Gods koninkrijk
Gods Koninkrijk staat centraal in het onderwijs van Jezus. Vanaf het begin van Zijn openbare optreden verkondigt Hij dat het Koninkrijk dichtbij is gekomen. In de Evangeliën lezen we hoe Jezus gelijkenissen vertelt over het Koninkrijk en in Zijn woorden en daden laat zien wat Gods goede heerschappij op aarde betekent.
Maar wat betekent Gods Koninkrijk eigenlijk precies? Welke plaats heeft Gods koningschap binnen de grotere lijn van de Bijbel? En wat betekent het voor ons vandaag om onder Zijn koningschap te leven?
God regeert over Zijn goede schepping
De Bijbel begint met God die hemel en aarde schept. In Genesis 1 brengt Hij orde in wat woest en leeg is en vult Hij de wereld met leven. Steeds klinkt dat wat Hij heeft gemaakt goed is. De schepping behoort Hem toe en staat onder Zijn gezag.
Binnen die goede wereld krijgt de mens een bijzondere plaats. God maakt de mens naar Zijn evenbeeld en geeft hem de opdracht om vruchtbaar te zijn, de aarde te vullen en over de andere levende wezens te heersen (Genesis 1:26–28).
In de wereld waarin Genesis ontstond, kon een beeld een koning of god vertegenwoordigen. Het beeld maakte zichtbaar wie ergens gezag had. Genesis gebruikt deze taal voor de mens. Ieder mens wordt naar Gods beeld gemaakt en krijgt de roeping om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen.
Psalm 8 kijkt later terug op deze roeping. De dichter verwondert zich erover dat God naar de mens omziet en hem een plaats van verantwoordelijkheid heeft gegeven binnen Zijn schepping:
‘U hebt hem bijna een god gemaakt,
hem gekroond met glans en glorie,
hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd:’
(Psalm 8:6–7)
Vanaf het begin krijgt de mens binnen Gods goede schepping de roeping om Hem te vertegenwoordigen en zorg te dragen voor wat Hij heeft gemaakt. Mensen mogen onder Gods gezag over Zijn wereld regeren en daarbij Zijn karakter en wijsheid weerspiegelen.
Meer over de mens als Gods beeld en de roeping die daarbij hoort, lees je in Geschapen naar Gods beeld. In Gods naam dragen lees je verder over wat het betekent om God in de wereld te vertegenwoordigen.
Wanneer mensen zelf willen bepalen wat goed en kwaad is
In Genesis 3 komt er een breuk in deze roeping. De mens leeft in een wereld waarin God heeft bepaald wat goed is en ontvangt van Hem alles wat nodig is voor het leven. In het midden van de tuin staat ook de boom van de kennis van goed en kwaad.
De slang trekt Gods woorden en Zijn goede bedoeling in twijfel en houdt de mens een andere weg voor. Door de Bijbel heen wordt deze slang verbonden met een geestelijke tegenstander van God (Openbaring 12:9; 20:2). De vrouw ziet dat de vrucht goed is om van te eten, een lust voor het oog en begeerlijk omdat zij wijsheid zou geven. Zij neemt ervan en eet, en ook de man eet ervan (Genesis 3:1–6).
De woorden goed en kwaad keren later op verschillende plaatsen in de Bijbel terug in verband met wijsheid en het vermogen om te onderscheiden. In Genesis 3 vertrouwen de mensen niet langer op Gods wijsheid. Ze nemen zelf wat hun wijs lijkt en grijpen zo naar de kennis van goed en kwaad.
De man en de vrouw schamen zich voor elkaar en verbergen zich voor God. Daarna verspreiden geweld, wantrouwen en menselijke machtsdrang zich steeds verder. Kaïn doodt zijn broer Abel. Lamech bezingt zijn geweld en uiteindelijk wordt de aarde beschreven als vol geweld (Genesis 4:8, 23–24; 6:11).
De mensen die geroepen waren om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen, gaan steeds hun eigen weg en bepalen zelf wat goed is. In Genesis 11 bouwen mensen samen een stad en een toren. Zij willen voor zichzelf een naam maken en voorkomen dat zij over de aarde verspreid raken (Genesis 11:1–9). Zij zoeken hun veiligheid, grootheid en eenheid los van de roeping die God aan het begin heeft gegeven.
