Het fundament van de Bijbel

De eerste hoofdstukken van Genesis leggen een belangrijk fundament voor de rest van de Bijbel. We lezen over God als Schepper van een goede wereld, over Zijn bedoeling met de schepping en over de plaats en roeping van de mens. We zien ook wat er gebeurt wanneer mensen Gods wijsheid loslaten en zelf bepalen wat goed en kwaad is.

In Genesis 1–11 worden patronen neergezet die door de rest van de Bijbel heen terugkeren en verder worden uitgewerkt. Schepping en zegen, menselijke opstand, vloek en ballingschap, maar ook Gods weg naar herstel krijgen hier al een plaats.

Wat betekent het dat de mens naar Gods beeld is gemaakt? Wat gebeurt er wanneer mensen zelf bepalen wat goed en kwaad is? En hoe keren de patronen uit Genesis 1–11 later in de Bijbel terug?

God schept een goede wereld

‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’
(Genesis 1:1)

De aarde is nog woest en doods, duisternis ligt over de oervloed en Gods Geest zweeft over het water (Genesis 1:2). Dan spreekt God.

Licht verschijnt en wordt van de duisternis gescheiden. De wateren krijgen hun plaats, droog land verschijnt en de aarde brengt planten en bomen voort. Vervolgens worden de verschillende ruimtes gevuld met lichten aan de hemel, dieren in het water, vogels in de lucht en dieren op het land. Steeds opnieuw kijkt God naar wat Hij heeft gemaakt en ziet Hij dat het goed is.

Aan het einde van de zesde dag lezen we:
‘God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was.’
(Genesis 1:31)

Voordat Genesis vertelt over zonde, schaamte, geweld en dood, lezen we over God Die een wereld vol leven maakt en deze zeer goed noemt. De schepping behoort Hem toe en al het leven komt van Hem. Binnen deze goede wereld krijgt ook de mens zijn plaats.

 

De mens als Gods beeld

Op de zesde dag zegt God:
‘Laten Wij mensen maken die Ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken; zij moeten heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’
(Genesis 1:26)

Daarna lezen we:
‘God schiep de mens als Zijn evenbeeld,
als evenbeeld van God schiep Hij hem,
mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’
(Genesis 1:27)

Het Hebreeuwse woord voor beeld is tselem. In de wereld waarin Genesis ontstond, had het idee van een beeld te maken met vertegenwoordiging. Beelden van goden maakten een godheid zichtbaar en koningen konden worden gezien als vertegenwoordigers van een god. In Genesis wordt deze taal gebruikt voor de mens. Mannelijk en vrouwelijk worden mensen als Gods beeld geschapen en krijgen zij de taak om Hem binnen Zijn schepping te vertegenwoordigen.

God zegent de mensen en zegt:
‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’
(Genesis 1:28)

De mens is geroepen om de aarde te vullen en daar de verantwoordelijkheid te dragen die God hun heeft gegeven. De aarde blijft Gods schepping en de mens staat zelf onder Zijn gezag.

Meer over hoe deze menselijke roeping verbonden is met Gods koningschap en hoe die lijn door de Bijbel heen verderloopt lees je in Gods Koninkrijk.

 

De mens ontvangt zijn leven van God

Genesis 2 vertelt verder over de mens en zijn plaats binnen Gods wereld. God vormt de mens uit stof van de aarde en blaast hem levensadem in:
‘Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.’
(Genesis 2:7)

In het Hebreeuws klinkt hier een woordspel. De mens, adam, wordt gevormd uit de adamah, de aardbodem. De mens is verbonden met de aarde waarbinnen hij zal leven en werken. God geeft hem levensadem. Daarna plant God een tuin in Eden en laat daar allerlei bomen groeien die mooi zijn om te zien en goed om van te eten (Genesis 2:8–9).

Daar krijgt hij een taak:
‘God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken.’
(Genesis 2:15)

De Hebreeuwse woorden ʿavad en shamar, die hier worden gebruikt voor het bewerken en bewaken van de tuin, komen later samen terug bij de dienst van de Levieten rond Gods heiligdom. De mens leeft in Gods aanwezigheid en bewerkt en bewaakt de plaats die God hem heeft toevertrouwd.

 

Gods aanwezigheid en rust

Het scheppingsgedeelte eindigt met een zevende dag.
‘Op de zevende dag had God Zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig.’
(Genesis 2:2–3)

Gods werk is voltooid. De wereld is geordend en gevuld met leven en God rust binnen Zijn schepping. De zevende dag vormt het einde waar het scheppingsgedeelte naartoe werkt. God en mens leven samen binnen Zijn goede wereld.

Wanneer God Israël later de sabbat geeft, verwijst Hij daarbij naar Zijn rust na de schepping.

In Eden leven God en mens samen. Later in de Bijbel keren beelden uit de tuin terug rond de tabernakel en de tempel, waar God te midden van Zijn volk woont. Al aan het begin van de Bijbel zien we een wereld waarin mensen in Gods aanwezigheid leven en binnen Zijn goede schepping hun plaats ontvangen.

 

Het is niet goed dat de mens alleen is

Tot nu toe heeft God steeds gezien dat Zijn schepping goed is. In Genesis 2 klinkt voor het eerst:
‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’
(Genesis 2:18)

God brengt de dieren bij de mens, maar geen van hen blijkt een helper te zijn die bij hem past. God laat de mens in een diepe slaap vallen en maakt uit zijn zijde de vrouw. Wanneer de mens haar ziet, zegt hij:
‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees.’
(Genesis 2:23)

Het hoofdstuk eindigt met een man en een vrouw die naakt zijn en zich niet voor elkaar schamen (Genesis 2:25). Zij leven samen binnen Gods goede wereld en in Zijn aanwezigheid.

 

Een grens in een tuin vol overvloed

In het midden van de tuin staan de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:9).

God zegt tegen de mens:
‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
(Genesis 2:16–17)

Het eerste wat God over eten zegt, is dat de mens van alle bomen mag eten. Binnen die overvloed is er één grens. De mens heeft verantwoordelijkheid gekregen binnen Gods wereld en heeft wijsheid nodig om daarin te leven. Bij de boom van de kennis van goed en kwaad komt de vraag naar voren of de mens Gods woorden en wijsheid zal vertrouwen of zelf zal bepalen wat goed en kwaad is. Vanaf het begin zien we dat God spreekt en dat Zijn woorden leven, orde en richting geven.

Dan verschijnt de slang. Hij begint de woorden van God ter discussie te stellen:
‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’
(Genesis 3:1)

De overvloed waarmee Gods gebod begon, klinkt uit de mond van de slang ineens als een beperking. De slang zegt vervolgens dat hun ogen zullen opengaan wanneer ze van de vrucht eten en dat ze kennis zullen hebben van goed en kwaad (Genesis 3:5). De vrouw ziet dat de boom goed is om van te eten, aantrekkelijk voor het oog en begeerlijk omdat hij wijsheid kan geven. Ze neemt van de vrucht en eet. Ook haar man eet ervan (Genesis 3:6). De mens vertrouwt niet op wat God heeft gezegd en grijpt zelf naar de kennis van goed en kwaad.

Meer over de boom van de kennis van goed en kwaad en de lijn van wijsheid, vertrouwen, leven en dood lees je in De boom van de kennis van goed en kwaad.

 

Buiten Eden

Hun ogen gaan inderdaad open, en ze merken dat ze naakt zijn. Ze maken bedekkingen voor zichzelf en wanneer ze God horen, verbergen ze zich. Wanneer God de man aanspreekt, wijst hij naar de vrouw. De vrouw wijst naar de slang.

Ook de aardbodem die de mens mocht bewerken, wordt geraakt. De adamah, waaruit de mens is gevormd, wordt vanwege hem vervloekt. Het bewerken van de grond zal voortaan gepaard gaan met moeite en uiteindelijk zal de mens terugkeren tot het stof waaruit hij is gevormd (Genesis 3:17–19). Daarna worden de mensen uit Eden gestuurd en wordt de weg naar de boom van het leven bewaakt (Genesis 3:22–24).

Toch houdt de mens niet op Gods beeld te zijn. Dat wordt later in Genesis opnieuw bevestigd:
‘Want God heeft de mens als Zijn evenbeeld gemaakt.’
(Genesis 9:6)

In Genesis 3 spreekt God over vijandschap tussen de slang en de vrouw en tussen hun nageslacht (Genesis 3:15). Vanaf hier krijgt nageslacht een belangrijke plaats in Genesis en verbinden de geslachtslijnen verschillende gedeelten met elkaar. Ook de strijd die hier tussen de slang en het nageslacht van de vrouw begint, krijgt later in de Bijbel verdere betekenis.

 

Vloek en verbanning

In Genesis 4 gaat het patroon van vloek en verbanning verder. Nadat Kaïn zijn broer Abel heeft gedood, zegt God tegen hem:
‘Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek.’
(Genesis 4:11)

Kaïn wordt verdreven van de aardbodem die hij bewerkte en trekt weg van de HEER (Genesis 4:12–16). Wat bij Adam en Eva begon met het verlaten van Eden, gaat bij Kaïn verder.

Veel later krijgt Israël van God een land om in te wonen. Wanneer het volk zich steeds verder van Hem afkeert, volgt ook daar uiteindelijk verbanning uit het land. Het patroon dat hier in Genesis begint, krijgt daarmee later opnieuw betekenis.

 

Van Kaïn naar een wereld vol geweld

Kaïn wordt boos wanneer God zijn offer niet aanvaardt. God waarschuwt hem:
‘Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’
(Genesis 4:7)

Zonde wordt hier beschreven als iets dat de mens in zijn greep wil krijgen.

Kaïn luistert niet naar die waarschuwing en doodt zijn broer. Enkele generaties later lezen we over Lamech. Waar Kaïn nog bang was dat iemand hem zou doden, beroemt Lamech zich op zijn eigen geweld:
‘Kaïn wordt zevenmaal gewroken,
Lamech zevenenzeventigmaal.’
(Genesis 4:24)

Het geweld neemt verder toe. Daarna volgt in Genesis 5 de geslachtslijn van Adam naar Noach. Namen en generaties wisselen elkaar af, en steeds opnieuw eindigt een leven met dezelfde woorden: ‘Toen stierf hij.’ Wat God in Eden over de dood had gezegd, klinkt zo door in iedere generatie. 

Vlak voor het verhaal over de vloed lezen we over de ‘zonen van God’ en de Nephilim (Genesis 6:1–4). Naast de menselijke opstand die vanaf Eden steeds verder groeit, komt hier ook een geestelijke opstand in beeld. Daarna richt Genesis de aandacht weer op wat er onder de mensen gebeurt.

Meer over deze geestelijke dimensie lees je bij Geestelijke machten.

In Genesis 6 lezen we:
‘De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht.’
(Genesis 6:5)

In Genesis 1 keek God naar alles wat Hij had gemaakt en zag Hij dat het zeer goed was. Nu kijkt God opnieuw naar de aarde:
‘In Gods ogen was de aarde verdorven en vol onrecht.’
(Genesis 6:11)

De mensen die als Gods beeld waren geschapen om verantwoordelijkheid te dragen voor Zijn goede wereld, hebben de aarde gevuld met geweld. Wat in Eden begon, is uitgegroeid tot broedermoord en uiteindelijk tot een wereld waarin geweld het menselijke samenleven beheerst.

Toch lezen we midden in dit gedeelte:
‘Alleen Noach vond bij de HEER genade.’
(Genesis 6:8)

 

De vloed en een nieuw begin

In Genesis 1 scheidde God de wateren en liet Hij droog land verschijnen. Tijdens de vloed breken de wateren door en lijkt de orde uit Genesis 1 te worden teruggedraaid. Wanneer het water zich terugtrekt, verschijnt het droge land weer en verlaat Noach de ark. Hij bouwt een altaar voor de HEER.

God zegent Noach en zijn zonen met woorden die eerder over de eerste mensen klonken:
‘Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde.’
(Genesis 9:1)

Net als in Genesis 1 zegent God de mensen en geeft Hij hun de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te vullen. Daarna sluit God een verbond met Noach, zijn nakomelingen en alle levende wezens. Hij belooft dat een vloed niet nog eens alles wat leeft zal vernietigen. De boog in de wolken wordt het teken van dit verbond (Genesis 9:8–17).

 

Het menselijke probleem blijft

Toch is er iets belangrijks dat na de vloed niet is veranderd. Vóór de vloed lezen we dat alles wat de mens uitdacht steeds slecht was (Genesis 6:5). Na de vloed zegt God:
‘Alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht.’
(Genesis 8:21)

God belooft de aarde niet opnieuw door een vloed te vernietigen. Hij zegent Noach en zijn zonen en geeft hun opnieuw de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te bevolken.

Dat het menselijke probleem gebleven is, wordt ook zichtbaar in het leven van Noach. Hij plant een wijngaard, wordt dronken en ligt naakt in zijn tent. Daarmee keren beelden terug die doen denken aan Adam en Eva: opnieuw zien we naaktheid, schaamte en bedekking, gevolgd door gebrokenheid binnen een familie (Genesis 9:20–27).

 

De volken en Babel

Na de vloed groeien uit de familie van Noach verschillende volken. Genesis 10 beschrijft hoe zij zich over verschillende landen en gebieden verspreiden. Daarna vertelt Genesis 11 over mensen die zich vestigen in de vlakte van Sinear en zeggen:
‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’
(Genesis 11:4)

In Genesis 1 zegende God de mensen en gaf Hij hun de opdracht om de aarde te vullen. Diezelfde woorden klonken opnieuw na de vloed. In Babel zien we mensen die een stad bouwen, voor zichzelf een naam willen maken en willen voorkomen dat zij over de aarde verspreid raken.

God daalt af om de stad en de toren te bekijken. Hij brengt verwarring in hun taal, waardoor zij elkaar niet meer verstaan, en verspreidt hen vandaar over de aarde (Genesis 11:5–9). De naam Babel wordt in Genesis verbonden met het Hebreeuwse woord balal, dat ‘verwarren’ betekent. Babel is dezelfde Hebreeuwse naam die later voor Babylon wordt gebruikt.

Genesis 1–11 eindigt zo met de volken verspreid over de aarde. Vanaf Genesis 12 richt de aandacht zich op één man en zijn familie.

 

God roept Abraham

Na Babel begint Genesis 12 met Gods roeping van Abram:
‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn.’
(Genesis 12:1–2)

In Babel wilden mensen zelf een naam voor zichzelf maken. Tegen Abram zegt God dat Hij hem aanzien zal geven. Waar mensen in Babel hun eigen grootheid proberen op te bouwen, ontvangt Abram zijn roeping en zegen van God.

Daarna zegt God:
‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
(Genesis 12:3)

God roept één man, uit wie een volk zal voortkomen, met het oog op alle volken. Vanaf Genesis 12 wordt zichtbaar hoe God verdergaat met wat in Genesis 1–11 is misgegaan. Met Abram begint een lijn die door de rest van de Bijbel heen verderloopt.

 

Het fundament is gelegd

In Genesis 1–11 maken we kennis met veel van wat door de rest van de Bijbel heen een belangrijke plaats blijft houden. God schept een goede wereld en maakt de mens als Zijn beeld om binnen die wereld te leven. De mens vertrouwt Gods wijsheid niet en vanaf Eden zien we zonde, geweld, dood en verbanning steeds verder om zich heen grijpen.

Toch laat God Zijn schepping en de mens niet los. Na de vloed zegent Hij Noach en geeft Hij opnieuw de opdracht om de aarde te vullen. Na Babel, waar de volken verspreid raken, roept Hij Abraham en belooft Hij dat door hem alle volken gezegend zullen worden.

Daarmee komen de eerste hoofdstukken van Genesis uit bij Abraham. God roept één man en belooft hem dat door hem alle volken op aarde gezegend zullen worden. Vanaf hier volgt Genesis deze familie verder en zien we hoe de lijnen die in de eerste hoofdstukken zijn begonnen door de Bijbel heen verdergaan.

 

Lees in De rode draad van de Bijbel hoe deze woorden, beelden en lijnen verderlopen door Israël, Jezus, de komst van de Geest en de vernieuwde schepping.