De rode draad van de Bijbel

Wanneer je de verschillende Bijbelboeken naast elkaar leest, komen woorden, beelden en thema’s steeds opnieuw terug. Een beeld dat in Genesis verschijnt, kan eeuwen later door een profeet worden opgepakt en uiteindelijk ook terugkomen in het onderwijs en werk van Jezus.

Door zulke verbindingen te volgen, wordt steeds meer zichtbaar hoe de verschillende Bijbelboeken met elkaar verbonden zijn en hoe woorden, beelden en lijnen verder worden uitgewerkt.

Welke lijnen lopen door de Bijbel heen? Hoe helpen eerdere Bijbelboeken om latere gedeelten beter te begrijpen? En hoe komen deze lijnen uiteindelijk samen in Jezus en Gods bedoeling met Zijn schepping?

De rode draad van de Bijbel

De grote lijn begint bij Gods goede schepping en de plaats en roeping die Hij de mens daarin geeft. Wanneer mensen zich afkeren van Gods wijsheid en zelf gaan bepalen wat goed en kwaad is, worden de gevolgen daarvan zichtbaar in verwijdering van God, gebroken relaties, geweld en dood.

God laat Zijn schepping en de mensen die Hij heeft gemaakt niet los. Hij roept Abraham, vormt uit zijn familie Israël en belooft door hen zegen naar de volken te brengen.

In Jezus komen veel van de lijnen die eerder in de Bijbel zijn begonnen samen. Zijn dood en opstanding, de komst van de Geest en de hoop op een vernieuwde schepping laten zien hoe Gods werk verdergaat naar de dag waarop Hij bij de mensen woont en alles nieuw maakt.

 

Een goede wereld en een menselijke roeping

Genesis opent met God Die orde brengt, de aarde vult met leven en zegent wat Hij heeft gemaakt.

‘God schiep de mens als Zijn evenbeeld,
als evenbeeld van God schiep Hij hem,
mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’
(Genesis 1:27)

Mensen worden geschapen als Gods beeld. Zij ontvangen de opdracht om vruchtbaar te zijn, de aarde te vullen en onder Gods gezag over Zijn schepping te regeren (Genesis 1:26–28). God geeft mensen daarmee een plaats en roeping binnen de wereld die Hij heeft gemaakt.

Genesis 2 laat zien hoe de mens zijn leven van God ontvangt en in de tuin wordt geplaatst om die te bewerken en erover te waken. De mens leeft in Gods aanwezigheid en ontvangt alles wat nodig is om binnen Zijn goede wereld te leven.

Meer over wat het betekent dat mensen als Gods beeld zijn geschapen lees je in De mens als Gods beeld.

 

Vertrouwen op Gods wijsheid

Midden in de tuin staan de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. Van alle bomen mogen de mensen eten. Bij één boom stelt God een grens (Genesis 2:9, 16–17).

De mens heeft verantwoordelijkheid gekregen binnen Gods wereld en heeft daarvoor wijsheid nodig. In Genesis 3 komt de vraag naar voren of mensen op God en Zijn wijsheid zullen vertrouwen.

De slang stelt Gods woorden ter discussie. De vrouw ziet dat de vrucht goed is om van te eten, aantrekkelijk voor het oog en begeerlijk omdat hij wijsheid kan geven. Ze neemt ervan en eet. Ook de man eet ervan (Genesis 3:1–6).

Daarna zien we schaamte en verwijdering. De mensen verbergen zich voor God, wijzen naar elkaar en uiteindelijk moeten zij Eden verlaten. God spreekt over vijandschap tussen de slang en de vrouw en tussen hun nageslacht (Genesis 3:15). Die vijandschap loopt daarmee verder dan Eden en nageslacht krijgt vanaf hier een belangrijke plaats in Genesis.

In de hoofdstukken die volgen wordt zichtbaar hoe wat in Eden begint zich steeds verder verspreidt. Kaïn doodt zijn broer, Lamech beroemt zich op zijn geweld en uiteindelijk wordt de aarde beschreven als verdorven en vol geweld. Ook de vloed verandert het hart van de mens niet. Na de vloed ontstaan opnieuw geweld en gebrokenheid en bij Babel zien we mensen samenkomen om zelf een naam voor zichzelf te maken. Wat begon met mensen die zelf wilden bepalen wat goed en kwaad is, groeit zo uit van een keuze in de tuin tot een patroon dat families, generaties en uiteindelijk hele samenlevingen raakt. Toch laat God Zijn bedoeling met de mens en Zijn schepping niet los. Mensen blijven Zijn beeld dragen en Gods bedoeling om door mensen over Zijn goede wereld te regeren blijft staan.

Meer over de boom van de kennis van goed en kwaad en de lijn van wijsheid, vertrouwen, leven en dood lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.

 

Abraham en zegen voor de volken

Na Babel richt Genesis de aandacht op Abram. De volken zijn over de aarde verspreid en juist op dat moment roept God één man.

‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn.’
(Genesis 12:1–2)

God zegende de eerste mensen en gaf hun de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te vullen. Na alles wat in Genesis 3–11 is gebeurd, klinkt die zegen opnieuw bij Abram.

Ook de volken die bij Babel over de aarde zijn verspreid, blijven in beeld.
‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
(Genesis 12:3)

God belooft Abraham land, nageslacht en zegen. Abraham en Sara moeten leren vertrouwen op wat God heeft beloofd, ook wanneer de vervulling daarvan lang op zich laat wachten. God verbindt Zich aan Abraham en zijn nageslacht en bevestigt Zijn beloften in een verbond.

Abraham en Sara krijgen Isaak. Uit Isaak komt Jakob, die later de naam Israël krijgt. Zijn twaalf zonen worden het begin van de twaalf stammen van Israël.

 

God bevrijdt Israël

Aan het begin van Exodus is de familie van Abraham uitgegroeid tot een volk. De Israëlieten wonen in Egypte, waar zij worden onderdrukt en tot slaven zijn gemaakt. God hoort hun roepen en bevrijdt hen.

In de nacht waarin God hen uit Egypte bevrijdt, viert Israël het Pesach. Deze maaltijd zal hen eraan blijven herinneren hoe God hen uit de slavernij heeft bevrijd.

Hij brengt Israël uit Egypte, leidt het volk door het water en brengt hen naar de berg Sinaï. Nog voordat zij daar de Torah ontvangen, zegt God:
‘Jullie zullen voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn.’
(Exodus 19:6)

Mensen waren geschapen als Gods beeld en geroepen om onder Zijn gezag binnen Zijn wereld te leven. Nu roept God Israël om als Zijn volk te leven en Hem onder de volken te vertegenwoordigen.

In de Torah ontvangt Israël Gods onderwijzing voor het leven als Zijn volk. Liefde voor God en de naaste, recht doen, zorg voor armen en vreemdelingen, sabbat, heiligheid en trouw krijgen daarin een plaats. In de manier waarop het volk leeft, wordt zichtbaar Wie de God is Die hen uit Egypte heeft bevrijd.

Ook Gods aanwezigheid komt midden onder het volk wonen. De tabernakel wordt gebouwd en wanneer Israël verder trekt, gaat God met hen mee.

Meer over de Tien Woorden en hun plaats binnen Israëls bevrijding en roeping lees je in De Tien Geboden in de grote lijn van de Bijbel.

 

Onderweg naar het land

Israël vertrekt vanaf de Sinaï richting het land dat God aan Abraham had beloofd.

Ze klagen over voedsel en water, verlangen terug naar Egypte en weigeren uiteindelijk het land binnen te gaan. Wanneer de verspieders terugkomen en vertellen over de sterke bewoners van het land en hun versterkte steden, wordt het volk bang. Ondanks alles wat God voor hen heeft gedaan en Zijn belofte dat Hij hun dit land zal geven, vertrouwen ze er niet op dat Hij hen zal leiden. Ze willen zelfs terugkeren naar Egypte. De generatie die uit Egypte werd bevrijd, sterft in de woestijn.

Toch blijft God trouw aan Zijn belofte. Hij zorgt voor Zijn volk in de woestijn en leidt de volgende generatie verder naar het land.

Aan het einde van Deuteronomium staat deze nieuwe generatie klaar om het land binnen te gaan. Mozes houdt hun opnieuw Gods woorden voor en zegt:
‘Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood.’
(Deuteronomium 30:15)

De woorden leven en dood grijpen terug op een belangrijk thema dat vanaf het begin van de Bijbel aanwezig is. Zal de mens op Gods wijsheid vertrouwen en de weg gaan die Hij wijst?