Meer over de keuze van de mens om zelf te bepalen wat goed en kwaad is en de lijn die daarvan door de Bijbel heen loopt lees je in De boom van kennis van goed en kwaad.
Abraham en de zegen voor de volken
Direct na Babel roept God Abram om zijn land en familie te verlaten en naar het land te gaan dat Hij hem zal wijzen. Hij belooft hem tot een groot volk te maken, hem te zegenen en zijn naam groot te maken.
Die zegen reikt vanaf het begin verder dan Abraham zelf:
‘Ik zal zegenen wie jou zegenen,
wie jou vervloekt, zal Ik vervloeken.
In jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’
(Genesis 12:3)
Abraham wordt geroepen om op God te vertrouwen en op weg te gaan naar het land dat Hij hem zal wijzen. Later zegt God over Abraham dat hij zijn kinderen en zijn familie moet leren de weg van de HEER te volgen door recht en gerechtigheid te doen (Genesis 18:19). De zegen die Abraham ontvangt krijgt ook vorm in de manier waarop hij en zijn familie leven.
Uit deze familie ontstaat later het volk Israël. God vormt een volk dat onder Zijn heerschappij zal leven en Hem te midden van de andere volken zal vertegenwoordigen, zodat Zijn zegen door hen heen de volken kan bereiken.
Israël als een koninkrijk van priesters
De familie van Abraham groeit in Egypte uit tot een volk, maar leeft daar uiteindelijk onder de macht van farao. In Exodus wordt farao neergezet als een koning die zijn macht gebruikt om mensen tot slaven te maken. Hij laat de Israëlieten zwaar werk doen en geeft zelfs opdracht om hun pasgeboren zonen te doden (Exodus 1:8–22).
God hoort het geroep van Israël en bevrijdt het volk uit Egypte. Bij de Sinaï zegt Hij tegen Mozes:
‘Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met Mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor Mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort Mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’
(Exodus 19:5–6)
De hele aarde behoort aan God en uit de volken kiest Hij Israël voor een bijzondere plaats binnen wat Hij in de wereld doet. Hij noemt hen een ‘koninkrijk van priesters’. Priesters dienen in Gods aanwezigheid en vertegenwoordigen het volk voor God. Israël wordt geroepen om te midden van de andere volken door zijn leven Gods karakter en wijsheid te weerspiegelen.
Na de bevrijding ontvangt Israël Gods onderwijzing. De Torah raakt hun omgang met God en met elkaar, en spreekt ook over rechtspraak, bezit, vreemdelingen, armen, schulden, rust en de zorg voor het land.
Mozes zegt dat wanneer Israël Gods onderwijzing naleeft, de volken daarin hun wijsheid en inzicht zullen zien. Zij zullen horen hoe dichtbij de HEER bij Zijn volk is en welke rechtvaardige wetten Hij hun heeft gegeven (Deuteronomium 4:5–8).
Meer over de plaats van Israël binnen Gods bedoeling met de volken en over de woorden die het volk bij de Sinaï ontvangt lees je in Uitverkiezing en De Tien Geboden.
Israël wil een koning
Wanneer Israël eenmaal in het beloofde land woont, breekt een periode aan waarin het volk door rechters wordt geleid. Het boek Rechters beschrijft hoe Israël zich telkens opnieuw van God afkeert en hoe dit leidt tot geweld, onrecht en verdeeldheid. Meerdere keren lezen we dat er in die tijd geen koning in Israël was en dat iedereen deed wat goed was in zijn eigen ogen (Rechters 17:6; 21:25).
In 1 Samuel vragen de oudsten van Israël aan Samuel:
‘U bent oud geworden,’ zeiden ze, ‘en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.’
(1 Samuel 8:5)
Israël wil een koning die hen bestuurt, voor hen uit trekt en hun oorlogen voert, zoals de andere volken die hebben. God zegt tegen Samuel dat het volk daarmee Hem als hun koning verwerpt (1 Samuel 8:7, 20).
In Deuteronomium werd al rekening gehouden met de tijd waarin Israël een koning zou hebben (Deuteronomium 17:14–20). Deze koning mag geen grote hoeveelheden paarden, vrouwen en rijkdom verzamelen en moet zijn leven lang Gods onderwijzing lezen. Zo leert hij ontzag voor de HEER te hebben en zich niet boven zijn volksgenoten te verheffen.
Samuel waarschuwt Israël voor de koning die zij vragen. Hij zal hun zonen en dochters nemen, hun akkers en wijngaarden nemen en wat van hen is gebruiken voor zijn hof en leger. Het Hebreeuwse werkwoord lāqaḥ, ‘nemen’, keert in deze waarschuwing steeds terug (1 Samuel 8:10–18). Hetzelfde woord wordt in Genesis 3 gebruikt wanneer de vrouw van de vrucht neemt.
De mens kreeg in Genesis de roeping om onder Gods gezag voor Zijn goede wereld te zorgen. In Samuels waarschuwing verschijnt een vorm van koningschap waarin macht wordt gebruikt om steeds meer voor zichzelf te nemen.
Toch laat God Israël niet los. Saul wordt koning en na hem wordt David gekozen.
David en de belofte van een koning
David wordt in Bethlehem door Samuel gezalfd en vanaf dat moment komt de Geest van de HEER over hem (1 Samuel 16:1–13). Later wordt hij koning over heel Israël en maakt hij Jeruzalem tot het centrum van zijn koninkrijk.
In 2 Samuel 7 wil David een huis voor God bouwen. God keert die gedachte om en belooft dat Hij voor David een ‘huis’ zal bouwen: een koningshuis dat zal blijven bestaan. God zegt:
‘Jou stel Ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.’
(2 Samuel 7:16)
Vanaf hier blijft de belofte van een koning uit Davids lijn door de Bijbel heen terugkomen. De Psalmen spreken over Gods gezalfde koning en over een koningschap waarin recht en gerechtigheid centraal staan (Psalm 2; 72).
Psalm 72 beschrijft een koning die recht doet aan armen en verdrukten, mensen bevrijdt van onderdrukking en geweld en onder wiens regering vrede en gerechtigheid tot bloei komen. God had Abraham beloofd dat door hem alle volken gezegend zouden worden. In Psalm 72 klinkt die lijn opnieuw wanneer wordt gebeden dat door deze koning alle volken gezegend zullen worden (Psalm 72:17).
De geschiedenis van de koningen laat zien dat ook zij steeds van deze weg afwijken. David faalt ernstig en ook na hem gaan koningen andere wegen dan de weg die God voor hen had bedoeld. Afgoderij, onrecht en koningen die hun macht voor zichzelf gebruiken keren daarbij steeds opnieuw terug.
Uiteindelijk valt het koninkrijk uiteen. Het noordelijke rijk Israël wordt door Assyrië veroverd en later wordt ook Juda door Babylon ingenomen. Jeruzalem wordt verwoest, de tempel gaat in vlammen op en een deel van het volk wordt in ballingschap weggevoerd.
De profeten blijven uitzien naar Gods koningschap
Na de ondergang van de koninkrijken Israël en Juda lijkt er weinig over te zijn van wat God aan David had beloofd. Toch blijven de profeten spreken over een toekomst waarin God Zijn volk zal herstellen en opnieuw als Koning zal regeren.
Jesaja spreekt over een kind uit de lijn van David aan wie koninklijke heerschappij wordt gegeven:
‘Groot is de heerschappij en zonder einde de vrede
voor de troon van David en voor zijn koninkrijk;
ze zijn gegrondvest op recht en gerechtigheid
en staan vast voor altijd en eeuwig.’
(Jesaja 9:6)
Later gebruikt Jesaja het beeld van een afgehakte boom. Uit de stronk van Isaï, de vader van David, zal opnieuw een telg groeien. De Geest van de HEER rust op hem en geeft hem wijsheid, inzicht en kennis. Deze koning oordeelt niet op wat zijn ogen zien of zijn oren horen. Hij komt op voor de zwakken en spreekt recht ten gunste van de armen (Jesaja 11:1–5).
Zijn heerschappij wordt beschreven met beelden die teruggrijpen op Gods goede schepping. Wolf en lam verblijven bij elkaar, niemand doet kwaad en de aarde zal vol zijn van kennis van de HEER, zoals water de bodem van de zee bedekt (Jesaja 11:6–9).
Jeremia ziet uit naar een rechtvaardige telg uit de lijn van David die als koning verstandig zal handelen en recht en gerechtigheid zal doen in het land (Jeremia 23:5–6). Ezechiël spreekt over één herder uit de lijn van David die Gods volk zal leiden en over God die opnieuw te midden van Zijn volk zal wonen (Ezechiël 34:23–24; 37:24–28).
God zelf komt als Koning
De profeten spreken naast de komst van een koning uit de lijn van David ook over God Zelf die naar Zijn volk komt en regeert.
In Jesaja 40 heeft Jeruzalem verwoesting en ballingschap gekend en klinkt de aankondiging van goed nieuws. Er moet een weg worden bereid voor de HEER, want Hij komt naar Zijn volk.
Verderop klinkt:
‘Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,
verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,
verhef je stem, vrees niet.
Zeg tegen de steden van Juda: “Ziehier jullie God!”’
(Jesaja 40:9)
God komt als machtige Heer en tegelijkertijd als een herder die Zijn kudde weidt, de lammeren in Zijn armen bijeenbrengt en de moederdieren zachtjes leidt (Jesaja 40:10–11).
Ook Jesaja 52 verbindt goed nieuws rechtstreeks met Gods koningschap:
‘Hoe welkom is de vreugdebode
die over de bergen komt aangesneld,
die vrede aankondigt en goed nieuws brengt,
die redding aankondigt en tegen Sion zegt:
“Je God is koning!”’
(Jesaja 52:7)
Menselijke koninkrijken als beesten
In Daniël 7 worden menselijke koninkrijken tegenover Gods heerschappij geplaatst. Daniël krijgt een visioen waarin vier grote dieren uit de zee opkomen. De dieren stellen koninkrijken voor die over de aarde heersen (Daniël 7:17). Ze verschillen van elkaar en worden allemaal met beestachtige beelden beschreven.
In Genesis 1 worden eerst de dieren geschapen en daarna de mens, die naar Gods beeld wordt gemaakt en de opdracht krijgt om over de dieren te heersen. In Daniël 7 worden menselijke koninkrijken voorgesteld als beesten. De mens, die in Genesis wordt geroepen om als Gods beeld te regeren, wordt hier in zijn koningschap met beesten vergeleken.
Vervolgens ziet Daniël God op Zijn troon en verschijnt er iemand die ‘eruitzag als een mens’. In het Aramees wordt hij aangeduid als iemand ‘als een mensenzoon’.
Aan hem worden heerschappij, eer en koningschap gegeven:
‘Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij, die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.’
(Daniël 7:14)
Later in hetzelfde visioen ontvangt ook ‘het volk van de heiligen van de hoogste God’ het koningschap (Daniël 7:18, 27). De macht van de beestachtige koninkrijken wordt weggenomen en God geeft het koningschap aan iemand die eruitziet als een mens en aan Zijn volk.
De verwachting wanneer Jezus verschijnt
Tegen de tijd dat Jezus wordt geboren, heeft Israël eeuwenlang onder de macht van verschillende wereldrijken geleefd. Na Babylon kwamen het Perzische en Griekse rijk en in de tijd van Jezus staat Judea onder Romeinse heerschappij. Er is weer een tempel in Jeruzalem, maar een koning uit de lijn van David zit niet op de troon en het herstel waarover de profeten hadden gesproken, lijkt nog niet volledig werkelijkheid te zijn geworden.
Marcus opent zijn Evangelie met de aankondiging van ‘het evangelie van Jezus Christus’ (Marcus 1:1). Johannes de Doper verschijnt in de woestijn en Marcus haalt woorden uit de profeten aan over een bode die de weg voor de HEER bereidt (Marcus 1:2–3; Jesaja 40:3).
Kort daarna begint Jezus Zelf te verkondigen:
‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en geloof dit goede nieuws.’
(Marcus 1:15)
Met deze aankondiging roept Jezus mensen op om hun denken en leven opnieuw te richten op God en te vertrouwen op het goede nieuws van Zijn Koninkrijk.
Marcus begint zijn Evangelie met woorden uit de profeten over de komst van de HEER naar Zijn volk. Wanneer Jezus aankondigt dat Gods Koninkrijk dichtbij is gekomen, komen verschillende verwachtingen uit de profeten bij elkaar. Zij hadden gesproken over God Die Zelf als Koning naar Zijn volk zou komen, over een beloofde koning uit de lijn van David en over het herstel van Israël. In Jezus beginnen deze beloften in vervulling te gaan.
Gods Koninkrijk komt dichtbij in Jezus
Jezus trekt door Galilea, onderwijst in de synagogen, verkondigt het goede nieuws van Gods Koninkrijk en geneest iedere ziekte en kwaal onder het volk (Matteüs 4:23).
Mensen die ziek zijn worden genezen, mensen die gebonden zijn door onreine geesten worden bevrijd en mensen die aan de rand van de samenleving leven worden door Jezus opgezocht.
Wanneer Johannes de Doper vanuit de gevangenis laat vragen of Jezus werkelijk degene is die komen zou, antwoordt Jezus door te wijzen op wat er om Hem heen gebeurt:
‘Blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’
(Matteüs 11:5)
De woorden waarmee Jezus antwoordt, komen uit de profeten, waar Gods komende herstel wordt beschreven met blinden die zien, doven die horen en verlamden die weer kunnen lopen (Jesaja 35:5–6; 61:1).
Ook wanneer Jezus demonen uitdrijft, verbindt Hij dit rechtstreeks met Gods Koninkrijk:
‘Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen.’
(Matteüs 12:28)
Meer over de plaats van genezing, tekenen en wonderen binnen Gods Koninkrijk en de manier waarop deze vooruitwijzen naar Gods herstel lees je in Genezing in de Bijbel en Tekenen en wonderen in de Bijbel.
De waarden van Gods Koninkrijk
Jezus vertelt verschillende gelijkenissen om uit te leggen hoe Gods Koninkrijk werkt. Hij vergelijkt het onder andere met zaad, een mosterdzaadje, zuurdesem, een verborgen schat en een kostbare parel (Matteüs 13). Een mosterdzaadje is heel klein, maar groeit uit tot een grote plant. Zuurdesem wordt door het deeg gemengd en werkt langzaam door totdat het hele deeg doordesemd is. Met deze beelden laat Jezus zien dat Gods Koninkrijk klein en nauwelijks zichtbaar kan beginnen, maar een kracht in zich heeft die uiteindelijk alles verandert.
Jezus eet met tollenaars en zondaars, raakt mensen aan die als onrein worden beschouwd en geeft aandacht aan mensen die weinig aanzien hebben. Wanneer Zijn leerlingen discussiëren over wie van hen de belangrijkste is, plaatst Jezus een kind in hun midden (Marcus 9:33–37). Hij laat Zijn leerlingen zien dat wie groot wil zijn in Gods Koninkrijk, bereid moet zijn om de minste te worden en anderen te dienen. Jezus zegt dat wie zo’n kind in Zijn naam ontvangt, Hemzelf ontvangt. Daarmee laat Hij zien dat de manier waarop Zijn leerlingen omgaan met mensen die weinig aanzien hebben, ook iets zegt over hun houding tegenover Hem.
In de Bergrede leert Jezus Zijn leerlingen hoe zij onder Gods heerschappij kunnen leven. Hij noemt mensen gelukkig die arm van geest zijn, treuren, zachtmoedig zijn, hongeren en dorsten naar gerechtigheid, barmhartig zijn, zuiver van hart zijn en vrede brengen (Matteüs 5:3–10). Later spreekt Hij over boosheid en verzoening, trouw, vijanden liefhebben, geven aan mensen in nood, gebed, vergeving, bezit, zorgen en de manier waarop mensen elkaar beoordelen.
Hij leert Zijn leerlingen hun vijanden lief te hebben en te bidden voor wie hen vervolgen. Hij verbindt dit met hun Vader, die Zijn zon laat opgaan over goede en slechte mensen en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5:44–45).
Vanaf Genesis wordt de mens geroepen om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen. In de Bergrede komt die roeping opnieuw naar voren wanneer Jezus Zijn leerlingen leert als kinderen van hun Vader te leven en Zijn karakter te weerspiegelen in de manier waarop zij met andere mensen omgaan.
Meer over dit onderwijs en de plaats ervan binnen de grotere lijn van de Bijbel lees je in De Bergrede.
Laat Uw Koninkrijk komen
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden, krijgt Gods Koninkrijk een centrale plaats:
‘Onze Vader in de hemel,
laat uw naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen,
laat uw wil gedaan worden
op aarde zoals in de hemel.’
(Matteüs 6:9–10)
Matteüs gebruikt meestal de woorden ‘Koninkrijk van de hemel’, terwijl in andere Evangeliën vaak over ‘Koninkrijk van God’ wordt gesproken. Met ‘Koninkrijk van de hemel’ spreekt Matteüs over Gods heerschappij. Jezus leert Zijn leerlingen bidden dat Gods Koninkrijk komt en Zijn wil op aarde gedaan wordt zoals in de hemel.
Even later in de Bergrede zegt Jezus dat Zijn leerlingen eerst Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid moeten zoeken (Matteüs 6:33). Deze woorden staan in een gedeelte waarin Jezus spreekt over bezit, eten, kleding en zorgen over de dag van morgen. Hij nodigt Zijn leerlingen uit hun vertrouwen op hun Vader te richten en hun leven te laten bepalen door Zijn Koninkrijk.
Meer over de betekenis van dit gebed en de Bijbelse lijnen die daarin samenkomen lees je in Het Onze Vader.
Een koning die dient
In de tijd van Jezus leeft Israël onder Romeinse heerschappij. Veel Joden zien uit naar de komst van Gods Koninkrijk en hopen dat God een einde zal maken aan de buitenlandse overheersing en het koningschap over Israël zal herstellen.
Ook Jezus' eigen leerlingen moeten nog leren wat Zijn koningschap betekent. Jakobus en Johannes vragen Jezus of zij in Zijn heerlijkheid naast Hem mogen zitten. Wanneer de andere leerlingen daar boos om worden, roept Jezus hen bij Zich. Hij wijst op de machthebbers van de volken, die over anderen heersen en hun gezag laten gelden. Onder Zijn leerlingen zal het anders zijn. Wie groot wil worden, moet anderen dienen.
Daarna zegt Jezus:
‘Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
(Marcus 10:45)
Jezus noemt Zichzelf de Mensenzoon, een benaming die teruggrijpt op Daniël 7. Daar ontvangt de Mensenzoon het koningschap over alle volken. Jezus verbindt dit koningschap met dienen en het geven van Zijn eigen leven.
Wanneer Jezus Jeruzalem binnengaat, rijdt Hij op een ezel, zoals de profeet Zacharia had aangekondigd over de koning die nederig naar Sion zou komen (Zacharia 9:9). De menigte roept ‘Hosanna voor de Zoon van David’ en verwelkomt Hem als koning (Matteüs 21:1–9).
Enkele dagen later wordt Jezus gekruisigd. Boven Zijn hoofd hangt een opschrift:
‘Dit is Jezus, de koning van de Joden.’
(Matteüs 27:37)
De Romeinen bedoelen deze woorden als bespotting. Toch blijft Jezus trouw aan de weg die Hij Zijn leerlingen heeft geleerd. Hij geeft Zijn eigen leven.
Samuel had Israël gewaarschuwd voor een koning die zijn macht zou gebruiken om steeds meer voor zichzelf te nemen. Jezus laat een ander koningschap zien. Hij geeft Zijn leven voor anderen.
Het kruis en de overwinning van Gods Koninkrijk
Jezus wordt door de Romeinen gekruisigd. Kruisiging was een openbare en vernederende vorm van executie waarmee Rome zijn macht en gezag liet zien. Jezus krijgt een mantel en een kroon van doorntakken en wordt spottend begroet als koning.
Na Zijn dood wordt Jezus opgewekt. Vanaf Genesis zien we hoe zonde en dood steeds verder doorwerken in Gods goede schepping. In de opstanding van Jezus krijgt de dood niet het laatste woord. Hier begint het nieuwe leven dat uiteindelijk heel Gods schepping zal vernieuwen.
Paulus schrijft dat God mensen heeft overgebracht naar het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon en noemt Jezus ‘het beeld van de onzichtbare God’ en ‘de eerstgeborene van heel de schepping’ (Kolossenzen 1:13–15). Door Hem heeft God alles geschapen en door Hem wil Hij alles met Zich verzoenen, ‘alles op aarde en alles in de hemel’ (Kolossenzen 1:16–20).
Psalm 8 sprak over de mens aan wie God het werk van Zijn handen had toevertrouwd en alles onder de voeten had gelegd. In Jezus zien we de Mens die trouw blijft aan God en de roeping vervult die God vanaf het begin aan de mens had gegeven: onder Zijn gezag over Zijn goede schepping regeren.
Meer over de overwinning van Jezus op de machten en hun plaats binnen de grotere lijn van de Bijbel lees je in Geestelijke machten in de Bijbel.
Het Koninkrijk is gekomen en wordt nog voltooid
Na Zijn opstanding verschijnt Jezus gedurende veertig dagen aan Zijn leerlingen en spreekt Hij met hen over Gods Koninkrijk (Handelingen 1:3). De leerlingen vragen Hem of Hij in deze tijd het koningschap over Israël zal herstellen (Handelingen 1:6).
Hij zegt dat zij kracht zullen ontvangen wanneer de Heilige Geest over hen komt en dat zij van Hem zullen getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde (Handelingen 1:7–8).
Daarna wordt Jezus opgenomen in de hemel en onttrekt een wolk Hem aan het zicht van Zijn leerlingen (Handelingen 1:9). Dit herinnert aan het visioen in Daniël 7, waarin iemand ‘als een mensenzoon’ met de wolken naar God komt en van Hem het koningschap over alle volken ontvangt.
Na Zijn hemelvaart verkondigen de leerlingen Jezus als de opgestane en verhoogde Heer. Op de dag van Pinksteren verbindt Petrus Zijn opstanding en verhoging met Gods belofte aan David en met Psalm 110. De gekruisigde en opgestane Jezus is de Messias uit de lijn van David en regeert als Heer (Handelingen 2:29–36).
God had Abraham beloofd dat door zijn familie alle volken op aarde gezegend zouden worden. Israël werd geroepen als een koninkrijk van priesters. In Handelingen zien we hoe het goede nieuws over Israëls Messias vanuit Jeruzalem steeds verder naar de volken gaat.
Handelingen eindigt met Paulus als gevangene in Rome, het centrum van het machtigste rijk van zijn tijd. Daar ontvangt hij iedereen die naar hem toe komt:
‘Hij verkondigde het koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd.’
(Handelingen 28:31)
Paulus schrijft dat Christus regeert totdat alle vijanden onder Zijn voeten zijn gelegd. De laatste vijand die wordt vernietigd is de dood (1 Korintiërs 15:25–26).
De Geest en het leven onder Gods koningschap
De profeten hadden uitgezien naar een tijd waarin God Zijn Geest over Zijn volk zou uitstorten en mensen van binnenuit zou vernieuwen (Ezechiël 36:26–28; Joël 3:1–2). Met Pinksteren geeft God Zijn Geest. Vanuit Jeruzalem verspreidt het goede nieuws over Jezus zich steeds verder en worden mensen uit verschillende volken door de Geest samengebracht tot één volk.
Paulus beschrijft het leven door de Geest met woorden die sterk aansluiten bij het onderwijs en leven van Jezus. Liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing worden zichtbaar in mensen die zich door de Geest laten leiden (Galaten 5:22–23).
Paulus verbindt Gods Koninkrijk ook met de manier waarop gelovigen met elkaar omgaan. Hij schrijft aan de Romeinen:
‘Het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest.’
(Romeinen 14:17)
Deze woorden staan in een gedeelte waarin Paulus spreekt over verschillen tussen gelovigen in Rome. In de gemeente kwamen mensen met een Joodse en niet-Joodse achtergrond samen. Zij hadden verschillende gewoonten en overtuigingen, onder andere over voedsel en het houden van bepaalde dagen. Sommigen aten alles, terwijl anderen alleen plantaardig voedsel aten. Ook waren er verschillen in welke dagen als bijzonder werden beschouwd (Romeinen 14:2, 5).
Paulus roept hen op elkaar vanwege deze verschillen niet te veroordelen en zich in te zetten voor vrede en voor wat elkaar opbouwt (Romeinen 14:1–19). Het leven onder Gods koningschap wordt zichtbaar in de manier waarop zij met elkaar omgaan, ook wanneer zij over bepaalde dingen verschillend denken.
Meer over de komst en het werk van Gods Geest door de Bijbel heen en het karakter dat Hij in mensen vormt lees je in De Heilige Geest en De vrucht van de Geest.
Een volk dat Jezus als Heer volgt
De eerste christenen leefden binnen het Romeinse Rijk, waar de keizer grote politieke en religieuze macht had. Zij beleden Jezus als Heer en werden geroepen om onder Zijn koningschap te leven. In de gemeenschappen die ontstonden, kwamen mensen met verschillende achtergronden samen en leerden zij wat het betekende om Jezus te volgen.
In Kolossenzen schrijft Paulus dat de nieuwe mens wordt vernieuwd naar het beeld van zijn Schepper (Kolossenzen 3:10). Vervolgens spreekt hij over ontferming, goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid, geduld, vergeving en bovenal liefde (Kolossenzen 3:12–14).
Daarmee komen we terug bij Genesis 1, waar de mens naar Gods beeld wordt gemaakt en de roeping krijgt om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Jezus laat zien hoe deze roeping bedoeld is. Door de Geest worden Zijn volgelingen vernieuwd naar Zijn beeld en leren zij onder Zijn koningschap te leven.
De Koning maakt alles nieuw
Openbaring gebruikt veel beelden uit eerdere delen van de Bijbel. Menselijke machten verschijnen opnieuw als beesten, zoals in Daniël. Babylon wordt het beeld van een menselijke samenleving die wordt gekenmerkt door macht, geweld, rijkdom en uitbuiting. Daartegenover staat het Lam, Jezus, die heeft overwonnen door Zijn leven te geven.
Uiteindelijk ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het nieuwe Jeruzalem daalt uit de hemel neer en God woont bij de mensen (Openbaring 21:1–3). De dood zal er niet meer zijn en verdriet, rouw en pijn verdwijnen (Openbaring 21:4).
Zo komt de Bijbel terug bij het begin. In Eden leefden God en mensen samen en in de vernieuwde schepping worden hemel en aarde voorgoed verenigd. Gods goede heerschappij omvat dan heel de schepping.
In het laatste hoofdstuk keren beelden uit Genesis terug. Er stroomt een rivier met levenswater en de levensboom staat opnieuw centraal. De vloek is verdwenen en Gods dienaren zullen Hem dienen en Zijn gezicht zien (Openbaring 22:1–4).
Dan klinkt opnieuw koninklijke taal over de mens:
‘En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.’
(Openbaring 22:5)
Aan het begin werd de mens naar Gods beeld gemaakt en geroepen om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen. De Bijbel eindigt met God Die bij de mensen woont in een vernieuwde schepping en met mensen die samen met Hem regeren. De roeping die in Genesis 1 aan de mens werd gegeven, loopt zo door tot de laatste bladzijde van de Bijbel.
Jezus is de Koning die dient, Zijn leven geeft en door God uit de dood wordt opgewekt. Door Zijn Geest vormt Hij een volk dat Hem volgt en leert leven onder Zijn goede heerschappij.
Voor vandaag
Wanneer we over Gods Koninkrijk lezen, kunnen we denken aan iets wat nog in de toekomst ligt. Jezus verkondigde echter dat Gods Koninkrijk dichtbij was gekomen. Door Zijn leven, dood en opstanding heeft Hij laten zien hoe Gods koningschap eruitziet en door Zijn Geest vormt Hij een volk dat Hem volgt.
Vanaf Genesis zien we dat God mensen een plaats en verantwoordelijkheid geeft binnen Zijn goede schepping. Jezus laat zien wat het betekent om als mens trouw aan God te leven en Zijn karakter te weerspiegelen.
Ook vandaag worden we geroepen om Jezus te volgen en te leren leven onder Zijn koningschap. Dat raakt de manier waarop we met andere mensen omgaan, hoe we omgaan met macht en bezit, hoe we recht doen aan anderen en hoe we leren liefhebben en vergeven. Door de Heilige Geest worden we daarin gevormd en vernieuwd naar het beeld van Jezus.
Tegelijkertijd zien we om ons heen nog veel onrecht, geweld, verdriet en dood. Gods Koninkrijk is nog niet volledig zichtbaar en we leven in de verwachting dat God Zijn schepping zal vernieuwen en alles zal herstellen.
Wanneer Jezus ons leert bidden dat Gods Koninkrijk komt en Zijn wil op aarde gedaan wordt zoals in de hemel, gaat dat ook over de wereld waarin wij vandaag leven.
Maak jouw eigen website met JouwWeb