Romeinen 5-8: Een nieuwe mensheid
In Romeinen 1–4 heeft Paulus geschreven over Joden en andere volken die samen onder de macht van de zonde staan en over wat God door Jezus heeft gedaan. Aan het einde gaat hij terug naar Abraham, die op God vertrouwde en geloofde dat Hij Zijn belofte zou vervullen.
Vanaf Romeinen 5 gaat Paulus verder met wat dit betekent voor de mens. Hij gaat terug naar Adam en schrijft over zonde en dood die over de mensheid zijn gaan heersen. Daarna schrijft hij over Jezus, die trouw blijft waar Adam ongehoorzaam was. Door Zijn dood en opstanding worden mensen bevrijd uit de macht van de zonde en begint een nieuw leven door Gods Geest.
Aan het einde van Romeinen 8 komt ook de hele schepping in beeld. Gods kinderen en de schepping wachten op bevrijding uit vergankelijkheid en dood. De hoop waar Paulus over schrijft gaat uiteindelijk naar de vernieuwing van de mens en de hele schepping.
Vrede met God
Paulus gaat in hoofdstuk 5 verder op wat hij hiervoor heeft geschreven:
‘Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus.’
(Romeinen 5:1)
Hij spreekt over vrede met God, genade en de hoop om te delen in Gods luister. Die hoop wijst vooruit naar de vernieuwing waar Paulus later in Romeinen 8 uitgebreider over schrijft. Hij schrijft ook over lijden. Ellende brengt volharding voort, volharding betrouwbaarheid en betrouwbaarheid hoop.
Die hoop is verbonden met wat God Zelf heeft gedaan:
‘Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is.’
(Romeinen 5:5)
Aan het einde van Romeinen 8 komen de Geest, het lijden en de hoop samen wanneer Paulus schrijft over Gods kinderen en de vernieuwing waarop zij wachten. Vervolgens verbindt Paulus Gods liefde met Jezus’ dood. Christus stierf voor mensen toen zij nog zondaars waren.
Van Abraham terug naar Adam
In hoofdstuk 5 gaat Paulus nog verder terug, naar Adam:
‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en de dood heeft zich over alle mensen verspreid omdat allen hebben gezondigd.’
(Romeinen 5:12)
Hier wordt verder uitgewerkt wat Paulus eerder schreef over Joden en andere volken die onder de zonde staan. Zonde is bij Paulus niet alleen iets wat mensen doen. Hij spreekt er ook over als een macht die is gaan heersen en uiteindelijk tot de dood leidt.
Paulus gaat terug naar het begin van Genesis. God maakt de mens naar Zijn beeld en geeft hem een plaats en roeping binnen Zijn goede schepping. De mens kiest ervoor zelf te bepalen wat goed en kwaad is en vanaf dat moment zien we zonde en dood zich steeds verder door de menselijke geschiedenis verspreiden.
Het Hebreeuwse woord adam betekent mens en kan ook naar de mensheid verwijzen. Paulus kijkt dus niet alleen naar wat één mens heeft gedaan, maar naar wat er met de mensheid is gebeurd. Later in het hoofdstuk verbindt hij dit met Jezus, die trouw blijft waar Adam ongehoorzaam was.
De macht van de zonde wordt al zichtbaar in Genesis 4. God waarschuwt Kaïn dat de zonde als een roofdier voor zijn deur ligt en hem in zijn greep wil krijgen. Kaïn doodt vervolgens zijn broer en in de verhalen daarna zien we het geweld steeds verder toenemen.
Deze lijn vanuit Genesis wordt uitgebreider uitgewerkt in Het fundament van de Bijbel.
Adam en Jezus
Paulus verbindt Adam met een mensheid waarin zonde en dood zijn gaan heersen en schrijft vervolgens over Jezus, die trouw blijft aan God waar Adam ongehoorzaam was en Zijn leven geeft voor anderen.
Paulus schrijft:
‘Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden.’
(Romeinen 5:19)
Door de ongehoorzaamheid van Adam zijn zonde en dood over de mensheid gaan heersen. Met Jezus begint iets nieuws. Hij blijft trouw aan God en wordt daarmee de nieuwe Adam, het begin van een nieuwe mensheid.
Aan het einde van het hoofdstuk schrijft Paulus opnieuw over deze tegenstelling. Waar zonde heeft geheerst en tot de dood heeft geleid, zal Gods genade door Jezus Christus heersen en tot eeuwig leven leiden.
Gestorven en opgestaan met Jezus
Aan het begin van hoofdstuk 6 stelt Paulus de vraag of mensen in de zonde kunnen blijven leven wanneer Gods genade groter is dan de zonde.
Zijn antwoord is duidelijk:
‘Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven?’
(Romeinen 6:2)
Daarna schrijft Paulus over de doop. Wie in Christus Jezus is gedoopt, is met Hem verbonden in Zijn dood en opstanding.
‘We zijn door de doop in Zijn dood met Hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden.’
(Romeinen 6:4)
De doop wordt verbonden met de overgang van de oude mensheid van Adam naar het nieuwe leven dat met Jezus is begonnen. Paulus spreekt enkele verzen later over de oude mens die met Christus is gekruisigd, zodat mensen niet langer als slaven onder de zonde hoeven te leven. Wie met Jezus verbonden is, deelt in Zijn dood en opstanding. Het leven onder de macht van de zonde heeft niet langer het laatste woord. Paulus schrijft dat zij dood zijn voor de zonde en leven voor God in Christus Jezus.
Van de ene heerschappij naar de andere
Paulus gaat verder met het beeld van slavernij. Eerder schreef hij dat zonde en dood heersen. Nu spreekt hij over mensen die als slaven onder de macht van de zonde leven.
‘Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan, geef niet toe aan uw begeerten.’
(Romeinen 6:12)
De taal van slavernij en bevrijding doet denken aan de Exodus. Israël leefde als slaaf onder de macht van farao en werd door God bevrijd om Hem te dienen. Paulus gebruikt diezelfde taal wanneer hij schrijft over bevrijding uit de macht van de zonde.
‘Maar God zij gedankt: u was slaven van de zonde, maar nu gehoorzaamt u van harte aan de leer waaraan u zich hebt toevertrouwd. U bent bevrijd van de zonde en in dienst gekomen van de gerechtigheid.’
(Romeinen 6:17–18)
Bevrijding betekent hier meer dan vrij worden van de macht van de zonde. Mensen worden bevrijd om anders te leven. De zonde heerst niet langer over hen. Zij zijn in dienst gekomen van de gerechtigheid en behoren bij God.
De Torah en de zonde
In hoofdstuk 7 komt Paulus opnieuw bij de Torah. Als hij over zonde en dood spreekt, stelt hij de vraag welke plaats de Torah daarin heeft.
Paulus vraagt:
‘Is de wet dan hetzelfde als de zonde? Absoluut niet.’
(Romeinen 7:7)
De Torah is niet het probleem. Paulus noemt het gebod heilig, rechtvaardig en goed. Toch heeft de Torah het probleem van het menselijke hart niet opgelost. Door de Torah werd juist zichtbaar wat er met de mens aan de hand was. Israël ontving Gods goede geboden, maar ook met die geboden bleef dezelfde menselijke opstand zichtbaar die bij Adam begon.
Ook hier grijpt Paulus terug op wat bij Adam gebeurde. God geeft een goed gebod dat tot leven leidt, maar de zonde grijpt het gebod aan en brengt de dood.
Paulus schrijft:
‘Het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden.’
(Romeinen 7:10)
Datzelfde patroon zien we terug in de geschiedenis van Israël. God bevrijdt Israël uit Egypte en geeft het volk Zijn Torah. De geboden wijzen Israël de weg om als Gods volk te leven. Toch herhaalt Israël steeds opnieuw de menselijke opstand die vanaf Genesis zichtbaar is.
Meer over de plaats van de Torah na de bevrijding uit Egypte lees je in De Tien Geboden.
‘Ik doe niet wat ik wil’
In het tweede deel van Romeinen 7 beschrijft Paulus de spanning tussen wat de Torah vraagt en de macht van de zonde:
‘Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat.’
(Romeinen 7:15)
Even later schrijft hij:
‘Ik wil het goede doen, maar ik kan het niet.’
(Romeinen 7:18)
Het goede kennen en het goede willen blijken niet genoeg om uit de macht van de zonde los te komen. Paulus beschrijft hoe de zonde in de mens werkzaam blijft en hem gevangenhoudt, zelfs wanneer hij verlangt naar wat goed is.
Aan het einde van het hoofdstuk klinkt de vraag:
‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?’
(Romeinen 7:24)
Paulus antwoordt:
‘God zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.’
(Romeinen 7:25)
Wat de Torah niet kon doen
Romeinen 8 begint met de woorden:
‘Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld.’
(Romeinen 8:1)
Paulus gaat verder:
‘De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood.’
(Romeinen 8:2)
De taal uit hoofdstuk 6 keert hier terug. Zonde en dood hielden mensen in slavernij, maar door Jezus en de Geest komt bevrijding.
Paulus schrijft dat God heeft gedaan wat de Torah niet kon doen doordat zij machteloos was door het menselijke vlees. God zond Zijn eigen Zoon en veroordeelde de zonde in het vlees. De zonde die vanaf hoofdstuk 5 wordt beschreven als een macht die heerst en mensen tot slaaf maakt, wordt hier zelf veroordeeld.
Israël ontving de Torah en werd geroepen om als Gods volk te leven, maar herhaalde steeds de menselijke opstand die vanaf Adam zichtbaar was. Jezus blijft trouw waar Adam en Israël tekortschieten. Hij is de trouwe Mens en de trouwe Israëliet.
De Torah kon mensen laten zien wat goed was, maar kon hen niet bevrijden uit de macht van de zonde. God doet door Jezus en de Geest wat de Torah zelf niet kon doen. Paulus schrijft dat de rechtvaardige eis van de Torah wordt vervuld in mensen die zich laten leiden door de Geest. De Geest vormt mensen naar een leven waarin liefde voor God en liefde voor de naaste zichtbaar worden.
Leven door de Geest
Vanaf hier krijgt de Geest een steeds grotere plaats. Paulus schrijft over leven naar het vlees en leven door de Geest. Met ‘vlees’ gaat het hier om een leven waarin zonde en dood de macht hebben. Daartegenover staat het nieuwe leven door de Geest.
Hij schrijft:
‘Als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook uw sterfelijke lichaam levend maken door Zijn Geest, die in u woont.’
(Romeinen 8:11)
De Geest wordt hier verbonden met opstanding en nieuw leven. Dezelfde God die Jezus uit de dood heeft opgewekt, zal ook sterfelijke mensen levend maken.
Die lijn loopt terug door de Bijbel. In Genesis geeft God de mens levensadem en is Zijn Geest vanaf het begin verbonden met leven en schepping. Later belooft God door de profeet Ezechiël dat Hij Zijn volk een nieuw hart en een nieuwe geest zal geven en Zijn Geest in hen zal leggen.
In het visioen van de dorre beenderen komt die belofte opnieuw terug. Gods Geest brengt leven waar alles dood was. Net als in Genesis komt leven door Gods adem. Bij Ezechiël gaat het om Gods belofte dat Hij Zijn volk nieuw leven zal geven en herstellen.
In Romeinen 8 schrijft Paulus dat deze Geest woont in de mensen die bij Jezus horen. De Geest die Jezus uit de dood heeft opgewekt, zal ook hun sterfelijke lichaam levend maken. Later in het hoofdstuk verbindt Paulus deze hoop met de bevrijding en vernieuwing van de hele schepping.
De lijn van Gods Geest van Genesis tot nieuwe schepping wordt uitgebreider uitgewerkt in De Heilige Geest.
Kinderen van God
Paulus gebruikt opnieuw taal van slavernij en familie:
‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om Hem te kunnen aanroepen met “Abba, Vader”.’
(Romeinen 8:15)
Dit doet denken aan de Exodus, waar God Israël Zijn zoon noemt en het volk uit de slavernij in Egypte bevrijdt. In Romeinen 8 schrijft Paulus over mensen die door Gods Geest worden geleid en Gods kinderen mogen zijn. Als kinderen van God zijn zij ook erfgenamen.
Enkele verzen later schrijft Paulus:
‘Wie Hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om het evenbeeld te worden van Zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters.’
(Romeinen 8:29)
Aan het begin van de Bijbel wordt de mens gemaakt als Gods beeld en krijgt hij een plaats en roeping binnen Gods schepping. In Romeinen 8 schrijft Paulus over mensen die worden gevormd naar het beeld van Gods Zoon.
Jezus staat aan het hoofd van een nieuwe mensheid. In Hem wordt zichtbaar waartoe de mens vanaf het begin geroepen was. De mensen die bij Hem horen worden door Gods Geest naar Zijn beeld gevormd. De bevrijding uit de macht van zonde en dood hangt samen met het herstel van de roeping die de mens vanaf het begin heeft gekregen.
De schepping zucht
Vanaf hier komt ook de hele schepping in beeld. Hij schrijft:
‘De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.’
(Romeinen 8:19)
Vanaf Genesis zijn de mens en de aarde met elkaar verbonden. De mens wordt uit de aarde gevormd en krijgt de roeping om als Gods beeld binnen de schepping te leven. Wanneer de mens in opstand komt tegen God, wordt ook de aarde getroffen door de gevolgen.
Paulus schrijft dat de schepping aan zinloosheid is onderworpen en gebonden is aan vergankelijkheid. Hij schrijft over de bevrijding waarop de schepping wacht:
‘Ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.’
(Romeinen 8:21)
Dit doet opnieuw denken aan Exodus. In Exodus zucht Israël onder de slavernij in Egypte en hoort God hun geroep. In Romeinen 8 zucht de hele schepping en wacht zij op bevrijding. Hij vergelijkt het zuchten van de schepping met barensweeën. Het beeld wijst vooruit naar iets nieuws dat nog moet komen.
Wij zuchten mee
Niet alleen de schepping zucht:
‘En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we Gods kinderen zijn: de verlossing van ons sterfelijk bestaan.’
(Romeinen 8:23)
Hij schrijft dat ook Gods kinderen nog wachten op wat God zal doen. Zij hebben de Geest al ontvangen, maar leven nog steeds in een wereld waarin lijden, vergankelijkheid en dood aanwezig zijn. Paulus noemt de Geest een voorschot op wat nog komt. Wat God door Zijn Geest al in mensen is begonnen, zal uiteindelijk uitlopen op de verlossing van hun sterfelijke bestaan.
Ook in dat wachten is de Geest aanwezig. Wanneer mensen door hun zwakheid niet weten hoe zij moeten bidden, helpt de Geest hen en pleit Hij voor hen met woordloze zuchten. De schepping zucht, Gods kinderen zuchten en zelfs de Geest zucht mee. Paulus beschrijft daarmee een werkelijkheid waarin het nieuwe leven al is begonnen, terwijl de bevrijding waarop zij hopen nog niet volledig zichtbaar is.
Daarom schrijft hij:
‘Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden.’
(Romeinen 8:25)
Met de opstanding van Jezus en de komst van de Geest is dat nieuwe leven al begonnen. Gods kinderen wachten nog op de dag waarop ook hun sterfelijke bestaan wordt bevrijd en de schepping wordt verlost van vergankelijkheid en dood.
Niets kan ons scheiden van Gods liefde
Romeinen 8 eindigt met een reeks vragen:
‘Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?’
(Romeinen 8:31)
Hij noemt verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, armoede, gevaar en het zwaard.
Aan het einde schrijft hij:
‘Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.’
(Romeinen 8:38–39)
Aan het begin van Romeinen 5 schreef Paulus over Gods liefde die door de Geest in het hart is uitgegoten. Aan het einde van Romeinen 8 schrijft hij dat niets in de schepping Gods volk van die liefde kan scheiden.
Ook de dood die als een macht die over de mensheid heerst, kan hen niet scheiden van Gods liefde in Jezus Christus.
Een nieuwe mensheid
Romeinen 5–8 begint bij vrede met God. Daarna gaat Paulus terug naar Adam en schrijft hij over hoe zonde en dood de wereld zijn binnengekomen en over de mensheid zijn gaan heersen. Vervolgens schrijft hij over Jezus, die trouw blijft waar Adam ongehoorzaam was. Door Hem komt nieuw leven en begint een nieuwe mensheid.
Mensen die bij Jezus horen worden met Hem verbonden in Zijn dood en opstanding. Paulus gebruikt daarbij het beeld van slavernij en bevrijding. Zij waren slaven van de zonde, maar hoeven niet langer onder haar macht te leven.
Vervolgens schrijft Paulus over de Torah. Gods geboden zijn goed, maar de Torah kan mensen niet bevrijden uit de macht van de zonde. Israël ontving de Torah en toch bleef ook daar de menselijke opstand zichtbaar die bij Adam was begonnen. Jezus blijft trouw waar mensen steeds opnieuw ontrouw zijn en door Hem veroordeelt God de zonde die mensen gevangenhield.
Wat de Torah niet kon doen, doet God door Zijn Zoon en Zijn Geest. De Geest bevrijdt mensen uit de macht van zonde en dood en geeft nieuw leven. Mensen die door de Geest worden geleid zijn Gods kinderen en worden steeds meer gevormd naar het beeld van Zijn Zoon.
Aan het einde van Romeinen 8 komt ook de schepping in beeld. Zoals Israël zuchtte onder de slavernij in Egypte, zuchten Gods kinderen en de schepping terwijl zij wachten op bevrijding. De Geest is al gegeven als voorschot op wat nog komt.
Paulus begint deze hoofdstukken bij Adam en eindigt met Gods kinderen en de hele schepping die wachten op bevrijding. Zonde en dood hebben niet het laatste woord. Door Jezus en de Geest is het nieuwe leven al begonnen, terwijl de hoop uiteindelijk uitgaat naar de vernieuwing van de mens en de hele schepping.
Maak jouw eigen website met JouwWeb