Mozes spreekt ook over wat God in het hart van Zijn volk zal doen:
‘De HEER, uw God, zal uw hart en dat van uw nakomelingen besnijden, zodat u Hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven zult blijven.’
(Deuteronomium 30:6)

Daarmee komt ook het hart van de mens in beeld. Israël ontvangt Gods onderwijzing en weet welke weg naar leven leidt, terwijl Mozes vooruitkijkt naar wat God Zelf in het hart van Zijn volk zal doen.

Israël staat op het punt het land binnen te gaan, maar de vraag die vanaf Genesis aanwezig is, gaat met hen mee. Hoe zal Israël leven als het volk dat God heeft geroepen?

 

Israël in het land

Na de dood van Mozes trekt Israël onder leiding van Jozua het land binnen dat God aan Abraham had beloofd. Eeuwen eerder had God Abraham geroepen en hem land, nageslacht en zegen beloofd. Nu woont zijn familie als volk in dat land.

De roeping die Israël bij de Sinaï ontving, gaat mee het land in. Het volk is geroepen om God lief te hebben, Zijn wegen te volgen en recht te doen.

Na de dood van Jozua groeit een generatie op die de HEER niet kent en niet heeft meegemaakt wat Hij voor Israël heeft gedaan. Het volk neemt steeds meer de gebruiken van de omliggende volken over en raakt telkens verstrikt in een patroon van ontrouw, onderdrukking en bevrijding.

Aan het einde van Richteren klinkt meerdere keren dezelfde zin:
‘In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was.’
(Richteren 21:25)

Hier komt opnieuw de vraag naar voren die vanaf Genesis door de Bijbel heen loopt: wie bepaalt wat goed is? Israël heeft Gods onderwijzing ontvangen en toch doen mensen opnieuw wat goed is in hun eigen ogen.

 

De belofte aan David

Na de tijd van de rechters vraagt Israël om een koning, zoals de andere volken die hebben (1 Samuel 8:5).

In Deuteronomium had Mozes al gesproken over de tijd waarin Israël een koning zou hebben. Een koning moest Gods onderwijzing kennen en zelf onder Gods gezag blijven leven. Hij mocht zijn macht niet gebruiken zoals de koningen van de volken om Israël heen dat deden (Deuteronomium 17:14–20).

Na Saul kiest God David als koning. Ook David is geen volmaakte koning, maar hij krijgt een belangrijke plaats binnen de grote lijn van de Bijbel.

Wanneer David koning is geworden en rust heeft gekregen van zijn vijanden, wil hij een huis voor God bouwen. Zelf woont hij in een paleis, terwijl de ark van God nog in een tent staat. God draait Davids plan als het ware om. David wil voor God een huis bouwen en God belooft dat Hij voor David een huis zal bouwen, in de betekenis van een koningshuis.
‘Jou kondigt de HEER aan dat Hij voor jou een huis zal bouwen. Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal Ik je laten opvolgen door je eigen zoon en zijn koningschap bestendigen.’
(2 Samuel 7:11–12)

God belooft David dat zijn zoon hem zal opvolgen en dat zijn koningschap bevestigd zal worden. Vanaf hier krijgt de verwachting van een koning uit de lijn van David een belangrijke plaats in de Bijbel.

 

De tempel en Gods aanwezigheid

Davids zoon Salomo wordt koning en bouwt de tempel in Jeruzalem. Wat bij de Sinaï met de tabernakel begon, krijgt nu een vaste plaats in het land.

Wanneer de tempel wordt ingewijd, vult de heerlijkheid van de HEER het gebouw (1 Koningen 8:10–11). God woont te midden van Zijn volk.

In Salomo’s gebed bij de inwijding blijven ook de volken in beeld. Hij bidt dat wanneer een vreemdeling uit een ver land vanwege Gods naam naar de tempel komt en tot God bidt, God zijn gebed zal horen. Zo zullen alle volken op aarde Gods naam leren kennen en ontzag voor Hem hebben (1 Koningen 8:41–43).

 

De koning kiest zijn eigen wijsheid

Aan het begin van zijn koningschap vraagt Salomo God om wijsheid, zodat hij onderscheid kan maken tussen goed en kwaad en het volk goed kan leiden (1 Koningen 3:9).

God geeft hem wijsheid en Salomo wordt bekend onder de volken.

Toch gaat Salomo later steeds meer leven op een manier waarvoor in Deuteronomium al was gewaarschuwd. Hij verzamelt grote hoeveelheden paarden en rijkdom en heeft vele vrouwen, die zijn hart uiteindelijk naar andere goden keren (Deuteronomium 17:16–17; 1 Koningen 10:26–11:8).

Salomo had God gevraagd om wijsheid om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad, maar onderweg gaat hij steeds meer zijn eigen weg. De koning die geroepen was om onder Gods gezag het volk te leiden, keert zich uiteindelijk steeds verder van God af.

Na Salomo valt het koninkrijk uiteen. In het noorden ontstaat het koninkrijk Israël en in het zuiden blijft Juda bestaan.

In beide koninkrijken staan profeten op die het volk en de koningen steeds opnieuw terugroepen naar God. Zij waarschuwen voor afgoderij, maar ook voor onrecht, geweld en uitbuiting.

Bij de profeten horen trouw aan God en de manier waarop mensen met elkaar omgaan bij elkaar. Zij roepen het volk op om recht te doen en zorg te dragen voor mensen die kwetsbaar zijn.

 

Ballingschap en hoop

De waarschuwingen van de profeten worden uiteindelijk werkelijkheid. Het noordelijke koninkrijk Israël wordt veroverd door Assyrië. Later valt ook Jeruzalem. De Babyloniërs verwoesten de tempel en een deel van de bevolking van Juda wordt weggevoerd naar Babel.

Het volk dat een land had ontvangen, wordt uit dat land verdreven. De tempel, die zo sterk verbonden was met Gods aanwezigheid onder Zijn volk, wordt verwoest. Ook is er in Jeruzalem niet langer een koning uit de lijn van David.

In en rond deze periode spreken de profeten over wat God nog zal doen. Zij kijken uit naar herstel van Zijn volk, een koning uit de lijn van David, een vernieuwd verbond, vergeving, een nieuw hart en Gods Geest in Zijn volk.

Jeremia spreekt over een nieuw verbond waarbij God Zijn wet in het hart van Zijn volk zal schrijven (Jeremia 31:31–34). Ezechiël spreekt over een nieuw hart en een nieuwe geest:
‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie Mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens Mijn wetten leven en Mijn regels in acht nemen.’
(Ezechiël 36:26–27)

Ezechiël ziet ook een dal vol dorre beenderen dat door Gods Geest opnieuw tot leven komt (Ezechiël 37:1–14). Jesaja spreekt over een toekomstige koning uit de lijn van Isaï op wie de Geest van de HEER rust en over een toekomst waarin Gods recht en vrede zich veel verder uitstrekken dan Israël alleen (Jesaja 11:1–10).

De hoop groeit dat God Zelf Zijn volk zal vernieuwen, Zijn Geest zal geven, Zijn belofte aan David zal vervullen en herstel zal brengen dat ook de volken bereikt.

 

Jezus en de lijnen die samenkomen

Wanneer het Nieuwe Testament begint, is een deel van het volk eeuwen eerder uit Babel teruggekeerd en is de tempel herbouwd. Toch zijn veel verwachtingen van de profeten over Israëls herstel nog niet volledig werkelijkheid geworden. Het volk leeft onder Romeinse overheersing en de beloften over een koning uit de lijn van David, Gods Geest en Gods Koninkrijk klinken nog steeds.

Matteüs begint zijn evangelie met:
‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham.’
(Matteüs 1:1)

Vanaf de eerste woorden wordt Jezus verbonden met Abraham en David. Aan Abraham had God beloofd dat door zijn familie zegen naar de volken zou komen. Aan David had Hij beloofd dat zijn koningshuis zou blijven bestaan.

De engel zegt tegen Jozef:
‘Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal Zijn volk bevrijden van hun zonden.’
(Matteüs 1:21)

God had Israël uit de slavernij in Egypte bevrijd en de profeten hadden later opnieuw gesproken over herstel en bevrijding. Ook deze lijn komt in Jezus terug.

Al vroeg in Jezus’ leven komen lijnen uit Israëls geschiedenis terug. Als kind verblijft Hij in Egypte en wordt Hij daar weer uit geroepen. Later wordt Hij gedoopt in de Jordaan en gaat Hij de woestijn in, waar Hij veertig dagen op de proef wordt gesteld.

Daar antwoordt Jezus met woorden uit Deuteronomium, uit het gedeelte waarin Mozes terugkijkt op Israëls jaren in de woestijn (Deuteronomium 6–8). Waar Israël onderweg steeds opnieuw moeite had om op God te vertrouwen, vertrouwt Jezus op Zijn Vader. Wanneer Hij honger heeft, houdt Hij vast aan Gods woorden en wanneer Hem macht over de koninkrijken van de wereld wordt aangeboden, kiest Hij ervoor God alleen te dienen.

Wanneer Jezus Zijn openbare optreden begint, verkondigt Hij:
‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’
(Marcus 1:15)

Gods Koninkrijk staat centraal in Jezus’ onderwijs. Hij trekt door dorpen en steden, onderwijst mensen, geneest zieken, bevrijdt mensen van kwade machten, vergeeft zonden en eet met mensen die door anderen werden buitengesloten. In Zijn woorden en daden wordt zichtbaar hoe Gods goede heerschappij eruitziet en wie Jezus is als de beloofde Messias en koning uit de lijn van David.

Jezus roept mensen om Hem te volgen en van Hem te leren. In de Bergrede spreekt Hij over verzoening, trouw, vijanden liefhebben, vrijgevigheid, gebed, bezit, zorgen en liefde voor de naaste. Hij leert Zijn leerlingen bidden:
‘Laat Uw koninkrijk komen
en Uw wil gedaan worden
op aarde zoals in de hemel.’
(Matteüs 6:10)

In dit gebed komen Gods Koninkrijk, hemel en aarde bij elkaar. Jezus leert Zijn leerlingen bidden dat Gods goede heerschappij op aarde werkelijkheid wordt zoals in de hemel.

Meer over Jezus’ onderwijs in de Bergrede en de plaats daarvan binnen de grote lijn van de Bijbel lees je in De Bergrede.

 

Gods beeld en aanwezigheid onder mensen

In Jezus wordt zichtbaar waartoe mensen vanaf het begin zijn geroepen. Paulus noemt Hem later ‘het beeld van God’ (Kolossenzen 1:15). Vanaf Genesis draagt de mens Gods beeld en krijgt hij de roeping om onder Gods gezag verantwoordelijkheid te dragen binnen Zijn wereld. In Jezus zien we hoe een menselijk leven eruitziet dat volledig gericht is op God.

Wanneer Zijn leerlingen discussiëren over wie van hen de belangrijkste is, wijst Jezus hen op de manier waarop machthebbers over mensen heersen. Onder Zijn leerlingen zal het anders zijn:
‘Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn.’
(Marcus 10:43–44)

Daarna verbindt Jezus dit met Zijn eigen weg. De Mensenzoon is gekomen om te dienen en Zijn leven te geven voor velen (Marcus 10:45). Zo laat Jezus zien hoe gezag binnen Gods Koninkrijk verbonden is met liefde, trouw en dienstbaarheid.

Aan het begin van Johannes lezen we:
‘Het Woord is mens geworden en heeft in ons midden gewoond.’
(Johannes 1:14)

Het Griekse woord dat Johannes gebruikt voor ‘wonen’ (skēnoō) betekent letterlijk zoiets als ‘zijn tent opslaan’ of ‘in een tent wonen’ en is verwant aan skēnē, het Griekse woord voor tent of tabernakel. Die woorden herinneren aan de tabernakel, waar God onder Israël aanwezig was. Johannes schrijft direct daarna dat de leerlingen Zijn heerlijkheid hebben gezien. Daarin klinkt ook Exodus mee, waar Gods heerlijkheid de tabernakel vult (Exodus 40:34–35). In Jezus komt God Zelf onder de mensen wonen.

 

Ook de belofte aan Abraham blijft in beeld. Tijdens Jezus’ bediening richt Hij Zich in het bijzonder op Israël. Hij verzamelt twaalf leerlingen om Zich heen, een aantal dat herinnert aan de twaalf stammen van Israël. Onderweg komen ook mensen van buiten Israël in beeld.

Na Zijn opstanding zegt Jezus tegen Zijn leerlingen:
‘Ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen.’
(Matteüs 28:19)

De zegen die God door Abraham en zijn familie naar de volken wilde brengen, reikt in Jezus verder naar alle volken.

 

De weg naar het kruis

Jezus spreekt over Gods Koninkrijk en leeft het voor. Hij blijft de weg gaan van dienen en trouw aan Zijn Vader, zonder macht voor Zichzelf te zoeken.

Tijdens de laatste maaltijd met Zijn leerlingen neemt Jezus brood en wijn en verbindt Hij Zijn naderende dood met het verbond en de vergeving van zonden (Matteüs 26:26–28).

Daarna gaat Hij naar Getsemane. Jezus weet wat Hem te wachten staat en bidt:
‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan. Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’
(Matteüs 26:39)

Jezus weet wat Hem te wachten staat en spreekt Zijn eigen verlangen uit, terwijl Hij Zich blijft toevertrouwen aan Zijn Vader. Hij wordt gearresteerd, veroordeeld en gekruisigd. Boven Zijn hoofd hangt de beschuldiging dat Hij ‘de koning van de Joden’ is (Matteüs 27:37). De koning uit de lijn van David wordt gekroond met doornen en verhoogd aan een kruis.

Wat eruitziet als een nederlaag, wordt in het Nieuwe Testament beschreven als een overwinning. Paulus schrijft dat God aan het kruis de machten en krachten ontwapent en openlijk te kijk zet (Kolossenzen 2:15).

Zonde, dood en de machten die mensen gevangenhouden zijn vanaf de eerste hoofdstukken van Genesis steeds opnieuw in beeld gekomen. Aan het kruis gaat Jezus deze machten tegemoet en blijft Hij trouw aan Zijn Vader tot in de dood.

Meer over geestelijke machten en hoe deze lijn vanaf Genesis door de Bijbel heen naar Jezus loopt lees je in Geestelijke machten.

 

De opstanding en een nieuw begin

Op de derde dag wordt Jezus uit de dood opgewekt. 

Paulus noemt Jezus ‘de eersteling van de gestorvenen’ (1 Korintiërs 15:20) en legt een directe verbinding met Adam:
‘Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt.’
(1 Korintiërs 15:22)

Adam wordt verbonden met de dood en Jezus met het nieuwe leven dat God geeft. De dood, die vanaf Genesis deel is geworden van de menselijke werkelijkheid, krijgt in Jezus’ opstanding niet het laatste woord.

Wat met Jezus’ opstanding begint, loopt uiteindelijk uit op de vernieuwing van Gods hele schepping.

Na Zijn opstanding zegt Jezus tegen Zijn leerlingen dat Hem alle macht in hemel en op aarde is gegeven (Matteüs 28:18). De belofte aan David loopt verder in Jezus, Die als Koning regeert en Zijn leerlingen de wereld in stuurt.

Meer over Gods Koninkrijk en hoe deze lijn vanaf Genesis door Israël en de profeten naar Jezus en de vernieuwde schepping loopt lees je in Gods Koninkrijk.

Voordat Zijn leerlingen op weg gaan, moeten zij wachten. Jezus heeft hun beloofd dat zij kracht zullen ontvangen wanneer de Heilige Geest over hen komt (Handelingen 1:8). De profeten hadden al uitgezien naar een tijd waarin God Zijn Geest aan Zijn volk zou geven.

 

God geeft Zijn Geest

Met Pinksteren beginnen deze beloften in vervulling te gaan. Petrus legt uit wat er gebeurt met woorden van de profeet Joël:
‘Ik zal Mijn Geest uitgieten over al wat leeft.’
(Handelingen 2:17; Joël 3:1)

Bij Babel werden de volken over de aarde verspreid en ontstonden verschillende talen. Toen God Abraham riep, beloofde Hij dat door hem alle volken gezegend zouden worden. Met Pinksteren komen die volken opnieuw in beeld. Mensen uit allerlei volken horen in hun eigen taal over Gods grote daden. Zo begint het goede nieuws zich vanuit Jeruzalem verder onder de volken te verspreiden.

Ook de beloften over een vernieuwd hart komen hier terug. Ezechiël had gesproken over een tijd waarin God Zijn volk een nieuw hart zou geven en Zijn Geest in hen zou leggen, zodat zij Zijn wegen konden gaan (Ezechiël 36:26–27).

De God Die de mens vanaf het begin leven geeft, geeft nu Zijn Geest aan Zijn volk en vernieuwt mensen van binnenuit.

Meer over de Heilige Geest van Genesis tot Pinksteren en verder lees je in De Heilige Geest.

 

Gods aanwezigheid in een vernieuwd volk

Na Pinksteren schrijft Paulus aan de gemeente:
‘Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?’
(1 Korintiërs 3:16)

Waar Gods aanwezigheid eerder verbonden was met de tabernakel en de tempel, woont Gods Geest nu in het midden van Zijn volk.

In deze gemeenschap komen mensen uit Israël en uit de volken samen. Paulus schrijft:
‘U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.’
(Galaten 3:27–29)

Door Zijn Geest vernieuwt God mensen naar Zijn beeld. Paulus schrijft dat mensen die bij Jezus horen worden vernieuwd naar het beeld van hun Schepper (Kolossenzen 3:10) en steeds meer veranderen naar het beeld van Christus (2 Korintiërs 3:18).

Ook de woorden die God bij de Sinaï over Israël sprak, komen in het Nieuwe Testament terug. Petrus noemt de volgelingen van Jezus ‘een koninkrijk van priesters’ en ‘een heilige natie’ (1 Petrus 2:9). Zij worden geroepen om Gods grote daden bekend te maken en Hem met hun leven te vertegenwoordigen.

Jezus volgen betekent steeds meer leren leven zoals Hij: God en de ander liefhebben, vergeven, vrede zoeken, recht doen, dienen en omzien naar mensen die kwetsbaar zijn. Zo krijgt de roeping waarmee de Bijbel begon opnieuw vorm in mensen die door Gods Geest worden vernieuwd.

In Handelingen verspreidt het goede nieuws over Jezus zich steeds verder. Wat in Jeruzalem begint, bereikt steden en gebieden ver buiten Israël. Mensen uit verschillende volken worden leerlingen van Jezus en vormen samen nieuwe gemeenschappen.

Toch is Gods werk nog niet voltooid. De wereld kent nog steeds onrecht, geweld, ziekte en dood. Paulus schrijft dat de hele schepping zucht en uitziet naar de dag waarop zij bevrijd zal worden van de vergankelijkheid (Romeinen 8:19–23).

 

Een vernieuwde schepping

Aan het einde van de Bijbel komen verschillende woorden en beelden uit het begin opnieuw terug.

Johannes ziet:
‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.’
(Openbaring 21:1)

Daarna hoort hij een stem vanaf de troon:
‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen Zijn volken zijn en God Zelf zal als hun God bij hen zijn.’
(Openbaring 21:3)

Hier zien we waar de lijn van Gods aanwezigheid vanaf het begin naartoe loopt: God woont bij de mensen.

Ook de gevolgen van Genesis 3 verdwijnen:
‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’
(Openbaring 21:4)

In het volgende hoofdstuk verschijnt opnieuw een rivier met levenswater en aan weerszijden daarvan staat de levensboom. Zijn bladeren brengen genezing aan de volken (Openbaring 22:1–2).

De boom van het leven die na Eden buiten het bereik van de mens kwam, staat aan het einde van de Bijbel opnieuw midden in Gods wereld. Ook de vloek is verdwenen:
‘Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust.’
(Openbaring 22:3)

En opnieuw krijgen mensen een plaats en roeping:
‘Ze zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.’
(Openbaring 22:5)

 

Van Genesis tot Openbaring

Van Genesis tot Openbaring komen dezelfde woorden, beelden en lijnen steeds opnieuw terug en krijgen ze onderweg steeds meer betekenis. Gods aanwezigheid, Zijn zegen voor de volken, de menselijke roeping, wijsheid, leven en dood, het Koninkrijk, Zijn Geest en de hoop op herstel lopen door de verschillende Bijbelboeken heen en komen in Jezus samen.

Meer over de woorden, beelden en lijnen die in Genesis 1–11 hun fundament krijgen lees je in Het fundament van de Bijbel.