Tekenen en wonderen in de Bijbel

In sommige kerken en bedieningen is veel aandacht voor tekenen en wonderen. Er worden conferenties en samenkomsten rond georganiseerd en mensen worden aangemoedigd om naar geestelijke gaven te streven. Paulus noemt in zijn brief aan de Korintiërs het vermogen om wonderen te verrichten als een van de gaven van de Geest.

Wat bedoelt de Bijbel eigenlijk wanneer er over tekenen en wonderen wordt gesproken? Waarom doet God wonderen? Wat bedoelt Paulus met het vermogen om wonderen te verrichten? Zien we in de Bijbel dat samenkomsten rond tekenen en wonderen worden georganiseerd? En hoe kunnen we kijken naar wat er vandaag als een teken of wonder wordt gezien?

Om deze vragen te onderzoeken, beginnen we bij de bevrijding uit Egypte en volgen we de lijn van de profeten naar Jezus en de eerste gemeenten.

Tekenen en wonderen in Egypte

Bij de bevrijding van Israël uit Egypte spelen tekenen en wonderen een grote rol. Wanneer Mozes bij de farao komt, zegt hij:
‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Laat Mijn volk gaan om in de woestijn ter ere van Mij een feest te vieren.’
(Exodus 5:1)

De farao antwoordt dat hij de HEER niet kent en weigert Israël te laten gaan (Exodus 5:2). 

God had eerder tegen Mozes gezegd dat Hij Israël uit Egypte zou bevrijden en dat de Egyptenaren daardoor zouden weten dat Hij de HEER is (Exodus 7:4–5). Door deze tekenen laat God zien wie Hij is en dat Hij Zijn volk uit Egypte zal bevrijden.

De Nijl verandert in bloed, het land wordt getroffen door verschillende plagen, duisternis bedekt Egypte en uiteindelijk trekt Israël door de zee terwijl het Egyptische leger wordt verslagen. De farao, die weigert Israël te laten gaan, blijkt Gods bevrijding van Zijn volk niet te kunnen tegenhouden.

In de plagen wordt de goede orde van Gods schepping aangetast. Water wordt onleefbaar, duisternis bedekt het land en mens, dier en gewassen worden getroffen. Het rijk dat Israël gevangenhoudt en weigert naar God te luisteren, wordt steeds verder geconfronteerd met chaos en dood.

Deze gebeurtenissen worden later in de Bijbel steeds opnieuw herinnerd. God is degene die Israël met ‘tekenen en wonderen’ uit Egypte heeft bevrijd (Deuteronomium 4:34; 6:22; Psalm 105:26–38).

 

Een teken zegt niet alles over de bron

Wanneer Aäron zijn staf voor de farao neergooit en deze verandert, doen de Egyptische magiërs iets soortgelijks (Exodus 7:10–12).

Ook bij de eerste plagen lukt het hun om hetzelfde te doen (Exodus 7:22; 8:3). Later lukt dat niet meer en zeggen zij tegen de farao:
‘Dit is de vinger van God.’
(Exodus 8:15)

Later waarschuwt Mozes Israël dat een bijzonder teken niet genoeg is om te bepalen wie zij moeten volgen. In Deuteronomium spreekt hij over een profeet of dromer die een teken aankondigt dat daadwerkelijk uitkomt en vervolgens oproept om andere goden te volgen (Deuteronomium 13:2–4).

Het gaat ook om de weg waarheen iemand Israël leidt. Blijft het volk trouw aan de HEER of wordt het achter andere goden aan geleid?

 

Wonderen bij de profeten

Ook in de verhalen over Elia en Elisa vinden bijzondere gebeurtenissen plaats. Tijdens een hongersnood raakt het meel en de olie van een weduwe niet op en haar overleden zoon wordt weer levend (1 Koningen 17:8–24). Elisa ziet later hoe de olie van een weduwe zich vermenigvuldigt en hoe de zoon van een Sunamitische vrouw weer tot leven komt (2 Koningen 4).

Deze gebeurtenissen vinden plaats in een periode waarin Israël voortdurend wordt geconfronteerd met de vraag welke god het zal dienen. Vooral bij Elia wordt die strijd zichtbaar wanneer Israël heen en weer beweegt tussen de HEER en Baäl.

Op de Karmel vraagt Elia:
‘Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als de HEER God is, volg Hem dan; is Baäl het, volg dan hem.’
(1 Koningen 18:21)

Wanneer vervolgens vuur van de HEER neerdaalt, valt het volk neer en belijdt het dat de HEER God is (1 Koningen 18:38–39).

 

De verwachting van herstel

Door de profeten heen groeit ook de verwachting dat God Zijn volk en Zijn schepping zal herstellen. Jesaja beschrijft een dag waarop God komt om te redden:
‘Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen.’
(Jesaja 35:5–6)

Eeuwen later stuurt Johannes de Doper vanuit de gevangenis zijn leerlingen naar Jezus. Hij wil weten of Jezus degene is die zou komen.

Jezus antwoordt:
‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’
(Matteüs 11:4–5)

 

Jezus en de komst van Gods Koninkrijk

Wanneer Jezus begint op te treden, nemen wonderen een grote plaats in Zijn bediening. Hij geneest zieken, bevrijdt mensen van onreine geesten, stilt een storm, geeft duizenden mensen te eten en wekt doden op.

In Matteüs lezen we eerst hoe Jezus in de Bergrede Zijn leerlingen onderwijst over het leven in Gods Koninkrijk. Daarna volgen verschillende genezingen en bevrijdingen. Jezus laat door Zijn woorden en daden zien wat de komst van Gods Koninkrijk betekent (Matteüs 5–9).

Wanneer Jezus een demon heeft uitgedreven en ervan wordt beschuldigd dat Hij dit door de macht van Beëlzebul doet, antwoordt Hij:
‘Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen.’
(Matteüs 12:28)

Wanneer Jezus een grote menigte ziet, wordt Hij met ontferming bewogen en geneest Hij de zieken onder hen (Matteüs 14:14). Wanneer twee blinde mannen Hem om hulp roepen, raakt Hij bewogen en raakt Hij hun ogen aan (Matteüs 20:29–34).

Meer over Gods Koninkrijk en hoe Gods goede heerschappij in Jezus dichtbij komt lees je in Gods Koninkrijk.

 

Is geloof een voorwaarde voor een wonder?

In verschillende genezingsverhalen spreekt Jezus over geloof. Tegen de vrouw die Hem in de menigte aanraakt zegt Hij:
‘Uw geloof heeft u gered.’
(Marcus 5:34)

Deze vrouw leed al twaalf jaar aan bloedverlies. Ze had veel artsen bezocht, maar niemand had haar kunnen helpen. Wanneer ze over Jezus hoort, zoekt ze Hem op en raakt Zijn kleding aan, in de hoop genezen te worden (Marcus 5:25–28).

Jezus spreekt haar aan en noemt haar ‘dochter’. Hij zegt dat haar geloof haar heeft gered. Het Griekse woord sōzō, dat hier met ‘gered’ wordt vertaald, kan ook ‘genezen’ betekenen. In deze gebeurtenis zien we hoe de vrouw haar vertrouwen op Jezus stelt en door Hem wordt genezen.

In andere genezingsverhalen lezen we dat Jezus het geloof van anderen ziet, zoals bij de verlamde man die door zijn vrienden bij Hem wordt gebracht (Marcus 2:1–12). Ook zijn er gebeurtenissen waarin Jezus Zelf het initiatief neemt, zoals bij de man die al achtendertig jaar ziek is (Johannes 5:1–9).

De genezingsverhalen laten zien dat mensen op verschillende manieren bij Jezus komen en dat Hij op verschillende manieren handelt. Mensen komen met hun nood bij Hem en stellen hun vertrouwen op Hem. Door Zijn genezingen laat Jezus zien wie Hij is en wat de komst van Gods Koninkrijk betekent. De aandacht wordt zo gericht op Jezus, op Wie zij hun vertrouwen mogen stellen.

Meer over ziekte, geloof, gebed en genezing binnen de grotere lijn van de Bijbel lees je in Genezing in de Bijbel.

 

Tekenen die naar Jezus wijzen

Vooral het evangelie van Johannes gebruikt regelmatig het woord ‘teken’ voor de wonderen van Jezus.

Wanneer Jezus op een bruiloft in Kana water in wijn verandert, schrijft Johannes:
‘Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste teken; Hij toonde zo Zijn grootheid en Zijn leerlingen geloofden in Hem.’
(Johannes 2:11)

De overvloed aan wijn in Kana sluit ook aan bij beelden uit de profeten. Daar wordt overvloedige wijn gebruikt als beeld van de tijd waarin God Zijn volk en Zijn schepping zal herstellen.

Nadat Jezus duizenden mensen te eten heeft gegeven, zoeken de mensen Hem opnieuw op. Jezus zegt tegen hen dat zij Hem zoeken omdat zij van de broden hebben gegeten en verzadigd zijn, en spreekt vervolgens over het voedsel dat blijft en eeuwig leven geeft (Johannes 6:26–27). Zij hebben het teken gezien en zoeken Jezus opnieuw op, terwijl Jezus hun aandacht richt op het leven dat Hij geeft.

Ook de opwekking van Lazarus noemt Johannes een teken (Johannes 11:47). Vlak daarvoor zegt Jezus tegen Marta: ‘Ik ben de opstanding en het leven’ (Johannes 11:25). Wat er met Lazarus gebeurt, wijst zo naar Jezus en het leven dat Hij geeft.

Aan het einde van zijn evangelie legt Johannes uit waarom hij deze tekenen heeft opgeschreven:
‘Jezus heeft nog veel meer tekenen voor Zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door Zijn naam.’
(Johannes 20:30–31)

 

Wonderen en de machten van het kwaad

Wanneer Jezus zeventig leerlingen uitzendt en zij terugkomen, vertellen zij enthousiast dat zelfs de demonen zich aan hen onderwerpen wanneer zij Zijn naam gebruiken. Jezus antwoordt dat Hij satan als een bliksem uit de hemel zag vallen (Lucas 10:17–18).

Wanneer Jezus ervan wordt beschuldigd demonen uit te drijven door Beëlzebul, zegt Hij dat iemand eerst een sterke man moet vastbinden voordat zijn huis kan worden leeggeroofd (Matteüs 12:29). Vlak daarvoor heeft Hij gezegd dat Gods Koninkrijk gekomen is wanneer Hij door Gods Geest demonen uitdrijft (Matteüs 12:28).

Wanneer Jezus mensen bevrijdt van onreine geesten, laat Hij zien dat Gods Koninkrijk is gekomen en dat de machten van het kwaad hun greep op mensen verliezen.

Meer over de machten van het kwaad lees je in Geestelijke machten.

 

Tekenen en wonderen na Pinksteren

Na Jezus’ opstanding en hemelvaart vinden ook tekenen en wonderen plaats. In Handelingen werkt de Heilige Geest door Jezus’ leerlingen heen.

De eerste gelovigen kwamen samen om te luisteren naar het onderwijs van de apostelen, te bidden, het brood te breken en het leven met elkaar te delen (Handelingen 2:42).

Lucas vertelt dat er ook tekenen en wonderen plaatsvonden:
‘De apostelen verrichtten vele tekenen en wonderen onder het volk.’
(Handelingen 5:12)

Petrus en Johannes zien een man die vanaf zijn geboorte niet kan lopen weer op zijn voeten staan. Filippus verkondigt Christus in Samaria terwijl mensen worden bevrijd en genezen. Ook door Paulus vinden bijzondere wonderen plaats (Handelingen 3:1–10; 8:4–8; 19:11–12).

Na de genezing bij de tempel verzamelen de mensen zich vol verbazing rond Petrus en Johannes. Petrus vraagt waarom zij naar hen kijken alsof zij door hun eigen kracht of vroomheid de man hebben laten lopen (Handelingen 3:12). Vervolgens richt hij hun aandacht op Jezus, die zij hadden verworpen en die God uit de dood heeft opgewekt (Handelingen 3:13–16).

 

Kan iedere gelovige wonderen verrichten?

Wanneer Paulus in 1 Korintiërs 12 over de verschillende gaven van de Geest schrijft, noemt hij ook ‘het vermogen om wonderen te verrichten’ (1 Korintiërs 12:10). De verschillende werkingen van de Geest worden gegeven ‘tot welzijn van allen’ en de Geest geeft ze aan ieder afzonderlijk zoals Hij wil (1 Korintiërs 12:7, 11).

Aan het einde van het hoofdstuk stelt Paulus de gemeente verschillende vragen:
‘Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? Of kan iedereen genezen?’
(1 Korintiërs 12:29–30)

Paulus heeft de gemeente vlak daarvoor beschreven als één lichaam met veel verschillende leden die elkaar nodig hebben (1 Korintiërs 12:12–27).

Meer over de verschillende gaven en hun plaats binnen het lichaam van Christus lees je in De gaven van de Geest.

 

Wonderen moeten worden onderscheiden

Jezus waarschuwt Zijn leerlingen dat indrukwekkende tekenen niet betekenen dat iemand namens God spreekt:
‘Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om zelfs Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden.’
(Matteüs 24:24)

Eerder had Mozes Israël al gewaarschuwd voor iemand die een teken aankondigt en hen vervolgens achter andere goden aan wil leiden (Deuteronomium 13:2–4). Wanneer iets als een wonder wordt gezien, blijft de vraag waar het naar wijst, wat erover wordt verkondigd en waar het mensen naartoe leidt.

Meer over het toetsen van geestelijke uitingen en wat Paulus bedoelt met het onderscheiden van geesten lees je in Onderscheiden van geesten.

 

Wat betekent dit voor vandaag?

Ook vandaag mogen we God om genezing en hulp vragen. Jakobus moedigt gelovigen aan om voor zieken te bidden (Jakobus 5:14–16). Paulus schrijft over de verschillende gaven van de Geest die worden gegeven tot welzijn van de gemeente (1 Korintiërs 12:7).

Wanneer de leerlingen enthousiast terugkomen omdat zelfs de demonen zich aan hen onderwerpen, wijst Jezus hen op iets wat nog belangrijker is. Ze mogen zich verheugen omdat hun namen in de hemel staan opgetekend. Daarmee herinnert Hij hen eraan dat ze bij God horen en mogen delen in het leven dat Hij door Jezus brengt (Lucas 10:17–20).

Door Zijn wonderen laat Jezus zien wat de komst van Gods Koninkrijk betekent. Zieken worden genezen, mensen worden bevrijd en zelfs de dood moet wijken. Daarmee wordt al iets zichtbaar van het herstel dat God voor Zijn schepping heeft beloofd.

Jezus nodigt Zijn leerlingen uit om Hem te volgen en te leren leven zoals Hij dat heeft voorgedaan. Hij leert hen om God en hun naaste lief te hebben, elkaar te dienen en te vertrouwen op hun hemelse Vader (Matteüs 5–7; Johannes 13:34–35).

Ook Paulus wijst de gemeente op de liefde wanneer hij over de gaven van de Geest schrijft. Zonder liefde verliezen zelfs de meest bijzondere geestelijke gaven hun waarde (1 Korintiërs 13:1–3).

Wanneer we vandaag over tekenen en wonderen spreken, mogen we daarom blijven kijken naar Jezus. Wat leren Zijn woorden en daden ons over God, Zijn Koninkrijk en het leven waartoe Hij ons uitnodigt?

 

Waar de tekenen naar wijzen

De mensen die Jezus tijdens Zijn bediening geneest, leven nog steeds in een wereld waarin ziekte en dood aanwezig zijn. Ook de mensen die Hij uit de dood opwekt, zoals Lazarus, zullen opnieuw sterven. Toch wordt in Zijn genezingen, bevrijdingen en opwekkingen al iets zichtbaar van het herstel waar de profeten naar hadden uitgekeken.

Jezus’ eigen opstanding gaat verder. Hij wordt opgewekt tot een leven waarop de dood geen macht meer heeft. Paulus noemt Hem later de eersteling van de gestorvenen (1 Korintiërs 15:20). Met Zijn opstanding begint het nieuwe leven waarop uiteindelijk ook Gods schepping wacht.

Door de hele Bijbel heen zien we dat tekenen en wonderen verbonden zijn met Gods werk om Zijn volk te bevrijden en Zijn schepping te herstellen.

In Egypte horen ze bij Gods bevrijding van Zijn volk en maken ze bekend wie Hij is. De profeten kijken uit naar Gods herstel. In de evangeliën horen genezingen, bevrijdingen en andere tekenen bij de komst van Gods Koninkrijk en wijzen ze naar Jezus. De tekenen wijzen vooruit naar de dag waarop ziekte, kwaad en dood geen plaats meer hebben en God alles nieuw maakt.