De Heilige Geest

Over de Heilige Geest wordt veel gesproken. We horen over de gaven van de Geest, leiding, profetie, genezing en verschillende uitingen en ervaringen die aan de Heilige Geest worden toegeschreven. Dat kan ook vragen oproepen. Wie is de Heilige Geest eigenlijk en wat vertelt de Bijbel over Zijn werk?

De Heilige Geest komt al op de eerste bladzijden van de Bijbel naar voren. In Genesis lezen we over Gods Geest bij de schepping en door de rest van de Bijbel heen zien we hoe de Geest wordt verbonden met leven, Gods aanwezigheid, de roeping van mensen en vernieuwing. Die lijn loopt uiteindelijk door tot Gods vernieuwde schepping.

Waarom beloofden de profeten dat God Zijn Geest aan Zijn volk zou geven? Wat gebeurt er met Pinksteren? Wat bedoelt de Bijbel met de doop met de Heilige Geest en met vervuld worden met de Geest? Welke plaats hebben de gaven van de Geest? En hoe helpt deze grote lijn om te onderzoeken wat vandaag aan de Heilige Geest wordt toegeschreven?


Gods Geest in het begin

De Bijbel begint met een wereld die nog woest en leeg is. Duisternis ligt over de wateren. Dan lezen we dat Gods Geest over de wateren zweeft (Genesis 1:2).

Het Hebreeuwse woord dat hier staat is ruach. Het kan geest, wind en adem betekenen. Wind is onzichtbaar, en toch is merkbaar wat het doet. Adem kun je niet zien, en toch hoort het bij het leven. In het Hebreeuws worden geest, wind en adem met hetzelfde woord aangeduid.

Genesis 1 noemt Gods ruach boven de wateren. God spreekt, brengt grenzen aan en geeft alles zijn plaats. De NBV21 vertaalt ruach elohim hier met ‘de Geest van God’.

Psalm 104 kijkt terug naar God als de Bron van alle leven. Wanneer Hij Zijn adem of Geest uitzendt, worden schepselen geschapen en wordt het aangezicht van de aarde vernieuwd (Psalm 104:29–30). Ook hier staat het Hebreeuwse woord ruach. 

Het werkwoord dat in Genesis 1:2 wordt gebruikt voor het zweven van Gods Geest, komt ook terug in Deuteronomium 32:11. Daar wordt God vergeleken met een arend die boven zijn jongen zweeft en hen draagt. Het beeld van het zweven wordt daar verbonden met Gods zorg voor Zijn volk.

 

Leven ontvangen en Gods beeld dragen

In Genesis 2 vormt God de mens uit stof en blaast Hij levensadem in hem (Genesis 2:7). Voor deze levensadem gebruikt Genesis hier het Hebreeuwse woord neshamah. De mens die uit stof is gevormd, ontvangt zijn leven van God.

Genesis vertelt dat God mensen schept naar Zijn beeld. Als levende beelden mogen zij Hem in Zijn wereld vertegenwoordigen. Zij krijgen de opdracht om de aarde te vullen, te bewerken en te bewaren en over de dieren te heersen (Genesis 1:26–28; 2:15).

Wanneer later de tabernakel en tempel worden beschreven, keren elementen terug die aan Eden doen denken: cherubs, goud, bomen en water (Genesis 2:9–14; 3:24; Exodus 25:18–40; 30:17–21; 1 Koningen 6:23–35).

Meer over de roeping van de mens om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen lees je in Beeld van God.

 

De breuk: leven los van Gods wijsheid

In de tuin staat ook de boom van kennis van goed en kwaad. God had gezegd dat mensen niet van deze boom mochten eten. De slang zaait twijfel over Gods woorden en over Zijn goedheid en houdt de mens een andere weg naar wijsheid voor. De vrouw ziet dat de boom goed is om van te eten, aantrekkelijk is om te zien en begeerlijk is omdat hij wijsheid zou geven. Zij neemt van de vrucht en eet ervan en geeft ook aan de man, die er ook van eet.

Wanneer de mens van de boom eet, grijpt hij naar wijsheid op eigen voorwaarden en neemt hij het bepalen van goed en kwaad in eigen hand.

Daarna groeit het kwaad verder. Kaïn doodt zijn broer. Geweld vult uiteindelijk de aarde. Bij Babel bouwen mensen een stad en een toren om zichzelf een naam te maken en niet over de aarde verspreid te raken. Mensen kiezen steeds opnieuw hun eigen weg en proberen het leven vorm te geven zonder op God te vertrouwen (Genesis 3:7–19; 4:1–16; 6:5, 11; 11:1–9).

Wanneer mensen hun eigen weg kiezen en zelf gaan bepalen wat goed en kwaad is, wordt dat zichtbaar in de manier waarop zij zichzelf groot maken, anderen overheersen en elkaar en Gods goede wereld beschadigen.

Zij worden uit de tuin verdreven en kunnen niet meer leven in Gods aanwezigheid zoals in de tuin. Eeuwen later wordt ook Israël uit het land weggevoerd, nadat het volk zich steeds van God heeft afgekeerd (Genesis 3:22–24; Leviticus 26:33; 2 Koningen 25:8–12).

Meer over de betekenis van de boom en de keuze om zelf te bepalen wat goed en kwaad is lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad en meer over zonde leer je in Zonde.

 

De Geest rust op mensen die God roept

In het Oude Testament werkt Gods Geest op bijzondere manieren door mensen die God voor een taak roept. Bij Jozef zien we Gods Geest die hem inzicht geeft om Egypte door de hongersnood heen te leiden (Genesis 41:38–39).

Bezaleël is de eerste persoon van wie de Bijbel zegt dat hij vervuld wordt met Gods Geest. God geeft hem wijsheid, inzicht en vakmanschap voor het werk aan de tabernakel, de plaats waar God midden onder Zijn volk wil wonen.

Israël is in de woestijn en Mozes draagt de verantwoordelijkheid voor het volk bijna alleen. God zegt daarom dat hij zeventig oudsten bij de tent van ontmoeting moet verzamelen. God neemt van de Geest die op Mozes rust en legt die op de oudsten. Wanneer de Geest op hen rust, spreken zij als profeten (Numeri 11:16–17, 24–25).

Twee van de oudsten, Eldad en Medad, blijven in het kamp. Toch rust de Geest ook op hen en spreken ook zij als profeten. Een jongen vertelt het aan Mozes. Jozua wil dat Mozes hen tegenhoudt, maar Mozes antwoordt:
‘Ik zou willen dat het hele volk van de HEER profeten waren en dat de HEER hun Zijn geest zou geven!’
(Numeri 11:29)

Ook op andere plaatsen in het Oude Testament geeft Gods Geest mensen kracht, wijsheid en woorden voor de taak waartoe God hen roept, onder wie rechters, koningen en profeten (Rechters 3:10; 1 Samuel 16:13; 2 Samuel 23:2).

 

David en Gods Geest

Nadat David ernstig heeft gezondigd, bidt hij dat God Zijn Geest niet van hem wegneemt:
‘Neem Uw heilige geest niet van mij weg.’
(Psalm 51:13)

Davids gebed doet denken aan wat eerder met Saul gebeurde. Toen David tot koning werd gezalfd, kwam de Geest van de HEER over hem. Direct daarna wordt verteld dat Gods Geest van Saul week (1 Samuel 16:13–14). 

David verlangt naar herstel in zijn relatie met God. Hij bidt om een rein hart, een standvastige geest en Gods nabijheid. 

 

Tabernakel, tempel en ballingschap

Na de uittocht uit Egypte sluit God een verbond met Israël bij de Sinaï en geeft Hij het volk Zijn onderwijzing. God geeft Israël ook de opdracht om een tabernakel te bouwen: ‘Laat zij voor Mij een heiligdom maken, dan kan Ik in hun midden wonen’ (Exodus 25:8). Eerst woont God midden onder Zijn volk in de tabernakel en later in de tempel.

Jeremia laat zien dat het dienen van de HEER in de tempel zichtbaar hoort te worden in de manier waarop het volk leeft. Toch wordt recht verdraaid, worden vreemdelingen onderdrukt en onschuldigen gedood (Jeremia 7).

In Ezechiëls visioen verlaat Gods heerlijkheid de tempel (Ezechiël 10–11). Jeruzalem wordt verwoest, de tempel gaat verloren en velen worden naar Babylon weggevoerd.

De plaats waar God midden onder Zijn volk woonde, is verdwenen. In de ballingschap klinken de beloften dat God Zijn volk zal reinigen, hun een nieuw hart zal geven en Zijn Geest in hen zal leggen.

 

Een nieuw hart en een nieuw volk

Jeremia belooft dat God een nieuw verbond zal sluiten. Zijn Torah zal in het hart van Zijn volk geschreven staan (Jeremia 31:31–34).

Ezechiël verbindt die vernieuwing met Gods Geest. God zal Zijn volk reinigen, hun een nieuw hart geven en Zijn Geest in hen leggen, zodat zij weer leren leven naar Zijn wil (Ezechiël 36:24–28). Deze belofte klinkt terwijl Israël in ballingschap leeft.

Direct daarna ziet Ezechiël een dal vol dorre botten. De botten staan voor Israël, dat zich in ballingschap afgesneden en zonder hoop voelt. Wanneer Gods ruach komt, krijgen de botten nieuw leven. God belooft Zijn volk terug te brengen naar het land (Ezechiël 37:1–14).

Het beeld van dorre botten die weer tot leven komen gebruikt Ezechiël hier voor het herstel van Israël. Later komt de hoop op opstanding steeds duidelijker naar voren, bijvoorbeeld wanneer Daniël spreekt over mensen die uit het stof zullen ontwaken tot eeuwig leven (Daniël 12:2). In het Nieuwe Testament komt deze hoop verder naar voren in Jezus’ woorden over de doden die Zijn stem zullen horen en uit hun graven zullen komen, en bij Paulus wanneer hij schrijft over Gods Geest die sterfelijke lichamen levend zal maken (Johannes 5:25–29; Romeinen 8:11).

Joël spreekt over een tijd waarin Gods Geest wordt uitgestort over zonen en dochters, jong en oud, mannen en vrouwen, dienaren en dienaressen (Joël 3:1–2). Waar de Geest in eerdere verhalen vaak op enkele mensen rustte voor een bijzondere taak, beloven de profeten dat God een heel vernieuwd volk zal vormen.

Ook Jesaja ziet uit naar een tijd van herstel door Gods Geest. Hij spreekt over een komende koning op wie Gods Geest rust en over God Die Zijn Geest als water over een dorstig volk zal uitstorten (Jesaja 11:1–2; 44:3). Ook klinkt de belofte van een gezalfde dienaar, Die goed nieuws brengt aan armen en bevrijding aan gebrokenen verkondigt (Jesaja 61:1–2).

 

Jezus, de door de Geest gezalfde Messias

Wanneer Jezus komt, leeft Israël nog steeds onder Romeinse overheersing. De tempel is wel herbouwd, maar de grote beloften van de profeten zijn nog niet volledig vervuld.

Lucas verbindt Jezus’ komst en optreden opnieuw met het werk van de Heilige Geest. Zijn geboorte wordt al met het werk van de Geest verbonden (Lucas 1:35). Bij Zijn doop daalt de Geest op Hem neer en klinkt de stem van de Vader: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon’ (Lucas 3:21–22). Daarna volgt Jezus’ geslachtsregister, dat helemaal terugloopt tot Adam, die ‘zoon van God’ wordt genoemd (Lucas 3:38). Zo verbindt Lucas Jezus’ geschiedenis ook met Adam en het begin van de mensheid. Daarna wordt Jezus door de Geest naar de woestijn geleid (Lucas 4:1).

Daar wordt Jezus veertig dagen beproefd. Ook Israël leefde na de uittocht uit Egypte in de woestijn, waar het volk steeds opnieuw moeite had om God te vertrouwen. De duivel stelt Jezus op de proef, maar Jezus blijft Zijn Vader vertrouwen en antwoordt met woorden uit Deuteronomium (Numeri 14:33–34; Lucas 4:1–13).

In de synagoge van Nazaret leest Jezus woorden uit Jesaja: ‘De Geest van de Heer rust op Mij’ (Lucas 4:18–19). Hij spreekt over goed nieuws voor armen, vrijlating voor gevangenen, herstel van het zicht voor blinden en vrijheid voor onderdrukten. Daarna zegt Jezus: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan’ (Lucas 4:20–21).

Jezus geneest zieken, bevrijdt mensen en vergeeft zonden (Lucas 4:31–44; 5:12–26).

Meer over Gods Koninkrijk en hoe Gods goede heerschappij in Jezus dichtbij komt lees je in Gods Koninkrijk.

 

Levend water en nieuw leven

In het evangelie van Johannes spreekt Jezus met Nikodemus over opnieuw geboren worden uit water en Geest (Johannes 3:5–8). Ezechiël had eerder gesproken over God Die Zijn volk zal reinigen, hun een nieuw hart zal geven en Zijn Geest in hen zal leggen (Ezechiël 36:25–27).

Tijdens het Loofhuttenfeest spreekt Jezus over levend water. Hij zegt dat uit het binnenste van wie in Hem gelooft stromen van levend water zullen vloeien. Johannes legt uit dat Jezus hiermee de Geest bedoelt, Die gegeven zou worden nadat Jezus verheerlijkt was (Johannes 7:37–39). Het feest herinnerde Israël aan Gods zorg tijdens de woestijnreis (Leviticus 23:39–43).

Ook in een visioen van Ezechiël komt het beeld van water dat leven brengt terug. De profeet ziet water vanuit de tempel stromen. De stroom wordt steeds dieper en brengt leven waar eerst dorheid en dood waren. Zelfs de Dode Zee wordt levend. Langs de rivier groeien bomen waarvan de vruchten voedsel geven en waarvan de bladeren genezing brengen (Ezechiël 47:1–12).

 

Het kruis, de opstanding en de gave van de Geest

Jezus’ weg brengt Hem aan het kruis. Hij sterft en wordt door God uit de dood opgewekt. Paulus schrijft dat de Geest van Hem Die Jezus uit de dood heeft opgewekt in Gods volk woont en ook hun sterfelijke lichamen levend zal maken (Romeinen 8:11).

Tijdens Zijn leven had Jezus al gesproken over de Geest Die Zijn leerlingen zouden ontvangen. Johannes legt uit dat de Geest gegeven zou worden nadat Jezus verheerlijkt was (Johannes 7:37–39).

In Johannes 20 verschijnt de opgestane Jezus aan Zijn leerlingen. Hij zegt tegen hen: ‘Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit.’ Daarna blaast Hij op hen en zegt: ‘Ontvang de Heilige Geest’ (Johannes 20:21–22).

Johannes gebruikt hier het Griekse werkwoord emphysaō, ‘inblazen’. Hetzelfde werkwoord wordt in de Griekse vertaling van Genesis 2:7 gebruikt wanneer God de levensadem in de mens blaast. Zoals God aan het begin leven geeft aan de mens, klinkt in deze handeling van Jezus opnieuw de taal van leven en schepping door.

 

Gods eigen, persoonlijke aanwezigheid

In het Nieuwe Testament wordt steeds duidelijker hoe God Zich bekendmaakt als Vader, Zoon en Heilige Geest. De Vader zendt de Zoon en Jezus maakt de Vader bekend. Jezus belooft Zijn leerlingen dat de Heilige Geest bij hen zal zijn en in hen zal wonen. Wanneer Jezus naar de Vader teruggaat, laat Hij hen niet alleen achter (Johannes 14:16–18, 23).

De Heilige Geest spreekt, leidt, getuigt en kan bedroefd worden (Handelingen 13:2; Johannes 15:26; Efeziërs 4:30). Wanneer Ananias tegen de Heilige Geest liegt, zegt Petrus dat hij tegen God heeft gelogen (Handelingen 5:3–4). De Geest wordt in het Nieuwe Testament zo beschreven als Gods eigen, persoonlijke aanwezigheid onder Zijn volk.

De Geest herinnert Jezus’ leerlingen aan Zijn woorden en maakt bekend wie Hij is (Johannes 14:26; 15:26; 16:13–14). Door de Geest leren mensen God kennen als Vader en mogen zij roepen: ‘Abba, Vader’ (Romeinen 8:14–16).

 

Pinksteren en Gods nieuwe volk

Na Zijn opstanding zegt Jezus tegen Zijn leerlingen dat zij moeten wachten op de belofte van de Vader. Wanneer de Heilige Geest over hen komt, zullen zij kracht ontvangen om van Jezus te getuigen, vanuit Jeruzalem tot aan de uiteinden van de aarde (Handelingen 1:4–5, 8). Met Pinksteren, het Joodse feest dat vijftig dagen na Pesach wordt gevierd, wordt die belofte vervuld (Leviticus 23:15–16; Handelingen 2:1).

Jeruzalem is op dat moment gevuld met Joden uit veel verschillende landen. Wanneer de Geest wordt uitgestort, horen zij de leerlingen spreken over Gods grote daden in hun eigen talen (Handelingen 2:5–13).

Petrus legt uit dat Joëls belofte in vervulling gaat. God stort Zijn Geest uit over mensen van elke generatie: jong en oud, mannen en vrouwen delen in deze gave (Joël 3:1–5; Handelingen 2:14–21). Vanuit Jeruzalem gaat de boodschap over Jezus steeds verder naar de volken (Handelingen 1:8; 2:38–39).

De verschillende talen op Pinksteren roepen ook het verhaal van Babel in herinnering. Bij Babel bouwen mensen een stad en een toren om zichzelf een naam te maken en niet over de aarde verspreid te raken. God verspreidt hen vervolgens over de aarde en verwart hun taal (Genesis 11:1–9). Op Pinksteren verdwijnen de verschillende talen niet. Mensen uit verschillende landen horen in hun eigen taal over Gods grote daden. Rond Jezus ontstaat een volk waarin mensen uit verschillende plaatsen en talen samen God dienen (Handelingen 2:5–11, 41–47).

 

Wat verandert er met Pinksteren?

De Heilige Geest was al vanaf het begin werkzaam. Hij gaf leven aan de schepping, rustte op mensen die God voor een taak riep en sprak door de profeten (Genesis 1:2; Exodus 31:1–5; Numeri 11:24–29; 2 Samuel 23:2). Ook vóór Pinksteren leefden mensen vanuit geloof en vertrouwde Gods volk op Zijn genade (Hebreeën 11:1–2, 32–40).

Met Pinksteren begint de vervulling van de beloften die God door de profeten had gegeven (Jeremia 31:31–34; Ezechiël 36:26–28; Joël 3:1–2). God geeft Zijn Geest aan Zijn vernieuwde volk en woont door Zijn Geest onder hen. Wat Mozes verlangde en de profeten hadden beloofd, begint hier werkelijkheid te worden.

In Handelingen gaat de boodschap over Jezus vanuit Jeruzalem verder naar Judea, Samaria en de volken (Handelingen 1:8). Samaritanen ontvangen de Geest (Handelingen 8:14–17). Ook niet-Joden, zoals Cornelius en zijn huis, ontvangen de Geest en worden opgenomen in Gods volk (Handelingen 10:44–48; 11:15–18). In Jezus worden Joden en mensen uit de andere volken samengebracht in Gods familie (Handelingen 15:7–9; Galaten 3:26–28).

 

De doop met de Heilige Geest

Johannes de Doper kondigt Jezus aan als degene die zal dopen met de Heilige Geest (Marcus 1:8). God had door de profeten beloofd Zijn Geest te geven en Zijn volk te vernieuwen. Vlak voor Zijn hemelvaart herinnert Jezus Zijn leerlingen aan de woorden van Johannes. Johannes doopte met water, zegt Hij, maar zij zullen binnen korte tijd gedoopt worden met de Heilige Geest (Handelingen 1:4–5).

In Handelingen ontvangen mensen op verschillende momenten de Heilige Geest. Dat gebeurt bij de leerlingen in Jeruzalem, bij Samaritanen, in het huis van Cornelius en later bij leerlingen in Efeze (Handelingen 2:1–4; 8:12–17; 10:44–48; 19:1–7). De volgorde waarin geloof, waterdoop, handoplegging en het ontvangen van de Geest worden genoemd, is daarbij niet in ieder gedeelte hetzelfde.

Paulus schrijft aan de Korintiërs:
‘Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden.’
(1 Korintiërs 12:13)

Paulus verbindt de doop in de Geest hier met het deel worden van één lichaam. Joden en Grieken, slaven en vrije mensen ontvangen dezelfde Geest (1 Korintiërs 12:13).

 

Vervuld worden met de Geest

In het Nieuwe Testament lezen we niet alleen dat mensen de Heilige Geest ontvangen, maar ook dat zij met de Geest worden vervuld. Met Pinksteren worden de leerlingen vervuld met de Heilige Geest en beginnen zij in andere talen te spreken zoals de Geest hun ingeeft (Handelingen 2:4).

Later wordt Petrus opnieuw vervuld met de Heilige Geest wanneer hij voor de leiders van het volk spreekt (Handelingen 4:8). Wanneer de gemeente na bedreigingen samen bidt, wordt de plaats waar zij bijeen zijn bewogen. Lucas schrijft dat zij allemaal vervuld worden met de Heilige Geest en vrijmoedig over God spreken (Handelingen 4:31). In Handelingen wordt vervuld worden met de Geest verschillende keren verbonden met het getuigen over Jezus en de taak waarvoor Hij Zijn leerlingen heeft uitgezonden.

Ook Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze:
‘Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen.’
(Efeziërs 5:18)

Eerder in dezelfde brief heeft Paulus deze mensen al beschreven als mensen die bij Christus horen en met de beloofde Heilige Geest zijn verzegeld (Efeziërs 1:13–14). Toch roept hij hen later op om zich door de Geest te laten vervullen.

Paulus beschrijft vervolgens hoe dat zichtbaar wordt in het leven van de gemeente. Hij schrijft over samen zingen, God danken en de manier waarop gelovigen met elkaar omgaan (Efeziërs 5:19–21).

 

Gods nieuwe tempel

De tempel was de plaats waar God midden onder Israël woonde. In het Johannesevangelie gebruikt Jezus het beeld van de tempel voor Zijn eigen lichaam (Johannes 2:19–21). Na Pinksteren schrijft Paulus dat de gemeente samen Gods tempel vormt en dat Gods Geest in haar woont. Joden en niet-Joden worden samen opgebouwd tot één woonplaats van God (1 Korintiërs 3:16; Efeziërs 2:14–22).

Hier komt een lijn terug die vanaf het begin door de Bijbel loopt. In Eden is God bij de mens. Later woont Hij midden onder Israël in de tabernakel en de tempel. In Jezus woont God onder de mensen en door Zijn Geest woont Hij in Zijn volk. Uiteindelijk eindigt de Bijbel met een vernieuwde schepping waarin God voor altijd bij de mensen woont.

De Geest vormt mensen samen tot een gemeenschap waarin zij elkaar liefhebben, elkaar vergeven en voor elkaar zorgen (Johannes 13:34–35; Efeziërs 4:2–3, 32; Galaten 6:2).

Paulus spreekt daarnaast ook over het lichaam van de gelovige als een tempel van de Heilige Geest (1 Korintiërs 6:19–20).

 

 

Leven door de Geest

De Heilige Geest wijst op Jezus en herinnert Zijn leerlingen aan Zijn woorden (Johannes 14:26; 16:13–14). Paulus roept mensen die bij Jezus horen op om door de Geest te leven en stelt dit tegenover het volgen van verlangens die mensen bij Gods weg vandaan trekken (Galaten 5:16–25).

Door geloof in Jezus worden mensen kinderen van God (Johannes 1:12; Galaten 3:26). De Heilige Geest bevestigt dat zij bij God horen en door de Geest roepen zij: ‘Abba, Vader.’ Zij worden door de Geest geleid (Romeinen 8:14–17; Galaten 4:4–7).

De Geest vormt mensen steeds meer naar het beeld van Jezus (2 Korintiërs 3:17–18). Mensen zijn geschapen om Gods beeld te dragen en Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. In Jezus wordt zichtbaar hoe dat leven eruitziet en door de Geest worden mensen vernieuwd om Zijn weg te leren volgen. Paulus beschrijft wat daarvan zichtbaar wordt als de vrucht van de Geest: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5:22–23).

De Geest komt mensen ook te hulp in hun zwakheid wanneer zij niet weten wat ze moeten bidden (Romeinen 8:26–27). In Handelingen worden de leerlingen na bedreigingen opnieuw vervuld met de Heilige Geest en spreken zij vrijmoedig over God (Handelingen 4:31).

Meer over wat het betekent om met God te leven lees je in Leven met God.

 

 

Gaven en onderscheidingsvermogen

De Heilige Geest geeft verschillende gaven aan de gemeente. Paulus noemt onder andere wijsheid, kennis, geloof, gaven om te genezen, profetie, het onderscheiden van geesten, allerlei talen en uitleg van talen (1 Korintiërs 12:4–11). In het Nieuwe Testament worden ook dienen, onderwijzen, bemoedigen, geven, leidinggeven en gastvrijheid genoemd (Romeinen 12:6–13; 1 Petrus 4:9–11).

Paulus vergelijkt de gemeente met een lichaam dat bestaat uit verschillende delen die elkaar nodig hebben. Aan ieder wordt de werking van de Geest gegeven met het oog op het welzijn van allen (1 Korintiërs 12:7). Niemand ontvangt alle gaven en niemand kan zeggen dat hij een ander niet nodig heeft (1 Korintiërs 12:12–27).

Meer over de verschillende gaven die Paulus noemt en hun plaats binnen de gemeente lees je in De gaven van de Geest.

Daarna schrijft Paulus verder over de liefde. Hij schrijft dat spreken in talen, profetie, kennis en geloof zonder liefde niets betekenen (1 Korintiërs 13:1–3).

Johannes schrijft dat niet iedere geest geloofd moet worden en dat de geesten getoetst moeten worden. Daarbij wijst hij op wat zij over Jezus Christus belijden (1 Johannes 4:1–3). Paulus roept de gemeente op profetieën te toetsen en schrijft dat wat in de samenkomst gebeurt gericht moet zijn op de opbouw van de gemeente (1 Tessalonicenzen 5:19–21; 1 Korintiërs 14:26).

Meer over het toetsen van woorden, ervaringen en geestelijke claims lees je in Onderscheidingsvermogen.

 

De Geest en de nieuwe schepping

De Bijbel eindigt met Gods vernieuwde schepping. God woont dan voor altijd bij de mensen. Er zal geen dood, rouw, pijn of onrecht meer zijn (Openbaring 21–22). Die toekomst is er nog niet. De wereld kent nog steeds pijn, geweld, ziekte en dood. Paulus schrijft dat de hele schepping zucht en uitziet naar bevrijding. Gelovigen hebben de Geest al ontvangen als het begin van Gods nieuwe schepping, terwijl zij nog uitzien naar de opstanding van hun lichaam en de bevrijding van de hele schepping (Romeinen 8:18–25).

De Geest Die Jezus uit de dood heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen leven geven (Romeinen 8:11).

In Openbaring keren beelden uit Genesis en Ezechiël terug. Het water van leven stroomt vanuit Gods troon en de boom van leven staat opnieuw in het midden van Gods wereld. De tuin wordt een stad. God woont bij de mensen. Mensen dienen Hem en zullen als koningen heersen. De roeping die mensen aan het begin ontvingen, wordt door God hersteld en voltooid (Openbaring 22:1–5).

Aan het einde van Openbaring klinkt ook de stem van de Geest: ‘De Geest en de bruid zeggen: “Kom!”’ (Openbaring 22:17). De Geest Die vanaf het begin met Gods levengevende werk verbonden is, klinkt ook aan het einde van de Bijbel, wanneer wordt uitgezien naar de dag waarop God alles nieuw maakt.

 

Wie is de Heilige Geest?

De Heilige Geest is God Zelf, Gods persoonlijke aanwezigheid Die vanaf het begin leven geeft en in Zijn schepping werkt. Door de Bijbel heen zien we hoe Hij mensen wijsheid en kracht geeft voor de taak waartoe God hen roept en hoe Hij spreekt door de profeten. Wanneer Israël steeds opnieuw van Gods weg afdwaalt, beloven de profeten dat God Zijn volk van binnenuit zal vernieuwen. Hij zal hun een nieuw hart geven, Zijn Geest in hen leggen en hen opnieuw leren leven op Zijn weg.

In Jezus begint deze beloofde vernieuwing werkelijkheid te worden. Jezus leeft en werkt door de Geest en blijft trouw aan Zijn Vader. Door Zijn dood en opstanding worden zonde en dood overwonnen en begint Gods nieuwe schepping. Na Zijn opstanding wordt de Geest uitgestort over Gods volk. Wat Mozes verlangde en de profeten hadden beloofd, begint werkelijkheid te worden: God woont door Zijn Geest in een vernieuwd volk uit verschillende volken.

Door Zijn Geest woont God bij mensen en vernieuwt Hij hen van binnenuit. Hij leert hen God kennen als Vader, wijst hen op Jezus en vormt hen steeds meer naar Zijn beeld. Hij brengt vrucht voort in hun leven en geeft verschillende gaven waarmee zij elkaar kunnen dienen en de gemeente kunnen opbouwen. Zo leert de Geest mensen opnieuw leven vanuit de roeping die God vanaf het begin aan de mens heeft gegeven.

Het werk van de Geest wijst uiteindelijk vooruit naar de vernieuwing van heel Gods schepping. De Geest Die Jezus uit de dood heeft opgewekt en nu in Gods volk woont, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb