Gods naam dragen
Het dragen van Gods naam is een lijn die door de hele Bijbel loopt. In bijna elk Bijbelboek zien we hoe God Zijn naam aan Zijn volk verbindt en hoe die naam iets zegt over bij Wie zij horen, Wie zij vertegenwoordigen en hoe zij geroepen zijn om te leven.
Deze lijn begint bij Israël, dat God uit Egypte bevrijdt en bij de Sinaï roept om als een koninkrijk van priesters en een heilig volk tussen de andere volken te leven. Daarna komt Gods naam opnieuw terug bij de priesters, in de zegen over Israël, bij de profeten, in het onderwijs van Jezus en uiteindelijk in Openbaring, waar Gods naam op het voorhoofd staat van mensen die bij Hem horen.
Wat betekent het om Gods naam te dragen? Waarom komt dit thema op zoveel plaatsen in de Bijbel terug? En wat zegt het over onze eigen roeping wanneer we Jezus volgen?
Wanneer Israël bij de berg Sinaï aankomt, ligt de bevrijding uit Egypte achter hen. Generaties lang hadden de Israëlieten als slaven onder de macht van de farao geleefd.
Voordat God de Tien Geboden geeft, herinnert Hij het volk aan wat Hij voor hen heeft gedaan en waartoe Hij hen roept:
‘Jullie hebben gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij Mij heb gebracht. Als je Mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met Mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor Mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort Mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’
(Exodus 19:4–6)
Israël krijgt deze roeping nadat God het volk heeft bevrijd. Bij de Sinaï leert Israël wat het betekent om als Zijn volk te leven. Tegen deze achtergrond klinkt ook het gebod over Gods naam:
‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie Zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan.’
(Exodus 20:7)
Dit gebod wordt vaak verbonden met vloeken of het achteloos uitspreken van Gods naam. De Hebreeuwse woorden die hier worden gebruikt en de plaats van dit gebod binnen Exodus helpen om beter te begrijpen wat ermee wordt bedoeld.
Een volk dat Gods naam draagt
In Exodus 20:7 staat het Hebreeuwse werkwoord nasa, dat dragen, optillen of opnemen kan betekenen. Daarnaast staat het woord shav, dat verwijst naar iets wat leeg, vals of zonder inhoud is. Letterlijker gelezen gaat het gebod over het ‘dragen’ van de naam van JHWH op een lege of valse manier.
Dat geeft het gebod een bredere betekenis dan alleen het verkeerd uitspreken van Gods naam. Binnen de grotere context van Exodus gaat het ook over het dragen van Gods naam.
Dat past bij wat God vlak daarvoor over Israël heeft gezegd. Uit alle volken wordt Israël geroepen om een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn. Israël behoort bij JHWH en leeft als Zijn volk tussen de andere volken. De manier waarop het volk leeft, zegt iets over de God Wiens naam het draagt.
Deze lijn loopt door de rest van de Bijbel heen en komt in bijna elk Bijbelboek terug. Steeds zien we hoe Gods naam verbonden is met de roeping van Zijn volk.
Een naam kan in de Bijbel ook verbonden zijn met iemands reputatie. Spreuken zegt bijvoorbeeld:
‘Een goede naam is te verkiezen boven grote rijkdom.’
(Spreuken 22:1)
Wanneer Israël Gods naam draagt, staat ook Gods reputatie onder de volken op het spel. De manier waarop Israël leeft, heeft invloed op wat de volken zien van de God bij Wie dit volk zegt te horen.
Deze roeping heeft haar oorsprong al in Genesis. In Genesis 1 wordt de mens geschapen als Gods tselem, Zijn beeld, om Hem binnen Zijn schepping te vertegenwoordigen. Later roept God Abraham en belooft Hij hem tot een groot volk te maken. Door hem zouden alle volken op aarde gezegend worden. Uit de familie van Abraham ontstaat Israël. In de roeping van Israël komt de roeping die God de mens vanaf het begin heeft gegeven opnieuw naar voren.
Meer over de mens als Gods beeld en de roeping die daarmee verbonden is lees je in De mens als Gods beeld.
Namen dragen
Wat het betekent om een naam te dragen, wordt enkele hoofdstukken later heel concreet zichtbaar bij de hogepriester. God geeft opdracht om twee stenen op de schouderstukken van het priesterkleed te bevestigen. Daarop worden de namen van de twaalf stammen van Israël gegraveerd:
‘Bevestig de twee stenen op de schouderstukken van het priesterkleed, als herinneringsstenen voor de Israëlieten. Zo draagt Aäron hun namen op zijn schouders wanneer hij voor de HEER verschijnt, om hen bij Hem in herinnering te brengen.’
(Exodus 28:12)
Hier wordt opnieuw het Hebreeuwse werkwoord nasa, ‘dragen’, gebruikt. Hetzelfde zien we bij de borsttas van de hogepriester. Daarop worden twaalf edelstenen bevestigd met de namen van de twaalf stammen. Wanneer Aäron het heiligdom binnengaat, draagt hij hun namen boven zijn hart:
‘Zo draagt Aäron telkens als hij het heiligdom binnengaat de namen van Israëls zonen op de borsttas voor de orakelstenen boven zijn hart, om de HEER steeds aan hen te herinneren.’
(Exodus 28:29)
Aäron draagt de namen van Israël wanneer hij als hogepriester voor God verschijnt. Hetzelfde werkwoord wordt in Exodus 20:7 gebruikt voor het dragen van Gods naam. Aäron draagt de namen van het volk voor God, terwijl Israël geroepen is om Gods naam onder de volken te dragen. In beide gevallen is het dragen van een naam verbonden met identiteit en vertegenwoordiging.
Ook op het voorhoofd van Aäron wordt zichtbaar bij Wie hij hoort. Op een gouden plaat staan de woorden:
‘Aan de HEER gewijd.’
(Exodus 28:36)
Gods naam op Zijn volk
In Numeri wordt Gods naam rechtstreeks met Israël verbonden. Wanneer God aan Aäron en zijn zonen uitlegt hoe zij het volk moeten zegenen, geeft Hij hun deze woorden:
‘Moge de HEER u zegenen en u beschermen,
moge de HEER het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,
moge de HEER u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven.’
(Numeri 6:24–26)
Daarna zegt God:
‘Als zij Mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen.’
(Numeri 6:27)
God legt Zijn naam op Zijn volk en verbindt Zijn zegen aan die naam.
De naam maakt bekend Wie God is
In Exodus wordt duidelijk wat God door Zijn naam over Zichzelf bekendmaakt. Wanneer Mozes bij de brandende struik vraagt wat hij tegen de Israëlieten moet zeggen wanneer zij naar Gods naam vragen, maakt God Zijn naam bekend als JHWH.
Bij de Sinaï maakt Israël vervolgens het gouden kalf en zegt dat dit de god is die hen uit Egypte heeft bevrijd. Wanneer Mozes later vraagt om Gods majesteit te mogen zien, antwoordt God dat Hij Zijn goedheid aan Mozes voorbij zal laten gaan en Zijn naam zal uitroepen:
‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten Zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft [...]’
(Exodus 34:6–7)
Gods naam is verbonden met Wie Hij is, met Zijn karakter, Zijn aanwezigheid en Zijn handelen. Israël draagt de naam van deze God.
Gods naam dragen in het dagelijks leven
In Leviticus zien we hoe Gods naam verbonden is met de manier waarop Israël leeft. God zegt tegen het volk:
‘Steel niet, lieg niet en bedrieg je naaste niet. Zweer niet vals bij Mijn naam, want daarmee ontwijd je de naam van je God. Ik ben de HEER.’
(Leviticus 19:11–12)
Het ontwijden van Gods naam wordt verbonden met heel concrete geboden over eerlijkheid en de omgang met andere mensen. In het vervolg van hetzelfde hoofdstuk gaat het o.a. over het niet uitbuiten van een ander, eerlijk rechtspreken, zorg voor armen en vreemdelingen en het liefhebben van de naaste.
Gods naam dragen wordt zichtbaar in het dagelijks leven. Israël is geroepen om zo te leven dat zichtbaar wordt Wie de God is Wiens naam het draagt.
De plaats waar God Zijn naam laat wonen
Wanneer Israël later het land binnengaat, komt Gods naam weer terug. In Deuteronomium spreekt Mozes over de plaats die God zal kiezen:
‘Ga naar de plaats die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er Zijn naam te laten wonen.’
(Deuteronomium 12:11)
Later wordt deze uitdrukking ook verbonden met Jeruzalem en de tempel. De plaats waar Israël God aanbidt, wordt de plaats waar Hij Zijn naam laat wonen. Gods naam wijst hier op Zijn aanwezigheid onder Zijn volk.
Wanneer Gods naam wordt ontheiligd
Door de geschiedenis van Israël heen zien we dat het volk niet leeft zoals God hen heeft geroepen. Israël aanbidt andere goden, mensen worden onrechtvaardig behandeld en kwetsbare mensen worden uitgebuit. De profeten spreken het volk daar telkens op aan.
In Ezechiël zien we wat dit betekent voor Gods naam. Israël is inmiddels uit het land verdreven en leeft verspreid tussen de andere volken. God zegt:
‘Toen ze bij andere volken kwamen, werd Mijn heilige naam ontwijd doordat men van hen zei: “Dit is nu het volk van de HEER, en toch moesten ze weg uit Zijn land!” Het deed Mij pijn dat Mijn heilige naam zo ontwijd werd door het volk van Israël bij de volken waar ze kwamen.’
(Ezechiël 36:20–21)
God zegt dat Hij zal handelen omwille van Zijn heilige naam:
‘Ik zal de heiligheid van Mijn grote naam herstellen, die door jullie bij de volken ontwijd is. Als Ik Mijn heiligheid door jullie toon, zullen de volken beseffen dat Ik de HEER ben – spreekt God, de HEER.’
(Ezechiël 36:23)
God belooft Zijn volk van binnenuit te vernieuwen:
‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie Mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens Mijn wetten leven en Mijn regels in acht nemen.’
(Ezechiël 36:26–27)
God zal Zijn volk verzamelen en reinigen, hun een nieuw hart geven en Zijn Geest in hen laten wonen. Door Zijn Geest zullen zij opnieuw leren leven zoals God hen heeft geroepen.
Laat Uw naam geheiligd worden
De woorden uit Ezechiël klinken later door in het gebed dat Jezus Zijn leerlingen leert:
‘Onze Vader in de hemel,
laat Uw naam geheiligd worden,
laat Uw koninkrijk komen
en Uw wil gedaan worden
op aarde zoals in de hemel.’
(Matteüs 6:9–10)
Ezechiël had gesproken over Gods naam die onder de volken was ontheiligd en over Gods belofte om Zijn naam weer te heiligen.
Wanneer Jezus Zijn leerlingen leert bidden dat Gods naam geheiligd wordt, verbindt Hij dit met de komst van Gods Koninkrijk en het doen van Zijn wil op aarde zoals in de hemel. Zijn leerlingen bidden om Gods goede heerschappij op aarde en worden geroepen om naar Zijn wil te leven.
Meer over dit gebed en de verbinding tussen Gods naam, Zijn Koninkrijk en Zijn wil lees je in Het Onze Vader.
Jezus maakt de naam van Zijn Vader bekend
In het gebed vlak voor Zijn arrestatie spreekt Jezus ook over de naam van Zijn Vader:
‘Ik heb Uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt.’
(Johannes 17:6)
Aan het einde van hetzelfde gebed zegt Jezus:
‘Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en zij weten dat U Mij hebt gezonden. Ik heb hun Uw naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen.’
(Johannes 17:25–26)
Jezus maakt de naam van Zijn Vader bekend door Zijn woorden en door de manier waarop Hij leeft en handelt. Zoals Gods naam in Exodus verbonden is met Wie Hij is, zo maakt Jezus zichtbaar Wie Zijn Vader is.
Dat sluit aan bij wat Paulus over Jezus schrijft:
‘Beeld van God, de onzichtbare, is Hij, eerstgeborene van heel de schepping.’
(Kolossenzen 1:15)
Hier komt ook de lijn van Gods beeld terug. De mens werd vanaf het begin geschapen als Gods beeld om Hem binnen Zijn schepping te vertegenwoordigen. Jezus wordt het beeld van de onzichtbare God genoemd.
Israël en de volken
Na Jezus’ dood en opstanding gaat het goede nieuws over Israëls Messias vanuit Israël naar de volken. Steeds meer mensen uit andere volken gaan de God van Israël aanbidden en geloven in Jezus.
Tijdens de bijeenkomst in Jeruzalem spreekt Jakobus over wat God onder de volken aan het doen is:
‘Simeon heeft uiteengezet hoe God Zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat Zijn naam vereert.’
(Handelingen 15:14)
Ook hier zien we Gods naam terug in de roeping van Zijn volk. Mensen uit de volken gaan bij de God van Israël horen. Jakobus verbindt wat er gebeurt met de woorden van de profeten. Zo gaat de belofte aan Abraham verder. Door Israëls Messias bereikt Gods zegen de volken.
Een koninkrijk van priesters
Petrus gebruikt woorden die herinneren aan de roeping van Israël bij de Sinaï:
‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God Zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar Zijn wonderbaarlijke licht.’
(1 Petrus 2:9)
Petrus schrijft over mensen die bij God horen en Zijn grote daden bekendmaken. Verderop in dezelfde brief schrijft hij:
‘Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God.’
(1 Petrus 4:16)
Wiens naam draag je?
In Openbaring komt het beeld van een naam op het voorhoofd terug. In hoofdstuk 13 krijgen mensen het merkteken van het beest. In het volgende hoofdstuk ziet Johannes mensen die bij het Lam horen:
‘Toen zag ik dit: het lam stond op de Sion, en bij het lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die Zijn naam en die van Zijn Vader op hun voorhoofd hadden.’
(Openbaring 14:1)
Tegenover het merkteken van het beest staan mensen die de naam van het Lam en Zijn Vader dragen. De naam op hun voorhoofd laat zien bij Wie zij horen en aan Wie zij hun trouw geven.
Aan het einde van Openbaring ziet Johannes Gods dienaren in de vernieuwde schepping:
‘Ze zullen Hem met eigen ogen zien, en Zijn naam staat op hun voorhoofd.’
(Openbaring 22:4)
Dit herinnert aan de hogepriester uit Exodus, die op zijn voorhoofd een gouden plaat droeg met de woorden ‘Aan de HEER gewijd’. In Openbaring dragen Gods dienaren Zijn naam op hun voorhoofd en leven zij voor altijd in Zijn aanwezigheid.
Voor vandaag
Door de Bijbel heen zien we hoe God Zijn naam verbindt aan mensen die bij Hem horen. Israël werd geroepen om als Zijn volk tussen de volken te leven. Jezus maakte de naam van Zijn Vader bekend en door de Geest worden Zijn volgelingen vernieuwd om als Zijn volk te leven.
Als volgelingen van Jezus dragen we Zijn naam. Dat gaat over meer dan de manier waarop we Zijn naam gebruiken. Het zegt iets over bij Wie we horen, Wie we vertegenwoordigen en de roeping die God de mens heeft gegeven. In de manier waarop we leven mag zichtbaar worden Wie Hij is. Dat krijgt vorm in onze omgang met andere mensen, in hoe we omgaan met Zijn schepping, hoe we dienen en vergeven en hoe we elkaar liefhebben.
Maak jouw eigen website met JouwWeb