Leven met God
Wanneer er gesproken wordt over geloof, valt vaak de uitdrukking ‘een persoonlijke relatie met God’. Maar wat betekent het eigenlijk om in relatie met God te leven?
Vanaf de eerste bladzijden van Genesis zien we dat God mensen leven geeft, hen naar Zijn beeld maakt en een plaats en een roeping geeft binnen Zijn schepping. Hij maakt Zich aan hen bekend en leert hen om op Hem en Zijn wijsheid te vertrouwen.
Wat betekent het volgens de Bijbel om God te kennen? Hoe ziet een leven van vertrouwen, liefde en verbondenheid met Hem eruit? En wat kunnen we hierover ontdekken wanneer we de Bijbel van Genesis tot Openbaring lezen?
Geschapen om met God te leven
De Bijbel begint met God Die een goede wereld schept en de mens daarin een bijzondere plaats geeft. In Genesis 1 lezen we dat God de mens naar Zijn beeld maakt en hem de verantwoordelijkheid geeft om onder Zijn gezag over de schepping te regeren (Genesis 1:26–28). Daarmee ontvangt de mens vanaf het begin een roeping om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen en zorg te dragen voor wat Hij heeft gemaakt.
In Genesis 2 wordt deze roeping verder uitgewerkt. God vormt de mens uit het stof van de aarde en blaast hem levensadem in, waarna Hij hem in de tuin van Eden plaatst om die te bewerken en erover te waken (Genesis 2:7, 15). De woorden die hier voor het bewerken en bewaken worden gebruikt, komen later ook terug bij de taken van priesters en Levieten rond de tabernakel, waar God te midden van Israël woont.
Deze verbinding is bijzonder, omdat de tuin van Eden verschillende kenmerken heeft van een heilige ruimte waar God aanwezig is. Zoals de priesters later verantwoordelijk zijn voor de dienst en het bewaken van het heiligdom, zo ontvangt de mens in Eden de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de plaats waar hij met God leeft.
Eden wordt beschreven als een plaats van overvloed en leven. De mens ontvangt van God voedsel, een plaats om te wonen en een verantwoordelijkheid binnen Zijn schepping. Hij is gemaakt om in Gods aanwezigheid te leven en onder Zijn goede gezag zorg te dragen voor Zijn wereld. Midden in de tuin staat ook de levensboom, verbonden met het leven dat God geeft (Genesis 2:9).
Vertrouwen op Gods wijsheid
Naast de levensboom staat de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:9). God geeft de mens toestemming om van alle bomen in de tuin te eten, met uitzondering van één boom. Zijn gebod begint daarmee met overvloed, en Hij stelt tegelijkertijd een grens:
‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
(Genesis 2:16–17)
De mens heeft verantwoordelijkheid gekregen binnen Gods wereld en heeft daarvoor wijsheid nodig. De vraag is waar die wijsheid vandaan zal komen. Zal de mens op God vertrouwen en van Hem ontvangen wat goed is?
In Genesis 3 stelt de slang Gods woorden en Zijn bedoeling ter discussie. Waar God begonnen was met overvloed, richt de slang de aandacht op de grens. Hij zaait twijfel over Gods goedheid. Kunnen de mensen God werkelijk vertrouwen? Of houdt Hij iets goeds voor hen achter?
De vrouw ziet dat de boom goed is om van te eten, aantrekkelijk voor het oog en begeerlijk omdat hij wijsheid kan geven. Ze neemt van de vrucht en eet, waarna ook de man ervan eet (Genesis 3:6). De mens grijpt daarmee zelf naar de kennis van goed en kwaad, in plaats van zich door Gods wijsheid te laten leiden.
Meer over de betekenis van deze boom en de lijn die vanuit Genesis verder door de Bijbel loopt, lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.
‘Waar ben je?’
Nadat de man en de vrouw van de vrucht hebben gegeten, gaan hun ogen open en ontdekken ze dat ze naakt zijn. Ze maken bedekkingen voor zichzelf en wanneer ze God horen, verbergen ze zich tussen de bomen van de tuin.
Dan roept God de mens:
‘Waar ben je?’
(Genesis 3:9)
De mens die geschapen was om in Gods aanwezigheid te leven, verbergt zich nu voor Hem. Wanneer God vraagt wat er is gebeurd, wijst de man naar de vrouw en uiteindelijk ook naar God Die haar aan hem heeft gegeven, terwijl de vrouw naar de slang wijst. De gevolgen van hun keuze worden zichtbaar in de manier waarop zij zich tegenover God en tegenover elkaar gedragen.
Ook hun verhouding tot de aarde verandert. De grond zal dorens en distels voortbrengen, het werk van de mens wordt zwaar en uiteindelijk zal hij terugkeren tot het stof waaruit hij genomen is. Aan het einde van Genesis 3 worden de mensen uit Eden gestuurd en wordt de weg naar de levensboom bewaakt (Genesis 3:22–24).
God laat mensen niet los
In de hoofdstukken die volgen, zien we hoe het kwaad zich steeds verder verspreidt. Kaïn doodt zijn broer Abel, geweld neemt toe en uiteindelijk wordt de aarde beschreven als vol onrecht. Na de vloed blijft het probleem van het menselijke hart bestaan. Bij Babel proberen mensen een naam voor zichzelf te maken, waarna de volken over de aarde worden verspreid.
Tegen deze achtergrond lezen we in Genesis 12 hoe God Abram roept:
‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen.’
(Genesis 12:1)
God maakt Zich aan Abraham bekend en belooft hem land, nageslacht en zegen. Ook zegt Hij dat door Abraham alle volken op aarde gezegend zullen worden (Genesis 12:1–3). Daarmee krijgt de roeping van Abraham een betekenis die verder reikt dan zijn eigen familie.
Abraham wordt geroepen om met God op weg te gaan en Hem te vertrouwen, ook wanneer hij nog niet weet waar die weg naartoe zal leiden. Samen met Sara ontvangt hij beloften waarvan de vervulling onmogelijk lijkt. Jarenlang leven zij met Gods woorden, terwijl zij nog niet kunnen zien hoe Hij zal doen wat Hij heeft beloofd.
God sluit een verbond met Abraham en verbindt Zich aan hem en zijn nageslacht. Vanuit deze familie ontstaat later het volk Israël, door wie de lijn van Gods beloften verdergaat en uiteindelijk samenkomt in Jezus.
Een God Die Zijn volk liefheeft en bevrijdt
Aan het begin van Exodus leeft Israël als slaaf in Egypte. God hoort het roepen van Zijn volk, ziet hun onderdrukking en bevrijdt hen uit de macht van de farao. Hij brengt hen door het water en leidt hen naar de Sinaï, waar Hij hen herinnert aan wat Hij voor hen heeft gedaan.
Daar zegt Hij tegen Israël:
‘Jullie hebben gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij Mij heb gebracht.’
(Exodus 19:4)
God heeft Israël bevrijd en bij Zich gebracht. Vervolgens roept Hij hen om Zijn bijzondere bezit, een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn (Exodus 19:5–6). Als volk krijgen zij de verantwoordelijkheid om Hem te vertegenwoordigen te midden van de andere volken.
In Deuteronomium wordt Gods liefde voor Israël als uitgangspunt genoemd. God heeft hen lief en blijft trouw aan de belofte die Hij aan hun voorouders heeft gedaan (Deuteronomium 7:6–8). Vanuit die liefde wordt Israël geroepen om Hem lief te hebben, op Hem te vertrouwen en trouw te blijven aan het verbond.
Ook de Torah wordt binnen deze relatie gegeven. God leert Zijn bevrijde volk hoe het met Hem en met elkaar kan leven. De Tien geboden beginnen met een herinnering aan wie Hij is en wat Hij voor hen heeft gedaan:
‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.’
(Exodus 20:2)
Luisteren, liefhebben en God kennen
In Deuteronomium klinkt een van de belangrijkste woorden die Israël over het leven met God ontvangt:
‘Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! Heb daarom de HEER, uw God, lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten.’
(Deuteronomium 6:4–5)
Het Hebreeuwse woord shema betekent ‘luisteren’, en heeft ook de betekenis van gehoor geven aan wat iemand zegt. Israël wordt geroepen om naar Gods woorden te luisteren en daarnaar te leven. Ook de liefde voor God is hiermee verbonden, want Hem liefhebben betekent binnen het verbond ook dat het volk Hem trouw blijft en op Zijn wijsheid vertrouwt.
Mozes roept Israël op om Gods woorden in het hart te dragen, erover te spreken en het dagelijkse leven erdoor te laten vormen. Hij beschrijft hoe deze woorden een plaats mogen krijgen binnen het gezin, onderweg, bij het opstaan en bij het slapengaan (Deuteronomium 6:6–9).
Ook de profeet Jeremia spreekt later over wat het betekent om God te kennen. Hij schrijft dat iemand zich niet moet beroemen op wijsheid, kracht of rijkdom, maar op het kennen van God. God maakt Zich bekend als de HEER Die liefde, recht en gerechtigheid op aarde doet (Jeremia 9:22–23).
God kennen heeft in de Bijbel dus ook te maken met hoe mensen leven. Israël wordt geroepen om Zijn karakter te leren kennen en Zijn woorden mee te dragen in de manier waarop het volk met God en met andere mensen omgaat.
God woont onder Zijn volk
Na de Sinaï geeft God Israël instructies voor de bouw van de tabernakel:
‘De Israëlieten moeten een heiligdom voor Mij maken, zodat Ik te midden van hen kan wonen.’
(Exodus 25:8)
De God Die Israël uit Egypte heeft bevrijd en bij Zich heeft gebracht, wil te midden van Zijn volk wonen. In de beschrijving van de tabernakel komen verschillende beelden terug die herinneren aan de tuin van Eden. We lezen over cherubs, kostbare materialen en het bewaken van de heilige ruimte. Later worden in de tempel van Salomo ook palmbomen, bloemen en cherubs in de muren uitgesneden (1 Koningen 6:29). Deze versieringen herinneren aan de tuin van Eden, waar de mens oorspronkelijk in Gods aanwezigheid leefde.
Deze overeenkomsten helpen ons om de tabernakel binnen de grotere lijn van de Bijbel te begrijpen. In Eden leefde de mens in Gods aanwezigheid en ontving hij de verantwoordelijkheid om de tuin te bewerken en te bewaken. Bij Israël zien we opnieuw een heilige ruimte waar God te midden van mensen woont en waar priesters de verantwoordelijkheid krijgen om Hem te dienen en het heiligdom te bewaken.
Toch kan Israël niet zomaar het heiligdom binnengaan. Gods aanwezigheid is heilig en daarom geeft Hij het volk voorschriften voor de priesters, offers en reinheid. Ook de Grote Verzoendag krijgt een bijzondere plaats, wanneer de hogepriester eenmaal per jaar het allerheiligste binnengaat om verzoening te doen voor het volk (Leviticus 16).
God wil te midden van Israël wonen en geeft Zijn volk voorschriften die laten zien hoe zij in Zijn heilige aanwezigheid kunnen leven.
Een volk dat steeds opnieuw afdwaalt
Hoewel Israël Gods onderwijzing heeft ontvangen en Zijn aanwezigheid in hun midden is, zien we door de rest van het Oude Testament heen hoe het volk moeite blijft houden om Hem te vertrouwen.
Tijdens de reis door de woestijn verlangt Israël regelmatig terug naar Egypte. Wanneer het volk later in het beloofde land woont, neemt het de goden en gebruiken van omliggende volken over. Ook de koningen, die geroepen zijn om het volk onder Gods gezag te leiden, gebruiken hun macht regelmatig verkeerd. De profeten spreken steeds opnieuw over afgoderij, onrecht en het verlaten van het verbond.
God heeft Israël liefgehad, bevrijd en Zich aan hen verbonden, maar de geschiedenis laat zien hoe diep het probleem van het menselijke hart zit. Het volk heeft Gods woorden ontvangen en weet hoe het geroepen is te leven, terwijl het telkens weer van Hem afdwaalt.
Mozes kijkt in Deuteronomium al vooruit naar een dag waarop God het hart van Zijn volk zal veranderen, zodat zij Hem met heel hun hart en heel hun ziel kunnen liefhebben (Deuteronomium 30:6). Deze belofte krijgt later een belangrijke plaats in de woorden van de profeten.
Een nieuw hart en Gods Geest
Jeremia spreekt over een toekomst waarin God een nieuw verbond met Zijn volk zal sluiten:
‘Ik zal Mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij Mijn volk.’
(Jeremia 31:33)
Even verderop zegt God:
‘Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent Mij dan.’
(Jeremia 31:34)
Israël had Gods woorden ontvangen, maar de geschiedenis van het volk laat zien hoe moeilijk het was om Hem trouw te blijven. Jeremia spreekt daarom over een toekomst waarin God Zijn woorden in het hart van Zijn volk zal schrijven. In de Bijbel heeft het hart te maken met meer dan alleen gevoelens. Het is ook de plaats van waaruit mensen denken, verlangen en keuzes maken. Gods belofte gaat over een verandering van binnenuit, zodat Zijn volk Hem werkelijk zal kennen, liefhebben en trouw zal blijven.
Ook Ezechiël spreekt over deze toekomst. God belooft Zijn volk een nieuw hart te geven en Zijn Geest in hen te leggen, zodat zij naar Zijn woorden zullen leven (Ezechiël 36:26–27). Hij spreekt ook over het herstel van Israël en de belofte dat God opnieuw te midden van Zijn volk zal wonen (Ezechiël 37:26–27).
Meer over de Heilige Geest en Zijn werk door de Bijbel heen lees je in De Heilige Geest.
Jezus en Zijn Vader
Wanneer we bij het Evangelie van Johannes komen, lezen we:
‘Het Woord is mens geworden en heeft in ons midden gewoond.’
(Johannes 1:14)
Het Griekse woord skēnoō, dat Johannes hier voor ‘wonen’ gebruikt, betekent ook ‘zijn tent opslaan’ en roept daarmee het beeld van de tabernakel op. De God Die in de tuin van Eden met de mens leefde en later te midden van Israël woonde, komt in Jezus Zelf onder de mensen wonen.
In de Evangeliën zien we hoe Jezus leeft in verbondenheid met Zijn Vader. Hij trekt Zich regelmatig terug om te bidden, spreekt over de wil van Zijn Vader en laat in Zijn woorden en daden zien wat het betekent om volledig op Hem te vertrouwen.
In Johannes zegt Jezus:
‘De Zoon kan niets uit Zichzelf doen, Hij kan alleen doen wat Hij de Vader ziet doen.’
(Johannes 5:19)
Die verbondenheid met Zijn Vader blijft ook zichtbaar wanneer Jezus de weg naar het kruis gaat. In Getsemane, waar Hij weet wat Hem te wachten staat, bidt Hij of de beker aan Hem voorbij mag gaan. Tegelijkertijd legt Hij Zijn verlangen bij Zijn Vader neer:
‘Laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’
(Matteüs 26:39)
Dit brengt ons terug bij Genesis 3, waar de eerste mensen gaan twijfelen aan Gods goedheid en zelf naar de kennis van goed en kwaad grijpen, in plaats van op Hem en Zijn wijsheid te vertrouwen. In Jezus zien we een mens Die volledig op Zijn Vader blijft vertrouwen en Zijn wil blijft volgen, zelfs wanneer die weg Hem naar het kruis leidt.
Jezus leert Zijn leerlingen leven met de Vader
Met de komst van Jezus begint Gods Koninkrijk op een nieuwe manier zichtbaar te worden. Hij roept mensen op om Hem te volgen en te leren leven onder Gods goede koningschap (Marcus 1:14–15). In de Bergrede onderwijst Hij Zijn leerlingen over het leven in dat Koninkrijk en spreekt Hij steeds over God als hun Vader. Hij leert hen hoe zij met hun Vader mogen leven, op Hem mogen vertrouwen en Zijn wil mogen zoeken.
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden, begint Hij met:
‘Onze Vader in de hemel, laat Uw naam geheiligd worden, laat Uw koninkrijk komen en Uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.’
(Matteüs 6:9–10)
In dit gebed leert Jezus Zijn leerlingen om hun Vader te vragen om dagelijks brood, vergeving en hulp wanneer zij op de proef worden gesteld. Wanneer Hij later over zorgen spreekt, wijst Hij hen op hun hemelse Vader, Die weet wat zij nodig hebben. Jezus roept hen op om eerst Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid te zoeken (Matteüs 6:25–34).
In Johannes 17, wanneer Jezus voor Zijn leerlingen bidt, spreekt Hij over het eeuwige leven:
‘Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.’
(Johannes 17:3)
Jezus verbindt het eeuwige leven aan het kennen van de Vader en van Hemzelf. In het Evangelie van Johannes wordt duidelijk dat dit leven al begint voor wie in Jezus gelooft en Hem volgt (Johannes 5:24). Zijn leerlingen mogen God als hun Vader leren kennen en nu al leven in verbondenheid met Hem, terwijl zij uitzien naar de vervulling van Zijn beloften.
Meer over Gods Koninkrijk en Jezus’ onderwijs over het leven onder Gods koningschap lees je in Gods Koninkrijk en De Bergrede.
Blijf in Mij
In Johannes 15 gebruikt Jezus het beeld van een wijnstok en zijn ranken om Zijn leerlingen te laten zien wat het betekent om met Hem verbonden te blijven:
‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in Mij blijft en Ik in hem, zal hij veel vrucht dragen.’
(Johannes 15:5)
Zoals een rank alleen vrucht kan dragen wanneer hij verbonden blijft met de wijnstok, zo zijn ook Jezus’ leerlingen afhankelijk van hun verbondenheid met Hem. Jezus spreekt in hetzelfde gedeelte over het blijven in Zijn liefde en verbindt dit aan het bewaren van Zijn geboden, zoals Hij Zelf de geboden van Zijn Vader heeft bewaard en in Zijn liefde blijft (Johannes 15:9–10).
Verderop roept Hij Zijn leerlingen op om elkaar lief te hebben zoals Hij hen heeft liefgehad (Johannes 15:12). De liefde die zij van Jezus ontvangen, mogen zij ook aan elkaar laten zien. Zo wordt in het leven van Zijn leerlingen zichtbaar wat het betekent om in Hem te blijven en vrucht te dragen.
Verzoening en nieuw leven
De weg van Jezus leidt uiteindelijk naar het kruis. Tijdens de laatste maaltijd met Zijn leerlingen verbindt Hij Zijn naderende dood met het verbond en de vergeving van zonden (Matteüs 26:26–28).
Paulus schrijft:
‘God heeft ons door Christus met Zich verzoend.’
(2 Korintiërs 5:18)
Vanaf Genesis zien we hoe de mens zich voor God verbergt en hoe zonde en dood steeds verder doorwerken in Zijn goede schepping. In Jezus komt God Zelf naar mensen toe. Door Zijn dood en opstanding worden mensen met God verzoend en wordt de macht van zonde en dood doorbroken.
Paulus vergelijkt Jezus met Adam en noemt Hem de laatste Adam. Door Hem wordt een nieuw begin mogelijk voor de mensheid (Romeinen 5:12–21; 1 Korintiërs 15:20–22, 45). Door Adam deden zonde en dood hun intrede in de wereld. Jezus brengt door Zijn trouw, dood en opstanding leven en herstel. Hij overwint de macht van de dood en opent de weg naar een nieuwe toekomst voor de mens en Gods schepping.
Met Zijn opstanding begint Gods nieuwe schepping. Jezus wordt door Paulus beschreven als het beeld van de onzichtbare God (Kolossenzen 1:15). In Hem zien we wat het betekent om werkelijk mens te zijn en Gods karakter te weerspiegelen. Door Jezus kunnen mensen vernieuwd worden naar Zijn beeld en opnieuw leren leven vanuit de roeping die God hun vanaf het begin binnen Zijn schepping had gegeven (2 Korintiërs 3:18; 5:17).
Jezus belooft de Geest
Voordat Jezus naar het kruis gaat, bereidt Hij Zijn leerlingen erop voor dat Hij hen zal verlaten. Hij belooft hun de Heilige Geest, Die bij hen zal blijven en in hen zal wonen (Johannes 14:16–17). De Geest zal hen onderwijzen, hen herinneren aan wat Jezus heeft gezegd en hen verder leiden in de waarheid (Johannes 14:26; 16:13–14).
Na Jezus’ opstanding en hemelvaart wordt deze belofte met Pinksteren werkelijkheid. De Heilige Geest wordt uitgestort over Zijn leerlingen en de beloften van de profeten over een vernieuwd hart en Gods Geest in Zijn volk beginnen in vervulling te gaan.
Paulus schrijft aan de gemeente in Korinte:
‘Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?’
(1 Korintiërs 3:16)
Waar God in het Oude Testament te midden van Israël woonde in de tabernakel en later de tempel, beschrijft Paulus nu de gemeente als Gods tempel. Door Zijn Geest woont God in Zijn volk en vormt Hij mensen van binnenuit.
Ook in Romeinen verbindt Paulus het werk van de Geest aan de nieuwe verhouding waarin gelovigen tot God mogen leven. Zij hebben de Geest van het kindschap ontvangen, door Wie zij God mogen aanroepen als ‘Abba, Vader.’ (Romeinen 8:15)
De belofte van een vernieuwd hart krijgt een plaats binnen het nieuwe leven dat Jezus mogelijk heeft gemaakt. Door Zijn Geest leert God Zijn kinderen Hem kennen, op Hem vertrouwen en leven naar Zijn wil. Paulus verbindt dit werk van de Geest ook aan het gelijkvormig worden aan Jezus, zodat mensen steeds meer gaan leven zoals God hen vanaf het begin bedoeld heeft (Romeinen 8:29; 2 Korintiërs 3:18).
God kennen vormt het leven
Wanneer Jezus gevraagd wordt naar het belangrijkste gebod, grijpt Hij terug op de woorden die Israël al in Deuteronomium heeft ontvangen:
‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.’
(Matteüs 22:37)
Daarna noemt Hij het gebod om de naaste lief te hebben:
‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
(Matteüs 22:39)
Jezus verbindt deze twee geboden met elkaar en zegt dat de hele Wet en de Profeten hierop berusten (Matteüs 22:40). De liefde voor God krijgt ook betekenis voor de manier waarop mensen met elkaar omgaan.
In Zijn onderwijs spreekt Jezus over vergeving, barmhartigheid, vrede zoeken, recht doen en zorg dragen voor anderen. Hij roept Zijn leerlingen zelfs op om hun vijanden lief te hebben en te bidden voor wie hen vervolgen (Matteüs 5:43–48).
Ook Paulus beschrijft hoe het leven door de Geest zichtbaar wordt in het karakter van mensen. Hij spreekt over liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing als de vrucht van de Geest (Galaten 5:22–25). Door Zijn Geest werkt God in mensen en vormt Hij hen steeds meer naar het beeld van Jezus.
God woont bij de mensen
Aan het einde van de Bijbel beschrijft Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij ziet het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen en hoort een stem vanaf de troon:
‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen Zijn volken zijn en God Zelf zal als hun God bij hen zijn.’
(Openbaring 21:3)
Hier komt een van de grote lijnen van de Bijbel samen. Vanaf de tuin van Eden, via de tabernakel en de tempel, tot de komst van Jezus en de uitstorting van de Heilige Geest, lezen we steeds opnieuw over Gods aanwezigheid onder de mensen.
In Openbaring zien we hoe deze lijn uiteindelijk uitloopt op een vernieuwde hemel en aarde, waar God bij Zijn mensen woont. De dood is verdwenen, de vloek is er niet meer en de levensboom staat opnieuw in Gods wereld. Ook lezen we over de rivier met het water dat leven geeft, die vanuit de troon van God en het lam stroomt (Openbaring 22:1–3).
De beelden van Eden keren hier terug, terwijl de gevolgen van de zonde en de dood zijn verdwenen. Gods dienaren zullen Hem dienen, Zijn aangezicht zien en voor altijd met Hem regeren (Openbaring 22:3–5).
Daarmee komt ook de oorspronkelijke roeping van de mens uit Genesis 1 opnieuw in beeld. De mens werd geschapen als Gods beeld, met de verantwoordelijkheid om onder Zijn gezag over de schepping te regeren. Aan het einde van de Bijbel zien we mensen die opnieuw in Gods aanwezigheid leven, Hem dienen en samen met Hem regeren binnen Zijn vernieuwde schepping.
Leven met God
Wanneer we deze lijn door de Bijbel volgen, zien we hoe God vanaf het begin mensen een plaats geeft binnen Zijn goede schepping en hen roept om in verbondenheid met Hem te leven. Hij maakt Zich bekend, spreekt tot mensen, sluit verbonden en leert Zijn volk hoe het onder Zijn koningschap kan leven.
Tegelijkertijd laat de geschiedenis van de mensheid en van Israël zien hoe moeilijk het voor mensen is om op Gods wijsheid te blijven vertrouwen. Toch blijft God trouw aan Zijn beloften en werkt Hij verder aan Zijn bedoeling met de mens en de schepping.
In Jezus zien we wat het betekent om werkelijk als mens in verbondenheid met de Vader te leven. Hij vertrouwt Zijn Vader, zoekt Zijn wil en laat in Zijn woorden en daden zien hoe Gods Koninkrijk gestalte krijgt. Door Zijn dood en opstanding brengt Hij verzoening en nieuw leven. Door Zijn Geest vernieuwt God mensen en leert Hij hen leven als leerlingen van Jezus.
Wat betekent dit voor ons leven vandaag?
Hoe leren we God persoonlijk kennen en hoe krijgt die verbondenheid met Hem een plaats in ons dagelijks leven?
Jezus leert Zijn leerlingen om God als hun Vader te kennen. In het Onze Vader krijgen heel gewone dingen een plaats. Hij leert hen om hun Vader te vragen om dagelijks brood, om vergeving en om hulp wanneer zij op de proef worden gesteld. Ook wanneer Hij spreekt over zorgen voor de toekomst, herinnert Hij hen eraan dat hun hemelse Vader weet wat zij nodig hebben (Matteüs 6:9–13, 25–34).
In de Psalmen lezen we hoe mensen hun leven met God delen. We vinden er gebeden vol dankbaarheid en vertrouwen, maar ook woorden van verdriet, angst en teleurstelling. Soms vragen de psalmdichters zich af waarom God zo ver weg lijkt. Toch blijven zij zich tot Hem richten, ook wanneer hun omstandigheden moeilijk zijn en zij geen antwoord hebben op hun vragen (Psalm 13; 42).
Dat vind ik een bemoedigende gedachte. Er kunnen momenten zijn waarop we Gods nabijheid ervaren, maar ook perioden waarin we vragen hebben, ons zorgen maken of het moeilijk vinden om te bidden. De Psalmen laten zien dat ook die ervaringen een plaats hebben in onze verbondenheid met God. We mogen met alles wat ons bezighoudt tot Hem komen en blijven vertrouwen op Zijn trouw.
Ook in het leven van Jezus zien we hoe belangrijk het gebed is. Hij zoekt regelmatig de stilte op om tijd met Zijn Vader door te brengen. Hij leert Zijn leerlingen om hun Vader te zoeken en Zijn woorden een plaats te geven in hun leven.
Door gebed, het lezen en overdenken van de Bijbel leren we Gods karakter en wijsheid steeds beter kennen. Zoals Israël werd opgeroepen om Gods woorden in het hart te dragen en er in het dagelijkse leven over te spreken, zo mogen ook wij leren om Zijn woorden een plaats te geven in ons leven (Deuteronomium 6:6–9; Johannes 14:23).
Dat raakt aan de gewone dingen van iedere dag. Aan de manier waarop we omgaan met onze zorgen, hoe we reageren wanneer iemand ons kwetst, welke keuzes we maken en hoe we met andere mensen omgaan. Jezus leert Zijn leerlingen om lief te hebben, te vergeven, vrede te zoeken en zorg te dragen voor anderen. In de Bergrede noemt Hij hen het zout van de aarde en het licht voor de wereld (Matteüs 5:13–16).
Daarin blijven we onderweg leren. Jezus heeft Zijn leerlingen de Heilige Geest beloofd, Die bij hen zal blijven en in hen zal wonen (Johannes 14:16–17). Door Zijn Geest werkt God in mensen en vormt Hij hen steeds meer naar het beeld van Jezus. We mogen groeien in vertrouwen op Hem, Zijn wijsheid en leren om Zijn karakter te weerspiegelen in de wereld om ons heen.
Vanaf Genesis draagt de mens de roeping om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Door Jezus en het werk van de Heilige Geest worden mensen vernieuwd naar Zijn beeld en mogen zij opnieuw leren leven binnen die roeping. Onze verbondenheid met God raakt daarmee aan ons hele bestaan, aan onze gedachten en verlangens, onze relaties en de manier waarop we omgaan met de wereld die God heeft gemaakt.
De Bijbel begint met mensen die in Gods aanwezigheid leven, maar zich uiteindelijk voor Hem verbergen en de toegang tot de levensboom verliezen. Aan het einde van de Bijbel zien we de levensboom opnieuw en woont God bij de mensen in Zijn vernieuwde schepping. Daarmee komt samen wat vanaf het begin Gods bedoeling met de mens was: mensen die naar Zijn beeld zijn gemaakt, in verbondenheid met Hem leven, Zijn karakter weerspiegelen en onder Zijn goede koningschap zorg dragen voor Zijn schepping.
Maak jouw eigen website met JouwWeb