven. Hij laat zien waar Gods onderwijzing vanaf het begin op gericht is en hoe Zijn leerlingen door hun manier van leven het karakter van hun hemelse Vader kunnen weerspiegelen.

Meer over Gods Koninkrijk en de plaats ervan binnen de grote lijn van de Bijbel lees je in Gods Koninkrijk.

 

Wie Jezus gelukkig prijst

Jezus begint de Bergrede met een reeks uitspraken die de zaligsprekingen worden genoemd. Steeds klinkt het woord ‘gelukkig’. Het Griekse woord dat Matteüs hiervoor gebruikt, is makarios en kan worden vertaald met ‘gelukkig’ of ‘gezegend’.

Deze manier van spreken doet denken aan het Hebreeuwse ashrei, dat we onder andere tegenkomen aan het begin van Psalm 1. Daar wordt de mens gelukkig geprezen die vreugde vindt in Gods onderwijzing en daarover nadenkt, dag en nacht.

De eerste woorden van Jezus zijn:
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’
(Matteüs 5:3)

Daarna noemt Jezus mensen die treuren, zachtmoedig zijn en hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Hij spreekt over mensen die barmhartig zijn, zuiver van hart zijn en vrede stichten. Ook degenen die worden vervolgd omdat ze Gods wil doen, noemt Hij gelukkig (Matteüs 5:3–10).

De woorden van Jezus zijn verrassend. Hij begint Zijn onderwijs niet met een lijst regels, maar met het gelukkig prijzen van mensen die vanuit menselijk oogpunt niet altijd als gelukkig of gezegend worden gezien. Mensen die treuren, vervolgd worden of verlangen naar gerechtigheid.

Daarmee laat Jezus iets zien van de bijzondere waarden van Gods Koninkrijk. Waar mensen vaak kijken naar macht, succes en aanzien, richt Jezus de aandacht op mensen die hun hoop op God stellen en verlangen naar wat goed en recht is in Zijn ogen.

De treurenden zullen getroost worden, wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid zullen verzadigd worden en wie zuiver van hart zijn zullen God zien. Gods Koninkrijk is in Jezus dichtbij gekomen en tegelijk wijzen deze beloften vooruit naar het herstel dat nog zal komen.

Aan het einde van de zaligsprekingen richt Jezus Zich rechtstreeks tot Zijn leerlingen:
‘Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten.’
(Matteüs 5:11)

Jezus bereidt Zijn leerlingen erop voor dat zij vanwege Hem te maken kunnen krijgen met tegenstand en vervolging. Hij moedigt hen aan om zich te verheugen, omdat hun beloning in de hemel groot is. Ook de profeten vóór hen werden vervolgd vanwege hun trouw aan God (Matteüs 5:11–12).

Een woord dat verschillende keren terugkomt in de Bergrede is ‘gerechtigheid’. Het Griekse woord dikaiosynē heeft te maken met wat goed en recht is in Gods ogen, zowel in de verhouding tot God als in de omgang met andere mensen. Wanneer Jezus spreekt over mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, gaat het om een diep verlangen dat Gods goede wil werkelijkheid wordt, in hun eigen leven en in de wereld om hen heen.

 

Zout van de aarde en licht voor de wereld

Na de zaligsprekingen richt Jezus Zich tot Zijn leerlingen:
‘Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.’
(Matteüs 5:13)

Zout werd onder andere gebruikt om voedsel smaak te geven en langer te bewaren. In de Schriften van Israël heeft zout nog een bijzondere betekenis. Bij de offers moest zout worden toegevoegd, dat verbonden werd met Gods verbond met Zijn volk (Leviticus 2:13). Ook op andere plaatsen wordt gesproken over een ‘zoutverbond’, een uitdrukking die de blijvende betekenis van een verbond benadrukt (Numeri 18:19; 2 Kronieken 13:5).

Wanneer Jezus Zijn leerlingen het zout van de aarde noemt, kan ook deze Bijbelse achtergrond meeklinken. Hij heeft zojuist mensen gelukkig geprezen die nederig van hart zijn, zachtmoedig zijn, vrede stichten en verlangen naar gerechtigheid. Nu spreekt Hij over de betekenis die hun leven heeft voor de wereld om hen heen. Zoals zout zijn zoutigheid moet behouden, zo worden Zijn leerlingen geroepen om trouw te blijven aan Zijn onderwijs.

Daarna gebruikt Jezus een tweede beeld:
‘Jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.’
(Matteüs 5:14)

Het beeld van licht heeft ook diepe wortels in de Schriften van Israël. Licht wordt in de Bijbel verbonden met Gods aanwezigheid, wijsheid en onderwijzing. In Psalm 119 wordt Gods woord beschreven als een lamp voor onze voeten en een licht op ons pad (Psalm 119:105). Gods onderwijzing laat zien hoe mensen kunnen leven volgens Zijn goede wil.

Deze verbinding komt ook naar voren bij de profeet Jesaja. Jesaja beschrijft hoe de volken naar de berg van de HEER zullen komen om Zijn wegen te leren kennen. Vanuit Sion zal Gods onderwijzing uitgaan en zullen de volken leren om in vrede met elkaar te leven (Jesaja 2:2–5).

Deze beelden sluiten aan bij Gods bedoeling met Israël. God had Abraham beloofd dat via hem alle families op aarde gezegend zouden worden (Genesis 12:1–3). Israël werd geroepen om als Gods volk Zijn wijsheid en goedheid zichtbaar te maken onder de volken (Exodus 19:4–6).

Bij Jesaja krijgt deze roeping bijzondere betekenis. God spreekt over Zijn dienaar, die een licht voor de volken zal zijn, zodat Zijn redding tot aan de uiteinden van de aarde bekend wordt (Jesaja 42:6; 49:6). Ook Jeruzalem wordt opgeroepen om te schitteren, omdat Gods licht over de stad opgaat en de volken naar dat licht zullen komen (Jesaja 60:1–3).

Wanneer Jezus spreekt over een stad op een berg die niet verborgen kan blijven, kunnen de profetische beelden van Sion en Jeruzalem meeklinken. Bij Jesaja komen de volken naar Gods berg om Zijn wegen te leren. Nu onderwijst Jezus Zijn leerlingen vanaf een berg over het leven in Gods Koninkrijk.

In Jezus komt Gods beloofde redding naar de wereld. Zijn leerlingen krijgen een plaats in Gods bedoeling om Zijn wijsheid, goedheid en gerechtigheid zichtbaar te maken. De woorden ‘jullie zijn’ spreken over hun identiteit en de roeping die daarbij hoort.

Jezus werkt het beeld verder uit met een lamp:
‘Ook steekt men geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is.’
(Matteüs 5:15)

Een lamp wordt aangestoken om licht te geven. Wanneer iemand die lamp onder een korenmaat zet, wordt het licht verborgen en kan het zijn bedoeling niet vervullen. Jezus gebruikt dit alledaagse beeld om duidelijk te maken dat het leven van Zijn leerlingen zichtbaar mag zijn voor de mensen om hen heen.

Daarom zegt Hij vervolgens:
‘Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.’
(Matteüs 5:16)

 

Jezus en de Torah en de Profeten

Na zout en licht spreekt Jezus over Zijn verhouding tot de Schriften van Israël:
‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.’
(Matteüs 5:17)

Met ‘de Wet en de Profeten’ verwijst Jezus naar de Schriften van Israël. Het Hebreeuwse woord Torah betekent onderwijzing of instructie en verwijst hier naar de eerste vijf boeken van de Bijbel.

Het Griekse woord dat Matteüs hiervoor gebruikt, is plēroō. Matteüs gebruikt dit woord vaker wanneer hij beschrijft hoe gebeurtenissen in het leven van Jezus aansluiten bij wat eerder in de Schriften is geschreven.

Om te begrijpen wat Jezus komt vervullen, kijken we naar de grotere lijn van de Schriften. God had Israël geroepen om als Zijn volk te leven en gaf hun de Torah om hen te onderwijzen in Zijn wegen. Maar de geschiedenis van Israël laat zien hoe het volk telkens afdwaalde van Gods bedoeling.

De profeten spraken over een toekomst waarin God Zijn volk zou vernieuwen. Jeremia kondigde een nieuw verbond aan, waarin God Zijn onderwijzing in het hart van Zijn volk zou schrijven (Jeremia 31:31–34). Ezechiël sprak over een nieuw hart en Gods Geest, waardoor Zijn volk zou leren leven volgens Zijn wil (Ezechiël 36:26–27).

In Jezus komt het verhaal waar de Torah en de Profeten over spreken tot zijn bestemming. De beloften aan Abraham, de roeping van Israël en de verwachting van de profeten komen in Hem samen. Door Zijn leven, onderwijs, dood en opstanding laat Jezus zien waar Gods bedoeling vanaf het begin op gericht is en opent Hij de weg naar het vernieuwde leven waarover de profeten hebben gesproken.

Jezus vervolgt:
‘Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn.’
(Matteüs 5:18)

Een ‘jota’ is de kleinste letter en een ‘tittel’ een klein onderdeel van een geschreven letter. Jezus benadrukt hiermee het blijvende gezag van Gods onderwijzing. Hij waarschuwt Zijn leerlingen ervoor om Gods geboden terzijde te schuiven en anderen dat te leren (Matteüs 5:19). In de verzen die volgen, laat Hij zien hoe Zijn leerlingen Gods onderwijzing moeten begrijpen en ernaar kunnen leven.

Daarna spreekt Hij over de gerechtigheid van Zijn leerlingen:
‘Want Ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.’
(Matteüs 5:20)

Het woord ‘gerechtigheid’ kwam al voor in de zaligsprekingen, waar Jezus spreekt over mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Nu zegt Hij dat de gerechtigheid van Zijn leerlingen groter moet zijn dan die van de schriftgeleerden en farizeeën.

De schriftgeleerden en farizeeën namen de Torah serieus en hielden zich uitgebreid bezig met de uitleg en toepassing van Gods geboden. Maar wat bedoelt Jezus dan met een grotere gerechtigheid?

In de verzen die volgen, wordt duidelijk waar Hij op doelt. Het gebod om niet te moorden gaat ook over woede, minachting en verzoening. Het gebod om geen overspel te plegen raakt ook aan de verlangens van het hart. En de opdracht om de naaste lief te hebben, strekt zich zelfs uit tot de liefde voor vijanden.

Jezus onderwijst Zijn leerlingen over een gerechtigheid die hun hele leven omvat. Gods onderwijzing gaat over meer dan afzonderlijke daden en regels. Het raakt aan wie we vanbinnen zijn, hoe we naar anderen kijken en hoe we met hen omgaan.

Ook in de Torah zelf gaat Gods onderwijzing verder dan alleen zichtbaar gedrag. In de Tien geboden wordt het begeren van wat een ander toebehoort verboden (Exodus 20:17). In Leviticus krijgt Israël de opdracht om de naaste lief te hebben als zichzelf (Leviticus 19:18). Jezus spreekt dus over iets wat al diep in Gods onderwijzing aan Israël geworteld is. 

Zo wordt zichtbaar waar de Torah op gericht is: een leven dat Gods karakter weerspiegelt, waarin liefde, trouw, barmhartigheid en gerechtigheid vorm krijgen.

 

Woede, verzoening en verlangen

Na Zijn woorden over de Torah en de Profeten geeft Jezus verschillende voorbeelden. Hij begint steeds met woorden die Zijn leerlingen kennen uit de Torah of uit de manier waarop die werd onderwezen:
‘Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.”’
(Matteüs 5:21)

Daarna zegt Jezus:
‘En Ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.’
(Matteüs 5:22)

Jezus laat zien dat het gebod om niet te moorden verder reikt dan de daad zelf. Hij spreekt ook over woede en minachting tegenover andere mensen. Daarmee richt Hij de aandacht op wat er in ons hart leeft en hoe we met elkaar omgaan.

Direct daarna spreekt Jezus over verzoening. Hij geeft het voorbeeld van iemand die met een offergave naar het altaar komt en zich daar herinnert dat een ander iets tegen hem heeft:
‘Laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen.’
(Matteüs 5:24)

Zelfs wanneer iemand naar het altaar komt om God een offer te brengen, roept Jezus hem op om eerst de relatie met de ander te herstellen.

Daarna spreekt Jezus over overspel:
‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” En Ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd.’
(Matteüs 5:27–28)

Jezus richt de aandacht op het bewust kijken naar een ander met begeerte. Zijn woorden sluiten aan bij het laatste van de Tien Geboden, waarin het begeren van de vrouw van een ander wordt genoemd (Exodus 20:17).

De woorden die daarop volgen zijn scherp. Jezus spreekt over het uitrukken van een oog en het afhakken van een hand wanneer die iemand ten val brengen (Matteüs 5:29–30). Met deze beeldspraak benadrukt Hij hoe ernstig het is wanneer verlangens ons gedrag gaan bepalen en ons van Gods bedoeling afbrengen.

Meer over de plaats van deze geboden binnen Gods onderwijzing aan Israël lees je in De Tien Geboden.

 

Trouw in relaties en woorden

Direct na Zijn woorden over overspel spreekt Jezus over echtscheiding:
‘Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.”’
(Matteüs 5:31)

Jezus verwijst hier naar Deuteronomium 24:1–4, waar een situatie wordt beschreven waarin een man zijn vrouw wegstuurt en haar een scheidingsbrief meegeeft. In de tijd van Jezus werd onder Joodse leraren besproken op welke gronden een man van zijn vrouw mocht scheiden.

Jezus antwoordt in de Bergrede:
‘En Ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht, drijft haar tot overspel; en wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.’
(Matteüs 5:32)

Het wegsturen van een vrouw kon in die tijd ingrijpende gevolgen hebben. Mannen hadden doorgaans meer mogelijkheden om een huwelijk te beëindigen dan vrouwen. Veel vrouwen waren voor hun levensonderhoud afhankelijk van hun man en konden na een scheiding in een kwetsbare positie terechtkomen.

Jezus benadrukt hoe ernstig het is om een huwelijk te verbreken. Huwelijkstrouw gaat verder dan het naleven van de regels rondom echtscheiding.

Wanneer Jezus later opnieuw over echtscheiding wordt ondervraagd, verwijst Hij naar Genesis, waar man en vrouw in het huwelijk één worden. Hij legt uit dat Mozes vanwege de hardheid van het menselijk hart had toegestaan dat een man zijn vrouw wegstuurde. Jezus richt de aandacht op Gods bedoeling vanaf de schepping, waarin het huwelijk een verbondenheid van trouw is (Matteüs 19:3–8).

Daarna gaat Jezus verder met eden. In de Torah staan verschillende voorschriften over het afleggen van eden en het nakomen van beloften die in Gods naam zijn gedaan. Jezus zegt:
‘Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.”’
(Matteüs 5:33)

In de tijd van Jezus werden ook eden afgelegd bij de hemel, de aarde of Jeruzalem. Jezus laat zien dat mensen zich niet achter zulke eden kunnen verschuilen. De hemel is Gods troon, de aarde Zijn voetbank en Jeruzalem de stad van de grote Koning (Matteüs 5:34–36).

In de Bergrede leert Jezus Zijn leerlingen eenvoudig en betrouwbaar te spreken:
‘Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.’
(Matteüs 5:37)

 

Vergelding en liefde voor vijanden

Na Zijn woorden over eden spreekt Jezus over vergelding:
‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.”’
(Matteüs 5:38)

Deze woorden komen voor in Exodus, Leviticus en Deuteronomium (Exodus 21:23–25; Leviticus 24:19–20; Deuteronomium 19:21). Binnen deze wetten gaat het om rechtspraak en om een straf die in verhouding staat tot wat iemand heeft gedaan. De straf mocht niet zwaarder zijn dan het gepleegde onrecht.

Jezus vervolgt:
‘En Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet.’
(Matteüs 5:39)

Daarna geeft Hij een aantal voorbeelden. Wanneer iemand je op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe. Wanneer iemand je hemd wil afnemen, geef hem ook je mantel. Wanneer iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, ga er twee met hem mee (Matteüs 5:39–41).

Een klap op de rechterwang kon in die tijd bedoeld zijn om iemand te vernederen. Het afnemen van kleding kon grote gevolgen hebben voor iemand die weinig bezat. En onder de Romeinse overheersing konden soldaten mensen verplichten om hun spullen te dragen.

Jezus roept Zijn leerlingen op om geen kwaad met kwaad te vergelden. Met Zijn voorbeelden laat Hij zien dat zij ook zonder geweld kunnen reageren wanneer iemand hen vernedert of onrechtvaardig behandelt.

Vervolgens spreekt Jezus over de liefde voor vijanden:
‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” En Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen.’
(Matteüs 5:43–44)

In Leviticus 19:18 krijgt Israël de opdracht om de naaste lief te hebben. Er staat nergens in de Torah dat zij hun vijanden moeten haten. In Exodus 23:4–5 krijgt Israël de opdracht om zelfs een vijand te helpen. Wanneer zijn os of ezel verdwaalt, moet het dier worden teruggebracht. En wanneer zijn ezel onder een zware vracht bezwijkt, moet hij geholpen worden. Ook tegenover vijanden roept de Torah op tot zorg en hulp.

Jezus roept Zijn leerlingen op om mensen lief te hebben die hen vijandig behandelen. Hij wijst daarbij op Zijn Vader:
‘Alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat Zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’
(Matteüs 5:45)

Hij vraagt Zijn leerlingen wat er bijzonder aan is wanneer zij alleen degenen liefhebben die hen ook liefhebben. Zelfs tollenaars en heidenen doen dat (Matteüs 5:46–47).

Jezus sluit dit gedeelte af met de woorden:
‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’
(Matteüs 5:48)

Het Griekse woord dat hier met ‘volmaakt’ wordt vertaald, is teleios. Het kan de betekenis hebben van volledig, heel of tot zijn doel gekomen. De verzen ervoor laten zien waar Jezus naartoe werkt. Gods goedheid beperkt zich niet tot mensen die Hem liefhebben, maar strekt zich ook uit tot mensen die Hem niet liefhebben.

Jezus roept Zijn leerlingen op om diezelfde liefde zichtbaar te maken, ook tegenover mensen die hen vijandig behandelen. Het gaat om een liefde die steeds meer gevormd wordt naar het karakter van hun hemelse Vader.

In Zijn eigen leven laat Jezus zien wat deze liefde betekent. Wanneer Hij wordt vernederd, vals beschuldigd en uiteindelijk gekruisigd, beantwoordt Hij het kwaad dat Hem wordt aangedaan niet met wraak. Zelfs aan het kruis bidt Hij om vergeving voor degenen die Hem kwaad doen (Lucas 23:34).

 

Geven, bidden en vasten

Aan het begin van Matteüs 6 spreekt Jezus over het doen van gerechtigheid:
‘Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden.’
(Matteüs 6:1)

Eerder zei Jezus tegen Zijn leerlingen dat hun licht voor de mensen moest schijnen, zodat anderen hun goede daden zouden zien en hun Vader in de hemel zouden eren (Matteüs 5:16).

Nu waarschuwt Hij ervoor om goede daden te doen met het doel door mensen gezien te worden. Het verschil ligt in de bedoeling waarmee iemand handelt. Gaat het om de eer van de hemelse Vader of om bewondering voor jezelf?

Jezus werkt dit verder uit aan de hand van drie voorbeelden: geven, bidden en vasten.

Eerst spreekt Hij over het geven aan mensen die hulp nodig hebben. In de Torah krijgt Israël herhaaldelijk de opdracht om voor arme en kwetsbare mensen te zorgen (Deuteronomium 15:7–11).

Jezus waarschuwt ervoor om van deze goede daad een vertoning te maken:
‘Wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op straat, opdat ze door de mensen geprezen worden.’
(Matteüs 6:2)

Hij gebruikt het beeld van iemand die zijn vrijgevigheid bekendmaakt om bewondering van anderen te krijgen en leert Zijn leerlingen om te geven zonder daarbij de aandacht op zichzelf te vestigen. Hun Vader ziet wat in het verborgene gebeurt (Matteüs 6:3–4).

Daarna spreekt Jezus over gebed. In het Joodse geloofsleven werd op vaste momenten van de dag gebeden, thuis, in de synagoge en soms ook op straat. Jezus waarschuwt voor mensen die graag op zichtbare plaatsen bidden om door anderen gezien te worden. Hij noemt hen huichelaars. Naar buiten toe laten zij hun vroomheid zien, terwijl zij vooral de bewondering van anderen zoeken. Hij leert Zijn leerlingen om zich terug te trekken en in het verborgene tot hun Vader te bidden (Matteüs 6:5–6).

Vervolgens waarschuwt Jezus voor een andere manier van bidden:
‘Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden.’
(Matteüs 6:7)

Zijn leerlingen hoeven God niet met lange gebeden te overtuigen om naar hen te luisteren:
‘Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het Hem vragen.’
(Matteüs 6:8)

Midden in de Bergrede leert Jezus Zijn leerlingen hoe zij tot hun Vader kunnen bidden:
‘Onze Vader in de hemel, laat Uw naam geheiligd worden, laat Uw koninkrijk komen en Uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.’
(Matteüs 6:9–10)

Het gebed begint met Gods naam, Zijn Koninkrijk en Zijn wil. Jezus heeft eerder aangekondigd dat het Koninkrijk van de hemel nabij is gekomen. Nu leert Hij Zijn leerlingen bidden dat Gods wil op aarde wordt gedaan zoals in de hemel.

Daarna leert Hij hen bidden om dagelijks brood, vergeving en bescherming tegen beproeving en het kwaad (Matteüs 6:11–13). In de woorden over het dagelijkse brood klinkt ook de geschiedenis van Israël in de woestijn mee, waar God Zijn volk iedere dag manna gaf (Exodus 16).

Na het gebed komt Jezus terug op vergeving. Hij benadrukt hoe belangrijk het is dat Zijn leerlingen ook anderen vergeven (Matteüs 6:14–15).

Meer over de betekenis van dit gebed lees je in Het Onze Vader.

Ten slotte spreekt Jezus over vasten. In de Bijbel lezen we dat mensen vastten wanneer zij rouwden, zich voor God verootmoedigden of Hem zochten in moeilijke omstandigheden. De profeet Joël roept het volk op om zich met heel hun hart tot God te keren (Joël 2:12–13). Bij Jesaja lezen we hoe God het volk aanspreekt omdat zij vasten, terwijl zij anderen onderdrukken en onrecht doen (Jesaja 58:3–7).

Jezus waarschuwt voor mensen die een somber gezicht trekken om anderen te laten zien dat zij vasten. Hij leert Zijn leerlingen om hun gezicht te wassen en hun hoofd te verzorgen, zonder daarmee de aandacht van anderen te zoeken. Ook hier benadrukt Hij dat hun Vader ziet wat in het verborgene gebeurt (Matteüs 6:16–18).

In al deze voorbeelden richt Jezus de aandacht op de verhouding met de hemelse Vader. Het gaat niet om bewondering van mensen, maar om een leven dat voortkomt uit verbondenheid met Hem, Die ook ziet wat voor anderen verborgen blijft.

 

Waar je schat ligt

Na Zijn onderwijs over geven, bidden en vasten spreekt Jezus over bezit en over de plaats die het in iemands leven kan krijgen:
‘Verzamel geen schatten op aarde, waar mot en roest ze vernietigen en waar dieven inbreken en stelen. Verzamel schatten in de hemel, waar mot noch roest ze vernietigt en waar dieven niet inbreken of stelen.’
(Matteüs 6:19–20)

Jezus wijst op de vergankelijkheid van aardse bezittingen. Daartegenover spreekt Hij over schatten in de hemel, die hun waarde behouden.

Daarna legt Jezus de verbinding met het hart:
‘Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.’
(Matteüs 6:21)

In de Bijbel verwijst het hart naar meer dan alleen gevoelens. Het heeft ook te maken met iemands gedachten, verlangens en keuzes. Wanneer Jezus zegt dat het hart is waar de schat is, laat Hij zien hoe datgene waaraan iemand waarde hecht, richting geeft aan zijn leven.

Vervolgens spreekt Jezus over het oog:
‘Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn.’
(Matteüs 6:22)

In de Bijbelse wereld kon spreken over een ‘goed’ of ‘slecht’ oog ook te maken hebben met vrijgevigheid en gierigheid. Die manier van spreken komt ook in de Hebreeuwse Schriften voor. In Deuteronomium 15 wordt gewaarschuwd voor iemand die een arme niets wil geven omdat het sabbatsjaar dichtbij komt. In Spreuken wordt een ‘goed oog’ verbonden met iemand die zijn brood deelt met de armen (Deuteronomium 15:9; Spreuken 22:9).

Vervolgens spreekt Jezus over God en Mammon:
‘Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
(Matteüs 6:24)

Mammon verwijst naar bezit of rijkdom. Jezus spreekt er hier over als een heer die aanspraak maakt op iemands trouw. In die tijd was een heer iemand aan wie een dienaar gehoorzaamheid verschuldigd was. Door rijkdom als een heer voor te stellen, laat Jezus zien dat bezit macht over mensen kan krijgen. Bezit kan zo belangrijk worden dat mensen er steeds meer op gaan vertrouwen en hun keuzes erdoor laten bepalen.

Daarna spreekt Jezus over zorgen maken. Hij zegt tegen Zijn leerlingen dat zij zich geen zorgen moeten maken over hun leven, over eten en drinken of over kleding (Matteüs 6:25).

Hij wijst hen op de vogels. Zij zaaien en oogsten niet en verzamelen geen voorraad in schuren, en toch voedt hun hemelse Vader hen. Vervolgens wijst Hij op de bloemen van het veld, die groeien zonder voor hun kleding te werken en toch prachtig worden bekleed (Matteüs 6:26–30).

Met deze voorbeelden uit de schepping laat Jezus zien hoe hun hemelse Vader voor Zijn schepping zorgt. Hij weet wat Zijn leerlingen nodig hebben. Eerder leerde Jezus hen al om hun Vader te vragen om dagelijks brood (Matteüs 6:11). Hij moedigt hen aan om op Zijn zorg en goedheid te vertrouwen.

Daarom zegt Jezus:
‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.’
(Matteüs 6:33)

Jezus roept Zijn leerlingen op om Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid de belangrijkste plaats in hun leven te geven. In plaats van hun leven te laten beheersen door zorgen over bezit en zekerheid, mogen zij leren vertrouwen op de wijsheid en zorg van hun hemelse Vader. 

 

Oordelen en omgaan met anderen

Jezus begint Matteüs 7 met de woorden:
‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.’
(Matteüs 7:1)

Daarna zegt Hij dat de maat waarmee iemand een ander meet, ook voor hemzelf zal worden gebruikt (Matteüs 7:2). Jezus waarschuwt voor de manier waarop mensen anderen beoordelen, terwijl zij hun eigen tekortkomingen niet onder ogen zien.

Om dit duidelijk te maken, gebruikt Hij het beeld van de splinter en de balk:
‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?’
(Matteüs 7:3)

Jezus gebruikt hier een sterk contrast. Iemand merkt de fouten van een ander op, maar ziet niet wat er in zijn eigen leven verkeerd gaat. Eerst moet hij de balk uit zijn eigen oog verwijderen. Pas daarna kan hij helder genoeg zien om de splinter uit het oog van de ander te halen (Matteüs 7:5). Jezus leert Zijn leerlingen om eerst kritisch naar zichzelf te kijken, zodat zij een ander met een heldere blik kunnen helpen.

Daarna richt Jezus de aandacht opnieuw op de Vader:
‘Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan.’
(Matteüs 7:7)

Jezus heeft eerder in de Bergrede gesproken over gebed en het vertrouwen op de hemelse Vader. Hij leerde Zijn leerlingen dat hun Vader weet wat zij nodig hebben, nog voordat zij het Hem vragen (Matteüs 6:8).

Nu gebruikt Hij het voorbeeld van een vader die zijn kind geeft wat goed is. Als een kind om brood vraagt, geeft zijn vader hem geen steen, en als het om een vis vraagt, geeft hij hem geen slang. Zelfs mensen, die zelf tekortschieten, weten hun kinderen goede dingen te geven. Hoeveel te meer zal de Vader in de hemel het goede geven aan wie Hem daarom vragen (Matteüs 7:9–11).

Jezus wijst hiermee opnieuw op het karakter van God als Vader. Zijn leerlingen mogen Hem vragen om wat zij nodig hebben, in het vertrouwen dat Hij goed is. 

Vervolgens zegt Jezus:
‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.’
(Matteüs 7:12)

Deze woorden worden vaak de gouden regel genoemd. Jezus brengt hiermee veel van Zijn eerdere onderwijs samen. Zoals hun hemelse Vader goed is voor hen, zo worden Zijn leerlingen geroepen om anderen met liefde en goedheid te behandelen.

Wanneer Jezus zegt dat dit het hart van de Wet en de Profeten is, grijpt Hij terug op Zijn eerdere woorden dat Hij gekomen is om deze tot vervulling te brengen (Matteüs 5:17). De opdracht om de naaste lief te hebben als jezelf vinden we al in de Torah (Leviticus 19:18).

 

Horen en doen

Aan het einde van de Bergrede zegt Jezus:
‘Ga binnen door de nauwe poort, want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.’
(Matteüs 7:13–14)

Het beeld van twee wegen heeft diepe wortels in de Schriften van Israël. In Deuteronomium stelt Mozes het volk Israël voor de keuze tussen leven en dood en roept hij hen op om voor het leven te kiezen (Deuteronomium 30:15–20).

Ook Psalm 1 begint met twee manieren van leven. De ene weg wordt verbonden met het vinden van vreugde in Gods onderwijzing, terwijl de andere weg uiteindelijk verloren gaat.

Aan het einde van de Bergrede gebruikt Jezus hetzelfde beeld. Hij heeft Zijn leerlingen onderwezen over gerechtigheid, verzoening, liefde voor vijanden, vrijgevigheid en vertrouwen op hun hemelse Vader. Nu roept Hij hen op om de weg te volgen die Hij hun heeft laten zien.

Deze weg kan weerstand en moeilijkheden met zich meebrengen. Jezus heeft eerder gesproken over mensen die vanwege de gerechtigheid vervolgd worden (Matteüs 5:10–12). Verzoening zoeken, vijanden liefhebben en trouw blijven aan Gods wijsheid kunnen veel van mensen vragen.

Daarna waarschuwt Jezus voor valse profeten. Aan de buitenkant kunnen zij eruitzien als schapen, terwijl zij in werkelijkheid wolven zijn. Jezus zegt dat zij aan hun vruchten herkend zullen worden (Matteüs 7:15–20).

In de Hebreeuwse Schriften wordt vaker gewaarschuwd voor mensen die namens God spreken, terwijl hun woorden en daden niet overeenkomen met Zijn onderwijzing. In Deuteronomium 13 wordt Israël gewaarschuwd voor profeten die tekenen en wonderen doen, maar het volk ondertussen oproepen om andere goden te volgen (Deuteronomium 13:2–6).

Ook Jezus leert Zijn leerlingen om verder te kijken dan wat iemand zegt of aan de buitenkant laat zien. Zoals een boom aan zijn vruchten herkend wordt, wordt ook aan iemands leven zichtbaar welke richting hij volgt.

Vervolgens maakt Jezus duidelijk dat woorden alleen niet genoeg zijn:
‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van Mijn hemelse Vader.’
(Matteüs 7:21)

Jezus noemt mensen die in Zijn naam profeteren, demonen uitdrijven en wonderen doen. Toch zegt Hij tegen sommigen van hen dat Hij hen nooit gekend heeft en noemt Hij hen mensen die de wetteloosheid beoefenen (Matteüs 7:22–23).

Zelfs indrukwekkende geestelijke uitingen zijn geen bewijs dat iemand leeft volgens Gods wil. Eerder leerde Jezus Zijn leerlingen bidden: ‘Laat Uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). Hier komt diezelfde wil van de Vader opnieuw terug.

Meer over het toetsen van geestelijke uitingen lees je in Onderscheiden van geesten.

Jezus eindigt met het beeld van twee mensen die allebei een huis bouwen. De eerste hoort Zijn woorden en handelt ernaar. Jezus vergelijkt hem met een verstandig man die zijn huis op een rots bouwt. Wanneer regen, water en wind tegen het huis slaan, blijft het staan omdat het op een stevig fundament is gebouwd (Matteüs 7:24–25).

De tweede hoort precies dezelfde woorden, maar handelt er niet naar. Jezus vergelijkt hem met iemand die zijn huis op zand bouwt. Wanneer dezelfde storm komt, stort het huis in (Matteüs 7:26–27).

Zo eindigt de Bergrede met dezelfde keuze die Jezus eerder beschreef met het beeld van de twee wegen. Jezus stelt hier Zijn eigen woorden centraal. Hij spreekt niet alleen over het volgen van Gods onderwijzing, maar roept mensen op om naar Hem te luisteren en Zijn woorden in praktijk te brengen.

Vanaf het begin van de Bergrede heeft Jezus met bijzonder gezag gesproken. Hij heeft aangekondigd dat Hij gekomen is om de Torah en de Profeten tot vervulling te brengen en onderwijst Zijn leerlingen over het leven in Gods Koninkrijk.

Meer over de smalle en brede weg lees je in De smalle en de brede weg.

Wanneer Jezus is uitgesproken, is de menigte diep onder de indruk:
‘Toen Jezus deze rede had uitgesproken, waren de mensen diep onder de indruk van Zijn onderricht, want Hij sprak hen toe als iemand met gezag en niet zoals hun schriftgeleerden.’
(Matteüs 7:28–29)

 

De Bergrede binnen de grote lijn van de Bijbel

De Bergrede staat midden in Jezus' aankondiging dat Gods Koninkrijk nabij is gekomen. Vanaf het begin van de Bijbel lezen we hoe God de mens naar Zijn beeld heeft geschapen, om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Later riep Hij Israël om een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn, zodat Zijn wijsheid en goedheid zichtbaar zouden worden onder de volken.

Maar de geschiedenis van Israël laat zien hoe mensen telkens afdwalen van Gods bedoeling. De profeten kondigden daarom een toekomst aan waarin God Zijn volk zou vernieuwen en Zijn onderwijzing in hun hart zou schrijven.

In Jezus komen deze lijnen samen.

Hij brengt Gods Koninkrijk dichtbij en laat in Zijn eigen leven zien wat het betekent om werkelijk naar Gods wil te leven. Zijn onderwijs laat zien waar de Torah en de Profeten vanaf het begin op gericht zijn: een leven waarin Gods liefde, trouw, barmhartigheid en gerechtigheid zichtbaar worden.

De Bergrede gaat daarom over veel meer dan goed gedrag of het naleven van regels. Jezus richt Zich op het hart van de mens, op onze verlangens, onze motieven en de manier waarop we met anderen omgaan. Hij leert Zijn leerlingen om te leven vanuit vertrouwen op hun hemelse Vader, zelfs wanneer dat betekent dat zij tegen de gebruikelijke manier van denken en handelen ingaan.

Jezus gaat Zelf die weg. Hij blijft trouw aan Zijn Vader, zelfs wanneer Hij wordt afgewezen en uiteindelijk wordt gekruisigd. Door Zijn dood en opstanding overwint Hij de macht van zonde en dood en opent Hij de weg naar nieuw leven.

De profeten hadden al gesproken over een toekomst waarin God Zijn volk een nieuw hart en Zijn Geest zou geven (Ezechiël 36:26–27). Door Jezus wordt die belofte werkelijkheid. God vernieuwt mensen van binnenuit, zodat zij leren leven zoals Hij het vanaf het begin heeft bedoeld.

Aan het einde van de Bergrede roept Jezus Zijn leerlingen op om niet alleen naar Zijn woorden te luisteren, maar er ook naar te handelen. Hij vergelijkt degene die dat doet met een verstandig man die zijn huis op een rots bouwt.

Zo vormt Jezus een gemeenschap van mensen die samen Zijn weg leren volgen. Mensen die door hun manier van leven iets zichtbaar mogen maken van Gods Koninkrijk, midden in de wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb