De vrucht van de Geest

Liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. De vrucht van de Geest uit Galaten 5 is voor veel christenen een bekend rijtje. Toch krijgen deze woorden meer betekenis wanneer je kijkt naar de brief waarin Paulus ze schrijft.

In Galatië zijn spanningen ontstaan over de vraag wie werkelijk bij Gods volk hoort. Midden in die situatie schrijft Paulus over vrijheid, elkaar dienen in liefde en leven door de Geest. Zijn woorden staan tegelijkertijd binnen een veel grotere Bijbelse lijn die begint bij de roeping van de mens en doorloopt via de beloften van de profeten naar Jezus, de gave van de Geest en Gods nieuwe schepping.

Wat bedoelt Paulus met de vrucht van de Geest? Waarom noemt hij juist deze eigenschappen? Wat hebben ze te maken met Gods eigen karakter, met Jezus en met de manier waarop mensen samenleven? En wat is eigenlijk het verschil tussen de vrucht en de gaven van de Geest?

De vrucht van de Geest

In Galaten 5 zet Paulus twee manieren van leven tegenover elkaar: leven vanuit menselijke verlangens en leven door de Geest. Wanneer hij beschrijft wat de Geest in mensen voortbrengt, noemt hij liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

Paulus schrijft deze woorden aan gemeenten in Galatië waar discussie is ontstaan over de vraag wat mensen uit de volken moeten doen om werkelijk bij Gods volk te horen. Zij zijn tot geloof in Jezus gekomen en hebben de Heilige Geest ontvangen. Toch worden zij onder druk gezet om zich te laten besnijden en zich te houden aan bepalingen uit de Torah.

In Christus worden mensen uit verschillende volken deel van dezelfde familie. Zij hebben dezelfde Geest ontvangen en worden geroepen om samen te leven als Gods volk (Galaten 3:1–14, 26–29).

 

Geroepen om vrij te zijn

Aan het begin van Galaten 5 schrijft Paulus:
‘Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.’
(Galaten 5:1)

Even later schrijft Paulus:
‘In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent.’
(Galaten 5:6)

Paulus schrijft over geloof dat in liefde werkzaam wordt. Enkele verzen later komt die liefde opnieuw terug:
‘Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw aardse begeerten vrij spel te geven, maar dien elkaar in liefde.’
(Galaten 5:13)

Vervolgens haalt Paulus een woord uit Leviticus aan:
‘Want de hele wet is vervuld in één uitspraak: “Heb uw naaste lief als uzelf.”’
(Galaten 5:14)

Direct daarna waarschuwt Paulus:
‘Maar wanneer u elkaar aanvliegt en verscheurt, pas dan maar op dat u niet door elkaar wordt verslonden.’
(Galaten 5:15)

Daarna gaat Paulus verder over leven door de Geest.

 

Leven door de Geest

Paulus vervolgt:
‘Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan bent u niet gericht op uw eigen begeerten.’
(Galaten 5:16)

In dit gedeelte gebruikt Paulus het Griekse woord sarx, dat letterlijk ‘vlees’ kan betekenen. Afhankelijk van de vertaling wordt het weergegeven met woorden als ‘vlees’, ‘eigen natuur’ of, zoals hier in de NBV21, ‘aardse begeerten’.

Met sarx bedoelt Paulus hier meer dan het menselijk lichaam. Hij schrijft over een leven waarin verlangens en begeerten de richting gaan bepalen. Daartegenover staat een leven dat wordt geleid door de Geest (Galaten 5:16–18).

Wat daaruit voortkomt wordt heel concreet. Paulus noemt seksuele immoraliteit, afgoderij en dronkenschap, en daarnaast veel dingen die relaties beschadigen: vijandschap, tweespalt, jaloezie, woede, gekonkel, geruzie, afgunst en verdeeldheid (Galaten 5:19–21).

Dat sluit direct aan bij zijn waarschuwing dat de Galaten elkaar dreigen te verslinden.

 

De vrucht van de Geest

Paulus schrijft:
‘Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.’
(Galaten 5:22–23)

Deze negen woorden zijn niet alles wat Paulus noemt bij een leven door de Geest. Op andere plaatsen schrijft hij bijvoorbeeld ook over ontferming, nederigheid en verdraagzaamheid (Kolossenzen 3:12).

Het beeld van een leven dat vrucht draagt komt al eerder in de Bijbel voor. Psalm 1 vergelijkt iemand die vreugde vindt in Gods onderwijzing met een boom aan stromend water, die op tijd vrucht draagt. In Galaten komt het beeld van vrucht opnieuw terug bij een leven dat door Gods Geest wordt geleid.

Paulus heeft vlak daarvoor geschreven: ‘laat u leiden door de Geest’. Aan het einde van dit gedeelte zegt hij opnieuw:
‘Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst.’
(Galaten 5:25)

De vrucht beschrijft wat groeit in een leven dat door Gods Geest wordt geleid.

 

Een belofte die al veel eerder klinkt

De verwachting dat God Zijn volk door Zijn Geest van binnenuit zal vernieuwen, klinkt al bij de profeten.

Ezechiël schrijft:
‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie Mijn Geest geven en ervoor zorgen dat jullie volgens Mijn wetten leven en Mijn regels in acht nemen.’
(Ezechiël 36:26–27)

Door Israëls geschiedenis heen zien we steeds dat het volk van Gods weg afdwaalt. Ezechiël kijkt uit naar een dag waarop God hun een nieuw hart zal geven en Zijn Geest in hen zal leggen.

Jeremia spreekt over een nieuw verbond waarin God Zijn wet in het hart van Zijn volk zal leggen (Jeremia 31:31–34). Joël kijkt uit naar een dag waarop God Zijn Geest zal uitgieten over mensen uit alle lagen van Zijn volk (Joël 3:1–2).

Wanneer Paulus aan de Galaten schrijft, hebben zij die Geest al ontvangen. Eerder in de brief vraagt hij:
‘Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven?’
(Galaten 3:2)

De vrucht van de Geest hoort bij deze vernieuwing die God had beloofd. Door Zijn Geest vernieuwt God mensen van binnenuit en leert Hij hen leven op de weg waartoe Hij Zijn volk altijd heeft geroepen.

Meer over deze lijn door de Bijbel lees je in De Heilige Geest.

 

Geschapen om Gods karakter te weerspiegelen

Al in Genesis wordt de mens geschapen als Gods beeld en geroepen om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen (Genesis 1:26–28).

Wanneer de mens in Genesis 3 zelf grijpt naar de kennis van goed en kwaad, raakt hij steeds verder verwijderd van die roeping. In de hoofdstukken daarna zien we schaamte, verwijdering, jaloezie, geweld en dood. Ook in Galaten noemt Paulus manieren van leven die uitlopen op vijandschap, jaloezie, woede en verdeeldheid.

Wanneer God later aan Mozes bekendmaakt wie Hij is, zegt Hij:
‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig.’
(Exodus 34:6)

Deze woorden keren door het Oude Testament heen steeds opnieuw terug. Liefde, geduld, goedheid en trouw horen bij wie God is. Wanneer Paulus over de vrucht van de Geest schrijft, herkennen we verschillende van deze eigenschappen.

In Jezus zien we hoe het leven van de mens die Gods karakter weerspiegelt eruitziet. Door Zijn Geest vernieuwt God mensen naar het beeld van Jezus en leert Hij hen opnieuw leven in de roeping die Hij vanaf het begin aan de mens heeft gegeven. Zo wordt in hun leven steeds meer zichtbaar bij Wie zij horen en hoe God door mensen heen in Zijn wereld wil werken.

Meer over deze oorspronkelijke roeping van de mens lees je in De mens als Gods beeld.

 

Jezus laat zien hoe dit leven eruitziet

In Jezus wordt zichtbaar wat het betekent om werkelijk als Gods beeld te leven. Paulus noemt Hem ‘het beeld van God’ (2 Korintiërs 4:4; Kolossenzen 1:15).

Jezus dient, vergeeft, heeft mensen lief en blijft trouw aan Zijn Vader, ook wanneer die weg Hem uiteindelijk naar het kruis brengt. Paulus beschrijft in Filippenzen hoe Jezus Zichzelf vernederde, de gestalte van een dienaar aannam en gehoorzaam bleef tot de dood aan het kruis (Filippenzen 2:5–8).

Ook in Galaten zelf gebruikt Paulus woorden die hier heel dichtbij komen:
‘Kinderen, zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om u.’
(Galaten 4:19)

Paulus schrijft dat mensen door de Geest steeds meer naar hetzelfde beeld worden veranderd (2 Korintiërs 3:18). De vrucht van de Geest hoort bij die verandering. Door de Geest krijgt de manier van leven die we in Jezus zien steeds meer vorm in Zijn leerlingen.

 

Blijven en vrucht dragen

Ook Jezus gebruikt het beeld van vrucht wanneer Hij met Zijn leerlingen spreekt over hun leven met Hem. In Johannes 15 vergelijkt Hij Zichzelf met een wijnstok en Zijn leerlingen met de ranken:
‘Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in Mij blijven.’
(Johannes 15:4)

Jezus roept Zijn leerlingen op om in Hem en in Zijn liefde te blijven en elkaar lief te hebben zoals Hij hen heeft liefgehad (Johannes 15:9–12).

Ook Paulus roept de Galaten op om door de Geest te leven en elkaar in liefde te dienen. Vrucht is daarmee niet iets wat mensen uit zichzelf proberen voort te brengen. Het groeit in mensen die verbonden blijven met Jezus en zich laten leiden door Zijn Geest.

 

Liefde

Het eerste woord dat Paulus noemt is agapē, liefde. Eerder in hetzelfde hoofdstuk heeft hij de Galaten opgeroepen om elkaar in liefde te dienen en haalt hij Leviticus aan:
‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
(Galaten 5:14)

Dat gebod komt uit Leviticus 19:18. Daar staat liefde voor de naaste midden tussen heel concrete aanwijzingen over hoe Israël met andere mensen moet omgaan. Geen wraak nemen of wrok blijven koesteren, eerlijk rechtspreken en zorg dragen voor arme mensen en vreemdelingen horen bij dezelfde manier van leven.

Jezus brengt deze woorden samen met het gebod om God lief te hebben en zegt dat daarin de Wet en de Profeten samenkomen (Matteüs 22:34–40).

In Galatië komt die liefde onder druk te staan wanneer mensen tegenover elkaar komen te staan.

 

Vreugde

Daarna noemt Paulus chara, vreugde.

Habakuk beschrijft een tijd waarin de vijgenboom niet bloeit, de wijngaard niets voortbrengt en er nauwelijks voedsel overblijft. Toch zegt hij dat hij zal juichen om de HEER en zich zal verheugen in God (Habakuk 3:17–18).

Ook in het Nieuwe Testament zien we vreugde midden in verdriet en lijden. Jezus spreekt met Zijn leerlingen over vreugde, terwijl Hij hen ook voorbereidt op verdriet en tegenstand (Johannes 15:11; 16:20–22). Paulus schrijft vanuit gevangenschap verschillende keren over vreugde en roept de Filippenzen op zich te verheugen in de Heer (Filippenzen 3:1; 4:4).

Vreugde hangt in deze teksten niet alleen af van de omstandigheden waarin iemand leeft. Habakuk en Paulus spreken over vreugde midden in gebrek, lijden en gevangenschap.

 

Vrede

In de Griekse vertaling van het Oude Testament wordt eirēnē gebruikt voor het Hebreeuwse shalom, dat onder meer vrede, welzijn en heelheid kan aanduiden.

In Galaten leven mensen uit verschillende achtergronden samen als één familie. Paulus had eerder geschreven:
‘U bent allen één in Christus Jezus.’
(Galaten 3:28)

Die eenheid staat onder druk wanneer vijandschap, rivaliteit en verdeeldheid binnen de gemeenten ontstaan. Vrede krijgt daarom heel concreet vorm wanneer mensen uit verschillende achtergronden leren samenleven als één familie in Jezus.

 

Geduld

Voor geduld gebruikt Paulus het woord makrothymia. In Exodus 34:6 wordt God Zelf beschreven als geduldig, letterlijk als iemand die ‘langzaam tot woede’ is. Die omschrijving keert later verschillende keren terug in het Oude Testament.

Geduld hoort daarmee bij Gods eigen karakter. Hij is niet snel tot woede, ook wanneer mensen Hem ontrouw zijn. Datzelfde geduld noemt Paulus als vrucht van de Geest.

 

Vriendelijkheid en goedheid

Paulus noemt vervolgens chrēstotēs, vriendelijkheid, en agathōsynē, goedheid. Beide woorden krijgen vorm in de manier waarop mensen anderen benaderen en het goede voor hen zoeken.

Paulus gebruikt het woord voor vriendelijkheid ook wanneer hij over God spreekt. In Romeinen 2:4 schrijft hij over Gods goedheid, verdraagzaamheid en geduld en zegt hij dat Gods goedheid mensen tot inkeer wil brengen. In Titus wordt Gods goedheid verbonden met Zijn reddende liefde voor mensen (Titus 3:4–5).

 

Geloof of trouw?

Het volgende woord is pistis. De NBV21 vertaalt het in Galaten 5:22 met ‘geloof’, maar het Griekse woord kan afhankelijk van de context ook vertrouwen of trouw betekenen.

In Galaten gebruikt Paulus pistis vaak wanneer hij spreekt over geloof en vertrouwen op God. Binnen deze opsomming kan ook de betekenis van trouw of betrouwbaarheid meeklinken.

Trouw hoort ook bij de manier waarop God Zichzelf door de Bijbel heen bekendmaakt. In Exodus 34 wordt Hij beschreven als rijk aan trouw en waarachtigheid. Hij blijft trouw aan Zijn beloften en aan Zijn volk.

De Geest vormt mensen die leren vertrouwen op God en trouw en betrouwbaar worden in hun omgang met anderen.

 

Zachtmoedigheid

Voor zachtmoedigheid gebruikt Paulus het woord prautēs.

Jezus gebruikt hetzelfde woord wanneer Hij over Zichzelf zegt:
‘Neem Mijn juk op je en leer van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’
(Matteüs 11:29)

Ook wanneer Jezus als koning Jeruzalem binnenrijdt op een ezel wordt Hij zachtmoedig genoemd. Matteüs haalt daarbij de woorden van Zacharia aan:
‘Zie, je koning is in aantocht, hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin.’
(Matteüs 21:5; Zacharia 9:9)

Vlak na de vrucht van de Geest gebruikt Paulus hetzelfde woord wanneer hij schrijft over iemand die op een misstap wordt betrapt. Hij zegt dat geestelijke mensen zo iemand moeten helpen:
‘in een geest van zachtmoedigheid.’
(Galaten 6:1)

 

Zelfbeheersing

Het laatste woord is enkrateia, zelfbeheersing.

Paulus heeft vlak daarvoor geschreven over verlangens en begeerten. Daarna schrijft hij:
‘Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn aardse natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen.’
(Galaten 5:24)

Daarna volgt:
‘Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst.’
(Galaten 5:25)

Met zelfbeheersing komt de tegenstelling tussen begeerten en leven door de Geest opnieuw terug. Verlangens hoeven niet langer de richting te bepalen. Paulus roept de Galaten op om zich te laten leiden door de Geest.

 

Vrucht wordt zichtbaar tussen mensen

Veel van wat Paulus als vrucht van de Geest noemt, krijgt vorm in het leven met andere mensen. In Galatië waren spanningen ontstaan binnen de gemeenten en stonden mensen tegenover elkaar.

Paulus gaat daar in Galaten 6 mee verder:
‘Draag elkaars lasten, zo leeft u de wet van Christus na.’
(Galaten 6:2)

Eerder had hij uit de Torah aangehaald:
‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
(Galaten 5:14)

Zo komt Paulus weer terug bij de liefde waarmee dit gedeelte begon. 

 

De vrucht en Gods nieuwe schepping

Aan het einde van Galaten schrijft Paulus:
‘Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is.’
(Galaten 6:15)

De discussie in Galatië draaide om de vraag welke kenmerken bepalen wie werkelijk bij Gods volk hoort. Paulus eindigt zijn brief met een nieuwe schepping. God vormt door Jezus en Zijn Geest een familie uit verschillende volken, waarin besnijdenis niet bepaalt wie erbij hoort.

Vanaf Genesis wordt de mens geroepen om als Gods beeld in Zijn wereld te leven. Mensen raken die roeping steeds opnieuw kwijt, maar God laat Zijn schepping niet los. Hij roept Abraham met de belofte dat door hem alle volken gezegend zullen worden, vormt Israël als Zijn volk en belooft door de profeten dat Hij mensen van binnenuit zal vernieuwen en Zijn Geest zal geven.

In Jezus zien we de ware Mens die leeft zoals God de mens vanaf het begin heeft bedoeld. Door Zijn Geest brengt God mensen uit verschillende volken samen in één familie en vormt Hij hen steeds meer naar het beeld van Jezus.

Liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing horen bij dat nieuwe leven dat door Jezus en de Geest al is begonnen.

De vrucht groeit in mensen die leren leven door de Geest en samen de weg van Jezus gaan. Zo vormt God een vernieuwde mensheid die steeds meer leert leven zoals Hij de mens vanaf het begin heeft bedoeld. Door Zijn Geest nodigt Hij mensen uit om opnieuw hun plaats in Zijn werk in te nemen en door hen heen Zijn liefde, goedheid en vrede zichtbaar te maken in de wereld. Wat God zo in Zijn volk begint, wijst vooruit naar de dag waarop Hij heel Zijn schepping zal vernieuwen.

Meer over deze grote lijn van schepping tot nieuwe schepping lees je in De rode draad van de Bijbel.