De gaven van de Geest

Gods Geest komen we al aan het begin van de Bijbel tegen. Door het Oude Testament heen zien we hoe Hij mensen wijsheid en kracht geeft voor verschillende taken. Mozes verlangt naar een dag waarop heel Gods volk de Geest zal ontvangen en later spreken de profeten over een tijd waarin God Zijn Geest zal uitstorten over alle mensen. In het Nieuwe Testament komt die verwachting samen in Jezus en wordt de Geest met Pinksteren uitgestort over Gods volk.

Vanaf dat moment lezen we ook over verschillende gaven van de Geest. Paulus schrijft over profetie, genezing, tongentaal, wijsheid en kennis, maar ook over dienen, onderwijzen, bemoedigen, geven en leidinggeven.

Wat zijn deze gaven, waarom worden ze gegeven en welke plaats krijgen ze binnen het leven van de gemeente?

Gods Geest bekwaamt mensen

De eerste keer dat Gods Geest in de Bijbel wordt genoemd, is al aan het begin. Gods Geest zweeft over het water wanneer God orde en leven brengt in de schepping (Genesis 1:2). Door de Bijbel heen blijft Gods Geest verbonden met leven en met Gods werk in Zijn schepping. Later zien we hoe diezelfde Geest mensen bekwaamt om een bepaalde taak te vervullen.

Wanneer Jozef in Egypte de dromen van farao uitlegt en hem wijs advies geeft over de komende hongersnood, herkent farao iets bijzonders in hem:
‘Zouden we ooit iemand kunnen vinden als deze man, iemand die zo vervuld is van Gods geest?’ zei de farao tegen hen.
(Genesis 41:38)

Jozef ontvangt wijsheid waardoor hij verantwoordelijkheid kan dragen en tijdens de hongersnood vele levens kan bewaren.

Later, wanneer de tabernakel wordt gebouwd, lezen we over Besaleël. God zegt over hem:
‘Ik heb hem vervuld met goddelijke geest, met wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied.’
(Exodus 31:3)

Gods Geest wordt hier verbonden met wijsheid en vakmanschap. Besaleël wordt bekwaamd om ontwerpen te maken en te werken met goud, zilver, koper, brons, steen en hout.

Ook bij de rechters zien we dat Gods Geest mensen kracht geeft om Israël te leiden en te bevrijden. De Geest komt over Otniël, Gideon, Jefta en Simson wanneer zij een bepaalde taak krijgen (Rechters 3:10; 6:34; 11:29; 14:6).

Later wordt David door Samuel tot koning gezalfd:
‘Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER.’
(1 Samuel 16:13)

Ook de profeten spreken door Gods Geest. Micha zegt dat hij vervuld is van kracht, van de Geest van de HEER, om Israël met zijn onrecht te confronteren (Micha 3:8).

Wanneer Mozes zeventig oudsten verzamelt om samen met hem verantwoordelijkheid voor het volk te dragen, legt God een deel van de Geest die op Mozes rust op hen. Zij beginnen te profeteren. Twee mannen die niet bij de tent aanwezig zijn, ontvangen ook de Geest en profeteren in het kamp. Jozua wil dat Mozes hen tegenhoudt.

Mozes antwoordt:
‘Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de HEER zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’
(Numeri 11:29)

Later spreken de profeten over een tijd waarin Gods Geest veel breder aan Zijn volk zal worden gegeven. Joël zegt:
‘Daarna zal zich dit voltrekken: Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude mensen zullen dromen dromen, en jongeren zullen visioenen zien.’
(Joël 3:1)

Wat bij Mozes als verlangen klinkt, wordt bij de profeten onderdeel van de hoop op Gods toekomstige herstel.

 

Jezus en de Geest

Wanneer Jezus in het Nieuwe Testament verschijnt, komt deze lijn opnieuw naar voren. Bij Zijn doop daalt de Geest op Hem neer en daarna wordt Jezus door de Geest de woestijn in geleid (Lucas 3:21–22; 4:1).

Wanneer Hij terugkeert naar Galilea, gaat Hij in Nazaret naar de synagoge en leest uit de profeet Jesaja:
‘De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft Hij Mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’
(Lucas 4:18–19)

Jezus zegt vervolgens dat deze woorden in Hem in vervulling zijn gegaan. Zijn werk wordt vanaf het begin verbonden met Gods Geest en met het herstel dat God door de profeten had beloofd.

Door de kracht van de Geest verkondigt Jezus Gods Koninkrijk, geneest Hij zieken en bevrijdt Hij mensen uit de macht van het kwaad. Wanneer Jezus ervan wordt beschuldigd dat Hij demonen uitdrijft door Beëlzebul, zegt Hij:
‘Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen.’
(Matteüs 12:28)

Jezus verbindt het werk van de Geest met de komst van Gods Koninkrijk. In Hem begint het herstel waar Israël naar had uitgezien zichtbaar te worden.

Meer over Gods Koninkrijk en hoe Gods goede heerschappij in Jezus dichtbij komt lees je in Gods Koninkrijk.

 

De Geest wordt uitgestort

Voor Zijn dood vertelt Jezus Zijn leerlingen dat de Heilige Geest zal komen. Hij zal bij hen zijn, hen onderwijzen, hen herinneren aan Jezus’ woorden en van Jezus getuigen (Johannes 14:16–17, 26; 15:26; 16:13–15).

Na Zijn opstanding zegt Jezus:
‘Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’
(Handelingen 1:8)

In Handelingen 2 wordt deze belofte vervuld. Tijdens het Joodse Pinksterfeest horen de aanwezigen een geluid als van een krachtige wind. Er verschijnt iets wat op vuurtongen lijkt en de leerlingen worden vervuld van de Heilige Geest. Zij beginnen in andere talen te spreken en mensen uit allerlei landen horen hen in hun eigen taal over Gods grote daden spreken (Handelingen 2:1–11).

Petrus legt uit wat er gebeurt door terug te grijpen op Joël:
‘Aan het einde der tijden, zegt God, zal Ik mijn Geest uitgieten over al wat leeft. Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen dromen dromen.’
(Handelingen 2:17)

Wat bij Mozes al als verlangen klonk, klinkt bij Joël als een belofte voor de toekomst. Met Pinksteren zegt Petrus dat de woorden van Joël in vervulling gaan. Gods Geest wordt uitgestort over mannen en vrouwen, jong en oud.

De Geest woont nu in Gods volk. Paulus zal de gemeente later Gods tempel noemen en beschrijven als één lichaam waarin dezelfde Geest door verschillende mensen werkt (1 Korintiërs 3:16; 12:4–13).

 

Verschillende gaven, dezelfde Geest

Een van de belangrijkste gedeelten over geestelijke gaven staat in 1 Korintiërs 12–14. Paulus schrijft aan een gemeente waarin verschillende geestelijke ervaringen een grote plaats innemen. Om te begrijpen wat Paulus over de gaven schrijft, helpt het daarom om ook te kijken naar wat er in Korinte speelde.

Aan het begin van hoofdstuk 12 schrijft hij:
‘Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt.’
(1 Korintiërs 12:4–6)

Vervolgens schrijft hij:
‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente.’
(1 Korintiërs 12:7)

De gaven worden gegeven om anderen te dienen en de gemeente op te bouwen.

 

Eén lichaam met verschillende delen

Direct daarna gebruikt Paulus het beeld van een lichaam. Een lichaam bestaat uit veel verschillende delen die samen één geheel vormen.

Een voet kan niet zeggen dat hij niet bij het lichaam hoort omdat hij geen hand is. Een oor hoeft geen oog te worden om waardevol te zijn. Wanneer het hele lichaam uit één oog zou bestaan, zou het niet kunnen horen (1 Korintiërs 12:14–20).

Paulus schrijft:
‘Maar God heeft juist alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals Hij dat wilde.’
(1 Korintiërs 12:18)

Verschil hoort bij de manier waarop de Geest de gemeente vormt. Niet iedereen krijgt dezelfde taak of dezelfde gave.

Aan het einde van het hoofdstuk stelt Paulus een reeks vragen:
‘Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?’
(1 Korintiërs 12:29–30)

Paulus beschrijft een lichaam waarin mensen elkaar nodig hebben en verschillende gaven ontvangen. 

 

De liefde midden in het onderwijs over de gaven

Na zijn uitleg over het lichaam schrijft Paulus:
‘Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.’
(1 Korintiërs 12:31)

Daarna volgt 1 Korintiërs 13. Dit hoofdstuk wordt vaak gelezen bij bruiloften, terwijl het midden in Paulus’ onderwijs over geestelijke gaven staat.

Paulus schrijft:
‘Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schallende cimbaal.’
(1 Korintiërs 13:1)

Hij noemt daarna ook profetie, kennis en een geloof dat bergen kan verplaatsen. Iemand kan zulke gaven hebben en toch tekortschieten in de manier waarop hij met anderen omgaat (1 Korintiërs 13:1–3).

De liefde waar Paulus over spreekt is geduldig en vol goedheid, kent geen afgunst, schept niet op en zoekt zichzelf niet (1 Korintiërs 13:4–7). 

Paulus plaatst de gaven ook binnen een groter perspectief. Profetieën zullen verdwijnen, tongentaal zal verstommen en kennis zal voorbijgaan. Wat mensen nu kennen en begrijpen is nog onvolledig. Liefde blijft (1 Korintiërs 13:8–13).

Daarna gaat hij meteen verder:
‘Jaag de liefde na en richt u op de gaven van de Geest, vooral op die van de profetie.’
(1 Korintiërs 14:1)

 

Profetie, tongentaal en de opbouw van de gemeente

Na zijn woorden over de liefde gaat Paulus verder met profetie en tongentaal. Door het hoofdstuk heen komt hij steeds terug op de vraag wat anderen aan een gave hebben. Wie profeteert, spreekt volgens hem woorden die anderen opbouwen, bemoedigen en troosten (1 Korintiërs 14:3). Daarom geeft hij tijdens de samenkomst de voorkeur aan begrijpelijke woorden waar anderen iets aan hebben.

Hij schrijft:
‘Dit geldt ook voor u: als u zo graag gaven van de Geest bezit, streef er dan naar uit te blinken in gaven die de gemeente opbouwen.’
(1 Korintiërs 14:12)

Profetische woorden worden daarbij ook beoordeeld. Wanneer profeten spreken, moeten anderen onderzoeken wat er gezegd wordt (1 Korintiërs 14:29). Ook aan de Tessalonicenzen schrijft Paulus:
‘Doof de Geest niet uit en heb geen minachting voor profetieën. Onderzoek alles, behoud het goede.’
(1 Tessalonicenzen 5:19–21)

Ook bij tongentaal kijkt Paulus naar wat er tijdens de samenkomst gebeurt en wat anderen eraan hebben. Hij zegt dat hij zelf in tongen spreekt, maar schrijft:
‘maar om in de gemeente anderen te onderwijzen, gebruik ik liever een paar begrijpelijke woorden dan ontelbaar veel in klanktaal.’
(1 Korintiërs 14:19)

Daarbij denkt Paulus ook aan mensen die de samenkomst binnenkomen en niet vertrouwd zijn met wat daar gebeurt. Wanneer iedereen tegelijk in tongentaal spreekt, kunnen zij denken dat de gemeente buiten zinnen is. Wanneer er begrijpelijk wordt gesproken, kan iemand geraakt worden door wat hij hoort en God erkennen (1 Korintiërs 14:23–25).

Wanneer er tijdens de samenkomst in tongentaal wordt gesproken, moet er iemand zijn die deze kan uitleggen. Als niemand dat kan, moet degene die in tongentaal spreekt zwijgen en voor zichzelf en voor God spreken (1 Korintiërs 14:27–28). 

Paulus schrijft:
‘Wie profeteert heeft macht over zijn geest.’
(1 Korintiërs 14:32)

Profeten spreken om de beurt en wat zij zeggen wordt beoordeeld. Geestelijke uitingen gaan bij Paulus samen met orde en zelfbeheersing.

Paulus sluit het hoofdstuk af met:
‘Kortom, broeders en zusters, richt u op het profeteren en verhinder niet dat er in klanktaal gesproken wordt. Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren.’
(1 Korintiërs 14:39–40)

Door het hele hoofdstuk heen komt Paulus zo terug bij dezelfde dingen: liefde, de opbouw van de gemeente, verstaanbaarheid, beoordeling en orde.

Meer over profetie lees je in Profetie in de Bijbel en meer over tongentaal lees je in Tongentaal in de Bijbel.

 

De gaven zijn breder dan de meest opvallende uitingen

Wanneer over de gaven van de Geest wordt gesproken, gaat de aandacht vaak naar profetie, tongentaal, genezing en wonderen. Het Nieuwe Testament spreekt op verschillende plaatsen over gaven en daarbij worden niet steeds dezelfde gaven genoemd.

In Romeinen schrijft Paulus:
‘We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is.’
(Romeinen 12:6)

Daarna noemt hij profetie, dienen, onderwijzen, bemoedigen, geven, leidinggeven en barmhartigheid (Romeinen 12:6–8).

Ook Petrus schrijft:
‘Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen te helpen, zoals het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt.’
(1 Petrus 4:10)

Petrus spreekt vervolgens breed over spreken en dienen (1 Petrus 4:11).

 

Gaven en de groei van het lichaam

In Efeziërs 4 gebruikt Paulus opnieuw het beeld van één lichaam. Hij schrijft over één lichaam en één Geest en zegt dat ieder genade heeft ontvangen zoals Christus die heeft uitgedeeld (Efeziërs 4:4–7).

Daarna noemt hij apostelen, profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren. Zij worden gegeven:
‘om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd’
(Efeziërs 4:12)

Paulus beschrijft vervolgens een gemeente die groeit naar volwassenheid, waarin alle delen met elkaar verbonden zijn en ieder deel zijn bijdrage levert (Efeziërs 4:13–16).

Paulus moedigt gelovigen aan om zich op de gaven van de Geest te richten. Tegelijkertijd schrijft hij dat het de Geest is Die aan ieder afzonderlijk geeft zoals Hij wil (1 Korintiërs 12:11; 14:1). Gelovigen mogen naar de gaven verlangen, terwijl de verschillende gaven door de Geest zelf worden verdeeld.

 

Gaven om te genezen

Een van de gaven die Paulus in 1 Korintiërs 12 noemt, zijn ‘gaven om te genezen’ (1 Korintiërs 12:9, 28, 30). Genezing heeft daarnaast een belangrijke plaats in de evangeliën en Handelingen en wordt daar verbonden met Gods herstel.

Aan het einde van 1 Korintiërs 12 vraagt Paulus:
‘Kan iedereen genezen?’
(1 Korintiërs 12:30)

Ook deze gave wordt niet aan iedere gelovige op dezelfde manier gegeven.

Meer over genezing binnen de grotere lijn van de Bijbel lees je in Genezing in de Bijbel.

 

Profetie in het Nieuwe Testament

Met Pinksteren haalt Petrus de woorden van Joël aan dat zonen en dochters zullen profeteren (Handelingen 2:17–18). In Handelingen ontmoeten we vervolgens verschillende mensen die profeteren.

Agabus voorspelt dat er een zware hongersnood zal komen. De gemeente reageert door hulp te sturen naar de gelovigen in Judea (Handelingen 11:27–30). Later spreekt Agabus opnieuw wanneer Paulus onderweg is naar Jeruzalem (Handelingen 21:10–11). Ook de vier dochters van Filippus worden beschreven als vrouwen met de gave van profetie (Handelingen 21:8–9).

Paulus moedigt de Korintiërs aan naar profetie te streven.

Hij schrijft:
‘Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert.’
(1 Korintiërs 14:5)

In het voorgaande hoofdstuk vraagt Paulus:
‘Is iedereen soms een profeet?’
(1 Korintiërs 12:29)

Heel Gods volk ontvangt de Geest en Paulus moedigt de gemeente aan naar profetie te verlangen. Binnen datzelfde lichaam ontvangen mensen verschillende gaven. 

 

Woorden van wijsheid en kennis

In 1 Korintiërs 12 noemt Paulus ook ‘een woord van wijsheid’ en ‘een woord van kennis’ (1 Korintiërs 12:8).

Deze woorden worden tegenwoordig soms gebruikt voor een bovennatuurlijke openbaring waarbij iemand bijvoorbeeld iets te weten komt over de ziekte, het verleden of de persoonlijke situatie van een ander. Paulus legt in 1 Korintiërs 12 zelf niet uit wat hij precies met deze gaven bedoelt.

Wijsheid en kennis komen wel eerder in dezelfde brief uitgebreid aan bod. Al in de eerste hoofdstukken schrijft Paulus over wijsheid. In Korinte spelen wijsheid, welsprekendheid en aanzien een grote rol. Paulus richt hun aandacht op Jezus en het kruis. Wat volgens de maatstaven van de wereld dwaas en zwak lijkt, noemt hij Gods wijsheid en kracht (1 Korintiërs 1:18–25).

Later schrijft Paulus opnieuw over kennis. Sommige Korintiërs beroepen zich op wat zij weten, waarop Paulus schrijft: ‘Kennis maakt verwaand, alleen de liefde bouwt op’ (1 Korintiërs 8:1). 

Wanneer Paulus in hoofdstuk 12 woorden van wijsheid en kennis noemt, schrijft hij over verschillende manieren waarop de Geest door mensen werkt. Wat iemand ontvangt, wordt gegeven ‘ten bate van de gemeente’ (1 Korintiërs 12:7).

Meer over deze gaven en de verschillende manieren waarop ze worden uitgelegd lees je in Woord van kennis en Woord van wijsheid.

 

De Geest richt mensen op Jezus

Aan het begin van zijn onderwijs over de gaven schrijft Paulus:
‘niemand kan zeggen: “Jezus is de Heer,” behalve door toedoen van de heilige Geest.’
(1 Korintiërs 12:3)

Jezus zegt over de Geest:
‘Door jullie bekend te maken wat Hij van Mij heeft, zal Hij Mij eren.’
(Johannes 16:14)

Hij zegt dat de Geest van de waarheid over Hem zal getuigen (Johannes 15:26).

Dat zien we met Pinksteren. De leerlingen worden vervuld met de Geest en spreken over Gods grote daden. Petrus staat vervolgens op en verkondigt Jezus als de gekruisigde en opgestane Heer (Handelingen 2:14–36). Later geeft de Geest de gemeente vrijmoedigheid om over Jezus te spreken (Handelingen 4:31).

Bij het onderzoeken van geestelijke gaven en ervaringen horen daarom ook vragen naar Jezus en naar wat er in mensen gebeurt. Wordt Jezus centraal gesteld? Worden mensen geholpen om Hem te volgen? Wordt de gemeente opgebouwd? Is er liefde en ruimte voor toetsing? Welke vrucht komt er in het leven van mensen naar voren?

Meer over lichamelijke ervaringen die soms met het werk van de Heilige Geest worden verbonden lees je in Geestelijke manifestaties.

 

Waar zijn de gaven uiteindelijk voor?

Aan het begin van de Bijbel zweeft Gods Geest over het water wanneer God orde en leven brengt in Zijn schepping. Later zien we hoe diezelfde Geest mensen wijsheid en kracht geeft om de taak te vervullen die God hun geeft. Mozes verlangt naar een dag waarop heel Gods volk de Geest zal ontvangen en de profeten kijken uit naar een tijd waarin God Zijn Geest zal uitstorten over alle mensen.

Met Pinksteren wordt die belofte werkelijkheid. De Geest wordt uitgestort over Gods volk en mensen worden toegerust om Jezus te volgen, van Hem te getuigen en elkaar te dienen. Binnen dat volk ontvangt niet iedereen hetzelfde. Paulus beschrijft één lichaam met veel verschillende delen, waarin ieder deel een plaats heeft en bijdraagt aan de groei van het geheel.

Daarmee staan de gaven van de Geest binnen iets dat veel groter is dan de gaven zelf. De Geest die vanaf het begin verbonden is met Gods levensgevende werk in de schepping, is ook de Geest die in Zijn volk woont. Paulus verbindt die Geest met de opstanding van Jezus en met de hoop dat ook onze sterfelijke lichamen nieuw leven zullen ontvangen (Romeinen 8:11). Hij vormt mensen naar de weg van Jezus en laat hen deelnemen aan wat God in deze wereld doet.

Paulus kijkt uiteindelijk verder naar de dag waarop ook onze sterfelijke lichamen worden vernieuwd en de schepping wordt bevrijd van haar vergankelijkheid (Romeinen 8:18–23; 1 Korintiërs 15). Tot die tijd leven Gods mensen door Zijn Geest als één lichaam, waarin zij met wat zij ontvangen elkaar dienen, elkaar opbouwen en samen Jezus volgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb