Geschapen naar het beeld van God
Op de eerste bladzijde van de Bijbel wordt de mens geschapen naar Gods beeld. Daarmee geeft God de mens de roeping om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen en onder Zijn gezag verantwoordelijkheid te dragen voor wat Hij heeft gemaakt.
Wanneer mensen zich van Gods wijsheid afkeren, raakt deze roeping beschadigd. Toch laat God Zijn bedoeling met de mens niet los. Door Abraham en Israël werkt Hij verder aan Zijn bedoeling met de mens en Zijn schepping, en in Jezus wordt zichtbaar wat het betekent om Gods beeld te dragen.
Wat betekent het dat God mensen naar Zijn beeld heeft geschapen? Welke plaats heeft deze roeping binnen de grotere lijn van de Bijbel? En wat betekent dit voor ons vandaag?
De mens als Gods beeld
Op de eerste bladzijde van de Bijbel wordt verteld hoe God de hemel en de aarde maakt. Hij brengt orde in wat woest en leeg is en vult de schepping met leven.
Wanneer God de mens schept, krijgt de mens binnen die goede schepping een bijzondere plaats en roeping:
‘God zei: “Laten Wij mensen maken die Ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken; zij moeten heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.”
God schiep de mens als Zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’
(Genesis 1:26–27)
Het Hebreeuwse woord dat hier met ‘evenbeeld’ wordt vertaald is tselem. Het kan verwijzen naar een beeld of afbeelding die iemand vertegenwoordigt. In de wereld van het oude Nabije Oosten konden beelden worden geplaatst om de aanwezigheid en het gezag van een koning zichtbaar te maken. Ook in tempels werden beelden gebruikt om een godheid te vertegenwoordigen.
In Genesis 1 wordt deze beeldtaal gebruikt voor de mens. Mannelijk en vrouwelijk worden samen geschapen als Gods beeld om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Gods beeld zijn is niet iets wat mensen eerst moeten bereiken of verdienen. Het hoort vanaf het begin bij wie de mens is.
Vanuit die identiteit krijgen mensen de opdracht om over de dieren te heersen en de aarde te bevolken (Genesis 1:26–28). Deze opdracht gaat over de verantwoordelijkheid die God hun binnen Zijn schepping geeft. God Zelf brengt in Genesis 1 orde, geeft leven, zegent en zorgt ervoor dat het leven kan groeien en bloeien. De manier waarop God regeert, geeft vanaf het begin richting aan de manier waarop mensen met die verantwoordelijkheid omgaan.
Genesis 2 laat van dichtbij zien hoe deze roeping vorm krijgt. God plaatst de mens in de tuin van Eden ‘om die te bewerken en erover te waken’ (Genesis 2:15). De woorden die hier voor ‘bewerken’ en ‘waken’ worden gebruikt, komen later ook terug bij de dienst van de priesters rond de tabernakel. In Eden leeft de mens in Gods aanwezigheid en draagt hij verantwoordelijkheid voor de plaats die God hem heeft toevertrouwd. Later krijgen de priesters en Levieten taken rond Gods heilige ruimte.
Wanneer mensen hun eigen weg kiezen
In Genesis 2 krijgt de mens de vrijheid om van de bomen in de tuin te eten. Er is één grens. Van de boom van de kennis van goed en kwaad mogen de mensen niet eten (Genesis 2:16–17).
In Genesis 3 komt het vertrouwen op Gods wijsheid onder druk te staan. De slang laat de vrouw twijfelen aan Gods woorden en aan Zijn goedheid. Wanneer zij naar de boom kijkt, ziet zij dat de vruchten goed zijn om van te eten, een lust voor het oog en aantrekkelijk omdat ze wijsheid zouden geven. Ze neemt van de vrucht en eet ervan, en ook de man eet (Genesis 3:1–6).
In Genesis 1 is God Degene Die ziet wat goed is. In Genesis 3 kijkt de vrouw zelf naar de boom, ziet dat hij goed is om van te eten en neemt ervan. De mensen kiezen ervoor zelf te bepalen wat goed en kwaad is en vertrouwen daarbij op hun eigen wijsheid.
De gevolgen worden zichtbaar in de relatie met God, met elkaar en met de aarde. De mensen die eerst in Gods aanwezigheid leefden, schamen zich nu en verbergen zich voor Hem. Wanneer God hen aanspreekt, wijzen zij de verantwoordelijkheid van zich af. Hun relatie met elkaar raakt beschadigd en ook het bewerken van de aarde wordt moeilijk. Uiteindelijk worden zij uit de tuin gestuurd. Zij leven niet langer in Eden, de plaats waar zij in Gods aanwezigheid leefden, en de toegang tot de boom van het leven wordt afgesloten (Genesis 3:22–24).
In de hoofdstukken die volgen wordt zichtbaar hoe de gebrokenheid zich verder verspreidt. Kaïn doodt zijn broer en uiteindelijk wordt de aarde beschreven als vol geweld.
Ook na Genesis 3 blijft deze beeldtaal terugkomen. In Genesis 5 wordt opnieuw verteld dat God de mens naar Zijn gelijkenis heeft gemaakt. Vervolgens lezen we dat Adam een zoon krijgt ‘die op hem leek en zijn evenbeeld was’ (Genesis 5:1–3). De taal die eerder werd gebruikt voor de mens als beeld van God wordt hier gebruikt voor de verhouding tussen Adam en zijn zoon. Dat helpt om verder te begrijpen dat Gods beeld dragen niet alleen verbonden is met de roeping die mensen krijgen, maar ook met Wie zij in de wereld vertegenwoordigen.
Ook na de vloed blijft de mens Gods beeld. Wanneer na de vloed opnieuw over menselijk leven wordt gesproken, zegt God:
‘Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als Zijn evenbeeld gemaakt.’
(Genesis 9:6)
Buiten Eden blijft ieder mensenleven waardevol. Jakobus grijpt later terug op dezelfde gedachte wanneer hij schrijft over de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Met de tong zegenen mensen God en vervloeken zij mensen ‘die God heeft geschapen als Zijn evenbeeld’ (Jakobus 3:9–10). Dat ieder mens Gods beeld draagt, heeft ook betekenis voor de manier waarop mensen met elkaar omgaan.
Meer over de boom van de kennis van goed en kwaad en de lijn van wijsheid, vertrouwen en leven door de Bijbel lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.
Een volk dat God vertegenwoordigt
God roept Abraham en belooft uit hem een groot volk te maken. Door Abraham en zijn familie wil Hij Zijn zegen naar alle volken van de aarde brengen (Genesis 12:1–3).
Uit Abrahams familie ontstaat Israël. Wanneer God het volk uit Egypte heeft bevrijd en Israël bij de Sinaï komt, zegt Hij:
‘Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’
(Exodus 19:6)
Israël wordt geroepen om met God te leven en Hem te vertegenwoordigen te midden van de andere volken. God noemt hen een koninkrijk van priesters, een volk dat onder Zijn heerschappij leeft en onder de volken Zijn karakter en wijsheid mag weerspiegelen.
God geeft het volk Zijn onderwijzing en komt door de tabernakel midden onder hen wonen. Ook hier keren beelden uit Eden terug. De priesters en Levieten krijgen taken rond Gods heilige ruimte. Onderweg heeft Israël steeds moeite om op God te vertrouwen en Hem trouw te blijven. Door de profeten klinkt later de hoop op herstel en op een volk dat vanuit Gods wijsheid en in trouw aan Hem zal leven.
Meer over Israëls roeping om Gods naam te dragen en Hem onder de volken te vertegenwoordigen lees je in Gods naam dragen en De Tien Geboden.
Naar welk beeld wordt de mens gevormd?
Israël leeft te midden van volken die beelden van goden maken en daarvoor neerbuigen. Genesis begon met God Die Zelf Zijn beeld in de wereld heeft geplaatst door mensen te scheppen om Hem te vertegenwoordigen. Mensen maken vervolgens zelf beelden en geven daaraan hun vertrouwen en eer.
Psalm 115 beschrijft afgodsbeelden die wel een mond, ogen, oren, handen en voeten hebben, maar niet spreken, zien, horen, voelen of lopen. Daarna zegt de psalm:
‘Wie ze maken zullen worden als zij,
evenals ieder die op ze vertrouwt.’
(Psalm 115:8)
De mens is geschapen om de levende God te vertegenwoordigen, maar Psalm 115 laat zien dat mensen gevormd worden door datgene waarop zij hun vertrouwen richten.
Paulus verbindt deze omkering met afgoderij. In Romeinen 1 schrijft hij dat mensen God kennen vanuit Zijn schepping, maar Hem niet de eer geven die Hem toekomt. Zij verruilen ‘de majesteit van de onvergankelijke God voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren’ (Romeinen 1:23). De mens die geschapen is om God te vertegenwoordigen, richt zich op beelden van de schepping.
Jezus, het beeld van God
Paulus gebruikt de taal van het beeld van God ook wanneer hij over Jezus schrijft:
‘Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping.’
(Kolossenzen 1:15)
Het Griekse woord dat Paulus hier voor ‘beeld’ gebruikt is eikōn. In 2 Korintiërs noemt Paulus Jezus ‘het beeld van God’ (2 Korintiërs 4:4). Hebreeën spreekt over Jezus als ‘de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen’ (Hebreeën 1:3).
In Jezus wordt zichtbaar Wie God is en hoe de menselijke roeping uit Genesis bedoeld is.
Psalm 8 grijpt terug op de plaats die God aan de mens binnen Zijn schepping heeft gegeven. Mensen worden met glans en glorie gekroond en krijgen verantwoordelijkheid over het werk van Zijn handen (Psalm 8:5–7). Hebreeën 2 haalt deze psalm aan en zegt dat nog niet zichtbaar is dat alles aan de mens onderworpen is. Daarna spreekt de schrijver over Jezus, Die met glans en glorie is gekroond nadat Hij de dood heeft ondergaan (Hebreeën 2:5–9).
In de woestijn wordt Jezus op de proef gesteld. Waar mensen vanaf Genesis 3 steeds opnieuw hun eigen wijsheid volgen, blijft Jezus vertrouwen op Zijn Vader en op Zijn woorden. Wanneer Hij honger heeft en wanneer Hem de koninkrijken van de wereld worden aangeboden, grijpt Hij niet zelf naar voedsel of macht en blijft Hij trouw aan God (Matteüs 4:1–11).
Wanneer Zijn leerlingen discussiëren over wie de belangrijkste is, leert Jezus hen een weg van dienen en zichzelf geven voor anderen. Jezus verbindt groot zijn met dienen en zegt over Zichzelf:
‘Zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
(Matteüs 20:28)
Paulus schrijft over Jezus dat Hij de gestalte van God had en Zichzelf vernederde door de gestalte van een dienaar aan te nemen. Hij werd gehoorzaam tot in de dood aan het kruis, waarna God Hem hoog verhief (Filippenzen 2:5–11).
Jezus zoekt niet Zijn eigen eer en gebruikt Zijn macht niet voor Zichzelf. Hij dient en geeft Zijn leven. De heerschappij waartoe mensen in Genesis werden geroepen krijgt in Jezus de vorm van liefde, trouw en dienstbaarheid.
God wekt Jezus op uit de dood en Paulus noemt Hem ‘de laatste Adam’ (1 Korintiërs 15:45). Met Zijn opstanding begint het nieuwe leven van Gods vernieuwde schepping.
Meer over Gods goede heerschappij en hoe de menselijke roeping uit Genesis verbonden is met de lijn van Gods Koninkrijk lees je in Gods Koninkrijk.
Vernieuwd naar het beeld van Jezus
Wanneer Paulus over het leven van Jezus’ leerlingen schrijft, grijpt hij opnieuw terug op de taal van het beeld van God:
‘Wie Hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om het evenbeeld van Zijn Zoon te worden.’
(Romeinen 8:29)
Paulus verbindt dit met het werk van de Geest:
‘Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.’
(2 Korintiërs 3:18)
Ook in Kolossenzen schrijft hij dat de nieuwe mens ‘steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper’ (Kolossenzen 3:10). In dezelfde passage beschrijft hij hoe dit zichtbaar wordt in het leven van mensen die Jezus volgen. Hij schrijft over het loslaten van woede, kwaadsprekerij en leugen en over medeleven, goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid, geduld, vergeving en liefde (Kolossenzen 3:5–14).
Psalm 115 liet eerder zien dat mensen gaan lijken op de beelden waarop zij hun vertrouwen richten. Bij Paulus zien we die gedachte terug wanneer hij schrijft over mensen die door de Geest naar het beeld van Jezus worden gevormd. Dat krijgt vorm in de manier waarop Zijn leerlingen met andere mensen omgaan, met macht, met wat hun is toevertrouwd en met de wereld waarin zij leven. Vanaf Genesis is het beeld van God verbonden met zowel de waardigheid van ieder mens als de roeping waarvoor mensen zijn geschapen.
Paulus kijkt daarbij verder dan het leven nu. In 1 Korintiërs 15 zet hij Adam en Jezus tegenover elkaar. Zoals mensen nu het beeld van de aardse mens dragen, zullen zij ook het beeld van de hemelse mens dragen (1 Korintiërs 15:45–49). Later in hetzelfde hoofdstuk schrijft hij dat bij de opstanding het vergankelijke plaats zal maken voor het onvergankelijke en dat Gods mensen veranderd zullen worden (1 Korintiërs 15:50–54). Wat door de Geest al begint in het leven van Jezus’ leerlingen, loopt uit op de toekomstige opstanding waarin ook het lichaam wordt vernieuwd.
In Romeinen 8 schrijft Paulus niet alleen over mensen die gevormd worden naar het beeld van Gods Zoon, maar ook over de schepping die uitziet naar bevrijding uit haar vergankelijkheid en naar de dag waarop Gods kinderen in hun bestemming zullen delen (Romeinen 8:19–23, 29). De vernieuwing van de mens staat binnen de grotere hoop op het herstel van Gods schepping en de dag waarop God alles nieuw zal maken.
Meer over het werk van de Geest en de vernieuwing van Gods volk lees je in De Heilige Geest.
De menselijke roeping in de vernieuwde schepping
Aan het einde van de Bijbel keren beelden uit de eerste hoofdstukken van Genesis terug. Johannes ziet:
‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen Zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn.’
(Openbaring 21:3)
Ook de boom van het leven verschijnt opnieuw. In het nieuwe Jeruzalem stroomt een rivier met water dat leven geeft en aan weerszijden daarvan staat de levensboom. De toegang tot de boom die de mensen in Genesis 3 verloren, is weer open (Openbaring 22:1–2).
Ook de menselijke roeping uit Genesis keert weer terug:
‘Ze zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.’
(Openbaring 22:5)
God schiep mensen als Zijn beeld en gaf hun verantwoordelijkheid binnen Zijn goede wereld. Aan het einde van de Bijbel leven mensen opnieuw in Gods aanwezigheid en regeren zij met Hem in Zijn vernieuwde schepping.
Dat mensen naar Gods beeld zijn geschapen zegt iets fundamenteels over wie zij zijn. Deze identiteit begint in Genesis 1 en gaat na Genesis 3 niet verloren. Ieder mens blijft Gods beeld en draagt daarom een waardigheid die niet eerst verdiend hoeft te worden. Genesis 3 laat zien hoe de zonde de menselijke roeping beschadigt. Mensen leven niet meer naar Gods bedoeling en vertegenwoordigen Hem niet meer zoals God dat voor de mens heeft bedoeld.
In Jezus wordt zichtbaar Wie God is en hoe het leven van de mens als Zijn beeld eruitziet. Door Zijn leven, dood en opstanding wordt de weg geopend naar het herstel van de mens en zijn roeping binnen Gods schepping. Wie Jezus volgt wordt door de Geest vernieuwd naar het beeld van Gods Zoon en leert opnieuw te leven naar de roeping die God de mens vanaf het begin heeft gegeven en Hem in Zijn schepping te vertegenwoordigen.
Dat wordt zichtbaar in hoe we naar onszelf en andere mensen kijken, hoe we omgaan met macht en met wat God ons heeft toevertrouwd, en hoe we Jezus volgen. Deze vernieuwing loopt uiteindelijk uit op de opstanding en de vernieuwde schepping, waarin mensen opnieuw in Gods aanwezigheid leven en hun roeping binnen Zijn wereld haar bestemming bereikt.
Meer over hoe Gods bedoeling met de mens en Zijn schepping door de hele Bijbel heen verdergaat lees je in De rode draad van de Bijbel.
Maak jouw eigen website met JouwWeb