Zonde
Zonde is een woord dat veel mensen kennen. Er wordt gesproken over zonde wanneer iemand iets verkeerd doet en ook het woord ‘zondaar’ wordt regelmatig gebruikt. In de Bijbel komen beide woorden veel terug en hebben ze een betekenis die verder gaat dan alleen het doen van verkeerde dingen.
Om te begrijpen wat zonde is, helpt het om terug te gaan naar het begin van de Bijbel.
Wat betekend zondaar? Wat bedoelt de Bijbel eigenlijk met zonde en wat betekent het wanneer iemand een zondaar wordt genoemd? Waarom heeft ieder mens met zonde te maken en waarom wordt zonde in de Bijbel zelfs beschreven als een macht die over mensen heerst? En wat betekent het dat Jezus mensen verlost van zonde?
Geschapen naar Gods beeld
Op de eerste bladzijden van de Bijbel wordt de mens geschapen naar Gods beeld. Mensen krijgen een bijzondere plaats binnen Gods goede wereld. Zij ontvangen de taak om over de aarde te heersen en voor Gods schepping te zorgen.
‘God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’
(Genesis 1:27)
Een beeld vertegenwoordigt degene van wie het een beeld is. In de wereld waarin Genesis werd geschreven, kon een beeld de aanwezigheid en het gezag vertegenwoordigen van degene van wie het een afbeelding was. Genesis gebruikt die taal op een bijzondere manier voor alle mensen. De mens wordt geschapen als Gods beeld en ontvangt de roeping om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen.
Mensen blijven Gods beeld, ook wanneer zij niet leven vanuit vertrouwen op God en Zijn wijsheid. Genesis 9 spreekt na de gebeurtenissen in Eden en de vloed nog steeds over de mens als Gods beeld. Zonde wist die identiteit dus niet uit. Het raakt wel diep aan de manier waarop mensen vanuit die identiteit leven en aan de roeping die zij hebben ontvangen.
Meer over deze roeping lees je bij het beeld van God.
Leven als geschenk
Midden in de tuin staan twee bomen die belangrijk worden voor de verdere lijn van de Bijbel: de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad.
Het leven dat de mens ontvangt komt van God. De mens heeft zichzelf niet gemaakt en hoeft het leven ook niet zelf te veroveren. God geeft voedsel, ruimte, verantwoordelijkheid en Zijn aanwezigheid.
De boom van de kennis van goed en kwaad stelt de mens voor de vraag of hij Gods wijsheid blijft vertrouwen en het leven van Hem ontvangt, of zelf grijpt naar wat goed lijkt.
Zelf grijpen naar wijsheid
In Genesis 3 stelt de slang Gods woorden en Zijn goedheid ter discussie. Hij zaait twijfel over Gods bedoeling en houdt de mens voor dat er iets goeds wordt achtergehouden.
De vrouw ziet vervolgens dat de boom goed is om van te eten, een lust voor het oog en aantrekkelijk omdat hij wijsheid geeft. Zij neemt van de vrucht en eet ervan.
Hier ontstaat een contrast met Genesis 1. In Genesis 1 ziet God steeds wat goed is. Hij bepaalt wat goed is en geeft Zijn goede schepping aan de mens. In Genesis 3 ziet de mens zelf wat goed lijkt en neemt daarvan. De mens die het leven en de wijsheid van God mocht ontvangen, begint zelf te grijpen naar wat goed lijkt.
De gevolgen worden direct zichtbaar. De man en de vrouw schamen zich voor elkaar en verbergen zich voor God. Wanneer God hen aanspreekt, schuiven zij de verantwoordelijkheid van zich af. De verbondenheid tussen mensen raakt beschadigd en ook hun verhouding tot de aarde verandert. Uiteindelijk worden zij uit de tuin gestuurd en verliezen zij de toegang tot de boom van het leven.
De mens grijpt naar wat wijsheid en leven lijkt te brengen, maar verliest uiteindelijk de toegang tot de boom van het leven. Zo raken zonde en dood vanaf het begin met elkaar verbonden.
Meer over deze keuze in Genesis lees je bij De boom van de kennis van goed en kwaad.
Zonde ligt aan de deur
In Genesis 4 komt voor het eerst het Hebreeuwse werkwoord chata voor, dat vaak met ‘zondigen’ wordt vertaald.
Kaïn is boos omdat God zijn offer niet aanvaardt. God spreekt hem aan voordat hij zijn broer iets heeft aangedaan:
‘Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’
(Genesis 4:7)
Zonde wordt hier bijna voorgesteld als een dier dat voor de deur ligt en wacht om toe te slaan. Het wil Kaïn in zijn greep krijgen.
Het Hebreeuwse werkwoord chata kan naast zondigen of verkeerd handelen ook worden gebruikt voor missen. In Rechters wordt bijvoorbeeld gesproken over zevenhonderd mannen die zo nauwkeurig met een slinger konden werpen dat zij:
‘op een haar na hun doel niet misten’
(Rechters 20:16)
Voor ‘missen’ wordt daar hetzelfde Hebreeuwse werkwoord gebruikt. Chata kan zo het missen van een doel beschrijven. Wanneer het woord voor zonde wordt gebruikt, komt daarmee ook de vraag in beeld welk doel de mens mist.
Vanaf Genesis krijgt de mens een roeping binnen Gods goede wereld. Mensen zijn geschapen als Gods beeld en geroepen om Hem te vertegenwoordigen in de manier waarop zij met God, met elkaar en met Zijn schepping leven.
Bij Kaïn wordt zichtbaar hoe dat doel wordt gemist. God waarschuwt hem voordat hij iets heeft gedaan, maar Kaïn geeft toe aan zijn boosheid en doodt zijn broer. Wat in Genesis 3 begon met wantrouwen tegenover God, werkt zo door in de verhouding tussen mensen.
Zonde raakt daarmee aan de roeping waarvoor mensen zijn geschapen. Dat wordt zichtbaar in de manier waarop mensen liefhebben, recht doen, spreken, hun macht gebruiken, omgaan met hun verlangens en zorgen voor wat God hun heeft toevertrouwd. De geboden die later in de Bijbel worden gegeven maken concreet hoe het leven met God en met elkaar eruitziet.
Avon: wanneer het goede krom wordt
De Bijbel gebruikt meer woorden om te beschrijven wat er misgaat. Een daarvan is het Hebreeuwse woord avon, dat vaak wordt vertaald met ‘ongerechtigheid’.
Avon draagt de gedachte van wat krom of verdraaid is. Het beschrijft hoe iets wat goed is door menselijk handelen krom kan raken. Dat wordt zichtbaar in bedrog, geweld, ontrouw en andere manieren waarop mensen zichzelf of anderen beschadigen.
Bij avon gaat het ook om wat daaruit voortkomt. Wat mensen doen kan gevolgen hebben die veel verder reiken dan het moment zelf. Ze kunnen beschadigde relaties, lijden en nieuwe patronen van geweld of vergelding achterlaten. Mensen kunnen vervolgens leven met de gevolgen van wat zij zelf of anderen hebben gedaan.
Dat is al vroeg in Genesis zichtbaar. Kaïns geweld eindigt niet bij Kaïn. Bij Lamech wordt het geweld verder uitvergroot. Waar Kaïn bang is dat iemand hem zal doden, beroemt Lamech zich erop dat hij een man heeft gedood en spreekt hij over een vergelding die veel verder gaat dan die van Kaïn (Genesis 4:23–24).
Pesha: wanneer vertrouwen wordt verbroken
Een ander woord is pesha, dat vaak wordt vertaald met ‘overtreding’ of ‘opstand’.
Pesha beschrijft het verbreken van vertrouwen en trouw binnen een relatie. Het woord kan worden gebruikt wanneer iemand in opstand komt tegen een ander en wordt in de Bijbel ook gebruikt voor de ontrouw van mensen tegenover God.
De profeten gebruiken deze taal wanneer Israël andere goden dient. Het volk dat geroepen was om trouw aan God te leven, keert zich van Hem af en richt zijn vertrouwen en aanbidding op andere goden.
Die ontrouw wordt ook zichtbaar in de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Amos spreekt over een volk dat God vereert, terwijl armen worden vertrapt en mensen die weinig hebben worden uitgebuit.
Chata, avon en pesha belichten zo verschillende kanten van zonde. Mensen missen het doel waarvoor zij zijn geschapen, trekken het goede krom en verbreken de trouw binnen hun relatie met God en met elkaar.
Wanneer aanbidding een andere richting krijgt
Een lijn die door de Bijbel heen steeds met zonde verbonden wordt, is afgoderij.
Mensen zijn geschapen als Gods beeld en geroepen om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Wanneer hun vertrouwen en aanbidding zich op iets anders gaan richten, werkt dat ook door in de manier waarop zij leven.
Door de Bijbel heen zien we mensen zich neerbuigen voor afgodsbeelden. Ook worden mensen gewaarschuwd om hun vertrouwen niet te stellen op rijkdom, bezit of politieke en militaire macht en daarvan hun veiligheid of toekomst te verwachten.
Paulus grijpt in Romeinen 1 terug op deze beweging. Mensen geven de eer die de Schepper toekomt aan het geschapene. Vervolgens beschrijft Paulus hoe ook hun manier van leven steeds verder vervormd raakt.
Van het menselijke hart tot Babel
Tegen de tijd van de vloed wordt de aarde beschreven als een wereld vol geweld. De mens was geroepen om de aarde te vullen als Gods beeld, maar in Genesis 6 is de aarde gevuld met geweld.
Daarbij wordt ook het hart van de mens genoemd:
‘De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht.’
(Genesis 6:5)
Wat in Genesis 3 begint met wantrouwen en grijpen, heeft zich steeds verder ontwikkeld. Ook het denken en verlangen van mensen zijn daarin betrokken.
Genesis beschrijft dat God verdriet heeft over wat er met Zijn goede schepping gebeurt. Toch verdwijnt het probleem na de vloed niet. Bij Babel krijgt het een andere vorm. Mensen bouwen een stad en een toren en zeggen:
‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken.’
(Genesis 11:4)
Ze willen voor zichzelf een naam maken en voorkomen dat ze over de aarde verspreid raken. Daarmee zoeken ze hun eigen grootheid en veiligheid.
Wat eerder bij afzonderlijke mensen zichtbaar werd, krijgt bij Babel een gezamenlijke vorm. Mensen bundelen hun krachten en bouwen samen aan iets waarin hun eigen naam en wat zij zelf kunnen bereiken centraal komen te staan.
Veel later spreken Mozes en de profeten opnieuw over het menselijke hart. Daarbij groeit de verwachting dat God mensen van binnenuit zal vernieuwen.
Zegen voor de volken
Na Genesis 3–11 roept God Abraham en belooft Hij hem te zegenen.
Die zegen is vanaf het begin op anderen gericht:
‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’
(Genesis 12:3)
God begint met één familie, terwijl alle volken in beeld blijven. Bij Babel proberen mensen zelf een naam te maken. Aan Abraham belooft God dat Hij zijn naam groot zal maken. Abraham wordt geroepen om God te vertrouwen en op weg te gaan met een belofte die hij zelf niet kan vervullen.
Uit zijn familie ontstaat Israël, het volk dat wordt geroepen om God te kennen, Zijn weg te leren en tot zegen te zijn onder de volken.
Israël leert de weg van het leven
God bevrijdt Israël uit de slavernij in Egypte en brengt het volk naar de Sinaï. Daar ontvangt Israël Gods onderwijzing.
De Tien Woorden beginnen met wat God heeft gedaan:
‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.’
(Exodus 20:2)
Gods onderwijzing gaat over aanbidding, recht, seksualiteit, bezit, rust, waarheid, relaties en de zorg voor mensen die kwetsbaar zijn. Israël wordt geroepen om Gods naam te dragen en als een koninkrijk van priesters en een heilig volk onder de volken te leven.
Aan het einde van Deuteronomium komt de keuze tussen leven en dood naar voren:
‘Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood.’
(Deuteronomium 30:15)
Even later roept Mozes het volk op om het leven te kiezen door God lief te hebben, naar Hem te luisteren en zich aan Hem vast te houden. De geboden maken concreet hoe die weg eruitziet. Moord vernietigt leven. Overspel verbreekt trouw. Diefstal schaadt de ander. Vals getuigenis verdraait recht. Begeerte richt het verlangen op wat van een ander is.
Wanneer Gods volk dezelfde weg gaat
Israëls geschiedenis laat zien dat het ontvangen van Gods onderwijzing het menselijke probleem niet vanzelf oplost. Het volk dat uit Egypte werd bevrijd maakt bij de Sinaï een gouden kalf.
Later spreken de profeten over afgoderij en onrecht binnen Gods eigen volk. Jesaja spreekt tot mensen die vasten en God zoeken, terwijl zij anderen onderdrukken. Amos spreekt tegen mensen die offers brengen terwijl zij het recht vertrappen. Micha roept het volk op om recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van God.
Ook binnen Israël wordt het patroon zichtbaar dat al in Genesis begon. Het volk dat geroepen was om op God te vertrouwen en Zijn weg te gaan, kiest opnieuw andere goden, eigen wijsheid en wegen die uitlopen op onrecht.
Uiteindelijk leidt deze weg tot ballingschap. Zoals de mens Eden moet verlaten, verliest ook Israël het land waarin het geroepen was met God te leven.
Een hart dat vernieuwd moet worden
Mozes spreekt in Deuteronomium over een dag waarop God het hart van Zijn volk zal besnijden, zodat zij Hem met heel hun hart en heel hun ziel zullen liefhebben.
Later spreekt Jeremia over een nieuw verbond waarin God Zijn onderwijzing in het hart van Zijn volk zal schrijven. Ezechiël spreekt over een nieuw hart en een nieuwe geest:
‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen.’
(Ezechiël 36:26–27)
De profeten zien uit naar wat God Zelf zal doen. Hij zal Zijn volk van binnenuit vernieuwen, Zijn Geest geven en hen leren om Zijn weg te gaan.
Meer over deze beloften lees je bij de Heilige Geest.
Adam, zonde en dood
Wanneer Paulus in Romeinen over zonde schrijft, gaat hij terug naar Adam:
‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd.’
(Romeinen 5:12)
Paulus grijpt terug op wat vanaf Genesis 3 zichtbaar wordt. De mens grijpt naar wijsheid op eigen voorwaarden, verliest de toegang tot de boom van het leven en vanaf dat moment krijgen zonde en dood steeds meer ruimte in de menselijke wereld.
Iedere nieuwe generatie wordt geboren in een wereld waarin zonde en dood al aanwezig zijn. Tegelijkertijd maakt ieder mens zelf keuzes waarin hetzelfde menselijke patroon zichtbaar wordt.
Tegenover Adam zet Paulus Jezus:
‘Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden.’
(Romeinen 5:19)
Bij Adam zien we een mensheid waarin zonde en dood zijn gaan heersen. Jezus gaat een andere weg. Waar Adam ongehoorzaam is, blijft Jezus trouw aan God. Waar zonde en dood zijn gaan heersen, brengt Hij genade en leven. Met Jezus begint een nieuwe mensheid.
Een zuiver hart
In Psalm 51 belijdt David zijn zonde nadat de profeet Natan hem heeft geconfronteerd met wat hij Batseba en Uria heeft aangedaan.
Hij bidt:
‘Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving.’
(Psalm 51:7)
Psalm 51 is een gebed en een gedicht waarin David zijn schuld zonder terughoudendheid voor God brengt. Hij beschrijft zijn zonde als iets dat zijn leven diep raakt en vraagt God om hem te reinigen en van binnenuit te vernieuwen.
Even later bidt hij:
‘Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig.’
(Psalm 51:12)
Zonde als een macht
In Romeinen wordt zonde ook beschreven als een macht die over mensen wil heersen. Dat beeld zagen we al bij Kaïn. God waarschuwt hem dat de zonde op de loer ligt en hem in haar greep wil krijgen.
Paulus gebruikt later vergelijkbare taal:
‘Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan, geef niet toe aan uw begeerten.’
(Romeinen 6:12)
Mensen doen zelf verkeerde dingen en dragen daar verantwoordelijkheid voor. Tegelijkertijd beschrijft Paulus zonde als een macht die mensen in haar greep kan krijgen, hen tot slaaf maakt en uiteindelijk tot de dood leidt.
Daarbij gebruikt Paulus ook de taal van slavernij en bevrijding. Zoals Israël uit de slavernij in Egypte werd bevrijd om God te dienen, spreekt Paulus over mensen die worden bevrijd uit de macht van zonde om voor God te leven.
Jezus blijft trouw
Jezus kondigt aan dat Gods Koninkrijk nabij is en roept mensen op zich om te keren, het goede nieuws te geloven en Hem te volgen.
Aan het begin van Zijn openbare optreden wordt Hij in de woestijn op de proef gesteld. Daar klinkt opnieuw de stem van een verleider. Jezus wordt uitgedaagd om voor Zichzelf te zorgen, God op de proef te stellen en macht te ontvangen op de voorwaarden van de verleider.
Jezus blijft vertrouwen op Zijn Vader. Waar de mens in Genesis zelf grijpt naar wat goed lijkt, blijft Jezus trouw aan Gods weg.
Ook de geschiedenis van Israël klinkt hierin mee. Israël trok veertig jaar door de woestijn en Jezus verblijft daar veertig dagen. Bij iedere verzoeking antwoordt Hij met woorden uit Deuteronomium, waarin Mozes terugkijkt op Israëls tijd in de woestijn.
Waar Israël steeds opnieuw moeite heeft om op God te vertrouwen, blijft Jezus trouw. Hij gebruikt Zijn macht niet voor Zichzelf, stelt God niet op de proef en buigt niet voor de verleider om de koninkrijken van de wereld te ontvangen.
Jezus als het ware beeld van God
Vanaf Genesis is de mens geschapen als Gods beeld en geroepen om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Door de Bijbel heen zien we hoe mensen die roeping steeds opnieuw missen. In Jezus wordt zichtbaar hoe een mens leeft zoals God het vanaf het begin heeft bedoeld.
Wanneer Hem wordt gevraagd wat het belangrijkste gebod is, brengt Hij Gods onderwijzing samen in liefde voor God en liefde voor de naaste. Zijn eigen leven laat zien hoe die liefde eruitziet. Hij zoekt mensen op die anderen voorbijlopen, raakt mensen aan die buitengesloten zijn, vergeeft, dient, spreekt de waarheid, doet recht en blijft ook tegenover Zijn vijanden trouw aan de weg van liefde.
Het Nieuwe Testament spreekt over Jezus als iemand die geen zonde heeft gedaan. Petrus schrijft:
‘Hij heeft geen zonde begaan en uit zijn mond is nooit een leugen gekomen.’
(1 Petrus 2:22)
Even later verbindt Petrus Jezus’ dood met het leven waartoe Zijn volgelingen worden geroepen. Hij draagt de zonden, zodat zij met de zonde kunnen breken en kunnen leven voor wat rechtvaardig is.
In Jezus wordt zo zichtbaar hoe het leven als Gods beeld eruitziet en waarop de menselijke roeping vanaf het begin gericht was.
Het kruis en de macht van zonde en dood
Jezus wordt verraden, onschuldig veroordeeld en uiteindelijk gekruisigd. Religieuze en politieke macht, angst, verraad, geweld en onrecht spelen daarin allemaal een rol. Hij beantwoordt dat kwaad niet met hetzelfde kwaad. Hij blijft trouw aan God en geeft Zijn leven.
Het Nieuwe Testament gebruikt verschillende beelden om te beschrijven wat er door Jezus’ dood en opstanding gebeurt. Er wordt gesproken over vergeving, verzoening, offer, reiniging, bevrijding en overwinning. Deze beelden laten verschillende kanten zien van wat God door Jezus doet.
Paulus schrijft dat God in Christus de machten heeft ontwapend en over hen heeft getriomfeerd (Kolossenzen 2:15). Hebreeën spreekt over Jezus die door Zijn dood de macht van de dood breekt (Hebreeën 2:14).
Jezus’ dood en opstanding laten zo zien dat zonde, kwaad en dood niet het laatste woord hebben.
Meer hierover lees je bij Geestelijke machten.
Vrijgemaakt om opnieuw Gods bedoeling te leven
In Romeinen 6 verbindt Paulus Jezus’ dood en opstanding met het leven van mensen die bij Hem horen:
‘Zo moet u ook uzelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God.’
(Romeinen 6:11)
Paulus spreekt over zonde als een macht die niet langer over hen hoeft te heersen. Zij horen nu bij Jezus en worden geroepen om voor God te leven.
Door Jezus worden mensen bevrijd uit de macht van zonde en dood. Zijn dood en opstanding openen de weg naar een nieuw leven.
Dat nieuwe leven wordt zichtbaar in de manier waarop mensen met God en met elkaar leven. Wie eerst vooral voor zichzelf leefde, kan leren geven en dienen. Bezit kan worden gedeeld, vijanden kunnen worden liefgehad en wat beschadigd is kan waar mogelijk worden hersteld.
Leven door de Geest
In Romeinen 8 gaat Paulus verder over het leven door Gods Geest. De Geest bevrijdt mensen uit de macht van zonde en dood en vormt hen steeds meer naar het beeld van Jezus.
Daarin komen ook de beloften van de profeten samen. God had beloofd Zijn volk een nieuw hart te geven, Zijn Geest in hen te leggen en hen te leren Zijn weg te gaan. Door Zijn Geest vernieuwt God mensen van binnenuit.
Ook in Galaten beschrijft Paulus wat er groeit in een leven door de Geest. Liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing worden zichtbaar in het leven van mensen die door de Geest worden geleid (Galaten 5:22–23).
Zo vormt de Geest mensen steeds meer naar Jezus en leren zij leven in de roeping die God vanaf het begin aan mensen heeft gegeven.
Ook de schepping zelf wacht op herstel. Paulus schrijft in Romeinen 8 dat ook zij bevrijd zal worden van verval en dood. Gods vernieuwende werk loopt uiteindelijk uit op het herstel van Zijn hele schepping.
Meer hierover lees je bij De vrucht van de Geest.
Wat betekent het om je van zonde af te keren?
Wanneer Jezus het goede nieuws van Gods Koninkrijk verkondigt, roept Hij mensen op zich te bekeren en Hem te volgen. Bekering betekent meer dan spijt hebben over wat verkeerd is gegaan. Het betekent omkeren en leren leven op de weg van Jezus.
In de Torah zien we dat zo’n omkeer ook heel concreet kan zijn. Wanneer iemand een ander had benadeeld, kon dat betekenen dat het afgenomen of beschadigde werd teruggegeven en de schade werd vergoed.
Dat zien we later ook bij Zacheüs. Wanneer Jezus bij hem komt, zegt Zacheüs dat hij de helft van zijn bezit aan de armen geeft en mensen die hij heeft afgeperst viervoudig vergoedt (Lucas 19:8). Zijn omkeer wordt zichtbaar in de manier waarop hij met anderen en met zijn bezit omgaat.
Soms kan wat beschadigd is niet meer volledig worden hersteld. Toch kan bekering betekenen dat iemand verantwoordelijkheid neemt, vergeving vraagt en waar mogelijk probeert recht te zetten wat is misgegaan.
Jezus spreekt over boosheid en verzoening, trouw, waarheid spreken, geld, macht, vergeving, vijanden liefhebben en zorg voor mensen die kwetsbaar zijn. Zich afkeren van zonde raakt daarom aan de manier waarop we met God en met elkaar leven, waar we ons vertrouwen op stellen en hoe we omgaan met wat ons is toevertrouwd.
Bekering is zo niet alleen wegkeren van wat verkeerd is, maar ook steeds meer leren leven op de weg die Jezus heeft laten zien.
Van de boom van het leven naar nieuwe schepping
De Bijbel begint met een goede schepping waarin de boom van het leven staat en eindigt met een vernieuwde schepping waarin die boom opnieuw verschijnt.
In Openbaring staat de boom van het leven aan de rivier die vanuit Gods troon stroomt. De vloek is verdwenen, de dood is er niet meer en God woont bij de mensen. Wat in Eden verloren ging, wordt uiteindelijk hersteld.
De mens werd gemaakt om in Gods aanwezigheid te leven en Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. Ook na Eden blijft de mens Gods beeld. Toch zien we door de Bijbel heen hoe mensen steeds opnieuw andere wegen gaan. Zij grijpen naar wijsheid op eigen voorwaarden, stellen hun vertrouwen op andere dingen dan God en kiezen wegen die uitlopen op schaamte, geweld, verbroken vertrouwen, ballingschap en dood.
In Jezus wordt zichtbaar hoe het leven waarvoor mensen zijn gemaakt eruitziet. Hij vertrouwt op God, heeft de ander lief, dient, doet recht en blijft trouw aan Gods weg. Hij draagt de zonde, gaat de dood binnen en staat op uit de dood.
Door Jezus worden mensen bevrijd uit de macht van zonde en dood. God geeft Zijn Geest en begint mensen van binnenuit te vernieuwen. De Geest vormt hen steeds meer naar het beeld van Jezus en leert hen opnieuw leven in de roeping waarvoor mensen vanaf het begin zijn geschapen.
Wie Jezus volgt blijft daarin een leerling en leert steeds meer om God en de ander lief te hebben, te vergeven, verantwoordelijkheid te nemen, waar mogelijk te herstellen wat beschadigd is, trouw te zijn, recht te doen, vrede te zoeken, te dienen en om te zien naar mensen die kwetsbaar zijn.
Zo brengt de vraag wat zonde is uiteindelijk terug bij de vraag waarmee de Bijbel begon en die in Jezus zichtbaar wordt: wat betekent het om werkelijk mens te zijn zoals God het heeft bedoeld?
Maak jouw eigen website met JouwWeb