De smalle en de brede weg
Aan het einde van de Bergrede spreekt Jezus over de smalle en de brede weg. De ene leidt naar het leven, de andere naar de ondergang. Dit beeld heeft diepe wortels in de Schriften van Israël. Vanaf Genesis komt de keuze al naar voren om op Gods wijsheid te vertrouwen of zelf te bepalen wat goed en kwaad is. Ook in de Torah, de Psalmen, Spreuken en de Profeten lezen we over wegen die naar het leven of naar de dood leiden.
Wanneer Jezus over deze twee wegen spreekt, heeft Hij Zijn leerlingen onderwezen over het leven onder Gods koningschap. Zijn woorden vormen de afsluiting van de Bergrede en nodigen ons uit om stil te staan bij de betekenis van Zijn onderwijs.
Wat betekenen de smalle en de brede weg binnen de grotere lijn van de Bijbel? Hoe komen deze beelden samen in Jezus' onderwijs en wat betekent het voor ons vandaag?
De afsluiting van de Bergrede
Jezus spreekt over de smalle en de brede weg aan het einde van Zijn onderwijs in Matteüs 5–7. Aan het begin van Zijn openbare optreden verkondigt Hij dat het Koninkrijk van de hemel nabij is (Matteüs 4:17). Wanneer Hij de berg opgaat, begint Hij Zijn leerlingen te onderwijzen over het leven onder Gods koningschap.
Zijn onderwijs begint met de zaligsprekingen, waarin Hij mensen gelukkig prijst die arm van geest zijn, verdriet hebben, zachtmoedig zijn, verlangen naar gerechtigheid, barmhartig zijn, zuiver van hart zijn en vrede brengen. Ook degenen die vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, noemt Hij gelukkig (Matteüs 5:3–12).
Daarna noemt Jezus Zijn leerlingen het zout van de aarde en het licht voor de wereld. Hij roept hen op om midden in deze wereld iets zichtbaar te maken van Gods goedheid en gerechtigheid, zodat mensen hun hemelse Vader zullen eren (Matteüs 5:13–16).
Jezus leert Zijn leerlingen hoe zij in een wereld waarin onrecht, geweld en vijandschap aanwezig zijn, mogen leven onder Gods koningschap. Hij spreekt over verzoening, trouw, vijandenliefde, gebed, vergeving, vrijgevigheid en vertrouwen op de Vader. Zijn onderwijs gaat over onze woorden en daden, maar ook over wat er in ons hart leeft, onze verlangens en de bedoelingen waarmee we handelen.
Vlak voordat Jezus over de twee wegen spreekt, zegt Hij:
‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.’
(Matteüs 7:12)
Met deze woorden vat Jezus veel van Zijn onderwijs samen.
Hij spreekt eerst over twee poorten en twee wegen (Matteüs 7:13–14). Daarna waarschuwt Hij voor valse profeten en gebruikt Hij het beeld van bomen die aan hun vruchten herkend worden (Matteüs 7:15–20).
Ook waarschuwt Hij dat niet iedereen die Hem ‘Heer, Heer’ noemt het Koninkrijk zal binnengaan, maar alleen wie handelt naar de wil van Zijn Vader (Matteüs 7:21–23).
Ten slotte vertelt Jezus over twee mensen die allebei een huis bouwen. De een bouwt op de rots en de ander op zand. Beiden horen Zijn woorden, maar het verschil is dat de een ernaar handelt en de ander niet (Matteüs 7:24–27).
Zo vormen het begin en het einde van de Bergrede samen een geheel.
Meer over Jezus' onderwijs in Matteüs 5–7 en de samenhang tussen de verschillende onderdelen lees je in De Bergrede.
De weg naar het leven
Het beeld van een weg die naar het leven leidt, heeft diepe wortels in de Hebreeuwse Bijbel. Al in Genesis ontdekken we wat Gods bedoeling met de mens is en hoe de mens voor de keuze komt te staan om op Zijn wijsheid te vertrouwen of zelf te bepalen wat goed en kwaad is.
God schept een goede wereld en maakt de mens naar Zijn evenbeeld. Daarmee krijgt de mens een bijzondere plaats en roeping binnen de schepping. Hij wordt geroepen om namens God over de aarde te heersen, voor Zijn schepping te zorgen en iets van Zijn karakter, wijsheid en goedheid zichtbaar te maken (Genesis 1:26–28).
In Genesis 2 plaatst God de mens in de tuin van Eden, waar hij de opdracht krijgt om de tuin te bewerken en erover te waken.
In de tuin staan twee bijzondere bomen: de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. God geeft de mens toestemming om van alle bomen te eten, met één uitzondering. Van de boom van de kennis van goed en kwaad mag hij niet eten (Genesis 2:16–17).
De mens ontvangt het leven van God en wordt geroepen om op Zijn wijsheid te vertrouwen. Wanneer de slang verschijnt, begint hij twijfel te zaaien over Gods woorden en bedoelingen. Hij laat de mens geloven dat God iets goeds achterhoudt en dat hij zelf wijsheid kan verkrijgen door van de verboden vrucht te eten. De vrouw neemt van de vrucht en eet ervan, waarna ook haar man ervan eet.
Al snel worden de gevolgen zichtbaar. Schaamte, angst, beschuldigingen en gebroken relaties doen hun intrede. Uiteindelijk wordt de mens uit de tuin gestuurd en wordt de toegang tot de levensboom afgesloten (Genesis 3:24).
De mens is geschapen om in Gods aanwezigheid te leven en Zijn karakter te weerspiegelen in de wereld. In Genesis 3 zien we hoe het wantrouwen van Gods wijsheid gevolgen heeft voor de relatie met God, met elkaar en met de schepping.
In het volgende hoofdstuk zien we hoe deze gevolgen zich verder ontwikkelen. Wanneer Kaïn boos wordt op zijn broer Abel, waarschuwt God hem dat de zonde aan zijn deur ligt en naar hem verlangt (Genesis 4:7). Ook Kaïn staat voor de keuze om naar Gods woorden te luisteren of zich door de zonde te laten leiden. Kaïn geeft geen gehoor aan Gods waarschuwing. Zijn boosheid groeit uit tot geweld en uiteindelijk doodt hij zijn broer Abel (Genesis 4:1–16).
Enkele hoofdstukken later lezen we dat de aarde vol geweld is geraakt (Genesis 6:11–13). Wat begon met het wantrouwen van Gods wijsheid, groeit uit tot een wereld waarin geweld en onrecht steeds meer ruimte krijgen.
De keuze om op Gods wijsheid te vertrouwen of zelf te bepalen wat goed en kwaad is, blijft door de hele Bijbel heen terugkomen.
Ondanks alles wat er in Genesis 1–11 gebeurt, blijft God werken aan Zijn bedoeling met de mens en Zijn schepping. Vanaf Genesis 12 richt de aandacht zich op Abraham.
Meer over de keuze tussen Gods wijsheid en menselijke wijsheid lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.
De weg van de HEER
Wanneer God Abraham roept, belooft Hij hem tot een groot volk te maken en hem te zegenen. Via Abraham zullen uiteindelijk alle families op aarde gezegend worden (Genesis 12:1–3).
Later lezen we dat God Abraham een bijzondere verantwoordelijkheid geeft:
‘Ik heb hem uitgekozen, hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die de HEER gewezen heeft door rechtvaardig en goed te handelen.’
(Genesis 18:19)
De weg van de HEER wordt hier verbonden met recht en gerechtigheid. Abraham en zijn nakomelingen worden geroepen om naar Gods wijsheid te leven, zodat ook de volken om hen heen iets van Zijn goedheid en rechtvaardigheid kunnen zien.
Wanneer God Israël uit Egypte bevrijdt, krijgt deze roeping verder vorm. Hij heeft het volk uit de slavernij geleid en roept hen op om een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn (Exodus 19:4–6). Israël ontvangt de Torah, Gods onderwijzing, waarin het leert hoe het als Zijn volk mag leven.
Aan het einde van Deuteronomium, wanneer Israël op het punt staat het beloofde land binnen te gaan, stelt Mozes het volk voor een keuze:
‘Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood.’
(Deuteronomium 30:15)
Even later zegt hij:
‘Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen.’
(Deuteronomium 30:19)
Deze woorden hebben betrekking op Israëls leven in het beloofde land. Mozes heeft het volk onderwezen over de zegeningen van het verbond en de gevolgen van ontrouw aan God. Hij roept hen op om de HEER lief te hebben, naar Hem te luisteren en Hem trouw te blijven.
Door de geschiedenis van Israël heen zien we hoe het volk hiermee worstelt. De profeten herinneren Israël steeds opnieuw aan Gods onderwijzing en roepen het volk op om terug te keren naar Hem.
De keuze tussen leven en dood, tussen het volgen van Gods wijsheid en het afwijken van Zijn weg, blijft een belangrijk thema in de Schriften van Israël. Wanneer Jezus later spreekt over de smalle en de brede weg, herkennen we hierin dezelfde oproep om Gods wijsheid te vertrouwen en te leven naar Zijn onderwijzing.
Meer over Gods onderwijzing aan Israël en de roeping van Zijn volk lees je in De Tien Geboden.
Twee wegen in de Psalmen, Spreuken en Profeten
Het beeld van twee wegen vinden we ook terug in de Psalmen en de wijsheidsliteratuur. Psalm 1 beschrijft twee manieren van leven en laat zien waar deze uiteindelijk toe leiden.
De mens die zich verdiept in de onderwijzing van de HEER wordt vergeleken met een boom die aan stromend water staat en op zijn tijd vrucht draagt. Daartegenover staat de weg van mensen die zich van Gods wijsheid afkeren.
‘De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.’
(Psalm 1:6)
In Spreuken worden mensen ook opgeroepen om naar Gods wijsheid te luisteren. Steeds lezen we over de weg van wijsheid en gerechtigheid, tegenover wegen die aantrekkelijk lijken, maar uiteindelijk naar de dood leiden.
‘Een weg kan iemand recht schijnen,
maar aan het eind wacht de dood.’
(Spreuken 14:12)
In Spreuken 9 worden Wijsheid en Dwaasheid voorgesteld als twee vrouwen die allebei mensen uitnodigen om bij hen te komen eten. De Wijsheid roept mensen op om hun onverstand achter zich te laten en de weg van inzicht te gaan, die naar het leven leidt.
Ook de Dwaasheid nodigt mensen uit. Ze probeert hen te verleiden met wat verboden en aantrekkelijk lijkt, maar wie op haar uitnodiging ingaat, beseft niet dat haar huis naar de dood leidt. Beide vrouwen doen een uitnodiging, maar hun wegen leiden naar verschillende uitkomsten. De vraag is naar welke stem de mens zal luisteren.
De profeten gebruiken ook het beeld van een weg om te beschrijven hoe mensen leven en welke gevolgen hun keuzes hebben. Bij Jesaja lezen we hoe onrecht, leugens en geweld de samenleving zijn gaan beheersen:
‘De weg van de vrede kennen ze niet,
recht is op hun paden niet te vinden.’
(Jesaja 59:8)
Het Hebreeuwse woord voor vrede is shalom. Het heeft een bredere betekenis en verwijst naar heelheid, welzijn en het leven zoals God het heeft bedoeld, waarin recht en gerechtigheid een plaats hebben en mensen in vrede met elkaar kunnen leven.
Wanneer Jesaja spreekt over een weg waarop vrede ontbreekt, beschrijft hij hoe mensen door hun handelen steeds verder verwijderd raken van Gods goede bedoeling.
Wanneer Jezus in de Bergrede spreekt over verzoening, vijandenliefde en gerechtigheid, herkennen we daarin de weg van vrede waarover ook de profeten hebben gesproken. Het beeld van twee wegen heeft diepe wortels in de Schriften van Israël.
De nauwe poort en de smalle weg
Aan het einde van de Bergrede zegt Jezus:
‘Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar de ondergang leidt, en velen gaan daardoor naar binnen.’
(Matteüs 7:13)
Jezus spreekt over twee poorten en twee wegen die naar verschillende bestemmingen leiden. De ene weg leidt naar het leven, de andere naar de ondergang. Met deze beelden roept Hij Zijn leerlingen op om een keuze te maken.
In het Grieks gebruikt Matteüs voor de nauwe poort het woord stenos, dat smal of nauw betekent. De weg naar het leven wordt beschreven met het woord tethlimmenē, dat afkomstig is van een werkwoord dat drukken, benauwen of verdrukken kan betekenen. Het beeld van de smalle weg wijst daarmee op een weg die niet altijd gemakkelijk is.
Binnen de Bergrede wordt duidelijk wat het betekent om deze weg te volgen. Jezus heeft Zijn leerlingen onderwezen over verzoening, vijandenliefde, trouw, vrijgevigheid en vertrouwen op de Vader. Hij roept hen op om niet alleen naar Zijn woorden te luisteren, maar er ook naar te leven.
De smalle weg is verbonden met het leven onder Gods koningschap. Het is de weg waarop mensen leren vertrouwen op Gods wijsheid en hun leven laten vormen door het onderwijs van Jezus.
Dat deze weg moeilijkheden met zich mee kan brengen, heeft Jezus al aan het begin van de Bergrede duidelijk gemaakt:
‘Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’
(Matteüs 5:10)
Jezus roept Zijn leerlingen op om Hem te volgen, ook wanneer dat ingaat tegen wat vanzelfsprekend lijkt of weerstand oproept.
Een weg die van binnen begint
Jezus richt Zich in de Bergrede ook op de verlangens en bedoelingen die in het hart van mensen leven.
Wanneer Hij het gebod om niet te moorden bespreekt, richt Hij de aandacht op woede, minachting en het belang van verzoening (Matteüs 5:21–26). Bij Zijn onderwijs over overspel spreekt Hij over de verlangens die in het hart van een mens kunnen groeien (Matteüs 5:27–30).
Wanneer Jezus spreekt over geven, bidden en vasten, waarschuwt Hij ervoor dat mensen deze dingen kunnen doen om door anderen gezien en bewonderd te worden (Matteüs 6:1–18).
Iemand kan aan de buitenkant godsdienstig en rechtvaardig lijken, terwijl zijn gedachten, verlangens en bedoelingen een andere richting opgaan. De weg die Jezus Zijn leerlingen wijst, gaat ook om de verandering van ons hart en de manier waarop we naar anderen kijken.
Dat zien we terug wanneer Jezus Zijn onderwijs over vijandenliefde afsluit met de woorden:
‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’
(Matteüs 5:48)
Het Griekse woord teleios, dat hier met ‘volmaakt’ wordt vertaald, kan ook de betekenis hebben van volledig of heel. Binnen de context van Jezus' onderwijs over vijandenliefde gaat het om een liefde die niet beperkt blijft tot de mensen die ons liefhebben. Jezus wijst daarbij op het karakter van de Vader, Die Zijn zon laat opgaan over goede en slechte mensen en regen geeft aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5:45). Zijn leerlingen worden geroepen om diezelfde liefde zichtbaar te maken, zelfs tegenover hun vijanden.
De smalle weg en het lichte juk van Jezus
Jezus beschrijft de weg naar het leven als een smalle weg die moeilijk kan zijn om te gaan. Toch nodigt Hij enkele hoofdstukken later mensen uit om Zijn juk op zich te nemen en bij Hem rust te vinden:
‘Neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’
(Matteüs 11:29–30)
Hoe kunnen deze woorden samengaan?
Een juk was een houten balk die op de schouders van trekdieren werd gelegd om hen bij hun werk te leiden. In de Joodse wijsheidsliteratuur werd het beeld van een juk ook verbonden met het ontvangen van wijsheid en onderwijzing. In Sirach 51:26–27 worden het dragen van een juk en het vinden van rust met elkaar verbonden.
Wanneer Jezus mensen uitnodigt om Zijn juk op zich te nemen, roept Hij hen op om Zijn leerlingen te worden. Hij presenteert Zichzelf als Degene bij Wie mensen de wijsheid kunnen vinden die hen naar het leven leidt.
In de Bergrede hebben we gezien hoe anders die wijsheid soms is dan wat mensen vanzelfsprekend vinden. Jezus leert Zijn leerlingen om hun vijanden lief te hebben, af te zien van vergelding en hun vertrouwen op de Vader te stellen. Dat vraagt om een andere manier van denken en leven.
Toch noemt Jezus Zijn juk zacht en Zijn last licht. Hij wijst daarbij op Zijn eigen karakter: Hij is zachtmoedig en nederig van hart. Bij Hem mogen mensen die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan rust vinden.
Jezus belooft niet dat het volgen van Hem zonder moeilijkheden zal zijn. Hij nodigt mensen uit om bij Hem te leren leven volgens Gods wijsheid en zo de weg naar het leven te ontdekken.
De brede weg naar de ondergang
Tegenover de smalle weg staat de brede weg die volgens Jezus naar de ondergang leidt. Matteüs gebruikt hiervoor het Griekse woord apōleia, dat ondergang, vernietiging of verloren gaan kan betekenen.
Wie zich van Gods wijsheid afkeert, raakt steeds verder verwijderd van de bedoeling waarvoor God de mens heeft geschapen: om in verbondenheid met Hem te leven en Zijn karakter, goedheid en gerechtigheid zichtbaar te maken in de wereld.
Jezus waarschuwt hiermee voor de uiteindelijke gevolgen van de weg die mensen kiezen. Door de hele Bijbel heen zien we hoe het afwijken van Gods wijsheid leidt tot onrecht, geweld en uiteindelijk de dood. Het beeld van een weg die naar de ondergang leidt, kennen we ook uit Psalm 1 en Spreuken. Daar lezen we over wegen die goed en aantrekkelijk kunnen lijken, maar uiteindelijk doodlopen.
Dat herkennen we ook in de manier waarop mensen hun keuzes rechtvaardigen. Vergelding kan voelen alsof we het recht herstellen, macht kan een gevoel van veiligheid geven en aanzien kan worden gezien als een teken van succes. Toch kunnen zulke verlangens leiden tot onrecht, geweld en gebrokenheid in relaties.
De brede weg hoeft ook niet altijd herkenbaar te zijn aan openlijk kwaad of geweld. In de Bergrede waarschuwt Jezus ook voor mensen die aan de buitenkant godsdienstig lijken, terwijl hun hart en hun manier van leven een andere richting opgaan. Iemand kan Gods woorden kennen en zich beroepen op wat hij in Zijn naam doet, zonder werkelijk te leven naar Zijn onderwijzing. Verderop maakt Jezus dit duidelijk wanneer Hij spreekt over mensen die Hem ‘Heer, Heer’ noemen (Matteüs 7:21–23).
Jezus spreekt deze woorden tegen mensen die leven onder Romeinse overheersing. Binnen Israël bestaan in die tijd verschillende opvattingen over hoe het volk met deze overheersing moet omgaan. Voor sommigen lijkt gewelddadig verzet de weg naar vrijheid en herstel. Tegen deze achtergrond valt op hoe Jezus Zijn leerlingen oproept tot vijandenliefde, vrede en verzoening. Hij wijst een andere weg dan het beantwoorden van geweld met geweld.
Aan hun vruchten zul je hen herkennen
Na de twee wegen waarschuwt Jezus Zijn leerlingen voor valse profeten:
‘Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar in wezen roofzuchtige wolven zijn.’
(Matteüs 7:15)
Jezus waarschuwt voor mensen die zich voordoen als betrouwbare boodschappers van God, terwijl hun woorden en daden een andere richting wijzen. Hij leert Zijn leerlingen om hen aan hun vruchten te herkennen. Zoals een goede boom goede vruchten draagt en een slechte boom slechte vruchten, zo wordt ook aan iemands leven zichtbaar welke weg diegene volgt (Matteüs 7:16–20).
Hier herkennen we opnieuw het beeld uit Psalm 1, waarin de mens die leeft naar Gods onderwijzing wordt vergeleken met een boom die vrucht draagt.
Meer over Jezus' waarschuwingen voor valse profeten en hoe de Bijbel ons leert misleiding te herkennen, lees je in Misleiding in de Bijbel.
‘Heer, Heer’
Na Zijn waarschuwing voor valse profeten spreekt Jezus over mensen die Hem ‘Heer’ noemen en zich beroepen op wat zij in Zijn naam hebben gedaan:
‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’
(Matteüs 7:21)
Jezus beschrijft mensen die in Zijn naam hebben geprofeteerd, demonen hebben uitgedreven en wonderen hebben verricht. Toch zegt Hij tegen hen: ‘Ik heb jullie nooit gekend’ (Matteüs 7:22–23). Jezus spreekt hier over de dag waarop mensen rekenschap zullen afleggen. Daarmee krijgt Zijn waarschuwing ook betrekking op het toekomstige oordeel.
In de Bijbel gaat het kennen van iemand niet alleen over weten wie diegene is, maar verwijst ook naar een persoonlijke relatie en verbondenheid. Jezus maakt duidelijk dat indrukwekkende religieuze daden niet automatisch betekenen dat iemand werkelijk bij Hem hoort.
Hij noemt deze mensen degenen die wetteloosheid bedrijven. Het Griekse woord anomia verwijst naar het handelen in strijd met Gods wet. Eerder in de Bergrede heeft Jezus gezegd dat Hij gekomen is om de Wet en de Profeten tot vervulling te brengen. Hij spreekt over een gerechtigheid die verder reikt dan het naleven van geboden aan de buitenkant (Matteüs 5:17–20).
Vlak hiervoor heeft Jezus gezegd dat een boom aan zijn vruchten wordt herkend. Nu laat Hij zien dat zelfs bijzondere daden die in Zijn naam worden verricht, geen vervanging zijn voor het doen van Gods wil. Het gaat niet alleen om wat mensen over Jezus zeggen of in Zijn naam doen, maar ook om de weg die zij daadwerkelijk volgen.
Twee mensen die dezelfde woorden horen
Jezus sluit de Bergrede af met het beeld van twee mensen die allebei een huis bouwen. De eerste bouwt zijn huis op een rots.
‘Wie deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis bouwde op een rots.’
(Matteüs 7:24)
Wanneer regen, waterstromen en wind het huis treffen, blijft het staan. De tweede man bouwt zijn huis op zand en wanneer dezelfde storm komt, stort zijn huis in (Matteüs 7:24–27).
In Spreuken komen we ook een vergelijkbaar beeld tegen. In Spreuken 10:25 lezen we dat de goddeloze verdwijnt wanneer de storm voorbijtrekt, terwijl de rechtvaardige blijft staan. Het beeld van de storm maakt zichtbaar hoe verschillend de uitkomst van beide levenswegen is.
Aan het begin van de Bergrede heeft Jezus gezegd dat Hij gekomen is om de Wet en de Profeten tot vervulling te brengen (Matteüs 5:17). Nu sluit Hij Zijn onderwijs af door Zijn eigen woorden centraal te stellen. Wie Zijn woorden hoort en ernaar handelt, bouwt op een stevig fundament.
De drie beelden waarmee Jezus de Bergrede afsluit, horen bij elkaar. De twee wegen laten zien welke richting mensen met hun leven opgaan. De bomen en hun vruchten maken zichtbaar wat hun manier van leven voortbrengt. De twee huizen laten zien waarop mensen hun leven bouwen en wat uiteindelijk standhoudt.
In alle drie de beelden komt dezelfde vraag terug: wat doen mensen met de woorden van Jezus? Luisteren zij alleen naar Zijn onderwijs, of vertrouwen zij Hem en brengen zij Zijn woorden ook in praktijk?
De Bergrede eindigt met een vraag die door de hele Bijbel heen terugkomt: vertrouwen mensen op Gods wijsheid en gaan zij Zijn weg, of kiezen zij ervoor hun eigen weg te volgen?
Jezus gaat Zelf de weg naar het leven
Wanneer we verder lezen in het Evangelie van Matteüs, zien we hoe Jezus Zelf leeft volgens wat Hij Zijn leerlingen in de Bergrede heeft onderwezen. In Zijn woorden en daden laat Hij zien wat het betekent om te leven onder Gods koningschap. Hij toont bewogenheid met mensen die lijden, zoekt mensen op die door anderen worden buitengesloten en maakt Gods liefde, barmhartigheid en trouw zichtbaar in de manier waarop Hij leeft.
In Genesis 3 lezen we hoe de eerste mensen in de tuin van Eden voor de keuze komen te staan om op Gods wijsheid te vertrouwen of zelf te bepalen wat goed en kwaad is. Ze zien dat de vrucht aantrekkelijk is, nemen ervan en eten. Wat daarop volgt, zijn schaamte, angst, gebroken relaties en uiteindelijk de dood.
Het verhaal brengt ons van de tuin van Eden naar de tuin van Getsemane. Daar bidt Jezus tot Zijn Vader, terwijl Hij weet welk lijden Hem te wachten staat:
‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’
(Matteüs 26:39)
Waar de eerste mensen Gods wijsheid wantrouwden en zelf namen wat hun goed leek, vertrouwt Jezus Zich toe aan de wil van Zijn Vader, ook wanneer die weg Hem door lijden en dood heen voert.
Wanneer Jezus wordt gearresteerd en een van Zijn leerlingen naar het zwaard grijpt, zegt Hij:
‘Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.’
(Matteüs 26:52)
In de Bergrede had Jezus Zijn leerlingen al opgeroepen om hun vijanden lief te hebben en af te zien van vergelding (Matteüs 5:38–48).
Jezus blijft trouw aan Zijn Vader, ook wanneer die weg Hem naar het kruis leidt. Hij blijft liefhebben, zelfs wanneer mensen Hem afwijzen en geweld tegen Hem gebruiken. In Zijn trouw en liefde laat Jezus zien wie God is. Hij wordt veroordeeld en sterft, maar de dood krijgt niet het laatste woord. God wekt Hem op uit de dood. Door Zijn dood en opstanding overwint Jezus de macht van zonde en dood en opent Hij de weg naar nieuw leven.
Paulus laat zien hoe Jezus' gehoorzaamheid, dood en opstanding passen binnen de grotere lijn van de Bijbel. In Romeinen 5:12–21 plaatst hij Adam en Jezus tegenover elkaar. Door Adams ongehoorzaamheid kwamen zonde en dood de menselijke wereld binnen. Daartegenover staat Jezus' gehoorzaamheid, waardoor de weg naar gerechtigheid en leven wordt geopend.
In 1 Korintiërs 15:21–22 en 45–49 noemt Paulus Jezus de laatste Adam. Daar legt hij de nadruk op de opstanding. Zoals de dood door een mens is gekomen, zo komt ook de opstanding van de doden door een mens. Jezus is de opgestane Mens, in Wie de toekomst van een vernieuwde mensheid zichtbaar wordt.
Gods genade en een vernieuwd hart
Jezus roept Zijn leerlingen op om Zijn woorden te horen en ernaar te leven. In de Bergrede heeft Hij gesproken over onze gedachten en verlangens, over liefde voor vijanden, vergeving, trouw en gerechtigheid. Maar hoe leren mensen leven naar Gods wijsheid, wanneer hun eigen verlangens hen zo vaak een andere richting op trekken?
In de Schriften van Israël lezen we dat God belooft Zijn volk van binnenuit te vernieuwen. Bij de profeet Ezechiël spreekt God tot Israël, dat door zijn ontrouw in ballingschap is geraakt. Hij belooft Zijn volk te reinigen en hun een nieuw hart te geven:
‘Dan zal Ik jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven.’
(Ezechiël 36:26)
In het volgende vers belooft God dat Hij Zijn Geest in hen zal leggen, zodat zij naar Zijn voorschriften zullen leven (Ezechiël 36:27). Ook Jeremia spreekt over een nieuw verbond waarin God Zijn onderwijzing in het hart van Zijn volk zal schrijven (Jeremia 31:31–34).
In het Nieuwe Testament zien we hoe deze beloften verbonden worden met Jezus en de komst van de Heilige Geest. Paulus schrijft dat Gods liefde door de Heilige Geest in ons hart is uitgegoten (Romeinen 5:5). In Galaten beschrijft hij hoe het werk van de Geest zichtbaar wordt in het leven van mensen.
De vrucht van de Geest bestaat uit liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5:22–23).
Meer over het werk van de Heilige Geest en hoe Zijn vrucht zichtbaar wordt in het leven van mensen, lees je in De vrucht van de Geest.
Door Zijn Geest vernieuwt God ons hart, onze verlangens en onze manier van denken, zodat we steeds meer leren leven naar Zijn wijsheid. We mogen vertrouwen op Gods genade en het werk van Zijn Geest, Die ons helpt om Jezus te volgen en steeds meer op Hem te gaan lijken.
Meer over Gods belofte om mensen van binnenuit te vernieuwen en het werk van Zijn Geest lees je in De Heilige Geest.
De smalle weg vandaag
Aan het einde van de Bergrede noemt Jezus de keuze tussen twee wegen. De brede weg leidt naar de ondergang, de smalle weg naar het leven. Daarmee komt de vraag terug die al vanaf Genesis door de Bijbel heen klinkt. Vertrouwen we op Gods wijsheid, of bepalen we zelf wat goed en kwaad is?
De weg die Jezus Zijn leerlingen wijst, krijgt vorm in het dagelijks leven. In de manier waarop we met anderen omgaan, hoe we reageren wanneer iemand ons kwaad doet, waar we ons vertrouwen op stellen en welke plaats Gods wijsheid krijgt in de keuzes die we maken. Daarbij mogen we leren onderscheiden wat goed is, waar we ons mee bezighouden en welke invloed we toelaten in ons leven.
Jezus heeft Zijn leerlingen het zout van de aarde en het licht voor de wereld genoemd. Hij roept hen op om midden in deze wereld te leven en iets zichtbaar te maken van Gods liefde, goedheid en gerechtigheid. Waar relaties gebroken zijn, mogen we verzoening zoeken. Waar vijandschap is, mogen we vrede brengen. Waar we onrecht zien, mogen we opkomen voor wat rechtvaardig is. Zelfs tegenover onze vijanden worden we geroepen om liefde te tonen.
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden: ‘Laat Uw koninkrijk komen en Uw wil gedaan worden, op aarde zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10), zien we hoe dat gebed ook verbonden is met de manier waarop Hij hen leert leven.
Jezus volgen is een weg waarop we blijven leren en groeien. Die weg gaan we samen met anderen. Jezus roept mensen om Zijn leerlingen te worden en vormt een volk dat leert leven onder Gods koningschap. Samen leren we Zijn woorden in praktijk te brengen en steeds meer van Gods karakter te weerspiegelen in de wereld om ons heen.
Dat betekent niet dat deze weg altijd eenvoudig zal zijn. Jezus heeft Zijn leerlingen ook voorbereid op weerstand en vervolging. Toch mogen we weten dat we er niet alleen voor staan. God blijft ons nabij en geeft ons door Zijn Geest de kracht om vol te houden, ook wanneer het volgen van Jezus moeilijk is. We mogen vertrouwen op Zijn liefde en trouw, terwijl Hij ons blijft vernieuwen en ons helpt om steeds meer te leven zoals Hij het vanaf het begin heeft bedoeld.
De weg naar het leven is ook verbonden met de hoop op de voltooiing van Gods Koninkrijk. Aan het einde van de Bijbel verschijnt de levensboom opnieuw. In Openbaring 22 lezen we over een rivier met water dat leven geeft en over de levensboom die vrucht draagt. De bladeren van de boom brengen genezing aan de volken (Openbaring 22:1–2).
In Genesis werd de toegang tot de levensboom afgesloten. In Openbaring zien we hoe de levensboom opnieuw een plaats heeft in Gods vernieuwde schepping, waar de dood geen plaats meer heeft en God bij de mensen woont.
Door Zijn dood en opstanding heeft Jezus de weg naar nieuw leven geopend.
Wanneer Jezus ons oproept om de smalle weg te gaan, nodigt Hij ons uit om Hem te volgen, Zijn woorden te horen en ernaar te leven. Onderweg leren we God steeds meer te vertrouwen en worden we door Zijn Geest vernieuwd. Zo mogen we nu al iets zichtbaar maken van Gods goede koningschap, terwijl we uitzien naar de dag waarop Hij Zijn schepping volledig zal vernieuwen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb