Waakzaamheid

Jezus roept Zijn leerlingen verschillende keren op om wakker en waakzaam te blijven. Hij waarschuwt voor misleiding en valse profeten, leert hen om te waken en te bidden wanneer zij op de proef worden gesteld en spreekt over wakker blijven terwijl zij uitzien naar Zijn komst. Ook de apostelen roepen de eerste gemeenten op om nuchter te blijven, te onderzoeken wat zij horen en trouw te blijven aan Jezus.

Waakzaamheid gaat over meer dan het herkennen van wat verkeerd of misleidend is. De vraag naar wie iemand luistert, waarop hij vertrouwt en waardoor zijn keuzes worden gevormd komen steeds terug.

Wat bedoelt de Bijbel wanneer zij oproept om waakzaam te zijn? Waarvoor moeten Jezus’ leerlingen waken? En hoe kan waakzaamheid vandaag vorm krijgen zonder dat het leidt tot angst, achterdocht of een voortdurende gerichtheid op wat er mogelijk mis is?

Naar welke stem luistert de mens?

Op de eerste bladzijden van de Bijbel wordt verteld hoe God een goede wereld maakt en de mens als Zijn beeld binnen die wereld een plaats en verantwoordelijkheid geeft. God plaatst de mens in de tuin van Eden om die te bewerken en erover te waken. Hij mag van alle bomen in de tuin eten, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 1:26–28; 2:15–17).

In Genesis 3 klinkt vervolgens een andere stem. De slang begint met een vraag over wat God heeft gezegd:
‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’
(Genesis 3:1)

De slang zegt vervolgens dat de mens helemaal niet zal sterven wanneer hij van de boom eet. Volgens hem zullen hun ogen opengaan en zullen zij als God kennis hebben van goed en kwaad (Genesis 3:4–5). Gods woorden en Zijn bedoelingen worden in twijfel getrokken. Kan de mens erop vertrouwen dat God hem geeft wat goed is, of houdt Hij iets achter wat de mens zelf naar zich toe moet trekken?

Wanneer de vrouw naar de boom kijkt, ziet zij dat de vruchten goed zijn om van te eten, een lust voor het oog en aantrekkelijk omdat ze wijsheid zouden geven. Ze neemt van de vrucht en eet ervan, en ook de man eet (Genesis 3:6).

In Genesis 1 is God Degene Die ziet wat goed is. In Genesis 3 kijkt de vrouw zelf naar de boom, ziet dat hij goed is om van te eten en neemt ervan. De mensen grijpen zelf naar de kennis van goed en kwaad, in plaats van op Gods wijsheid te vertrouwen.

De man en de vrouw schamen zich voor elkaar en verbergen zich voor God. Wanneer God hen aanspreekt, wijzen zij de verantwoordelijkheid van zich af. Hun relatie met God, met elkaar en de aarde verandert. Uiteindelijk worden zij uit de tuin gestuurd en wordt de toegang tot de boom van het leven afgesloten (Genesis 3:7–24).

In Genesis 4 doodt Kaïn zijn broer Abel. In de hoofdstukken daarna nemen geweld en menselijke zelfverheffing verder toe.

Vanaf het begin loopt de vraag mee naar wie de mens luistert en op wie hij vertrouwt. Vertrouwt hij op Gods woorden en wijsheid, of laat hij zich leiden door andere stemmen en door wat in zijn eigen ogen goed lijkt?

Meer over hoe misleiding vanaf Genesis door de Bijbel heen naar voren komt en hoe deze kan worden herkend lees je in Misleiding in de Bijbel.

 

De weg van wijsheid

In Spreuken wordt wijsheid steeds verbonden met ontzag voor God en vertrouwen op Hem.

Spreuken zegt:
‘Vertrouw op de HEER met heel je hart, steun niet op eigen inzicht. Denk aan Hem bij alles wat je doet, dan baant Hij voor jou de weg.’
(Spreuken 3:5–6)

Spreuken waarschuwt:
‘Een mens denkt de juiste weg te gaan, terwijl die eindigt bij de dood.’
(Spreuken 14:12)

Een weg kan goed lijken, terwijl pas onderweg zichtbaar wordt waar die werkelijk naartoe leidt.

Ook Psalm 1 begint met twee verschillende wegen. De mens die vreugde vindt in de onderwijzing van de HEER wordt vergeleken met een boom die aan stromend water staat en op zijn tijd vrucht draagt. Daartegenover staat de weg van wie zich van God afkeert, een weg die uiteindelijk vergaat (Psalm 1:1–6).

Wanneer Jezus later over twee wegen spreekt, gebruikt Hij een beeld dat al in de Schriften van Israël voorkomt.

 

Israël tussen andere stemmen

Wanneer God Israël uit Egypte bevrijdt, roept Hij het volk om Hem trouw te blijven. Israël leeft tussen volken die andere goden dienen en krijgt steeds te maken met de vraag naar wie het zal luisteren.

Aan het einde van Deuteronomium zet Mozes die keuze heel scherp neer:
‘Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood.’
(Deuteronomium 30:15)

Even verderop roept hij Israël op het leven te kiezen door de HEER lief te hebben, naar Hem te luisteren en Hem trouw te blijven (Deuteronomium 30:19–20).

Deuteronomium waarschuwt ook voor een profeet of dromer die een teken aankondigt dat werkelijk gebeurt en zegt:
‘Laten we achter andere goden aan gaan, goden die u niet kent, en die gaan vereren.’
(Deuteronomium 13:3)

Het teken kan werkelijk plaatsvinden en toch wordt Israël gewaarschuwd die profeet niet te volgen. Wat hij vervolgens zegt, leidt het volk namelijk weg van de HEER en achter andere goden aan. Het teken zelf is daarom voor Israël niet genoeg om te bepalen of het naar iemand moet luisteren.

Later waarschuwen de profeten voor mensen die zeggen namens God te spreken terwijl Hij hen niet heeft gezonden. Jeremia beschrijft profeten die hun eigen woorden spreken en zeggen dat deze van God komen (Jeremia 23:16–17, 21).

Meer over het toetsen van profetie en de plaats van tekenen binnen de Bijbel lees je in Profetie in de bijbel en Tekenen en wonderen.

 

Jezus en de weg naar het leven

Tegen het einde van de Bergrede spreekt Jezus opnieuw over twee wegen:
‘Ga binnen door de nauwe poort, want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.’
(Matteüs 7:13–14)

Deze woorden staan aan het einde van de Bergrede, waarin Jezus Zijn leerlingen heeft geleerd hoe het leven in Gods Koninkrijk eruitziet. Hij heeft gesproken over boosheid en verzoening, vijanden liefhebben, gebed, geld, zorgen, oordelen en de manier waarop mensen met elkaar omgaan.

Direct daarna waarschuwt Hij voor valse profeten:
‘Aan hun vruchten kunt u hen herkennen.’
(Matteüs 7:16)

Vrucht wordt vaak pas na verloop van tijd zichtbaar. Een boom wordt herkend aan wat eraan groeit. Zo kan ook zichtbaar worden waar iemands woorden en leven mensen naartoe brengen en wat daaruit voortkomt.

Even verderop spreekt Jezus over mensen die Hem ‘Heer’ noemen en zeggen dat zij in Zijn naam hebben geprofeteerd, demonen hebben uitgedreven en wonderen hebben verricht. Toch zegt Jezus dat Hij hen niet kent. In het gedeelte ervoor heeft Hij gesproken over de vruchten waaraan een boom wordt herkend, en hier spreekt Hij over het doen van de wil van Zijn Vader. Indrukwekkende dingen die in Jezus’ naam gebeuren, zijn nog geen bewijs dat iemand werkelijk bij Hem hoort.

Daarna sluit Jezus de Bergrede af met het beeld van twee huizen. Wie Zijn woorden hoort en ernaar handelt, vergelijkt Hij met iemand die zijn huis op rotsgrond bouwt. Wie Zijn woorden wel hoort maar er niet naar handelt, lijkt op iemand die zijn huis op zand bouwt (Matteüs 7:24–27).

Zo komen aan het einde van de Bergrede verschillende beelden samen. Jezus spreekt over twee wegen, over bomen die aan hun vruchten worden herkend en over twee huizen. Steeds gaat het om de weg die iemand volgt en wat er zichtbaar wordt in de manier waarop iemand leeft.

 

De stem van de goede herder

In Johannes 10 spreekt Jezus over een herder die voor zijn schapen uit gaat:
‘Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.’
(Johannes 10:4)

De woorden over het kennen van Zijn stem worden soms uitgelegd als het leren herkennen van Gods stem in persoonlijke gedachten of indrukken. In Johannes 10 gaat het over Jezus kennen, naar Hem luisteren en Hem volgen.

In het hoofdstuk ervoor geneest Jezus een blindgeboren man. De farizeeën ondervragen hem en zetten hem uiteindelijk buiten. Jezus zoekt hem daarna op en de man komt tot geloof in Hem.

Het beeld van een herder komt al eerder in de Bijbel voor. De profeten spreken over de leiders van Israël als herders die voor Gods volk moesten zorgen. In Ezechiël 34 worden de leiders aangesproken omdat zij niet goed voor de kudde hebben gezorgd. God zegt daar dat Hij Zelf naar Zijn schapen zal omzien.

In Johannes 10 noemt Jezus Zichzelf de goede herder die Zijn leven geeft voor de schapen. Zijn schapen kennen Hem, luisteren naar Hem en volgen Hem.

 

Waken en bidden

Kort voordat Jezus wordt gevangengenomen, gaat Hij met Zijn leerlingen naar Gethsemane. Hij weet wat Hem te wachten staat en vraagt Petrus, Jakobus en Johannes met Hem wakker te blijven terwijl Hij bidt.

Jezus bidt:
‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’
(Matteüs 26:39)

Wanneer Hij Zijn leerlingen slapend aantreft, zegt Hij:
‘Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen. De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’
(Matteüs 26:41)

Eerder heeft Jezus Zijn leerlingen al geleerd om te bidden:
‘Breng ons niet in beproeving, maar red ons van het kwaad.’
(Matteüs 6:13)

In de tuin van Eden ziet de mens iets wat begeerlijk lijkt en neemt het. In Gethsemane spreekt Jezus uit wat Hij verlangt en legt Hij dat verlangen in de handen van Zijn Vader. Waar de mens in Genesis op zijn eigen wijsheid vertrouwt, blijft Jezus Zijn Vader vertrouwen wanneer gehoorzaamheid Hem alles zal kosten.

De leerlingen vallen in slaap, terwijl ook zij op het punt staan om beproefd te worden. Jezus roept hen op om wakker te blijven en te bidden.

Meer over het gebed dat Jezus Zijn leerlingen leert en de plaats van beproeving daarin lees je in Het Onze Vader.

 

‘Pas op dat niemand jullie misleidt’

Waakzaamheid komt ook terug wanneer Jezus met Zijn leerlingen spreekt over de verwoesting van de tempel en de gebeurtenissen die zullen volgen.

Hij begint Zijn antwoord met:
‘Pas op dat niemand jullie misleidt.’
(Matteüs 24:4)

Later waarschuwt Hij voor valse messiassen en valse profeten die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen doen (Matteüs 24:24).

Jezus bereidt Zijn leerlingen voor op een tijd waarin zij te maken zullen krijgen met onrust, vervolging en misleiding. Er zullen mensen komen die zich als messias voordoen en valse profeten zullen tekenen en wonderen doen. Midden in alles wat er gebeurt roept Jezus Zijn leerlingen op om stand te houden en Hem trouw te blijven.

 

Wakker blijven terwijl Jezus’ leerlingen wachten

In hetzelfde onderwijs spreekt Jezus ook over wakker blijven omdat Zijn leerlingen niet weten wanneer Hij zal komen:
‘Pas op, wees waakzaam, want jullie weten niet wanneer die tijd zal komen.’
(Marcus 13:33)

Jezus vergelijkt die tijd met een man die op reis gaat en zijn dienaren ieder hun eigen taak geeft. De deurwachter krijgt de opdracht om op wacht te blijven. Omdat zij niet weten wanneer de heer van het huis terugkomt, roept Jezus hen op wakker te blijven (Marcus 13:34–37).

In Matteüs 24–25 werkt Jezus verder uit hoe dat wachten eruitziet. Hij vertelt over een dienaar die blijft doen wat hem is toevertrouwd, over meisjes die voorbereid zijn op de komst van de bruidegom en over dienaren die verantwoordelijkheid dragen voor wat hun heer hun heeft gegeven. Daarna spreekt Hij over de manier waarop mensen omgaan met wie honger heeft, vreemdeling is, naakt, ziek of gevangen.

Jezus roept Zijn leerlingen op om wakker te blijven en trouw te leven terwijl zij op Hem wachten. In de verhalen die volgen, krijgt dat heel concreet vorm. Zij blijven voorbereid, gaan trouw om met wat hun is toevertrouwd en zien om naar andere mensen. 

 

Nuchter en waakzaam

Ook de eerste gemeenten worden opgeroepen om waakzaam te leven. Petrus schrijft aan gelovigen die te maken hebben met lijden en tegenstand:
‘Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.’
(1 Petrus 5:8)

Petrus roept hen op om nuchter en waakzaam te blijven en de duivel te weerstaan door standvastig te zijn in het geloof. Zij mogen hun zorgen bij God brengen en zijn daarin niet alleen. Ook andere gelovigen maken lijden mee, en Petrus wijst hen uiteindelijk op God, Die hen zal sterken, kracht geven en op vaste grond zal zetten (1 Petrus 5:6–10).

Meer over geestelijke machten en de plaats die zij binnen de grote lijn van de Bijbel hebben lees je in Geestelijke machten in de Bijbel.

 

Openstaan en onderzoeken

Waakzaamheid betekent niet dat alles wat als geestelijk wordt gebracht met wantrouwen bekeken hoeft te worden. Paulus schrijft aan de gemeente in Tessalonica:
‘Doof de Geest niet uit en veracht profetieën niet. Onderzoek alles, behoud het goede.’
(1 Tessalonicenzen 5:19–21)

Hij roept de gemeente op om het werk van de Geest niet uit te doven en profetieën niet te verachten. Tegelijkertijd roept hij hen op om alles te onderzoeken en het goede te behouden. 

In Handelingen zien we zo’n houding bij de Joden in Berea. In het gedeelte ervoor lezen we dat Paulus vanuit de Schriften uitlegt dat de Messias moest lijden en uit de dood moest opstaan en dat Jezus deze Messias is (Handelingen 17:2–3). Wanneer Paulus en Silas vervolgens in Berea komen, ontvangen de mensen daar hun boodschap met grote bereidheid en onderzoeken zij dagelijks de Schriften om te zien of wat hun wordt verkondigd daarmee overeenkomt (Handelingen 17:10–12).

Paulus noemt daarnaast in 1 Korintiërs 12 het ‘onderscheiden van geesten’ als een van de gaven van de Geest.

Meer over het toetsen van geestelijke ervaringen en wat Paulus bedoelt met het onderscheiden van geesten lees je in Onderscheiden van geesten.

 

Ook naar het eigen leven kijken

In 1 Korintiërs 10 richt Paulus de waarschuwing ook op het eigen leven. Hij herinnert de gemeente aan Israël in de woestijn. Het volk had Gods bevrijding meegemaakt en Zijn voorziening ontvangen. Toch raakte Israël verstrikt in afgoderij en verlangens die het bij God vandaan trokken. Paulus gebruikt hun geschiedenis als waarschuwing voor de gemeente in Korinte.

Daarna schrijft hij:
‘Wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt.’
(1 Korintiërs 10:12)

Wie probeert te onderscheiden wat er bij anderen gebeurt, blijft zelf iemand die afhankelijk is van Gods wijsheid en geroepen wordt om trouw aan Hem te leven.

 

Wat krijgt ons vertrouwen?

De Bijbel waarschuwt niet alleen voor woorden of invloeden die mensen bij God vandaan kunnen leiden. Ook verlangens die heel gewoon lijken kunnen steeds meer invloed krijgen op wat iemand belangrijk vindt en welke keuzes iemand maakt.

Israël wordt steeds opnieuw gewaarschuwd voor afgoderij. Daarbij gaat het om de verering van andere goden. De profeten laten zien hoe Israëls ontrouw verbonden raakt met macht, rijkdom, onrecht en het zoeken van veiligheid buiten de HEER.

Jezus spreekt in de Bergrede indringend over geld:
‘Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
(Matteüs 6:24)

Kort daarna roept Hij Zijn leerlingen op eerst Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid te zoeken (Matteüs 6:33). Jezus spreekt hier over wat mensen dienen en waar zij hun vertrouwen op richten. Geld, macht, succes, aanzien of veiligheid kunnen steeds meer gewicht krijgen en richting geven aan de keuzes die we maken.

Ook hier komt de vraag terug die vanaf Genesis door de Bijbel heen loopt. Op wie vertrouwt de mens voor wijsheid en leven, en voor wat werkelijk goed is?

 

Waakzaamheid en de menselijke roeping

De mens wordt in Genesis geschapen als Gods beeld en krijgt een plaats en verantwoordelijkheid binnen Gods goede schepping. Vanaf het begin loopt daarbij de vraag mee of de mens op Gods wijsheid vertrouwt en naar Hem luistert.

Jezus blijft Zijn Vader vertrouwen. In de woestijn wordt Hij op de proef gesteld en in Gethsemane legt Hij Zijn verlangen in de handen van Zijn Vader, ook wanneer trouw aan Zijn Vader Jezus Zijn leven kost.

Jezus roept Zijn leerlingen om Hem te volgen en naar Zijn woorden te luisteren. Door Zijn Geest vernieuwt God hen en vormt Hij hen steeds meer naar Zijn beeld.

Meer over de vrucht van de Geest en hoe het karakter van Jezus zichtbaar wordt in het leven van Zijn leerlingen lees je in De vrucht van de Geest.

 

Waakzaamheid zonder angst

Waakzaamheid betekent niet dat iemand voortdurend bezig hoeft te zijn met wat er bij anderen mogelijk verkeerd gaat of achter alles iets geestelijks hoeft te zoeken. Petrus roept gelovigen op om standvastig te blijven in het geloof en Paulus zegt dat zij alles mogen onderzoeken en het goede behouden.

Johannes roept zijn lezers op om de geesten te onderzoeken. Daarbij richt hij hun aandacht op Jezus en op wat God in Hem heeft laten zien. In hetzelfde gedeelte schrijft hij:
‘Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst.’
(1 Johannes 4:4)

Daarna schrijft Johannes uitgebreid over Gods liefde. Die liefde is zichtbaar geworden doordat God Zijn Zoon heeft gezonden en krijgt vorm in de liefde voor elkaar. Een paar verzen later schrijft hij dat volmaakte liefde de angst verdrijft (1 Johannes 4:18).

Waakzaamheid hoeft daarom niet beheerst te worden door angst voor wat er mogelijk mis kan zijn. De aandacht blijft gericht op Jezus, terwijl Zijn leerlingen onderzoeken wat zij horen en zien en leren leven in de liefde die Hij hun heeft laten zien.