De boom van kennis van goed en kwaad

Genesis 3 is misschien wel een van de meest bepalende hoofdstukken van de Bijbel. De mens eet van de boom van de kennis van goed en kwaad en de gevolgen zijn ingrijpend. Schaamte en vervreemding doen hun intrede, de mens wordt uit Eden verwijderd en de weg naar de boom van het leven wordt afgesloten.

In de hoofdstukken die volgen zien we hoe de gebrokenheid zich steeds verder verspreidt. Kaïn doodt zijn broer Abel en geweld en kwaad nemen toe. De gevolgen van wat er in Eden gebeurde, blijven door de hele Bijbel heen zichtbaar.

Wat was er zo bepalend aan die ene boom? Wat betekent ‘kennis van goed en kwaad’ eigenlijk? Waarom mocht de mens er niet van eten? En wat wil de Bijbel ons daarmee laten zien?

Terug naar het begin

De boom van de kennis van goed en kwaad verschijnt voor het eerst in Genesis 2, nog voordat de slang in Genesis 3 verschijnt. Om te begrijpen waarom deze boom zo belangrijk is, beginnen we bij Genesis 1, waar God de wereld schept en de mens een bijzondere plaats en roeping geeft.

God schept een wereld waarin alles zijn plaats krijgt en waarin leven kan groeien en bloeien. Steeds kijkt God naar wat Hij heeft gemaakt en ziet Hij dat het goed is.

In Genesis 1 wordt ook de mens geschapen als Gods beeld:
‘God schiep de mens als Zijn evenbeeld,
als evenbeeld van God schiep Hij hem,
mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’
(Genesis 1:27)

Daarna geeft God de mens de opdracht om vruchtbaar te zijn, de aarde te bevolken en over de dieren en de aarde te heersen (Genesis 1:28).

Als Gods beeld krijgt de mens een bijzondere verantwoordelijkheid binnen Gods goede schepping. Hij wordt geroepen om God te vertegenwoordigen en zorg te dragen voor de wereld die God heeft gemaakt. Om die verantwoordelijkheid goed te dragen, heeft hij wijsheid nodig om te onderscheiden wat goed is. In Genesis 2 en 3 komt de vraag naar voren waar de mens die wijsheid zoekt.

Genesis 2 en 3 horen nauw bij elkaar. De hoofdstukindeling die we vandaag gebruiken, maakte geen deel uit van de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. Wat in Genesis 3 gebeurt, kunnen we beter begrijpen wanneer we ook kijken naar wat eraan voorafgaat. Vanaf Genesis 2:4 lezen we hoe God de mens een plaats geeft in de tuin van Eden, hem een opdracht geeft en hem toestaat van de bomen te eten, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad. In Genesis 3 zien we vervolgens hoe de mens met dat gebod omgaat en welke gevolgen zijn keuze heeft.

Nog voordat de slang verschijnt, komen woorden en thema’s als goed en kwaad, zien en verlangen al naar voren. Hoe leert de mens onderscheiden wat goed en kwaad is? Zal hij op Gods wijsheid vertrouwen, of zelf naar die kennis grijpen?

Meer over de roeping van de mens als Gods beeld en wat het betekent om Hem in de wereld te vertegenwoordigen, lees je in De mens als Gods beeld en Gods naam dragen.

 

De mens ontvangt zijn leven van God

Genesis 2 begint met woorden die terugverwijzen naar Genesis 1:
‘Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.’
(Genesis 2:4)

De woorden hemel, aarde en geschapen verbinden beide gedeelten met elkaar. Toch vertelt Genesis 2 de schepping vanuit een ander perspectief.

In Genesis 1 is de aarde eerst met water bedekt, waarna het droge land tevoorschijn komt. In Genesis 2 lezen we over land waarop nog geen struiken en gewassen groeien, omdat het nog niet heeft geregend en er geen mens is om de grond te bewerken. Dan komt er water op uit de aarde.

Vervolgens vormt God de mens:
‘Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.’
(Genesis 2:7)

In het Hebreeuws klinkt hier een woordspeling tussen ʾādām, mens, en ʾădāmâ, aarde of grond. De adam wordt gevormd uit de adamah en leeft doordat God hem levensadem geeft.

In Genesis 1 krijgt de mens als Gods beeld een bijzondere plaats en verantwoordelijkheid binnen Zijn schepping. Genesis 2 laat zien hoe afhankelijk diezelfde mens van God is voor zijn leven. Hij is gevormd uit stof en leeft omdat God hem leven geeft. 

God plant een tuin in Eden en laat daarin allerlei bomen groeien:
‘Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten.’
(Genesis 2:9)

De bomen zijn aantrekkelijk om te zien en goed om van te eten. Dat geldt voor alle bomen die God in de tuin laat groeien. De mens wordt geplaatst in een tuin vol goede en aantrekkelijke gaven. Ook hier klinkt het thema van Gods goede schepping uit Genesis 1 door:
‘God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was.’
(Genesis 1:31)

In beide hoofdstukken zien we dat God Degene is Die leven voortbrengt en daarin voorziet. Hij geeft de mens levensadem, een plaats om te leven en bomen waarvan hij mag eten. Vanaf het begin is de mens voor alles wat hij nodig heeft om te leven afhankelijk van wat God hem geeft.

 

De twee bomen in het midden van de tuin

Tussen alle bomen in de tuin noemt Genesis er twee afzonderlijk:
‘In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.’
(Genesis 2:9)

In het Hebreeuws worden voor goed en kwaad de woorden tov en raʿ gebruikt. Het woord tov kwamen we al tegen in Genesis 1, waar God steeds ziet dat Zijn schepping goed is (Genesis 1:4, 10, 12, 18, 21, 25, 31). In Genesis 2:9 worden tov en raʿ samen genoemd bij de boom van de kennis van goed en kwaad.

Beide bomen spelen een belangrijke rol in wat er daarna gebeurt. Genesis vertelt dat de mens niet van de boom van de kennis van goed en kwaad mag eten, maar zegt nergens dat deze boom zelf slecht is. Ook kennis en wijsheid worden in de Bijbel niet als iets verkeerds gezien.

De bomen in de tuin zijn aantrekkelijk om te zien en goed om van te eten. Toch heeft God gezegd dat het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad tot de dood zal leiden. Aan wat de mens ziet, kan hij niet aflezen welke boom toegang geeft tot het leven en welke boom verbonden is met de dood.

Waarom verbiedt God de mens dan om van deze boom te eten? Houdt Hij iets goeds achter, terwijl de mens wijsheid nodig heeft voor de verantwoordelijkheid die God hem heeft gegeven?

Hoe we deze vragen beantwoorden, heeft ook invloed op hoe we naar Gods karakter kijken. Wil God de mens onwetend houden, of gaat het verbod over de vraag waar de mens zijn wijsheid zoekt? En is hij bereid op Gods wijsheid en goedheid te vertrouwen, ook wanneer hij zelf niet begrijpt waarom God deze grens stelt?

 

Wat betekent ‘kennis van goed en kwaad’?

Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat kennis van goed en kwaad iets is wat de mens niet behoort te hebben. God verbiedt hem immers om van deze boom te eten. Later in de Bijbel zien we dat goed en kwaad kunnen onderscheiden ook iets goeds is. Deze woorden worden daar verbonden met wijsheid en het vermogen om te onderscheiden en te beoordelen wat goed en kwaad is.

Over de kinderen van Israël zegt Mozes:
‘Uw kinderen […] die nog geen weet hebben van goed en kwaad, zij zullen het land binnengaan.’
(Deuteronomium 1:39)

Jesaja gebruikt vergelijkbare woorden wanneer hij spreekt over een kind dat opgroeit:
‘Hij zal boter en honing eten totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen.’
(Jesaja 7:15)

In beide gedeelten wordt het leren onderscheiden van goed en kwaad verbonden met volwassen worden. Het is iets wat een mens moet leren.

Bij Salomo zien we waarom dit onderscheidingsvermogen zo belangrijk is. Wanneer hij koning wordt, verschijnt God aan hem en nodigt Hij hem uit om te vragen wat hij wil.

Salomo beseft hoe groot zijn verantwoordelijkheid is. Hij noemt zichzelf onervaren en vraagt God:
‘Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat hij uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.’
(1 Koningen 3:9)

Het verzoek bevalt God. Salomo heeft niet om een lang leven, rijkdom of de dood van zijn vijanden gevraagd, maar om wijsheid om Gods volk goed te kunnen besturen. Daarom geeft God hem wijsheid en inzicht (1 Koningen 3:10–12).

Salomo heeft die wijsheid nodig om goed leiding te geven aan Gods volk. Dat brengt ons terug naar Genesis 1, waar de mens naar Gods beeld wordt geschapen en de verantwoordelijkheid krijgt om God binnen Zijn schepping te vertegenwoordigen (Genesis 1:26–28).

Maar hoe kan de mens die verantwoordelijkheid dragen zonder te leren wat goed is? Hoe kan hij wijs omgaan met Gods schepping zonder onderscheidingsvermogen?

Hij moet leren onderscheiden wat goed is en tot leven leidt, en wat kwaad is en schade aanricht. De vraag is daarom hoe hij die wijsheid leert verkrijgen. Zal hij vertrouwen op Gods wijsheid, of zelf naar die kennis grijpen?

 

God ziet wat goed is

In Genesis 1 lezen we steeds dat God ziet wat goed is:
‘God zag dat het goed was.’
(Genesis 1:4, 10, 12, 18, 21, 25)

En uiteindelijk:
‘God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was.’
(Genesis 1:31)

Later verwoordt de psalmist Gods goedheid met de woorden: ‘U bent goed en doet het goede’ (Psalm 119:68). De God Die ziet wat goed is, is Zelf de bron van het goede. Alles wat de mens in Zijn schepping aan goede gaven ontvangt, vindt zijn oorsprong in Gods goedheid.

De bomen in de tuin zijn aantrekkelijk om te zien en goed om van te eten. Verlangen naar iets goeds is niet verkeerd. De vraag is hoe de mens kan onderscheiden of datgene waarnaar hij verlangt werkelijk goed is en tot leven leidt. Iets kan goed zijn en toch op een verkeerde manier worden verkregen of gebruikt. En iets kan goed lijken, terwijl het uiteindelijk naar de dood leidt.

In Genesis 2 zien we opnieuw dat God weet wat goed is voor de mens. God kijkt naar de mens en zegt:
‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’
(Genesis 2:18)

Voor het eerst in de Bijbel verklaart God iets niet goed. De mens heeft zelf nog niet uitgesproken dat hem iets ontbreekt. Maar God ziet wat hij nodig heeft en handelt om daarin te voorzien.

Wanneer we deze twee situaties in Genesis 2 naast elkaar leggen, zien we dat God weet wat goed is voor de mens. Hij verbiedt de mens om van één bepaalde boom te eten, zonder uit te leggen waarom juist die boom verboden is. En wanneer Hij ziet dat het niet goed is dat de mens alleen is, voorziet Hij in wat de mens nodig heeft.

In beide situaties is het God Die bepaalt wat goed is en wat tot leven leidt. De vraag is of de mens op Zijn wijsheid en goedheid zal vertrouwen, ook wanneer hij zelf nog niet alles begrijpt.

In Genesis 3 komt dat vertrouwen onder druk te staan.

 

Een gebod dat begint met overvloed

Voordat we naar het verbod kijken, is het belangrijk om Gods hele gebod te lezen.

De eerste woorden die God in Eden tot de mens spreekt, zijn:
‘Van alle bomen in de tuin mag je eten.’
(Genesis 2:16)

In het Hebreeuws wordt het werkwoord akhal, ‘eten’, hier herhaald: akhol tokhel, letterlijk ‘eten zul je eten’. Daarmee wordt de vrijheid en overvloed benadrukt die God de mens geeft.

Overal in de tuin staan bomen die aantrekkelijk zijn om te zien en goed zijn om van te eten. God heeft de mens in een tuin vol goede gaven geplaatst en nodigt hem uit om daarvan te eten en te genieten.

Binnen die overvloed stelt God één grens:
‘Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
(Genesis 2:17)

Voor de mens is niet zichtbaar waarom juist deze boom naar de dood leidt. Ook deze boom staat in een tuin vol bomen die aantrekkelijk zijn om te zien en goed zijn om van te eten.

De mens kan zien wat aantrekkelijk lijkt, maar God heeft gewaarschuwd dat het eten van deze boom tot de dood zal leiden. Zal de mens vertrouwen op wat God heeft gezegd, ook wanneer hij zelf niet kan overzien waarom deze grens goed is?

Dan verschijnt de slang.

 

De slang stelt Gods woorden ter discussie

De slang begint met een vraag over Gods woorden:
‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’
(Genesis 3:1)

Daarmee verdraait hij wat God heeft gezegd. God had de mens juist toestemming gegeven om van alle bomen in de tuin te eten, op één na. De slang legt de nadruk op wat de mens niet mag.

Zo verandert Gods overvloed in de woorden van de slang in een beperking. Nog voordat de slang de vrouw anders naar de boom laat kijken, zaait hij twijfel over Gods goedheid en Zijn bedoelingen met de mens.

De vrouw antwoordt dat ze van de vruchten van de bomen mogen eten, behalve van de boom in het midden van de tuin. Vervolgens spreekt de slang ook Gods waarschuwing tegen:
‘Jullie zullen helemaal niet sterven. God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’
(Genesis 3:4–5)

Door de Bijbel heen wordt de slang verbonden met een geestelijke tegenstander van God. In Openbaring wordt de duivel, ook satan genoemd, aangeduid als ‘de slang van weleer’ (Openbaring 12:9; 20:2). Jezus noemt de duivel een leugenaar en de vader van de leugen (Johannes 8:44). Dat brengt ons terug bij Genesis 3, waar de slang Gods woorden verdraait en twijfel zaait over Zijn goedheid en bedoelingen met de mens.

Volgens de slang houdt God iets goeds voor de mens achter. God weet wat de boom kan geven, maar wil volgens de slang niet dat de mens het ontvangt.

Kan de mens erop vertrouwen dat Gods grens bedoeld is om hem te beschermen, of moet hij zelf naar het goede grijpen omdat God het hem niet zou geven?

De slang houdt de mens een andere weg voor om wijsheid te verkrijgen, een weg waarbij hij voorbijgaat aan wat God heeft gezegd.

Meer over de slang, satan en andere geestelijke machten en hoe deze lijn door de Bijbel heen loopt lees je in Geestelijke machten.

 

Ze ziet, verlangt en neemt

Dan beschrijft Genesis wat er gebeurt:
‘De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan.’
(Genesis 3:6)

In deze beschrijving zien we een opeenvolging van handelingen. De vrouw ziet, verlangt, neemt en eet.

De boom ziet er aantrekkelijk uit en lijkt haar iets te kunnen geven wat de mens nodig heeft: wijsheid. Het verlangen naar wijsheid is niet verkeerd. De mens heeft immers wijsheid en onderscheidingsvermogen nodig om zijn roeping als Gods beeld te vervullen.

Op basis van wat de vrouw ziet en waarnaar zij verlangt, lijkt het goed om van de vrucht te nemen. Maar God had gezegd dat het eten van deze boom tot de dood zou leiden (Genesis 2:16–17).

Hier zien we ook een verbinding met Genesis 1. Daar is het steeds God Die ziet en verklaart wat goed is. In Genesis 3:6 ziet de vrouw zelf dat de boom goed is om van te eten.

Ze beoordeelt de boom op basis van wat ze ziet en waarnaar ze verlangt. Vervolgens neemt ze van de vrucht, ondanks wat God heeft gezegd. Ook haar man, die bij haar is, eet ervan.

De mens laat daarmee zijn eigen beoordeling bepalen wat hij doet, ook wanneer die ingaat tegen Gods woord. Hij grijpt zelf naar de wijsheid die hij nodig heeft om zijn roeping te vervullen.

Wat hier gebeurt, laat ook zien hoe een verlangen naar iets goeds ons kan brengen tot keuzes die uiteindelijk schadelijk zijn. We kunnen iets zien dat goed lijkt en ons daarin vergissen. Zelfs iets dat werkelijk goed is, kunnen we op een manier proberen te verkrijgen die ons van Gods wijsheid verwijdert.

Jakobus beschrijft hoe verlangens ons kunnen meeslepen:
‘Iedereen komt in verleiding door zijn eigen begeerte, die hem lokt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort.’
(Jakobus 1:14–15)

Wat Jakobus beschrijft, herkennen we ook in Genesis 3. De mens verlangt naar wijsheid, maar zijn eigen beoordeling van wat goed lijkt, brengt hem uiteindelijk op een weg die naar de dood leidt.

Het probleem is daarbij niet alleen dat de mens onvoldoende inzicht heeft om te onderscheiden wat werkelijk goed is. God had hem al gewaarschuwd voor de gevolgen van het eten van deze boom. De mens stond voor de vraag of hij op Gods wijsheid zou vertrouwen, ook wanneer zijn eigen verlangen hem een andere richting op trok.

 

Hun ogen gaan open

De slang had gezegd dat hun ogen zouden opengaan:
‘Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren.’
(Genesis 3:7)

Voor het eten waren de man en zijn vrouw ook naakt:
‘Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.’
(Genesis 2:25)

Na het eten verandert dat. Ze vlechten vijgenbladeren aan elkaar om zich te bedekken en wanneer ze God in de tuin horen, verbergen ze zich voor Hem.

Adam zegt:
‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’
(Genesis 3:10)

Hun ogen zijn inderdaad opengegaan, zoals de slang had gezegd. Maar het eerste wat ze ontdekken, is hun eigen naaktheid. Waar ze zich eerst niet schaamden, ervaren ze nu schaamte en angst. Wanneer God vraagt wat er is gebeurd, wijst Adam naar de vrouw en de vrouw naar de slang (Genesis 3:11–13).

Verderop zegt God:
‘De mens is nu als een van Ons, hij kent goed en kwaad.’
(Genesis 3:22)

Er is werkelijk iets veranderd. God zegt Zelf dat de mens nu goed en kwaad kent. De woorden van de slang over het verkrijgen van die kennis blijken dus niet volledig ongegrond. Toch betekent het verkrijgen van kennis nog niet dat de mens ook heeft geleerd om wijs met die kennis om te gaan.

De mens heeft deze kennis verkregen door op zijn eigen beoordeling te vertrouwen. In Genesis 3 zien we hoe schaamte en angst hun intrede doen. De mensen verbergen zich voor God en schuiven de schuld op elkaar af. De verhouding tussen God en de mens en tussen de mensen onderling raakt beschadigd. Ook de verhouding tussen de mens en de aarde verandert. Het bewerken van de grond, dat vanaf het begin bij zijn roeping hoorde, gaat voortaan gepaard met moeite en pijn (Genesis 3:17–19).

Vervolgens zegt God dat de mens niet ook van de boom van het leven mag eten en eeuwig blijven leven. Hij wordt uit de tuin van Eden verwijderd en de toegang tot de levensboom wordt bewaakt (Genesis 3:22–24).

De mens heeft zelf naar kennis van goed en kwaad gegrepen en moet nu leven met de gevolgen van die keuze. God sluit de toegang tot de levensboom af, zodat de mens niet voor altijd in deze gebroken toestand blijft leven. De mens, die zijn leven van God had ontvangen, zal uiteindelijk terugkeren tot het stof waaruit hij gevormd is (Genesis 3:19, 22–24).

 

Buiten Eden

In Genesis 4 zien we hoe de gevolgen van wat in Eden gebeurde verder zichtbaar worden.

Wanneer God wel aandacht heeft voor Abel en zijn offer, maar niet voor Kaïn en zijn offer, wordt Kaïn woedend. God spreekt hem aan voordat hij zijn broer iets heeft aangedaan:
‘Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’
(Genesis 4:7)

God waarschuwt Kaïn voor de zonde die hem in haar greep wil krijgen. Toch doodt Kaïn zijn broer. In de hoofdstukken die volgen, zien we hoe het geweld onder de mensen steeds verder toeneemt. In Genesis 6 is de aarde uiteindelijk verdorven en vol geweld geraakt (Genesis 6:5, 11).

Na de vloed zegt God dat wat de mens uitdenkt van zijn jeugd af aan tot kwaad geneigd is (Genesis 8:21). Vervolgens zegent Hij Noach en zijn zonen en geeft hun opnieuw de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te bevolken, zoals Hij eerder aan de mens had opgedragen (Genesis 1:28; 9:1). De mens krijgt een nieuwe start, maar de neiging tot kwaad is daarmee niet verdwenen.

Genesis 1–11 eindigt bij Babel. De mensen bouwen daar een stad en zeggen:
‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’
(Genesis 11:4)

In Genesis 1 had God de mens gezegend en hem de opdracht gegeven om de aarde te vullen. Bij Babel willen de mensen voorkomen dat ze over de aarde verspreid raken en proberen ze voor zichzelf een naam te maken. Uiteindelijk verspreidt God hen toch over de aarde (Genesis 11:1–9).

Wat in Genesis 3 gebeurt, wordt ook later in de Bijbel steeds opnieuw herkenbaar. Vooral het patroon van zien, verlangen en nemen keert op verschillende momenten terug.

Bij Achan wordt dat patroon bijna letterlijk beschreven. Wanneer Israël Jericho heeft ingenomen, neemt Achan kostbaarheden mee die volgens Gods opdracht niet voor persoonlijk gebruik bestemd waren. Wanneer zijn daad later aan het licht komt, vertelt hij wat er gebeurde. Hij zag een mooie mantel, zilver en goud tussen de buit liggen. Hij verlangde ernaar en nam het mee, waarna hij alles onder zijn tent verborg (Jozua 7:20–21). Net als in Eden zien we hoe iemand iets begeerlijks ziet en vervolgens neemt wat God verboden heeft.

Ook bij David herkennen we dit patroon. Wanneer hij op een avond vanaf het dak van zijn paleis een vrouw ziet baden, laat hij naar haar informeren. Hij hoort dat zij Batseba is, de vrouw van Uria. Toch laat hij haar halen en slaapt met haar. Wanneer Batseba zwanger blijkt te zijn, probeert David zijn daad te verbergen. Uiteindelijk zorgt David ervoor dat Uria op een plek terechtkomt waar hevig wordt gevochten en de andere soldaten zich terugtrekken, waardoor Uria om het leven komt (2 Samuël 11:14–17). Wat begint met zien en verlangen, leidt tot overspel, bedrog en de dood van een ander.

Bij Salomo zien we iets vergelijkbaars. Hij had God om wijsheid gevraagd om goed en kwaad te kunnen onderscheiden, en God had hem die wijsheid gegeven (1 Koningen 3:9–12). Toch zien we later hoe Salomo zich steeds meer laat leiden door zijn eigen verlangens en de woorden van God naast zich neerlegt. Hij verzamelt steeds meer voor zichzelf en zijn hart raakt uiteindelijk van de HEER verwijderd (1 Koningen 10–11).

Bij Achan, David en Salomo zien we hoe verlangens invloed krijgen op de keuzes die mensen maken. Ze nemen wat ze willen hebben, ook wanneer dat ingaat tegen wat God heeft gezegd. Zo blijft de vraag die in Eden naar voren komt door de Bijbelse geschiedenis heen terugkeren.

Wie bepaalt wat werkelijk goed is?

Meer over de plaats van Genesis 1–11 binnen de grote lijn van de Bijbel lees je in Het fundament van de Bijbel.

 

Van Babel naar Israël

Na Babel roept God Abram:
‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn.’
(Genesis 12:1–2)

Bij Babel wilden mensen zelf een naam voor zichzelf maken. Tegen Abraham zegt God:
‘Ik zal je aanzien geven.’
(Genesis 12:2)

Wat de mensen in Babel voor zichzelf proberen te bereiken, ontvangt Abraham van God terwijl hij wordt geroepen om Hem te vertrouwen en op weg te gaan naar het land dat God hem zal wijzen.

Gods bedoeling met Abraham gaat verder dan Abraham zelf:
‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
(Genesis 12:3)

Na alles wat in Genesis 3–11 is gebeurd, laat God Zijn wereld niet los. De zegen die Hij aan Abraham belooft, wordt vanaf het begin verbonden met de volken.

God heeft Abraham beloofd dat hij een groot volk zal worden. Maar Abraham en Sara krijgen lange tijd geen kind. Wanneer een kind uitblijft, proberen zij via Hagar zelf voor een nakomeling te zorgen (Genesis 16).

Ook Abraham moet leren vertrouwen op wat God heeft gezegd, terwijl hij nog niet kan zien hoe God Zijn belofte zal vervullen.

De familie van Abraham groeit uiteindelijk uit tot het volk Israël. Aan het begin van Exodus bevindt het volk zich in Egypte, waar het onder de macht van farao terecht is gekomen. Farao gebruikt de Israëlieten als slaven en geeft uiteindelijk zelfs opdracht om hun pasgeboren jongens te doden.

God bevrijdt Israël uit de slavernij en brengt het volk naar de Sinaï. Daar zegt Hij:
‘Jullie hebben gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen en hier bij Mij gebracht heb.’
(Exodus 19:4)

God geeft Israël Zijn geboden nadat Hij hen uit Egypte heeft bevrijd en sluit bij de Sinaï Zijn verbond met hen. Israël ontvangt de Torah als het volk dat God uit de slavernij heeft bevrijd.

 

Israël leert wat goed is

God had de mens geroepen om Hem binnen Zijn wereld te vertegenwoordigen. Nu zegt Hij tegen Israël:
‘Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’
(Exodus 19:6)

Israël krijgt een bijzondere plaats onder de volken en wordt geroepen om Gods karakter en wijsheid zichtbaar te maken in de manier waarop ze leven.

Mozes zegt later over Gods geboden:
‘Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die deze wetten horen zullen zeggen: “Wat is dat grote volk wijs en verstandig!”’
(Deuteronomium 4:6)

God geeft Israël de Torah en leert het volk hoe het als Zijn volk kan leven. Recht doen, trouw zijn, God liefhebben en de ander liefhebben krijgen daarin heel concreet vorm.

Meer over Gods onderwijzing aan Israël en de plaats van de Tien Woorden binnen deze grote lijn lees je in De Tien Geboden.

 

De woestijn laat zien wat er in het hart leeft

Israël heeft Gods geboden ontvangen en trekt vervolgens door de woestijn. Wanneer het volk honger en dorst krijgt, komt steeds de vraag naar voren of het erop vertrouwt dat de God Die hen uit Egypte heeft bevrijd ook voor hen zal zorgen.

Later kijkt Mozes daarop terug:
‘Denk aan de tocht die de HEER, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. Hij wilde u vernederen en u op de proef stellen om te ontdekken wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan Zijn geboden of niet.’
(Deuteronomium 8:2)

Daarna zegt Mozes:
‘Hij heeft u laten hongerlijden en u daarna manna te eten gegeven, voedsel dat u nooit eerder had gezien en uw voorouders evenmin. Zo wilde Hij u laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van de HEER voortbrengt.’
(Deuteronomium 8:3)

In de woestijn is Israël voor voedsel afhankelijk van wat God geeft. Iedere dag mag het volk genoeg manna verzamelen voor die dag. Wat tot de volgende dag wordt bewaard, bederft. Alleen voor de sabbat geeft God de opdracht om een dubbele hoeveelheid te verzamelen (Exodus 16:19–24). Zo leert Israël te vertrouwen op wat God geeft. Net als de mens in Eden ontvangt het volk zijn voedsel en leven van Hem.

 

Een hart dat vernieuwd wordt

Wanneer Mozes in Deuteronomium terugkijkt op de geschiedenis van Israël, spreekt hij ook over het hart. Israël heeft Gods woorden ontvangen, maar tijdens de woestijnreis blijkt hoe moeilijk het volk het vindt om op Hem te vertrouwen.

Mozes zegt:
‘Besnijd daarom uw hart en wees niet langer halsstarrig.’
(Deuteronomium 10:16)

En later:
‘De HEER, uw God, zal uw hart besnijden en ook dat van uw nakomelingen, zodat u Hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven zult blijven.’
(Deuteronomium 30:6)

De profeten spreken later verder over die vernieuwing. Jeremia spreekt over Gods onderwijzing die in het hart geschreven zal worden (Jeremia 31:31–34) en Ezechiël over een nieuw hart en Gods Geest Die mensen van binnenuit zal vernieuwen (Ezechiël 36:26–27).

Meer over de belofte van een vernieuwd hart en Gods Geest en hoe deze lijn verdergaat door de Bijbel lees je in De Heilige Geest.

 

Goed en kwaad, leven en dood

In hetzelfde gedeelte waarin Mozes spreekt over de vernieuwing van het hart, houdt hij Israël ook leven en dood, goed en kwaad voor. Mozes zegt:
‘Ik houd u vandaag leven en geluk voor, maar ook dood en ongeluk.’
(Deuteronomium 30:15)

In het Hebreeuws staan hier opnieuw de woorden tov en raʿ: goed en kwaad.

Mozes gaat verder:
‘Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door Hem lief te hebben, de weg te volgen die Hij wijst, en Zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen.’
(Deuteronomium 30:16)

En enkele verzen later:
‘Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, door de HEER, uw God, lief te hebben, Hem te gehoorzamen en Hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat Hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’
(Deuteronomium 30:19–20)

In Eden gaf God de mens een gebod waaraan leven en dood verbonden waren. Wanneer Israël op het punt staat het beloofde land binnen te gaan, worden opnieuw goed en kwaad, leven en dood voor het volk gelegd. Mozes roept Israël op om God lief te hebben, naar Hem te luisteren en Hem trouw te blijven. Net als in Eden gaat het om de vraag of de mens op Gods wijsheid vertrouwt en naar Zijn woorden leeft, of zelf bepaalt wat goed en kwaad is. Voor Israël is hier ook hun toekomst in het beloofde land mee verbonden.

 

Wanneer Salomo zelf gaat nemen

Deuteronomium spreekt over de tijd waarin Israël een koning zal hebben. De koning moet een afschrift van Gods onderwijzing bij zich hebben en daar zijn hele leven uit lezen (Deuteronomium 17:14–20). Ook hij heeft Gods wijsheid nodig om goed te regeren. Wanneer Salomo koning wordt, vraagt hij God daarom om wijsheid om goed en kwaad te kunnen onderscheiden (1 Koningen 3:9–12).

Later begint Salomo steeds meer voor zichzelf te verzamelen. Hij verzamelt enorme hoeveelheden goud (1 Koningen 10:14–23), paarden uit Egypte (1 Koningen 10:26–29) en uiteindelijk honderden vrouwen en bijvrouwen (1 Koningen 11:1–3).

Voor deze dingen had Deuteronomium de toekomstige koning gewaarschuwd:
‘Hij mag er niet veel paarden op nahouden […] Ook mag hij er niet veel vrouwen op nahouden […] En verder mag hij geen grote hoeveelheden zilver en goud vergaren.’
(Deuteronomium 17:16–17)

Salomo had wijsheid van God ontvangen om goed en kwaad te onderscheiden. Toch kiest hij later wegen waarvoor God de koning had gewaarschuwd. Zijn vrouwen verleiden hem ertoe andere goden te dienen en zijn hart is niet langer volledig aan de HEER toegewijd (1 Koningen 11:4).

 

Wijsheid begint bij God

In Spreuken lezen we:
‘Het begin van alle kennis is ontzag voor de HEER.’
(Spreuken 1:7)

En:
‘Vertrouw op de HEER met heel je hart,
steun niet op eigen inzicht.
Denk aan Hem bij alles wat je doet,
dan baant Hij voor jou de weg.’
(Spreuken 3:5–6)

Bijbelse wijsheid begint bij ontzag voor God en vertrouwen op Hem. De mens is geroepen om te leren, te onderscheiden, verantwoordelijkheid te dragen en keuzes te maken. Daarvoor heeft hij Gods wijsheid nodig.

Dat betekent ook dat we mogen leren om onze verlangens en keuzes te laten vormen door Zijn wijsheid. Wat wij graag willen of wat in onze ogen goed lijkt, hoeft niet altijd goed voor ons of voor anderen te zijn. De woorden uit Spreuken nodigen ons uit om op God te vertrouwen en ons door Zijn wijsheid te laten leiden, ook wanneer we zelf nog niet kunnen overzien wat de gevolgen van onze keuzes zullen zijn.

Spreuken gebruikt voor wijsheid zelfs het beeld van de levensboom:
‘Ze is een levensboom voor wie haar omhelst,
wie haar omarmt mag zich gelukkig prijzen.’
(Spreuken 3:18)

Dat Spreuken wijsheid vergelijkt met een levensboom, brengt ons weer terug naar Eden. Daar greep de mens zelf naar kennis van goed en kwaad en verloor hij de toegang tot de boom van het leven.

In Spreuken 3 wordt wijsheid beschreven als kostbaarder dan zilver, goud en edelstenen. Ze wordt verbonden met leven, vrede en geluk (Spreuken 3:13–18).

De mens werd vanaf het begin geroepen om wijsheid te ontwikkelen en goed en kwaad te leren onderscheiden. In Spreuken zien we waar die wijsheid begint: bij ontzag voor God en vertrouwen op Zijn onderwijzing. Wie zich door Gods wijsheid laat leiden, vindt daarin een weg die naar het leven leidt.

 

Jezus in de woestijn

De vraag die in Eden naar voren kwam en door de geschiedenis van Israël heen bleef terugkeren, komt ook bij Jezus in de woestijn naar voren. Zal Hij vertrouwen op de wijsheid en woorden van Zijn Vader, ook wanneer Hij op de proef wordt gesteld?

Wanneer Jezus aan Zijn bediening begint, wordt Hij door Johannes gedoopt in de Jordaan. Wanneer Hij uit het water omhoogkomt, daalt de Geest van God op Hem neer en klinkt er een stem uit de hemel:
‘Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’
(Matteüs 3:17)

Direct daarna wordt Jezus door de Geest de woestijn in geleid, waar Hij veertig dagen en veertig nachten vast en honger krijgt (Matteüs 4:1–2).

Wanneer Jezus daar op de proef wordt gesteld, antwoordt Hij telkens met woorden uit Deuteronomium, waar Mozes terugkijkt op de veertig jaar die Israël in de woestijn doorbracht.

Vlak voordat Jezus de woestijn ingaat, noemt God Hem Zijn geliefde Zoon. Ook Israël wordt in Exodus Gods zoon genoemd:
‘Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeboren zoon.’
(Exodus 4:22)

 

Brood en Gods woord

Na veertig dagen heeft Jezus honger. De verleider zegt:
‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’
(Matteüs 4:3)

Brood is goed en honger is een natuurlijk verlangen. De vraag is hoe Jezus met dat verlangen omgaat. Zal Hij zelf nemen wat Hij nodig heeft, of blijven vertrouwen op Zijn Vader?

In Eden had God de mens voedsel gegeven en mocht hij vrij eten van de bomen in de tuin. Tegelijkertijd had God één grens gesteld. De mens werd geroepen om te vertrouwen op wat God had gezegd.

Jezus antwoordt:
‘De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.’
(Matteüs 4:4)

Jezus citeert hier Deuteronomium 8:3. Daar legt Mozes uit waarom God Israël in de woestijn honger liet ervaren en vervolgens manna gaf:
‘Zo wilde Hij u laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van de HEER voortbrengt.’
(Deuteronomium 8:3)

Brood geeft leven, maar God is de uiteindelijke bron van het leven. Israël moest in de woestijn leren dat zijn leven afhankelijk was van wat God gaf en sprak. Jezus’ antwoord brengt ons terug bij wat we in Genesis 1–3 al zagen.

Jezus laat Zijn honger niet bepalen welke weg Hij kiest. Hij blijft vertrouwen op de woorden en de wijsheid van Zijn Vader.

 

Gods woorden worden ter discussie gesteld

In Eden begon de slang met:
‘Is het waar dat God gezegd heeft...?’
(Genesis 3:1)

De slang begint bij Gods woorden en probeert twijfel te zaaien over wat God heeft gezegd en over Zijn bedoelingen met de mens.

Bij Jezus in de woestijn horen we de verleider zeggen:
‘Als U de Zoon van God bent...’
(Matteüs 4:3)

Vlak daarvoor, bij Jezus’ doop, had God Zelf gezegd:
‘Dit is Mijn geliefde Zoon.’
(Matteüs 3:17)

Jezus heeft Zijn identiteit als Gods Zoon van de Vader ontvangen. In de woestijn probeert de verleider Hem ertoe te brengen die identiteit te gebruiken om Zijn eigen behoeften te vervullen en Zijn macht te tonen.

Net als in Eden worden Gods woorden ter discussie gesteld. De vraag is opnieuw of de mens op God vertrouwt en naar Zijn woorden leeft. Jezus laat Zich niet leiden door wat de verleider Hem voorhoudt, maar blijft trouw aan Zijn Vader en antwoordt met woorden uit de Schrift.

 

God op de proef stellen

Bij de tweede verzoeking neemt de duivel Jezus mee naar het hoogste punt van de tempel en zegt:
‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden.’
(Matteüs 4:6)

Deze keer citeert de duivel zelf uit Psalm 91. In Eden begon de verleider met Gods woorden en trok hij Gods betrouwbaarheid in twijfel. Hier gebruikt hij woorden uit Psalm 91 om Jezus ertoe te brengen Zijn Vader op de proef te stellen.

Jezus antwoordt opnieuw vanuit Deuteronomium:
‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’
(Matteüs 4:7)

Die woorden komen uit Deuteronomium 6:16 en verwijzen naar Massa, waar Israël zich afvroeg: ‘Is de HEER nu in ons midden of niet?’ toen er geen water was (Exodus 17:1–7). Jezus stelt Zijn Vader niet op de proef, maar blijft Hem vertrouwen.

 

Koninkrijken en macht

Bij de derde verzoeking laat de duivel Jezus alle koninkrijken van de wereld en hun pracht zien:
‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’
(Matteüs 4:9)

Jezus wordt vanaf het begin verbonden met Gods Koninkrijk en met de Koning die God heeft beloofd. Nu worden Hem de koninkrijken van de wereld aangeboden in ruil voor aanbidding.

Jezus antwoordt:
‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’
(Matteüs 4:10)

De woorden komen uit Deuteronomium 6:13, waar Israël wordt opgeroepen de HEER alleen te dienen en geen andere goden te volgen. Jezus buigt niet voor de verleider en blijft trouw aan Zijn Vader.

Meer over hoe de lijn van Gods Koninkrijk door de Bijbel heen loopt en hoe Jezus laat zien wat leven onder Gods koningschap betekent lees je in Gods Koninkrijk.

 

Jezus blijft vertrouwen op de Vader

De weg die Jezus in de woestijn kiest, loopt door in de rest van Zijn leven. In de Evangeliën zien we hoe Hij leeft vanuit Zijn vertrouwen op de Vader en Zijn verlangen om Zijn wil te doen. In Johannes zegt Hij:
‘Waarachtig, Ik verzeker u: de Zoon kan niets uit Zichzelf doen, Hij doet alleen wat Hij de Vader ziet doen.’
(Johannes 5:19)

Even verderop zegt Hij:
‘Ik kan niets doen uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor, en Mijn oordeel is rechtvaardig omdat Ik Mij niet richt op wat Ik zelf wil, maar op de wil van Hem die Mij gezonden heeft.’
(Johannes 5:30)

Hoe diep dat vertrouwen gaat, wordt zichtbaar in Getsemane, wanneer Jezus weet welk lijden Hem te wachten staat. Hij bidt tot Zijn Vader:
‘Abba, Vader, voor U is alles mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’
(Marcus 14:36)

Jezus vraagt of de beker aan Hem voorbij mag gaan, maar legt Zijn leven in de handen van Zijn Vader. Zelfs wanneer de weg die voor Hem ligt naar het lijden en de dood leidt, blijft Hij vertrouwen op de Vader en richt Hij Zich op Zijn wil. Die gehoorzaamheid houdt stand tot aan het kruis, zoals Paulus schrijft:
‘Hij heeft zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.’
(Filippenzen 2:8)

 

Jezus als de laatste Adam

Paulus verbindt Jezus met Adam. In Romeinen 5 schrijft hij:
‘Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden.’
(Romeinen 5:19)

Paulus laat zien dat het handelen van Adam en Jezus gevolgen heeft die verder reiken dan hun eigen leven. Met Adam komen zonde en dood de wereld binnen. In Romeinen 5 beschrijft Paulus hoe zij als machten over de mensheid zijn gaan heersen.

Door Jezus’ gehoorzaamheid wordt de weg geopend naar het leven dat God vanaf het begin voor de mens heeft bedoeld. Waar de zonde en de dood heersten, laat Paulus zien hoe Gods genade door Jezus Christus leidt tot gerechtigheid en leven (Romeinen 5:12–21).

Zijn weg eindigt niet bij de dood. God wekt Hem op. Paulus schrijft:
‘Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt.’
(1 Korintiërs 15:22)

Later noemt Paulus Jezus ook ‘de laatste Adam’ (1 Korintiërs 15:45). Hij verwijst daarbij terug naar Genesis 2:7, waar God de mens vormt uit het stof van de aarde en hem levensadem geeft. Adam ontvangt zijn leven van God. Jezus, Die uit de dood is opgestaan, wordt door Paulus beschreven als de laatste Adam, Die door de Geest leven geeft.

Waar Adam aan het begin staat van een mensheid die onder de macht van zonde en dood is gekomen, staat Jezus aan het begin van een vernieuwde mensheid die door Hem mag delen in het leven van de nieuwe schepping.

Zijn opstanding is het begin van Gods nieuwe schepping. Omdat God Jezus uit de dood heeft opgewekt, mogen ook de mensen die bij Hem horen uitzien naar hun eigen opstanding.

Daarmee komt ook de oorspronkelijke roeping van de mens weer in beeld. God schiep de mens naar Zijn beeld om Hem binnen Zijn schepping te vertegenwoordigen. In Jezus zien we de Mens Die deze roeping trouw vervult.

De mensen die Jezus volgen, worden door de Heilige Geest vernieuwd naar Zijn beeld (Romeinen 8:29; 2 Korintiërs 3:18). Zij leren opnieuw te leven vanuit Gods wijsheid en krijgen door Jezus deel aan het leven dat God voor Zijn schepping heeft bedoeld.

Zo loopt de lijn die in Genesis begint bij de mens die naar Gods beeld wordt geschapen, via Jezus naar een vernieuwde mensheid en uiteindelijk naar een vernieuwde schepping.

 

Van Eden naar het kruis en de levensboom

Aan het einde van Genesis 3 wordt de weg naar de boom van het leven afgesloten. De mens, die naar kennis van goed en kwaad heeft gegrepen, wordt geconfronteerd met de gevolgen van zijn keuze. De dood krijgt een plaats in het menselijk bestaan.

Wanneer we verder lezen in de Bijbel, zien we hoe God werkt aan het herstel van wat verloren is gegaan. Die lijn komt samen in Jezus. Waar de mens in Eden zelf neemt wat hem goed lijkt, blijft Jezus trouw aan de Vader, zelfs wanneer die trouw Hem naar het kruis leidt.

Petrus schrijft dat Jezus onze zonden heeft gedragen ‘in Zijn lichaam aan het kruishout’ (1 Petrus 2:24). Door Zijn dood en opstanding heeft Jezus de macht van zonde en dood doorbroken en de weg geopend naar vergeving, verzoening met God en het herstel van het leven zoals God dat vanaf het begin voor de mens en Zijn schepping heeft bedoeld.

Aan het einde van de Bijbel verschijnt opnieuw de boom van het leven. In de laatste hoofdstukken van Openbaring vinden we verschillende beelden uit Eden terug. Johannes ziet:
‘Toen liet de engel mij een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom.’
(Openbaring 22:1–2)

De weg naar de boom van het leven, die in Genesis 3 werd afgesloten, ligt hier weer open.

 

God woont weer bij de mensen

Johannes ziet:
‘Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan.’
(Openbaring 21:2)

Vervolgens klinkt:
‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen Zijn volken zijn en God Zelf zal als hun God bij hen zijn.’
(Openbaring 21:3)

In Eden leefde de mens in Gods aanwezigheid en na de breuk werd hij uit de tuin verwijderd. Aan het einde van de Bijbel woont God opnieuw bij de mensen in Zijn vernieuwde schepping.

In Genesis werd de dood verbonden met het eten van de verboden boom. In Openbaring lezen we dat de dood zal verdwijnen:
‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’
(Openbaring 21:4)

En:
‘Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust.’
(Openbaring 22:3)

Zo eindigt de Bijbel met het beeld van een vernieuwde schepping waarin de dood en de vloek verdwenen zijn, de mens weer toegang heeft tot de levensboom en God bij Zijn mensen woont.

Meer over hoe deze lijn van schepping tot vernieuwde schepping door de hele Bijbel loopt lees je in De rode draad van de Bijbel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb