Geestelijke machten
De Bijbel spreekt op verschillende plaatsen over engelen, demonen, Satan en andere geestelijke machten. Vanaf het begin maken hemel en aarde deel uit van Gods schepping. God heeft de mens geschapen om naar Zijn beeld te leven en verantwoordelijkheid te dragen voor Zijn wereld, maar ook geestelijke wezens krijgen in de Bijbel een plaats binnen Zijn schepping.
In Genesis zien we hoe menselijke en geestelijke opstand met elkaar verweven raken. Door de rest van de Bijbel heen lezen we hoe geestelijke machten verbonden worden met misleiding, afgoderij en de macht van koninkrijken. Tegelijkertijd ontvouwt zich Gods plan om Zijn schepping te herstellen, een plan dat samenkomt in Jezus en de komst van Zijn Koninkrijk.
Wie zijn deze geestelijke wezens? Wat hebben de slang, Babel en de goden van de volken hiermee te maken? Hoe overwint Jezus de machten en wat betekent geestelijke strijd voor het leven van mensen die Hem volgen?
Hemel en aarde
De Bijbel begint met de woorden:
‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’
(Genesis 1:1)
God is de Schepper van alles wat bestaat. De Bijbel spreekt over de hemel als Gods domein en de aarde als de wereld waarin mensen leven. Hemel en aarde worden niet voorgesteld als twee werelden die volledig los van elkaar bestaan. Beide maken deel uit van Zijn schepping. Vanaf het begin zien we Gods bedoeling om bij mensen te wonen en Zijn goede regering op aarde zichtbaar te maken.
Door de Bijbel heen krijgen we op verschillende momenten een blik op die verbondenheid. In Eden woont God bij de mensen. Jakob ziet in een droom een verbinding tussen hemel en aarde en noemt die plaats ‘de poort van de hemel’ (Genesis 28:12–17). Later worden de tabernakel en de tempel plaatsen waar God midden onder Zijn volk woont. Profeten krijgen in visioenen een blik op Gods hemelse troonzaal (Jesaja 6:1–5; Ezechiël 1).
In Job 38 wordt gesproken over de morgensterren en hemelbewoners die jubelen wanneer God de aarde grondvest (Job 38:4–7).
Een Hebreeuws woord dat hierbij wat uitleg nodig heeft, is elohim. Op veel plaatsen wordt dit woord gebruikt voor de God van Israël. In andere teksten kan hetzelfde woord verwijzen naar wezens uit de geestelijke wereld. De context bepaalt over wie wordt gesproken.
Psalm 82 begint bijvoorbeeld met God Die plaatsneemt in een hemelse raad en rechtspreekt in de kring van de goden (Psalm 82:1). Psalm 89 spreekt ook over een hemelse vergadering en vraagt wie daarboven de HEER kan evenaren en wie van de goden zich met Hem kan meten (Psalm 89:7–8). De HEER staat boven hen allen als Schepper en Koning.
Ook in het boek Job krijgen we een blik op zo’n hemelse vergadering. Daar verschijnen de hemelingen voor de HEER (Job 1:6; 2:1).
Op aarde geeft God de mens een plaats binnen Zijn schepping. In Genesis 1 schept Hij mensen naar Zijn beeld en geeft Hij hun verantwoordelijkheid over Zijn wereld (Genesis 1:26–28).
Maar God heeft ook geestelijke wezens geschapen die een plaats hebben binnen Zijn schepping. In verschillende Bijbelgedeelten zien we hoe hemelse wezens Hem dienen en betrokken worden bij Zijn bestuur. In Psalm 103 worden de engelen beschreven als dienaren die Zijn wil volbrengen (Psalm 103:20–21). De profeet Micha ziet de HEER op Zijn troon, omringd door hemelse machten die betrokken worden bij de uitvoering van Zijn plannen (1 Koningen 22:19–23).
God heeft deze wezens niet nodig om Zijn plannen uit te voeren, maar kiest ervoor om geschapen wezens verantwoordelijkheid te geven. Zoals de mens geroepen is om op aarde naar Gods beeld te leven en Zijn goede regering zichtbaar te maken, zien we ook in de hemelse wereld wezens die onder Zijn gezag een verantwoordelijkheid ontvangen.
Meer over de plaats en roeping die God aan de mens binnen Zijn schepping geeft, lees je in De mens als Gods beeld.
Geestelijke wezens
Door de Bijbel heen worden verschillende woorden gebruikt voor geestelijke wezens. We lezen over elohim, zonen van God, engelen of boodschappers, demonen en onreine geesten. Paulus spreekt daarnaast over vorsten, heersers, machten en krachten. Deze woorden betekenen niet allemaal precies hetzelfde.
Het woord ‘engel’ betekent letterlijk ‘boodschapper’ en wordt in de Bijbel gebruikt voor geestelijke wezens die namens God een boodschap overbrengen.
Niet alle geestelijke wezens die de Bijbel noemt, keren zich tegen God. We lezen over hemelse boodschappers die namens Hem spreken, over cherubs die verbonden zijn met Zijn heilige aanwezigheid en over hemelse wezens die Hem aanbidden. Tegelijkertijd vertelt de Bijbel ook over geestelijke wezens die zich wel tegen Gods bedoeling keren en mensen misleiden.
God heeft geestelijke wezens een plaats en verantwoordelijkheid binnen Zijn schepping gegeven. Maar zoals mensen zich tegen Gods bedoeling kunnen keren, zien we in de Bijbel dat ook geestelijke wezens hun gegeven plaats en verantwoordelijkheid kunnen misbruiken. In Genesis 3 probeert de slang de mens ervan te overtuigen dat God iets goeds achterhoudt en dat de mens beter zelf kan bepalen wat goed en kwaad is (Genesis 3:1–5). In Genesis 6 lezen we over de godenzonen, die volgens een oude Joodse uitlegtraditie de grenzen overschrijden die God aan Zijn schepping heeft gegeven (Genesis 6:1–4).
Verderop in de Bijbel zien we hoe geestelijke machten mensen misleiden en hun trouw en aanbidding van God proberen weg te trekken (Deuteronomium 32:17; Matteüs 4:8–10; Openbaring 12:9). Daarmee werken zij Gods bedoeling tegen om mensen in verbondenheid met Hem te laten leven en Zijn goede regering op aarde zichtbaar te maken.
De slang uit Genesis 3 wordt later in de Bijbel verbonden met Satan, die wordt beschreven als tegenstander, aanklager en misleider. In het boek Job verschijnt de satan als aanklager van Job, terwijl Openbaring hem ‘de aanklager van onze broeders en zusters’ noemt (Job 1–2; Openbaring 12:10). In de evangeliën lezen we daarnaast over demonen en onreine geesten die mensen kwellen en gebonden houden.
Geestelijke machten kunnen zich tegen God keren, maar staan nooit buiten Zijn gezag. Hij is de Schepper en Heer van alles wat bestaat, ook van de geestelijke wereld.
Opstand in Gods goede schepping
In Genesis 3 verschijnt voor het eerst een wezen dat zich tegen Gods bedoeling keert. Genesis noemt hem hier de slang.
De slang kent Gods woorden en probeert de mensen ervan te overtuigen dat God hun iets goeds onthoudt. Hij zegt dat hun ogen zullen opengaan wanneer zij van de boom eten en dat zij als God zullen zijn, met kennis van goed en kwaad (Genesis 3:4–5).
De mensen zijn in Genesis 1 al geschapen als Gods beeld en hebben van God een plaats en verantwoordelijkheid binnen Zijn wereld ontvangen. In Genesis 1 is het steeds God Die ziet wat goed is. Bij de boom komt de mens voor de keuze te staan om Gods wijsheid te vertrouwen of zelf te grijpen naar wat in zijn eigen ogen goed lijkt. De vrouw ziet dat de boom goed is om van te eten, verlangt, neemt en eet.
De slang misleidt de mens, maar de mens maakt zelf de keuze om naar hem te luisteren. In plaats van op Gods wijsheid te vertrouwen, neemt de mens het bepalen van goed en kwaad in eigen handen.
De gevolgen worden al snel zichtbaar. De mensen verbergen zich voor God en geven elkaar de schuld. Kaïn vermoordt zijn broer Abel en in de generaties daarna neemt het geweld verder toe. Wat in Genesis 3 begint als wantrouwen tegenover God, werkt door in menselijke relaties en uiteindelijk in de samenleving.
Het Hebreeuwse woord satan betekent tegenstander of aanklager. Openbaring 12 spreekt over ‘de slang van weleer’, die duivel of Satan wordt genoemd en de hele wereld misleidt (Openbaring 12:9).
Enkele hoofdstukken later lezen we in Genesis 6 over de godenzonen die zien hoe mooi de dochters van de mensen zijn en uit hen vrouwen kiezen. In hetzelfde gedeelte worden ook de Nephilim genoemd (Genesis 6:1–4).
Over wie deze godenzonen precies zijn, bestaan verschillende opvattingen. Sommige uitleggers zien hen als machtige koningen die zich vrouwen toe-eigenden, terwijl anderen denken aan mannelijke nakomelingen van Set, de zoon van Adam en Eva, die vrouwen uit de familielijn van Kaïn namen. Een derde uitleg is dat het om hemelse wezens gaat die zich met menselijke vrouwen verbonden. Deze laatste interpretatie sluit aan bij het gebruik van de uitdrukking ‘zonen van God’ in het boek Job, waar daarmee hemelse wezens worden aangeduid (Job 1:6; 2:1; 38:7).
In de oude Joodse uitlegtraditie werd Genesis 6 vaak begrepen als een verhaal over hemelse wezens die de grenzen overschreden die God aan Zijn schepping had gegeven. Deze uitleg werd verder uitgewerkt in 1 Henoch, een oud-Joods geschrift dat geen deel uitmaakt van de Bijbel in de meeste christelijke tradities.
Ook in het Nieuwe Testament lezen we over engelen die gezondigd hebben en door God voor het oordeel worden bewaard (Judas 6; 2 Petrus 2:4–5). Veel uitleggers zien hierin een verbinding met Genesis 6. Deze teksten laten zien dat de oude Joodse wereld het kwaad niet uitsluitend met menselijke opstand verbond.
Kort daarna beschrijft Genesis hoe diep het kwaad in het menselijke hart is doorgedrongen en hoe de aarde vol geweld is geraakt (Genesis 6:5, 11).
Meer over de keuze om Gods wijsheid te ontvangen of zelf te bepalen wat goed en kwaad is, lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.
Babel, de volken en hun goden
Na de vloed krijgt de mens opnieuw de opdracht om vruchtbaar te zijn, talrijk te worden en zich over de aarde te verspreiden (Genesis 9:1). Genesis 10 beschrijft vervolgens de verschillende volken.
In Genesis 11 verzamelt de mensheid zich op de vlakte van Sinear. De mensen bouwen een stad en een toren en willen daarmee hun naam vestigen en voorkomen dat zij over de aarde verspreid raken (Genesis 11:1–4).
De toren past binnen de wereld van het oude Nabije Oosten, waar grote tempeltorens verbonden waren met steden en de aanbidding van hun goden. De mensen willen bij elkaar blijven en zelf hun naam groot maken. Wat bij de boom in Eden begint, krijgt zo verder vorm in de wereld die mensen samen bouwen.
God verspreidt hen uiteindelijk over de aarde. Direct daarna roept Hij Abram en belooft hem te zegenen en zijn naam groot te maken. Waar de mensen in Babel zelf een naam voor zichzelf wilden vestigen, is het nu God Die Abram een grote naam belooft. Door hem zullen uiteindelijk alle volken op aarde gezegend worden (Genesis 12:1–3).
In Deuteronomium 32:8–9 wordt teruggekeken op de tijd waarin God de volken van elkaar scheidde en hun grenzen vaststelde. In een oud Hebreeuws handschrift uit de Dode Zeerollen wordt daarbij gesproken over de ‘zonen van God’, terwijl in andere Hebreeuwse handschriften ‘zonen van Israël’ staat, zoals ook in de NBV21 wordt weergegeven.
In deze oude tekstlezing worden de grenzen van de volken verbonden met de ‘zonen van God’. Dit geeft een bijzondere blik op de verdeling van de volken: naast de aardse grenzen komt ook een hemelse werkelijkheid in beeld. Israël wordt daarbij beschreven als het eigen deel van de HEER.
Ook in Daniël 10 zien we een verbinding tussen aardse koninkrijken en de geestelijke wereld. Een hemelse boodschapper vertelt dat hij werd tegengehouden door de ‘vorst van het Perzische koninkrijk’, totdat Michaël hem te hulp kwam. Later wordt ook de vorst van Griekenland genoemd (Daniël 10:13, 20–21). Daniël krijgt hier een blik op een strijd die zich niet alleen tussen aardse koninkrijken afspeelt, maar ook in de geestelijke wereld. De vorsten van Perzië en Griekenland worden verbonden met die geestelijke strijd.
Door het Oude Testament heen lezen we hoe de volken hun eigen goden aanbidden en hoe ook Israël herhaaldelijk wordt verleid om daarin mee te gaan. God had Israël juist geroepen om Hem trouw te blijven en zich niet tot andere goden te wenden (Deuteronomium 4:19–20).
De Bijbel maakt daarbij een bijzonder onderscheid. Aan de ene kant worden afgodsbeelden beschreven als voorwerpen die door mensenhanden zijn gemaakt en uit zichzelf niets kunnen. Psalm 115 spreekt over beelden van zilver en goud die wel een mond en ogen hebben, maar niet kunnen spreken of zien (Psalm 115:4–8). Jesaja 44 beschrijft hoe iemand van een stuk hout een afgodsbeeld maakt en daar vervolgens voor neerknielt (Jesaja 44:9–20).
Toch maakt de Bijbel duidelijk dat afgoderij meer is dan het aanbidden van een beeld dat door mensenhanden is gemaakt. In Deuteronomium 32:17 lezen we dat Israël offers bracht aan demonen, aan goden die het niet kende. Paulus maakt hetzelfde onderscheid. Hij schrijft dat een afgodsbeeld op zichzelf niets is, maar dat de offers die aan andere goden worden gebracht, in werkelijkheid aan demonen worden gebracht. Hij waarschuwt gelovigen om hier niet aan deel te nemen (1 Korintiërs 8:4; 10:19–21).
Psalm 115 gaat nog een stap verder. De psalm zegt dat degenen die afgodsbeelden maken en erop vertrouwen, aan hen gelijk zullen worden (Psalm 115:8). Wat mensen aanbidden, heeft invloed op wie zij worden en hoe zij leven. God heeft de mens naar Zijn beeld geschapen om Zijn goedheid en gerechtigheid zichtbaar te maken. Maar wanneer mensen zich richten op andere goden, raken zij verwijderd van die roeping. In de Bijbel zien we hoe afgoderij samengaat met misleiding, onderdrukking en onrecht.
In Psalm 82 zien we dat ook de goden die gezag uitoefenen, verantwoording moeten afleggen aan de HEER. God spreekt hen aan op het onrecht dat onder hun gezag plaatsvindt. Zij moeten recht doen aan weerlozen en wezen en opkomen voor verdrukten en zwakken (Psalm 82:1–4). Hoewel zij goden worden genoemd, zullen zij sterven als mensen en vallen als iedere andere vorst (Psalm 82:6–7).
De psalm eindigt met het gebed dat God Zelf recht zal spreken over de aarde, want alle volken behoren uiteindelijk aan Hem toe (Psalm 82:8).
Toch laat God de volken niet los. Zijn belofte aan Abraham loopt als een rode draad door de rest van de Bijbel en komt uiteindelijk samen in Jezus, door Wie mensen uit alle volken worden uitgenodigd om deel te worden van Gods volk.
Israël en de machten van de volken
Israël was geroepen om tussen de volken als Gods eigen volk te leven en Hem te vertegenwoordigen. Toch vertelt het Oude Testament hoe Israël herhaaldelijk verstrikt raakt in de afgoderij van de omliggende volken. Bij de Sinaï maken de Israëlieten een gouden kalf en eenmaal in het beloofde land gaan zij ook de Baäls en Astartes aanbidden.
In het oude Nabije Oosten werden verschillende goden verbonden met regen, vruchtbaarheid, oogsten, oorlog en bescherming. Baäl werd bijvoorbeeld vereerd als storm- en regengod. Voor mensen die afhankelijk waren van landbouw, waren regen en een goede oogst van levensbelang. De Israëlieten zochten daarom niet alleen hun vertrouwen bij de HEER, maar ook bij andere goden, in de hoop op voorspoed en veiligheid. De profeet Hosea beschrijft hoe Israël zijn graan, wijn en olie aan Baäl toeschreef, terwijl het juist de HEER was Die daarin voorzag (Hosea 2:7–10).
De gevolgen van deze afgoderij konden ernstig zijn. Sommige koningen lieten zelfs hun eigen kinderen offeren en Jeremia beschrijft hoe zonen en dochters werden verbrand op offerplaatsen in het dal van Ben-Hinnom (Jeremia 7:30–31). Psalm 106 verbindt het offeren van kinderen aan de goden van Kanaän met offers aan demonen (Psalm 106:37–38).
De profeten beschrijven Israëls afgoderij als ontrouw aan de HEER. Het volk dat geroepen was om Gods goedheid en gerechtigheid zichtbaar te maken, nam praktijken over die tegenover Zijn bedoeling stonden.
Uiteindelijk wordt Jeruzalem verwoest en wordt een deel van het volk in ballingschap weggevoerd naar Babylon. In die periode leeft Daniël onder de macht van buitenlandse koninkrijken. In een van zijn visioenen ziet hij vier grote dieren uit de zee opkomen, die verschillende wereldrijken vertegenwoordigen (Daniël 7).
In Genesis 1 krijgt de mens de opdracht om naar Gods beeld over de dieren te heersen, maar in Daniël 7 worden menselijke koninkrijken zelf als wilde dieren voorgesteld. In plaats van Gods goede regering zichtbaar te maken, gebruiken zij hun macht om te overheersen en te onderdrukken.
Vervolgens ziet Daniël hoe God plaatsneemt om recht te spreken. De macht van de dieren wordt weggenomen en er verschijnt iemand die eruitziet als een mens, een mensenzoon. Hij ontvangt van God een eeuwig koningschap en alle volken zullen hem dienen (Daniël 7:9–14). Later wordt gezegd dat ook de heiligen van de Allerhoogste het koningschap zullen ontvangen (Daniël 7:18, 27).
Tegenover de koninkrijken die als wilde dieren worden voorgesteld, staat het koningschap dat God geeft. Deze beelden krijgen een belangrijke plaats in het Nieuwe Testament, waar Jezus Zichzelf de Mensenzoon noemt.
De profeten blijven uitzien naar een toekomst waarin Gods regering over de hele aarde zichtbaar wordt. Jesaja beschrijft hoe de volken naar de HEER zullen komen om Zijn wegen te leren en waarin oorlog plaatsmaakt voor vrede (Jesaja 2:2–4).
Jezus en Gods Koninkrijk
Jezus begint Zijn bediening met de aankondiging dat Gods Koninkrijk nabij is (Marcus 1:15). Hij geneest zieken, vergeeft zonden en bevrijdt mensen die door onreine geesten worden gekweld.
Aan het begin van Zijn bediening wordt Jezus in de woestijn door de duivel verzocht. De duivel laat Hem de koninkrijken van de wereld zien en zegt dat hij ze aan Jezus zal geven wanneer Jezus hem aanbidt. Jezus weigert en antwoordt dat alleen God aanbeden en gediend moet worden (Matteüs 4:8–10; Lucas 4:5–8).
Hier komt een thema terug dat we al vanaf Genesis tegenkomen. De mens werd geschapen om namens God over Zijn wereld te regeren, maar liet zich door de slang verleiden om zijn eigen weg te kiezen. Ook Israël werd geroepen om trouw te blijven aan de HEER, maar keerde zich herhaaldelijk naar andere goden.
Waar de mens en Israël tekortschoten, blijft Jezus trouw aan Zijn Vader. Hij kiest niet voor de macht die de duivel Hem aanbiedt, maar blijft gehoorzaam aan God.
Wanneer Jezus in de synagoge van Kafarnaüm een man met een onreine geest ontmoet, herkent die geest Hem als ‘de heilige van God’ (Marcus 1:23–24). Nog voordat de mensen goed begrijpen Wie Jezus is, wordt Zijn gezag in de geestelijke wereld al herkend.
Jezus verbindt het bevrijden van mensen van demonen met de komst van Gods Koninkrijk. Wanneer Jezus ervan wordt beschuldigd demonen uit te drijven door de macht van Beëlzebul, wijst Hij erop dat Satan daarmee tegen zichzelf zou strijden. Vervolgens zegt Hij: ‘Als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen’ (Matteüs 12:25–28).
Jezus vergelijkt Satan daarna met een sterke man die zijn huis bewaakt. Wie zijn huis wil binnengaan en zijn bezittingen wil meenemen, moet hem eerst vastbinden (Matteüs 12:29). Daarmee maakt Jezus duidelijk wat er gebeurt wanneer Hij mensen van demonen bevrijdt: Hij dringt het machtsgebied van Satan binnen en doorbreekt zijn macht over mensen.
Wanneer Jezus mensen van onreine geesten bevrijdt, wordt Gods Koninkrijk zichtbaar midden in een wereld waarin zonde, dood en andere machten nog werkzaam zijn.
Dat wordt ook zichtbaar in Marcus 5. Daar ontmoet Jezus een man die tussen de graven leeft, geïsoleerd is geraakt en zichzelf verwondt. Nadat Jezus hem heeft bevrijd, zien de omstanders hem rustig en gekleed bij Jezus zitten (Marcus 5:1–20). Daarna stuurt Jezus hem terug naar huis, naar zijn eigen mensen, om te vertellen wat de Heer voor hem heeft gedaan.
Jezus betrekt Zijn leerlingen bij dit werk. Wanneer Hij de twaalf uitzendt, geeft Hij hun gezag over onreine geesten en de opdracht Gods Koninkrijk bekend te maken (Matteüs 10:1, 7–8).
In Lucas 10 lezen we hoe Jezus een grotere groep leerlingen uitzendt om Gods Koninkrijk bekend te maken. Wanneer zij terugkeren, vertellen ze enthousiast dat zelfs de demonen zich in Jezus' naam aan hen onderwerpen. Jezus antwoordt dat Hij Satan als een bliksemflits uit de hemel heeft zien vallen (Lucas 10:17–18). Daarmee wordt zichtbaar dat Satans macht terrein verliest nu Gods Koninkrijk doorbreekt.
Toch verlegt Jezus de aandacht van Zijn leerlingen. Ze moeten zich niet verheugen over hun gezag over de geesten, maar omdat hun namen in de hemel geschreven staan (Lucas 10:20). Hun grootste vreugde ligt niet in de macht die zij ontvangen, maar in het feit dat zij bij God horen.
Meer over de komst en betekenis van Gods Koninkrijk lees je in Gods Koninkrijk. Over de plaats van genezingen, bevrijdingen en andere wonderen binnen Jezus' bediening lees je in Tekenen en wonderen.
Het kruis en de overwinning op de machten
Jezus overwint het kwaad op een heel andere manier dan de koninkrijken van deze wereld. Hij verzamelt geen leger en grijpt geen politieke macht. Zijn weg loopt naar het kruis.
Tijdens Zijn arrestatie spreekt Jezus over het uur waarin de duisternis haar macht toont (Lucas 22:53). Religieuze leiders verwerpen Hem, de Romeinen veroordelen Hem en Jezus wordt gedood.
Paulus schrijft dat God ons door Jezus onze overtredingen heeft vergeven en dat wat ons aanklaagde, aan het kruis is weggenomen. Vervolgens zegt hij dat Jezus de machten en krachten heeft ontwapend en openlijk te schande heeft gemaakt (Kolossenzen 2:13–15).
Het kruis, dat in de ogen van de wereld een nederlaag leek, wordt de plaats waar Gods overwinning zichtbaar wordt. Door Zijn dood en opstanding doorbreekt Jezus de macht van zonde en dood en opent Hij de weg naar een nieuw leven onder Gods koningschap.
Ook Hebreeën verbindt Jezus' dood met de overwinning op de duivel. Door Zelf mens te worden en te sterven, bevrijdt Hij mensen die hun leven lang in slavernij werden gehouden door angst voor de dood (Hebreeën 2:14–15).
Waar mensen en koninkrijken door de Bijbel heen naar macht en grootheid grijpen, kiest Jezus een andere weg. Filippenzen 2 beschrijft hoe Hij Zichzelf vernederde, een dienaar werd en gehoorzaam bleef tot de dood aan het kruis (Filippenzen 2:5–8).
God wekt Jezus op uit de dood en verhoogt Hem boven iedere vorst, heerser, macht en kracht (Efeziërs 1:20–21). Uiteindelijk zal alles in de hemel en op aarde onder Christus worden samengebracht (Efeziërs 1:9–10).
Na Zijn opstanding zegt Jezus tegen Zijn leerlingen dat Hem alle macht in de hemel en op de aarde is gegeven (Matteüs 28:18). Zijn gezag beperkt zich dus niet tot de aarde, maar omvat de hele schepping. Vanuit dat gezag zendt Hij Zijn leerlingen uit om mensen uit alle volken tot Zijn leerlingen te maken (Matteüs 28:19–20).
God schiep de mens naar Zijn beeld en gaf hem verantwoordelijkheid over Zijn wereld. Psalm 8 kijkt terug naar die roeping. God geeft de mens een bijzondere plaats binnen Zijn schepping, kroont hem met glans en glorie en vertrouwt hem het werk van Zijn handen toe (Psalm 8:5–7).
Hebreeën 2 haalt deze psalm later opnieuw aan. Nog niet alles is aan de mens onderworpen, maar dan wordt de aandacht op Jezus gericht. Hij heeft geleden en is gestorven en wordt met eer en luister gekroond (Hebreeën 2:8–9).
In Jezus zien we waar de roeping van de mens vanaf het begin op gericht was. Waar de mens tekortschiet, blijft Jezus trouw aan God. Door Zijn dood en opstanding opent Hij de weg naar het leven waarvoor God de mens heeft geschapen.
Een nieuwe mensheid en geestelijke strijd
De christenen in Efeze leefden in een wereld waarin de aanbidding van andere goden en het gebruik van magie een grote plaats innamen. De stad stond bekend om de indrukwekkende tempel van Artemis, een godin die door veel inwoners werd vereerd. In Handelingen 19 lezen we hoe mensen tot geloof in Jezus komen en afstand nemen van hun vroegere praktijken. Sommigen brengen hun boeken over magie bijeen en verbranden ze, terwijl de groei van het geloof in Jezus ook weerstand oproept bij mensen die hun inkomsten verdienen aan de verering van Artemis (Handelingen 19:18–27).
Tegen deze achtergrond schrijft Paulus over Jezus, Die uit de dood is opgewekt en door God boven iedere vorst, heerser, macht en kracht is verhoogd (Efeziërs 1:20–21). De machten die in de wereld invloed uitoefenen, hebben niet het laatste woord. Jezus is de Koning aan Wie God het hoogste gezag heeft gegeven.
Maar wat betekent Zijn overwinning voor de mensen die Hem volgen?
Paulus laat zien dat Jezus niet alleen afzonderlijke mensen met God verzoent, maar ook een nieuwe gemeenschap vormt. Eeuwenlang bestond er een scheiding tussen Israël en de andere volken. Israël had Gods verbond en Zijn geboden ontvangen, terwijl de andere volken buiten dat verbond stonden. Door Jezus wordt deze scheiding doorbroken. Mensen uit Israël en uit de andere volken krijgen door dezelfde Geest toegang tot de Vader en worden samen opgebouwd tot één nieuwe mensheid (Efeziërs 2:11–22).
Hier zien we hoe Gods belofte aan Abraham verder in vervulling gaat. Na de verspreiding van de volken in Genesis 11 roept God Abraham en belooft Hij dat alle families op aarde door hem gezegend zullen worden (Genesis 12:1–3).
Wat bij Babel uit elkaar viel, begint God door Jezus weer samen te brengen. De volken die hun eigen goden aanbaden, worden nu uitgenodigd om de God van Israël te leren kennen en deel te worden van Zijn volk. Op de pinksterdag horen mensen uit verschillende volken het goede nieuws in hun eigen taal (Handelingen 2:5–11).
In Efeziërs zien we hoe deze belofte verder werkelijkheid wordt. Mensen uit Israël en uit de andere volken worden door Jezus met God en met elkaar verzoend. Zij ontvangen dezelfde Geest en worden samen opgebouwd tot één nieuwe mensheid. Gods Koninkrijk is niet langer verbonden met één volk, maar mensen uit alle volken worden uitgenodigd om Jezus als Koning te volgen.
Paulus beschrijft deze gemeenschap als een tempel waarin God door Zijn Geest woont (Efeziërs 2:19–22). Dat brengt ons terug bij Gods bedoeling vanaf het begin: Hij schiep de mens om in verbondenheid met Hem te leven en Zijn aanwezigheid en goede regering zichtbaar te maken op aarde. Wat door menselijke opstand, afgoderij en verdeeldheid werd verstoord, begint God door Jezus te herstellen.
Vervolgens schrijft Paulus iets bijzonders. Door de gemeente wordt Gods veelkleurige wijsheid bekendgemaakt aan de vorsten en heersers in de hemelsferen (Efeziërs 3:10). De gemeenschap van Joden en niet-Joden, die door Jezus met God en met elkaar zijn verzoend, maakt zelfs aan de geestelijke machten zichtbaar wat God tot stand brengt. Waar verdeeldheid en vijandschap heersten, ontstaat een nieuwe mensheid waarin Gods vrede en wijsheid zichtbaar worden.
Daarom is het belangrijk dat Paulus verderop zoveel aandacht besteedt aan de manier waarop gelovigen met elkaar omgaan. Hij roept hen op om de eenheid van de Geest te bewaren, de leugen af te leggen, elkaar te vergeven en in liefde te leven (Efeziërs 4:1–5:2). Dit zijn geen losse gedragsregels. Het gaat om een nieuwe manier van leven die past bij de gemeenschap die Jezus heeft gevormd.
Aan het einde van de brief spreekt Paulus over de geestelijke strijd. Hij schrijft dat onze strijd niet gericht is tegen mensen van vlees en bloed, maar tegen de vorsten, heersers en machten van deze duistere wereld en tegen de kwade geesten in de hemelsferen (Efeziërs 6:10–12).
De gemeente wordt niet geroepen om mensen te bestrijden, maar om stand te houden tegenover het kwaad. Dat sluit aan bij Jezus' onderwijs om zelfs vijanden lief te hebben en te bidden voor wie ons vervolgen (Matteüs 5:44).
Paulus gebruikt daarvoor het beeld van Gods wapenrusting. Hij noemt waarheid, gerechtigheid, bereidheid om het evangelie van de vrede bekend te maken, geloof, redding, Gods woord en gebed (Efeziërs 6:13–18). Deze beelden komen voor een deel uit Jesaja, waar God Zelf wordt beschreven als een krijger die gerechtigheid en redding brengt. Hij draagt gerechtigheid als een harnas en de helm van redding op Zijn hoofd (Jesaja 59:17).
Dat is een betekenisvolle verbinding. De gemeente wordt opgeroepen om stand te houden met de wapenrusting van God Zelf. Paulus heeft eerder in zijn brief al laten zien hoe dat leven eruitziet: waarheid spreken, elkaar vergeven, de vrede bewaren en in liefde wandelen. Geestelijke strijd staat daarmee niet los van het dagelijks leven als leerling van Jezus. Hij eindigt zijn oproep met de aansporing om bij iedere gelegenheid te bidden (Efeziërs 6:18–20).
Jezus staat boven iedere macht en door Zijn Geest vormt Hij een nieuwe mensheid. De geestelijke strijd is daarmee nog niet voorbij, maar Gods Koninkrijk wordt al zichtbaar in een gemeenschap die leert leven onder Zijn koningschap. Waar mensen door het kwaad tegenover elkaar komen te staan, brengt Jezus verzoening en vrede. Zijn volgelingen worden geroepen om midden in deze wereld trouw aan Hem te blijven, totdat God Zijn schepping volledig nieuw maakt.
Meer over de komst en het werk van de Heilige Geest lees je in De Heilige Geest. Over Paulus' oproep om stand te houden tegenover geestelijke machten lees je in De wapenrusting van God.
De machten in Openbaring
In Openbaring 12 wordt de grote draak ‘de slang van weleer’ genoemd, de duivel of satan die de hele wereld misleidt (Openbaring 12:9). In Openbaring 13 verschijnen vervolgens beesten die verbonden zijn met politieke macht, geweld, aanbidding en economische controle.
In Daniël en Openbaring worden wereldrijken voorgesteld als wilde dieren. Daarmee laten deze visioenen zien hoe menselijke macht, die bedoeld was om Gods goede schepping te dienen, kan veranderen in geweld, overheersing en opstand tegen God.
Ook Babylon verschijnt opnieuw. Het historische Babylon uit het Oude Testament was in de tijd van de eerste lezers al lang niet meer het wereldrijk dat Gods volk beheerste. Toch noemt Johannes de stad Babylon.
In Babel proberen mensen voor zichzelf een naam te maken en bouwen zij samen aan een wereld waarin zij hun eigen veiligheid zoeken. Eeuwen later verwoest het Babylonische rijk Jeruzalem en voert het Gods volk in ballingschap. In Openbaring wordt Babylon opnieuw een beeld van een wereld waarin rijkdom, uitbuiting, macht, geweld en afgoderij samenkomen.
Tegenover de draak, de beesten en Babylon staat het Lam. Johannes hoort over de leeuw uit de stam Juda en ziet vervolgens een Lam dat eruitziet alsof het geslacht is (Openbaring 5:5–6). Waar de beesten hun macht uitoefenen door geweld, overheersing en misleiding, overwint Jezus door Zijn trouw en zelfgave.
Zijn volgelingen worden geroepen om Hem daarin te volgen. Ook zij overwinnen niet door dezelfde middelen te gebruiken als de machten waartegen zij zich verzetten, maar door trouw te blijven aan het Lam, zelfs wanneer dat hun leven kost (Openbaring 12:11).
In Openbaring 7 ziet Johannes een ontelbare menigte uit alle landen, volken, stammen en talen voor Gods troon staan (Openbaring 7:9). Gods belofte aan Abraham, dat alle families op aarde door hem gezegend zouden worden, krijgt zo ook in Openbaring een plaats. Door Jezus brengt God mensen uit alle volken samen onder Zijn koningschap.
Uiteindelijk komt deze strijd tot een einde. Babylon valt, de duivel die de volken misleidt wordt geoordeeld en ook de dood en het dodenrijk verdwijnen (Openbaring 18–20).
Daarna ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het nieuwe Jeruzalem daalt vanuit de hemel naar de aarde en God woont bij de mensen (Openbaring 21:1–3). Aan het einde wordt over Gods dienaren gezegd dat zij voor eeuwig als koningen zullen heersen (Openbaring 22:5).
God schiep mensen naar Zijn beeld en gaf hun verantwoordelijkheid over Zijn goede wereld. Aan het einde maakt God Zijn schepping nieuw en krijgt de mens opnieuw de plaats waarvoor God hem vanaf het begin heeft geschapen.
Geestelijke praktijken vandaag de dag
Ook vandaag zoeken mensen op verschillende manieren contact met de geestelijke wereld. Waarzeggerij, tarotkaarten, astrologie, mediums en het proberen contact te leggen met overledenen zijn voorbeelden van praktijken waarmee mensen op zoek gaan naar antwoorden, leiding of kennis over hun toekomst.
Ook binnen New Age-spiritualiteit komen verschillende van deze praktijken voor. Daarbij wordt bijvoorbeeld gezocht naar spirituele begeleiding, verborgen kennis of verbinding met geestelijke energieën. Deze overtuigingen en praktijken raken aan vragen die ook in de Bijbel aan de orde komen: bij wie zoeken mensen wijsheid, op wie stellen zij hun vertrouwen en van wie verwachten zij leiding?
In het Oude Testament waarschuwt God Israël nadrukkelijk tegen waarzeggerij, het raadplegen van geesten en het zoeken van contact met de doden (Deuteronomium 18:9–14). In 1 Samuël 28 lezen we hoe koning Saul, wanneer hij geen antwoord van de HEER ontvangt, zijn toevlucht zoekt tot een vrouw die geesten kan raadplegen. Daarmee wendt hij zich tot een praktijk die God uitdrukkelijk had verboden.
Ook in het Nieuwe Testament komen we dergelijke praktijken tegen. In Handelingen 16 ontmoet Paulus een slavin die door een waarzeggende geest wordt beheerst en met haar voorspellingen veel geld verdient voor haar eigenaars (Handelingen 16:16–18).
De Bijbel waarschuwt nadrukkelijk tegen het raadplegen van geesten, waarzeggerij en het zoeken naar verborgen kennis via geestelijke machten. Deze praktijken worden niet als onschuldige manieren om antwoorden te vinden voorgesteld, maar als wegen die mensen afbrengen van hun vertrouwen op God. De vraag die daarbij centraal staat, is bij wie mensen hun wijsheid, bescherming en leiding zoeken. God heeft de mens geschapen om in verbondenheid met Hem te leven en op Zijn wijsheid te vertrouwen, niet om afhankelijk te worden van andere geestelijke machten.
Hoe kan geestelijke strijd vandaag zichtbaar worden?
Geestelijke strijd beperkt zich niet tot het raadplegen van geesten, waarzeggerij of confrontaties met demonen. Paulus laat zien hoe geestelijke machten, menselijke verlangens en de manier waarop deze wereld functioneert met elkaar verweven kunnen zijn.
In Efeziërs 2 schrijft hij over mensen die leven volgens de manier van deze wereld, onder invloed van ‘de heerser over de machten in de lucht’, en tegelijkertijd hun eigen verlangens volgen (Efeziërs 2:1–3). Het kwaad kan daarmee invloed krijgen op de manier waarop mensen denken, verlangen en leven.
Geld kan iets worden waarin iemand veiligheid zoekt. Succes en aanzien kunnen gaan bepalen hoeveel waarde iemand zichzelf geeft. Macht kan worden gebruikt om anderen te beheersen. Seks, bezit of erkenning kunnen zo belangrijk worden dat iemand daarin geluk of vervulling gaat zoeken. Angst kan steeds meer richting geven aan keuzes en bitterheid kan groeien totdat een ander alleen nog als vijand wordt gezien.
Dat betekent niet dat iedere ziekte, angst, verkeerde gedachte of zonde rechtstreeks door een demon wordt veroorzaakt. De Bijbel maakt onderscheid tussen menselijke verlangens, lichamelijk lijden en situaties waarin onreine geesten een rol spelen. Geestelijke strijd vraagt daarom om onderscheidingsvermogen, zonder achter ieder probleem een geestelijke macht te zoeken.
Voor mensen die Jezus volgen blijft de vraag terugkomen naar welke stem zij luisteren en waardoor zij zich laten leiden. In Efeziërs wordt dat heel concreet. Paulus schrijft over waarheid, vergeving, liefde, dankbaarheid en vrede tegenover leugen, bitterheid, hebzucht en verdeeldheid (Efeziërs 4:17–5:21).
Johannes waarschuwt gelovigen om niet iedere geest te vertrouwen, maar te onderzoeken of een geest van God afkomstig is (1 Johannes 4:1–3). Daarbij richt hij de aandacht op Jezus Christus, Die werkelijk als mens gekomen is. Geestelijk onderscheidingsvermogen vraagt daarom niet alleen aandacht voor bijzondere ervaringen, maar ook voor de vraag of wat mensen verkondigen overeenkomt met Wie Jezus is en wat Hij heeft onderwezen.
Ook binnen een kerk of bediening kan macht een verkeerde plaats krijgen. Geestelijke taal kan worden gebruikt om mensen te manipuleren, te beheersen of onder druk te zetten.
Meer over geestelijke misleiding, valse profeten en het toetsen van geestelijke ervaringen lees je in Misleiding in de Bijbel.
Geestelijke strijd kan ook zichtbaar worden wanneer mensen onder druk worden gezet om hun trouw aan Jezus op te geven. In Openbaring zien we politieke en economische machten die mensen proberen mee te trekken in hun manier van leven en aanbidding. Gods volk wordt opgeroepen om trouw te blijven aan het Lam, ook wanneer dat gevolgen heeft.
Paulus schrijft dat de strijd niet tegen mensen van vlees en bloed is. Andere mensen zijn niet de vijand. Ook wanneer iemand heel anders denkt, tegenstand biedt of kwaad doet, roept Jezus Zijn leerlingen op om lief te hebben, te vergeven, recht te doen en vrede te zoeken.
God heeft de mens geschapen om naar Zijn beeld te leven en Zijn goede regering zichtbaar te maken op aarde. Maar door menselijke en geestelijke opstand raakt die bedoeling verstoord. Geestelijke machten misleiden mensen, trekken hun trouw en aanbidding weg van God en dragen bij aan een wereld waarin onrecht, onderdrukking en dood hun invloed laten gelden.
Maar God laat Zijn schepping niet los. In Jezus is Zijn Koninkrijk doorgebroken. Door Zijn dood en opstanding heeft Hij de machten overwonnen en de weg geopend naar een nieuw leven onder Gods koningschap. Door Zijn Geest vormt Hij een nieuwe mensheid die leert leven zoals God het vanaf het begin heeft bedoeld.
Zijn volgelingen worden geroepen om midden in deze wereld trouw aan Hem te blijven, Zijn goede nieuws bekend te maken en te leven naar Zijn onderwijs. We zien nog niet dat alle machten zijn verdwenen, maar mogen uitzien naar de dag waarop God Zijn schepping volledig nieuw maakt en hemel en aarde voorgoed samenkomen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb