Wat betekent uitverkiezing in de Bijbel?

Woorden als uitverkiezing en voorbestemming kunnen veel vragen oproepen. Door de eeuwen heen zijn Bijbelteksten over Gods keuze op verschillende manieren uitgelegd en ook vandaag bestaan er verschillende interpretaties van wat uitverkiezing betekent.

Om deze teksten beter te begrijpen, helpt het om verder terug te gaan en te kijken hoe Gods keuze door de Bijbel heen naar voren komt. God kiest Abraham en roept Israël als Zijn volk. Deze lijn loopt verder naar Jezus, de Uitverkorene, en naar de mensen die in Hem deel krijgen aan Gods beloften.

Wie kiest God, waarom kiest Hij en waarvoor? Wat betekent het dat mensen ‘in Christus’ worden uitgekozen en voorbestemd? En wat wordt er zichtbaar wanneer deze teksten binnen de grote lijn van de Bijbel worden gelezen?

Gods bedoeling met de mens

De Bijbel begint met Gods goede schepping. De mens wordt geschapen naar Gods beeld en krijgt een bijzondere plaats binnen die schepping. Mensen worden geroepen om God in Zijn wereld te vertegenwoordigen, onder Zijn goede heerschappij over de aarde te regeren en zorg te dragen voor wat Hij heeft gemaakt.

In Genesis 3 kiezen de mensen ervoor om zelf te bepalen wat goed en kwaad is. Vanaf dat moment werken de gevolgen daarvan steeds verder door. Adam en Eva schamen zich en verbergen zich voor God, Kaïn doodt zijn broer, geweld neemt steeds verder toe en bij Babel proberen mensen zelf een naam voor zichzelf te maken.

Na de vloed zegent God Noach en zijn familie en geeft Hij opnieuw de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te bevolken. Ondanks alles wat er is gebeurd, laat God Zijn bedoeling met de mens niet los.

Meer hierover lees je in Het fundament van de Bijbel.

Na Babel gaat Genesis verder met één man en zijn familie: Abraham.

 

God kiest Abraham

God roept Abram om zijn land, familie en vertrouwde omgeving achter zich te laten en naar het land te gaan dat Hij hem zal wijzen. Daarbij geeft God hem een bijzondere belofte:
‘Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, je naam veel aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. [...] In jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’
(Genesis 12:2–3)

Abraham wordt uit de volken geroepen en krijgt een bijzondere plaats binnen Gods bedoeling: door hem zal Gods zegen de volken bereiken.

God blijft ondertussen ook buiten Abrahams familie handelen. Hij ziet Hagar in de woestijn, spreekt tot Abimelech en blijft betrokken bij de mensen en volken rondom Abraham. 

De belofte loopt verder via Isaak en Jakob. Jakob ontvangt de naam Israël en zijn twaalf zonen worden de oorsprong van de twaalf stammen. De familie van Abraham groeit zo uit tot het volk Israël.

 

Israël als uitverkoren volk

Wanneer Israël eeuwen later uit Egypte wordt bevrijd, brengt God het volk naar de Sinaï en zegt:
‘Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met Mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor Mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort Mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’
(Exodus 19:5–6)

Het volk ontvangt Gods onderwijzing. Daarin leert Israël hoe het God moet dienen en hoe mensen met elkaar moeten omgaan, met aandacht voor recht, heiligheid, sabbat en de zorg voor kwetsbare mensen. De roeping van Abraham loopt hier verder in het volk dat uit hem is voortgekomen. Abraham was geroepen met het oog op de volken en die roeping gaat nu verder met Israël.

Israël wordt eraan herinnerd dat God hen niet heeft uitgekozen omdat zij groter waren dan de andere volken. Zij behoorden juist tot de kleinste volken. God had hen lief en bleef trouw aan de belofte die Hij aan hun voorouders had gedaan (Deuteronomium 7:6–8). 

De hogepriester draagt de namen van de stammen van Israël voor Gods aangezicht en draagt ook Gods heilige naam. Israël behoort aan God toe en draagt Zijn naam onder de volken.

Israël gaat alleen steeds opnieuw dezelfde wegen als de volken om hen heen. Het volk dient andere goden en er ontstaat onrecht. De profeten roepen Israël daarom steeds op om terug te keren naar God en Hem trouw te zijn.

Meer over wat het betekende dat Israël Gods naam droeg en hoe de Tien Woorden binnen deze roeping stonden lees je in De Tien Geboden.

 

God kiest David

Israël was geroepen om onder Gods koningschap te leven, maar vraagt in de tijd van Samuel om een koning zoals de volken om hen heen. Uiteindelijk kiest God David. David wordt gezalfd tot koning en krijgt de verantwoordelijkheid om het volk onder Gods heerschappij te leiden. God belooft hem dat zijn koningshuis en koningschap een blijvende plaats zullen hebben (1 Samuel 8; 16:1–13; 2 Samuel 7:12–16).

Ook de koningen schieten tekort in hun roeping. Sommigen zoeken God, anderen leiden het volk verder bij Hem vandaan. Uiteindelijk valt het koninkrijk uiteen en komt ook Juda in ballingschap terecht. Toch blijft Gods belofte aan David staan. De profeten spreken over een toekomstige koning uit zijn lijn.

Jesaja ziet uit naar een koning op wie Gods Geest rust en die met recht en gerechtigheid zal regeren (Jesaja 11:1–5). Jeremia spreekt over een rechtvaardige telg uit Davids huis die wijs zal regeren en recht zal doen (Jeremia 23:5–6).

Zo groeit vanuit Gods belofte aan David de verwachting van een gezalfde koning die trouw zal zijn waar eerdere koningen tekortschoten.

 

Jezus en de roeping van Israël

Jezus verschijnt midden in deze geschiedenis als de Messias van Israël, de Zoon van David, en kondigt aan dat Gods Koninkrijk nabij is. Hij verzamelt twaalf leerlingen om Zich heen, een aantal dat herinnert aan de twaalf stammen van Israël, en leeft in volledige trouw aan Zijn Vader.

Ook in Jezus’ eigen leven klinken delen van Israëls geschiedenis mee. Matteüs vertelt hoe Jezus uit Egypte wordt geroepen en haalt daarbij de woorden aan: ‘Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen’ (Matteüs 2:15; Hosea 11:1). Daarna gaat Jezus door het water van de doop en wordt Hij bekendgemaakt als Gods geliefde Zoon. Vervolgens gaat Hij de woestijn in, waar Hij wordt beproefd. Daar antwoordt Hij steeds met woorden uit Deuteronomium die teruggrijpen op Israëls tijd in de woestijn.

Israël wordt in de Schriften Gods zoon genoemd en Jezus wordt bekendgemaakt als Gods geliefde Zoon. Israël was geroepen om Gods licht onder de volken te zijn en Jezus verschijnt als het licht voor de wereld. Waar Israël tekortschoot, blijft Jezus trouw aan God en aan de roeping die Hij ontvangt. In Hem komen de roeping van Israël en de hoop op de beloofde koning samen. 

Meer over hoe deze lijn van schepping via Abraham en Israël naar Jezus en de nieuwe schepping loopt lees je in De rode draad van de Bijbel.

 

Jezus, de Uitverkorene

Jezus wordt in het Nieuwe Testament Gods Uitverkorene genoemd. Bij de verheerlijking op de berg klinkt:
‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem!’
(Lucas 9:35)

In Jesaja spreekt God over Zijn dienaar:
‘Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde, Ik heb hem met mijn geest vervuld.’
(Jesaja 42:1)

De uitverkoren dienaar ontvangt Gods Geest en wordt geroepen om recht te brengen onder de volken. In Jesaja wordt Israël zelf ook Gods dienaar genoemd. Verderop krijgt de dienaar de opdracht om Israël terug te brengen en een licht voor de volken te zijn, zodat Gods redding tot aan de uiteinden van de aarde reikt (Jesaja 41:8–9; 49:3–6).

Het Nieuwe Testament verbindt deze woorden met Jezus. Als Gods Uitverkorene brengt Hij Gods recht en redding naar de volken.

Jezus spreekt bij het laatste avondmaal over het nieuwe verbond in Zijn bloed (Lucas 22:20). Door Zijn dood en opstanding brengt Hij Gods verbondsbeloften tot vervulling en opent Hij de weg voor mensen uit alle volken om deel te worden van Gods volk.

 

 

De belofte aan Abraham komt samen in Christus

Paulus legt die verbinding zelf in Galaten. Hij gaat terug naar de belofte die God aan Abraham gaf en schrijft dat de Schrift het goede nieuws al vooraf aankondigde toen God zei:
‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’
(Galaten 3:8)

Even later schrijft Paulus:
‘Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling. Let wel, er staat niet “nakomelingen”, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: “je nakomeling” – en die nakomeling is Christus.’
(Galaten 3:16)

Aan het einde van het hoofdstuk schrijft Paulus:
‘U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.’
(Galaten 3:27–29)

De belofte die God aan Abraham gaf, komt samen in Christus. Wie bij Christus hoort, behoort ook tot Abrahams familie. Mensen uit verschillende volken worden in Hem samengebracht en delen in wat God aan Abraham heeft beloofd.

 

 

Uitgekozen ‘in Christus’

Efeziërs 1 speelt een belangrijke rol in gesprekken over uitverkiezing en voorbestemming. Paulus begint dit hoofdstuk met een lange lofprijzing waarin hij schrijft over wat God door Christus heeft gedaan. Hij schrijft daar ook over Gods bedoeling om alles in de hemel en op aarde onder Christus bijeen te brengen (Efeziërs 1:9–10).

Opnieuw klinken woorden als
in Christus, in Hem en door Jezus Christus:
‘In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons uitgekozen om heilig en zuiver voor Hem te staan, en vol liefde heeft Hij ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om door Jezus Christus zijn kinderen te worden.’
(Efeziërs 1:4–5)

Paulus verbindt Gods keuze steeds met Jezus Christus. In Hem komen Gods beloften samen en door Hem worden mensen opgenomen in Gods familie. Wie bij Christus hoort, deelt in wat God door Hem heeft gedaan en in de toekomst die Hij voor Zijn volk heeft bestemd.

Ook Israël werd geroepen om een heilig volk te zijn. Verderop in Efeziërs beschrijft Paulus hoe mensen die bij Christus horen worden vernieuwd in hun denken en handelen en leren leven naar Zijn voorbeeld.

In Christus ontvangen zij verlossing en vergeving en worden zij gemerkt met het stempel van de Heilige Geest, die als voorschot op hun erfenis wordt gegeven.

 

‘Wij’ en ‘jullie’ in Efeziërs

In deze lofprijzing spreekt Paulus eerst over ‘wij’. In vers 12 schrijft hij over ‘wij, die reeds onze hoop op Christus gevestigd hebben’. Daarna richt hij zich tot ‘jullie’:
‘In Hem bent ook u, toen u de boodschap van de waarheid hoorde, het evangelie van uw redding – in Hem bent u, toen u tot geloof kwam, gemerkt met het stempel van de heilige Geest, die ons beloofd is.’
(Efeziërs 1:13)

Paulus spreekt hier over mensen die al op Christus hoopten en over degenen die later het evangelie hebben gehoord en tot geloof zijn gekomen.

In Efeziërs 2 richt Paulus zich tot mensen uit de volken. Hij herinnert hen eraan dat zij vroeger buiten het burgerschap van Israël stonden, vreemdelingen waren van de verbonden en geen deel hadden aan de beloften.

Door Christus zijn zij dichtbij gekomen. Jezus brengt Joden en mensen uit de andere volken samen en maakt hen tot één nieuwe mensheid. Samen behoren zij tot Gods huis en worden zij een plaats waar God door Zijn Geest woont.

 

Voorbestemd tot wat?

In Efeziërs 1:5 schrijft Paulus dat God mensen heeft voorbestemd om door Jezus Christus Zijn kinderen te worden. En enkele verzen later schrijft hij:
‘In Hem heeft God, die alles naar zijn wil en besluit tot stand brengt, ons de bestemming toebedeeld, in overeenstemming met zijn voornemen.’
(Efeziërs 1:11)

In Romeinen 8 gebruikt Paulus opnieuw taal van voorbestemming:
‘Wie Hij van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij ook van tevoren bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters.’
(Romeinen 8:29)

Aan het begin van de Bijbel wordt de mens geschapen als Gods beeld. In Romeinen 8 schrijft Paulus over mensen die bestemd zijn om het evenbeeld van Gods Zoon te worden.

Meer over wat het betekent dat de mens naar Gods beeld is geschapen en hoe die roeping door de Bijbel heen verder wordt uitgewerkt lees je in Beeld van God.

 

Romeinen 9–11 en Gods trouw aan Israël

Romeinen 9 is een van de bekendste gedeelten wanneer het over uitverkiezing gaat. Dit hoofdstuk staat binnen een groter gedeelte dat doorloopt tot het einde van Romeinen 11 en waarin Israël en Gods trouw aan Zijn beloften centraal staan.

Aan het einde van Romeinen 8 heeft Paulus geschreven over Gods trouw en de zekerheid dat niets Gods liefde in Christus kan verbreken. Vervolgens spreekt hij over zijn diepe verdriet om zijn volksgenoten. Israël is het volk aan wie God Zijn woorden, de verbonden en de beloften heeft gegeven en uit hen is de Messias voortgekomen (Romeinen 9:1–5). Een groot deel van Israël heeft Jezus echter niet als Messias aanvaard.

Dat roept de vraag op hoe dit zich verhoudt tot Gods beloften aan Abraham en Israël. Wat betekent het dat zoveel Israëlieten de Messias niet hebben aanvaard?

Paulus schrijft:
‘God heeft zijn belofte niet gebroken.’
(Romeinen 9:6)

Daarna gaat hij terug naar Israëls eigen geschiedenis. Hij spreekt over Isaak, Jakob en Esau, Gods ontferming en farao. Hij gebruikt het beeld van de pottenbakker en de klei en spreekt over geloof en ongeloof en over mensen uit de andere volken die door de Messias deel krijgen aan Gods beloften.

 

Isaak, Jakob en Esau

Paulus gaat terug naar de geschiedenis van Abraham en zijn familie. Abraham had meerdere nakomelingen, maar de lijn van de belofte liep verder via Isaak. Vervolgens kregen Isaak en Rebekka twee zonen, Jakob en Esau.

Nog voordat zij geboren waren, werd tegen Rebekka gezegd:
‘De oudste zal de jongste dienen.’
(Romeinen 9:12)

Paulus haalt hier woorden uit Genesis 25 aan. Daar gaat het niet alleen over Jakob en Esau als twee broers. God zegt tegen Rebekka:
‘Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteen zullen gaan.’
(Genesis 25:23)

Jakob en Esau zullen de voorouders worden van Israël en Edom. Wanneer Paulus vervolgens schrijft:
‘Jakob heb Ik liefgehad, Esau heb Ik gehaat.’ (Romeinen 9:13) haalt hij woorden aan uit Maleachi 1. Maleachi leefde eeuwen na Jakob en Esau en spreekt daar over Israël en Edom. God herinnert Israël aan Zijn liefde voor hen en wijst daarbij op het verschil tussen Israël en Edom. De woorden over Jakob en Esau gaan in Maleachi over de volken die uit deze twee broers zijn voortgekomen en over Gods omgang met hen in de geschiedenis.

Paulus wijst erop dat God Zijn keuze al bekendmaakte voordat Jakob en Esau geboren waren en iets goeds of kwaads hadden gedaan (Romeinen 9:11–12). Gods keuze was dus niet afhankelijk van hun daden. In Genesis en Maleachi zien we hoe die keuze verder doorwerkt in de geschiedenis van Israël en Edom.

 

Gods ontferming

Paulus citeert vervolgens Gods woorden tegen Mozes:
‘Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn, Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.’
(Romeinen 9:15)

Deze woorden komen uit Exodus 33, kort nadat Israël het gouden kalf heeft gemaakt. God heeft het volk uit Egypte bevrijd en een verbond met hen gesloten, maar al snel daarna keren zij zich van Hem af. Mozes pleit voor het volk en vraagt God om met hen mee te blijven gaan.

Paulus haalt deze woorden aan uit een moment waarop Israël afhankelijk is van Gods ontferming. Het volk kan vanwege zijn afkomst of eigen trouw geen aanspraak maken op Gods genade. Dat Israël na het gouden kalf verder kan gaan als Gods volk, is mogelijk doordat God Zich over hen ontfermt.

Paulus benadrukt hiermee dat Gods ontferming voortkomt uit Zijn eigen genade. Hij schrijft dat het uiteindelijk afhangt van God die Zich ontfermt, en niet van wat een mens wil of doet (Romeinen 9:16).

 

Farao en een verhard hart

Na Gods woorden over Zijn ontferming haalt Paulus ook farao aan. Israël had het verbond geschonden en ontving Gods ontferming. Farao verzette zich tegen God en weigerde Israël te laten gaan.

Al voordat Mozes naar farao gaat, zegt God dat Hij diens hart zal verharden (Exodus 4:21). God had echter ook aangekondigd dat farao zou weigeren naar Hem te luisteren (Exodus 3:19–20).

Tijdens de eerste vijf plagen lezen we dat farao zelf zijn hart verhardt of dat zijn hart hard blijft. Hij krijgt herhaaldelijk de gelegenheid om Israël te laten gaan, maar blijft zich verzetten. Vanaf de zesde plaag lezen we dat ook God zijn hart verhardt (Exodus 9:12).

Farao blijft weigeren om Israël te laten gaan. Wanneer God zijn hart verhardt, kan dit worden begrepen als een oordeel waarin God hem verder laat gaan op de weg die hij zelf heeft gekozen. Zo wordt farao's verzet onderdeel van de gebeurtenissen waardoor God Zijn macht zichtbaar maakt en Israël bevrijdt.

Paulus haalt Gods woorden aan dat door farao Zijn macht zichtbaar zou worden en Zijn naam over de hele aarde bekend zou worden (Romeinen 9:17; Exodus 9:16).

 

De pottenbakker en de klei

Paulus gebruikt vervolgens het beeld van de pottenbakker en de klei. Dit beeld komt ook bij de profeten voor wanneer zij spreken over God en Zijn volk.

Jesaja vergelijkt mensen met klei in de handen van een pottenbakker. Hij gebruikt het beeld wanneer hij spreekt over mensen die de rollen lijken om te draaien en hun Maker ter verantwoording willen roepen (Jesaja 29:16; 45:9). Later noemt Jesaja God opnieuw de pottenbakker en Israël het werk van Zijn handen (Jesaja 64:7).

In Jeremia 18 ziet de profeet een pottenbakker die een pot opnieuw vormt wanneer deze mislukt. God spreekt daar over volken en koninkrijken. Wanneer Hij oordeel aankondigt en een volk zich omkeert van het kwaad, kan Hij van dat oordeel terugkomen. Wanneer Hij iets goeds aankondigt en een volk vervolgens kwaad doet, kan Hij daar ook op terugkomen.

Wanneer Paulus dit beeld gebruikt, spreekt hij nog steeds over Gods omgang met Israël en Zijn beloften. Hij laat zien dat God als Schepper gezag heeft over wat Hij heeft gemaakt en dat mensen Hem niet ter verantwoording kunnen roepen alsof zij boven Hem staan.

Paulus spreekt vervolgens over voorwerpen van toorn en voorwerpen van ontferming. Hij schrijft over Gods geduld met degenen die voor de ondergang bestemd zijn en over de rijkdom van Zijn heerlijkheid die Hij bekendmaakt aan degenen over wie Hij Zich ontfermt (Romeinen 9:22–23).

Daarna maakt Paulus duidelijk dat God mensen heeft geroepen uit zowel de Joden als de andere volken (Romeinen 9:24). Hij haalt daarbij woorden uit Hosea en Jesaja aan, waarin Gods oordeel, ontferming en de toekomst van Zijn volk naar voren komen (Romeinen 9:25–29).

 

Paulus gaat verder in Romeinen 10 en 11

Na Romeinen 9 blijft Paulus over Israël spreken. In Romeinen 10 schrijft hij opnieuw over zijn verlangen naar hun redding:
‘Broeders en zusters, het is mijn vurige wens en ik bid tot God dat ze worden gered.’
(Romeinen 10:1)

Paulus spreekt vervolgens over geloof in Jezus als Heer en over het goede nieuws dat wordt verkondigd. Mensen horen het evangelie en worden geroepen om daarop te antwoorden. Daarbij maakt Paulus geen onderscheid tussen Joden en mensen uit de andere volken:
‘Er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft Zijn rijke gaven aan allen die Hem aanroepen, want er staat: “Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.”’
(Romeinen 10:12–13)

Die laatste woorden haalt Paulus uit de profeet Joël, waar wordt gesproken over de dag waarop God Zijn Geest uitstort en ieder die de naam van de HEER aanroept zal worden gered (Joël 3:1–5). Paulus gebruikt deze woorden hier terwijl hij spreekt over Jezus als Heer en over Joden en mensen uit de andere volken die Hem aanroepen.

In Romeinen 11 vraagt Paulus of God Zijn volk heeft verstoten. Zijn antwoord is duidelijk:
‘Beslist niet.’
(Romeinen 11:1)

Daarna gebruikt hij het beeld van een olijfboom. Sommige natuurlijke takken zijn vanwege ongeloof afgebroken en mensen uit de andere volken worden als wilde takken op de boom geënt. Paulus waarschuwt hen om zich niet boven de natuurlijke takken te verheffen, want de wortel draagt hen.

Over de afgebroken takken schrijft hij:
‘En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten.’
(Romeinen 11:23)

Paulus schrijft dat een deel van Israël onbuigzaam is geworden, totdat de andere volken voltallig zijn toegetreden. Daarna zegt hij:
‘Dan zal heel Israël worden gered.’
(Romeinen 11:25–26)

Aan het einde van dit gedeelte komt Paulus opnieuw uit bij Gods ontferming:
‘Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn.’
(Romeinen 11:32)

Joden en mensen uit de andere volken zijn allebei afhankelijk van Gods ontferming. Hij eindigt Romeinen 9–11 met verwondering over Gods wijsheid en over wegen die mensen niet volledig kunnen doorgronden (Romeinen 11:33–36).

 

Genade en menselijke respons

Door de hele Bijbel heen ligt het initiatief bij God. Hij roept Abraham, bevrijdt Israël, blijft Zijn volk opzoeken en komt in Jezus naar mensen toe. Mensen worden uitgenodigd om Hem te vertrouwen en de weg te gaan waartoe Hij hen roept.

In Exodus bevrijdt God Israël voordat Hij het volk Zijn onderwijzing geeft. Vanuit die bevrijding wordt Israël geroepen om als Gods volk te leven (Exodus 20:2).

Aan het einde van Deuteronomium roept Mozes Israël op om voor het leven te kiezen (Deuteronomium 30:19). In hetzelfde gedeelte belooft hij dat God hun hart zal besnijden, zodat zij Hem met hart en ziel kunnen liefhebben (Deuteronomium 30:6). De profeten nemen deze hoop later opnieuw op. Jeremia spreekt over Gods onderwijzing die in het hart wordt geschreven en Ezechiël over een nieuw hart en Gods Geest die mensen van binnenuit vernieuwt (Jeremia 31:31–34; Ezechiël 36:26–27).

De Bijbel beschrijft ook hoe mensen leven onder machten die hen bij God vandaan trekken. Paulus spreekt over zonde als een macht die over mensen kan heersen en over geestelijke machten die zich tegen God en Zijn goede bedoeling verzetten. Hij schrijft ook over mensen van wie het denken is verblind, waardoor zij het licht van het evangelie niet zien (Romeinen 6:12–14; 2 Korintiërs 4:4; Efeziërs 6:12).

Wanneer Jezus Gods Koninkrijk aankondigt, bevrijdt Hij mensen uit wat hen gevangenhoudt. Door Zijn Geest vernieuwt God mensen van binnenuit en leert Hij hen leven op de weg van Jezus.

Meer over de beloften van een nieuw hart en Gods Geest en hoe deze lijn door de Bijbel heen verdergaat lees je in De Heilige Geest en meer over de geestelijke machten en hun plaats binnen de grote lijn van de Bijbel lees je in Geestelijke machten.

 

Wat bedoelt Jezus met het trekken van de Vader?

Johannes 6 wordt vaak aangehaald in gesprekken over uitverkiezing en menselijke vrijheid. Jezus zegt:
‘Niemand kan bij Mij komen tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem bij Me brengt, en Ik zal hem op de laatste dag laten opstaan.’
(Johannes 6:44)

Deze woorden staan binnen een gesprek dat begint nadat Jezus duizenden mensen te eten heeft gegeven. Het is rond Pesach en wat er gebeurt herinnert aan Israël in de woestijn, waar God Zijn volk brood uit de hemel gaf. De menigte zoekt Jezus opnieuw, maar Jezus zegt dat zij Hem zoeken omdat zij van het brood hebben gegeten. Wanneer Hij vervolgens over Zichzelf spreekt als het brood dat uit de hemel is neergedaald, beginnen de mensen te morren. Ook dat doet denken aan Israël in de woestijn, waar het volk morde terwijl God hun brood gaf.

Binnen deze context zegt Jezus dat niemand bij Hem kan komen tenzij de Vader hem brengt. Direct daarna haalt Hij woorden uit Jesaja aan:
‘Zij zullen allemaal door God onderricht worden.’
(Johannes 6:45; Jesaja 54:13)

In Jesaja 54 spreekt God over het herstel van Jeruzalem na oordeel en ballingschap. Jeruzalem wordt daar voorgesteld als een moeder, van wie de kinderen het volk vertegenwoordigen. God belooft dat zij door Hem onderwezen zullen worden.

Jezus vervolgt:
‘Iedereen die naar de Vader luistert en van Hem leert, komt bij Mij.’
(Johannes 6:45)

Eerder in hetzelfde gesprek zegt Jezus dat iedereen die de Vader Hem geeft, bij Hem zal komen (Johannes 6:37). Later herhaalt Hij dat niemand bij Hem kan komen tenzij de Vader hem daartoe in staat stelt (Johannes 6:65).

Jezus laat hiermee zien dat niemand zonder het handelen van de Vader tot Hem kan komen. Wanneer Hij de woorden uit Jesaja aanhaalt, verbindt Hij dit met Gods belofte om Zijn volk te onderwijzen. Wie naar de Vader luistert en van Hem leert, komt bij Jezus, de Zoon die door de Vader is gezonden.

De mensen tegenover Jezus kennen de Schriften en hebben gezien hoe Hij duizenden mensen te eten gaf. Toch hebben zij moeite met Zijn woorden wanneer Hij zegt dat Hijzelf het brood uit de hemel is. Jezus verbindt Zijn komst met de beloften die God aan Zijn volk heeft gedaan.

 

Waarom worden deze teksten zo verschillend gelezen?

Christenen hebben teksten over uitverkiezing en voorbestemming door de eeuwen heen op verschillende manieren gelezen. Dat verschil heeft ook te maken met de grotere samenhang, het denkkader waarin deze teksten worden geplaatst en met de vragen waarmee iemand naar deze teksten kijkt.

Binnen de klassieke gereformeerde traditie wordt uitverkiezing vooral verbonden met Gods keuze van individuele mensen tot redding. Volgens deze uitleg heeft God vóór de schepping mensen in Christus uitgekozen om gered te worden. Hij doet dat niet omdat Hij vooraf ziet dat sommige mensen later zullen geloven of Hem zullen volgen. Het geloof waarmee iemand op God antwoordt, wordt gezien als een gave van God. Door Zijn Geest vernieuwt God de mens en brengt Hij hem tot geloof.

Andere christenen leggen bij deze teksten meer nadruk op Gods keuze van een volk in Christus en op de roeping die daarmee verbonden is.

Binnen de klassieke gereformeerde traditie wordt naast verkiezing ook gesproken over verwerping. Wanneer God bepaalde mensen uit genade tot redding kiest, roept dat ook de vraag op wat dit betekent voor de mensen die niet worden uitgekozen. Binnen deze uitleg gaat het om mensen die God in hun gevallen toestand laat en aan wie Hij het reddende geloof en de genade tot bekering niet geeft.

In de Dordtse Leerregels wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen Gods verkiezing uit genade en Zijn rechtvaardig oordeel over de zonde. Binnen deze uitleg wordt de redding van mensen volledig toegeschreven aan Gods genade, terwijl hun veroordeling wordt verbonden met hun zonde en ongeloof.

Romeinen 9 speelt binnen deze uitleg een belangrijke rol. De woorden over Jakob en Esau, Gods ontferming, farao en de pottenbakker worden daarbij verbonden met Gods vrijheid om te kiezen aan wie Hij Zijn reddende genade geeft.

Meer over hoe de manier waarop een tekst wordt gelezen invloed heeft op de uitleg ervan lees je in De lens waarmee we de Bijbel lezen.

 

Gods verlangen om te redden

In 1 Timoteüs 2 roept Paulus op om te bidden voor alle mensen. Hij noemt daarbij ook koningen en andere gezagsdragers. In die context schrijft hij over God:
‘die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen’
(1 Timoteüs 2:4)

Even later schrijft Paulus over Jezus:
‘die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen’
(1 Timoteüs 2:6)

Johannes schrijft dat God de wereld liefhad en Zijn Zoon gaf, zodat iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven ontvangt (Johannes 3:16). Gods bedoeling was vanaf het begin gericht op zegen voor de volken en in Jezus gaat het goede nieuws naar alle volken. Door het Nieuwe Testament heen worden mensen uitgenodigd om zich om te keren, op Jezus te vertrouwen en Hem te volgen.

 

‘Ben ik wel uitgekozen?’

Voor sommige mensen kan de vraag naar uitverkiezing veel onzekerheid geven. Heeft God mij gekozen? Hoe kan ik weten of ik bij de uitverkorenen hoor? Kan ik naar Jezus komen als ik niet weet of God mij heeft uitgekozen?

Door zulke vragen kan de aandacht steeds meer naar jezelf verschuiven. Was mijn bekering echt? Geloof ik genoeg? Zie ik voldoende tekenen dat ik werkelijk bij God hoor?

Wanneer Jezus mensen ontmoet, roept Hij hen op om naar Hem toe te komen, Hem te vertrouwen en Hem te volgen. De vraag of iemand eerst kan weten of hij of zij is uitgekozen, stelt Jezus daarbij niet als voorwaarde om naar Hem toe te komen.

 

Uitverkiezing binnen de grote lijn van de Bijbel

Vanaf Genesis zien we hoe God Zijn goede bedoeling met de mens en Zijn schepping blijft voortzetten. Na Babel roept Hij Abraham en belooft Hij dat door hem alle volken gezegend zullen worden. Uit Abraham groeit Israël, het volk dat God roept om Hem toe te behoren en als een koninkrijk van priesters onder de volken te leven.

Die roeping loopt uiteindelijk naar Jezus. Hij is de Messias van Israël, de Zoon van David en Gods Uitverkorene. Waar Israël steeds opnieuw tekortschoot in zijn roeping, blijft Jezus trouw aan Zijn Vader. Door Hem bereikt de zegen van Abraham de volken en worden mensen uit verschillende volken samengebracht tot één nieuwe familie.

Wie bij Jezus hoort, krijgt een plaats binnen die familie en binnen Gods werk in de wereld. Paulus schrijft dat God mensen in Christus heeft uitgekozen om heilig en zuiver voor Hem te staan en dat zij bestemd zijn om het evenbeeld van Zijn Zoon te worden. Petrus gebruikt voor de gemeenschap rond Jezus de woorden die eerder voor Israël werden gebruikt: een uitverkoren volk en een koninkrijk van priesters.

Door de Bijbel heen blijven Gods keuze, Zijn genade, Zijn beloften en de roeping die Hij aan mensen geeft met elkaar verbonden. Het initiatief ligt bij Hem. God roept Abraham voordat Abraham weet waar zijn reis naartoe zal gaan. Hij bevrijdt Israël uit Egypte voordat Hij het volk bij de Sinaï roept om Hem trouw te zijn. Steeds is God Degene die mensen opzoekt, bevrijdt en roept om Hem te vertrouwen.

Binnen die roeping doet de menselijke respons ertoe. Abraham wordt geroepen om God te vertrouwen en op weg te gaan. Israël krijgt de keuze voorgehouden tussen leven en dood en wordt door de profeten steeds opnieuw opgeroepen om naar God terug te keren. Ook Jezus roept mensen om naar Hem te luisteren, Hem te vertrouwen en Hem te volgen. De Bijbel laat zien dat mensen verschillend op die roep reageren.

De Bijbel laat ook zien dat zonde en geestelijke machten invloed hebben op mensen. Paulus beschrijft zonde als een macht die over mensen kan heersen en spreekt over mensen van wie het denken is verblind, waardoor zij het licht van het evangelie niet zien (Romeinen 6:12–14; 2 Korintiërs 4:4). In Jezus bevrijdt God mensen uit de macht van zonde en kwaad. Door Zijn Geest vernieuwt Hij hen, zodat zij steeds meer op Jezus gaan lijken en leren leven zoals God de mens heeft bedoeld.

Uiteindelijk brengt de vraag naar uitverkiezing ons bij Jezus. In Hem komen Gods beloften samen en door Hem gaat Gods zegen verder naar de volken. Hij roept mensen om Hem te volgen en deel te worden van het volk dat God vormt. Door Zijn Geest vernieuwt Hij Zijn volk, terwijl de Bijbel uitziet naar de dag waarop God Zijn hele schepping zal vernieuwen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb