Gods toorn

Gods toorn – wat betekent Gods boosheid in de Bijbel?

Wanneer we in de Bijbel lezen over Gods toorn, kunnen er verschillende vragen bij ons opkomen. Waarom wordt God boos? Waar richt Zijn boosheid zich op? En hoe verhoudt Zijn toorn zich tot Zijn liefde, geduld en genade?

Binnen verschillende christelijke tradities speelt Gods toorn een belangrijke rol in de uitleg van zonde, oordeel en verzoening. Soms kan daardoor het beeld ontstaan van een God Die vooral boos is op de zondige mens en Wiens toorn gestild moet worden voordat er vergeving mogelijk is.

Maar wat bedoelen de Bijbelschrijvers eigenlijk wanneer zij over Gods toorn spreken?

Wanneer we deze Bijbelgedeelten lezen binnen de grotere lijn van de Bijbel, met aandacht voor de historische, culturele en literaire context, komt er een breder beeld naar voren. We lezen hoe God reageert op afgoderij, geweld, onderdrukking en onrecht. Tegelijkertijd leren we Hem kennen als een God Die geduldig is, mensen waarschuwt en ruimte geeft om zich om te keren.

We beginnen bij de betekenis van de Hebreeuwse woorden voor boosheid en volgen daarna hoe Gods toorn door de Bijbel heen wordt beschreven en hoe deze lijn uiteindelijk samenkomt in Jezus.

 

Wat betekent Gods toorn?

In het Hebreeuws worden verschillende woorden gebruikt voor boosheid en toorn. Een daarvan is ’aph, dat letterlijk ‘neus’ betekent. Dit beeld verwijst naar de lichamelijke reactie wanneer iemand boos wordt, zoals een zwaardere ademhaling en een warm gezicht.

De Hebreeuwse uitdrukking charah ’aph betekent letterlijk dat iemands neus heet wordt. In onze Bijbelvertalingen lezen we dan bijvoorbeeld dat iemand woedend wordt of dat zijn boosheid ontbrandt. Een ander Hebreeuws woord is chemah, dat samenhangt met hitte en gebruikt wordt voor intense boosheid.

Deze woorden worden zowel voor menselijke boosheid als voor Gods toorn gebruikt. Maar wordt God op dezelfde manier boos als mensen?

Wij kunnen boos worden vanuit gekwetste trots, frustratie of ongeduld. Soms reageren we zonder goed na te denken en doen we dingen waar we later spijt van krijgen. Wanneer de Bijbel menselijke beelden gebruikt om over God te spreken, betekent dit niet dat al deze menselijke eigenschappen ook op Hem van toepassing zijn.

Daarom is het belangrijk om te kijken naar de context waarin Gods toorn wordt genoemd. Wat is er gebeurd, waar reageert God op en wat leren we daaruit over Zijn karakter?

 

Een God Die langzaam boos wordt

Een van de belangrijkste Bijbelgedeelten over Gods karakter vinden we in Exodus 34. God heeft Israël uit Egypte bevrijd en bij de berg Sinaï een verbond met het volk gesloten. Israël wordt geroepen om Zijn volk te zijn en Hem onder de volken te vertegenwoordigen.

Maar terwijl Mozes op de berg is, maakt het volk een gouden kalf. De Israëlieten vereren een beeld en schrijven daaraan hun bevrijding uit Egypte toe. Het volk heeft het verbond met God nog maar kort geleden gesloten en keert zich nu al van Hem af.

In Exodus 32 lezen we over Gods boosheid. Mozes pleit voor het volk en herinnert God aan Zijn beloften aan Abraham, Isaak en Israël. Wanneer God Zich vervolgens in Exodus 34 aan Mozes bekendmaakt, beschrijft Hij Zichzelf als liefdevol, genadig, geduldig, trouw en waarachtig. Hij vergeeft schuld, misdaad en zonde, maar laat het kwaad ook niet zonder gevolgen (Exodus 34:6–7).

Het Hebreeuwse ’erekh appayim, dat wordt vertaald met ‘geduldig’, betekent letterlijk ‘lang van neus’. In de Hebreeuwse beeldspraak heeft iemand die snel boos wordt als het ware een korte neus, terwijl iemand die ‘lang van neus’ is langzaam boos wordt.

Wat deze woorden bijzonder maakt, is het moment waarop God ze uitspreekt. Israël heeft het verbond met Hem geschonden door een gouden kalf te vereren. En uitgerekend op dit moment maakt God bekend Wie Hij is. Zijn boosheid over Israëls ontrouw heeft Zijn liefde, geduld en trouw aan het volk niet weggenomen.

Deze woorden krijgen nog meer betekenis wanneer we rekening houden met de godsdienstige wereld waarin Israël leefde. In het oude Nabije Oosten geloofden mensen dat de goden invloed hadden op hun leven en op wat er in de wereld gebeurde. Wanneer zij te maken kregen met ziekte, droogte of andere rampen, konden zij dat zien als een teken dat een god boos was. Door offers en rituelen probeerden zij de goden gunstig te stemmen, soms zonder te weten waarom een god boos op hen was geworden.

In Exodus leren we de God van Israël kennen als een God Die Zichzelf bekendmaakt. Hij vertelt Wie Hij is: liefdevol, genadig, geduldig en trouw. Hij is bereid om te vergeven, maar neemt het kwaad ook serieus. Daarnaast onderwijst Hij Zijn volk hoe het moet leven. Israël hoeft niet te raden wat God van hen verlangt, want Hij heeft hen uit Egypte bevrijd, een verbond met hen gesloten en hun Zijn onderwijzing gegeven.

Ook de verhouding binnen Gods woorden is veelzeggend. Zijn trouw wordt beschreven als iets wat zich uitstrekt tot duizenden, terwijl de gevolgen van zonde tot het derde en vierde geslacht worden genoemd. Daarmee ligt de nadruk op de grote reikwijdte van Gods trouw en ontferming.

Deze woorden uit Exodus 34 komen later steeds terug in de Bijbel, onder andere in Numeri 14:18, Psalm 103:8, Joël 2:13 en Jona 4:2.

 

Gods boosheid en Zijn betrokkenheid bij de schepping

Waarom wordt God eigenlijk boos? Om die vraag te beantwoorden, helpt het om terug te gaan naar het begin van de Bijbel.

In Genesis 1 lezen we hoe God een goede wereld schept. Hij brengt orde, vult de aarde met leven en maakt de mens naar Zijn beeld. Mensen krijgen een bijzondere plaats binnen Gods schepping en worden geroepen om Hem te vertegenwoordigen en namens Hem over de aarde en de andere levende wezens te heersen (Genesis 1:26–28).

Maar in de hoofdstukken die volgen, zien we hoe mensen zich van Gods wijsheid afkeren. Kaïn doodt zijn broer Abel, Lamech bezingt zijn gewelddadige wraak en uiteindelijk lezen we dat de aarde gevuld raakt met geweld. De wereld die God goed heeft gemaakt, wordt steeds verder beschadigd door het kwaad dat mensen doen.

In Genesis 6 lezen we dat God verdriet heeft over het kwaad dat de aarde vult (Genesis 6:5–6). De tekst spreekt hier over Zijn verdriet, terwijl andere Bijbelgedeelten Zijn reactie op het kwaad beschrijven met woorden als boosheid en oordeel.

 

Gods toorn en Zijn liefde

Wanneer we aan liefde denken, denken we vaak aan geduld, vriendelijkheid, vergeving en zorg. Boosheid lijkt daar misschien moeilijk mee te verenigen, terwijl we uit ons eigen leven weten dat liefde ook boosheid kan oproepen.

Wanneer iemand van wie we houden wordt mishandeld, vernederd of uitgebuit, kunnen we daar diep verontwaardigd over zijn. Het raakt ons omdat die persoon ons dierbaar is.

In de Bijbel zien we hoe Gods boosheid verbonden is met Zijn betrokkenheid bij mensen en bij de wereld die Hij heeft gemaakt. God heeft mensen naar Zijn beeld geschapen en hun leven is kostbaar. Wanneer mensen elkaar onderdrukken, geweld gebruiken en onrecht doen, raakt dat aan Gods bedoeling met de mens. In Exodus zien we hiervan een voorbeeld.

Israël leeft onder de macht van de farao. Het volk wordt tot zware arbeid gedwongen en de farao geeft zelfs opdracht om pasgeboren jongens te doden. God hoort hun geroep, ziet hun lijden en besluit hen uit Egypte te bevrijden (Exodus 2:23–25; 3:7–10). 

De plagen in Egypte herinneren aan de schepping. Waar God in Genesis orde brengt en de wereld met leven vult, zien we hoe Egypte door de plagen steeds verder in chaos terechtkomt. Vervolgens leidt God Israël door het water naar een nieuw begin. De bevrijding uit Egypte laat iets zien van Gods verlangen om mensen te bevrijden uit onderdrukking en hun een nieuwe toekomst te geven.

Gods reactie op het kwaad heeft ook te maken met Zijn heiligheid. In de Bijbel wordt God heilig genoemd. Hij is de Schepper en de bron van al het leven. Alles wat goed, rechtvaardig en zuiver is, vindt zijn oorsprong in Hem. Het kwaad staat haaks op Zijn karakter en op Zijn bedoeling met de schepping.

Zijn heiligheid heeft te maken met Wie Hij is. Zijn toorn wordt in de Bijbel beschreven als Zijn reactie op het kwaad, waaronder het geweld, de onderdrukking en het onrecht waardoor mensen en Zijn schepping worden aangetast.

 

Wanneer Gods boosheid ontbrandt

Door de geschiedenis van Israël heen lezen we verschillende keren dat Gods boosheid ontbrandt. Dat zien we bijvoorbeeld in het boek Rechters.

Na de dood van Jozua keert Israël zich herhaaldelijk van God af en begint het andere goden te vereren. Het volk dat uit Egypte is bevrijd en geroepen is om God te vertegenwoordigen, neemt steeds meer de gewoonten over van de volken om hen heen.

In Rechters 2 lezen we dat Gods woede tegen Israël ontbrandt en dat Hij hen overgeeft aan vijanden die hen onderdrukken (Rechters 2:11–15).

Deze gebeurtenissen blijven zich door het boek heen herhalen. Israël keert zich van God af, komt onder de macht van vijanden en roept vervolgens tot Hem om hulp. God wordt bewogen door hun lijden en geeft hun opnieuw een bevrijder. Maar na verloop van tijd keert het volk zich opnieuw van Hem af (Rechters 2:16–19).

Gods boosheid wordt hier verbonden met Israëls ontrouw aan het verbond, terwijl Zijn bereidheid om het volk opnieuw te bevrijden laat zien hoe Hij betrokken blijft bij hun leven.

 

Wanneer God Zijn gezicht verbergt

Een ander beeld dat we in de Bijbel tegenkomen, is dat God Zijn gezicht verbergt.

In Deuteronomium 31 waarschuwt God dat Israël zich na Mozes' dood van Hem zal afkeren en andere goden zal vereren. Hij zegt dat Zijn toorn zal ontbranden en dat Hij Zijn gezicht voor het volk zal verbergen (Deuteronomium 31:16–18).

Wat betekent het wanneer God Zijn gezicht verbergt?

In de Bijbel is Gods aangezicht verbonden met Zijn aanwezigheid, aandacht en zegen. Dat zien we bijvoorbeeld in de priesterlijke zegen, waarin wordt gebeden dat de HEER het licht van Zijn gelaat over Zijn volk laat schijnen en genadig is (Numeri 6:24–26). Wanneer God Zijn gezicht verbergt, wordt daarmee het tegenovergestelde beschreven. Het volk verliest de bescherming en zegen die verbonden zijn met het leven in Zijn aanwezigheid.

Israël wordt geconfronteerd met de gevolgen van zijn ontrouw. De weg die het volk heeft gekozen, leidt uiteindelijk tot onderdrukking en verlies.

Maar er zijn ook Bijbelgedeelten waarin God Zelf ingrijpt en Zijn oordeel uitvoert. In Numeri 16 lezen we bijvoorbeeld over het oordeel na de opstand van Korach. En in Numeri 21 lezen we hoe God ingrijpt wanneer Israël opnieuw tegen Hem en Mozes spreekt.

Gods toorn wordt dus op verschillende manieren beschreven. Soms trekt God Zijn bescherming terug en laat Hij mensen de gevolgen van hun keuzes ervaren, terwijl Hij op andere momenten ingrijpt om het kwaad te confronteren of te begrenzen.

 

Gods toorn bij de profeten

Wanneer we de profeten lezen, zien we dat Gods boosheid vaak verbonden is met de manier waarop Israël leeft. Het volk is geroepen om Gods karakter zichtbaar te maken, maar keert zich steeds verder van Hem af. Afgoderij gaat daarbij vaak samen met onrecht. Mensen die macht hebben, gebruiken die om anderen uit te buiten. Armen worden verdrukt, rechters laten zich omkopen en kwetsbare mensen vinden geen bescherming.

In Jesaja 5 vergelijkt God Israël met een wijngaard die Hij zorgvuldig heeft verzorgd. Hij heeft alles gedaan wat nodig was om goede vruchten te laten groeien, maar de wijngaard brengt slechte vruchten voort. De profeet legt uit wat daarmee wordt bedoeld. God verwachtte recht, maar vond onrecht. Hij verwachtte gerechtigheid, maar hoorde het geschreeuw van mensen die werden onderdrukt (Jesaja 5:1–7). Verderop in hetzelfde hoofdstuk lezen we over Gods brandende toorn tegenover het kwaad dat onder Zijn volk is gegroeid (Jesaja 5:20–25).

Ook de profeet Hosea spreekt over Gods boosheid over Israëls ontrouw, maar in Hosea 11 lezen we ook over Gods diepe ontferming. God herinnert eraan hoe Hij Israël als een kind heeft liefgehad, het heeft leren lopen en ervoor heeft gezorgd. Toch heeft Israël zich steeds van Hem afgekeerd.

Dan stelt God de vraag hoe Hij Israël aan zijn lot zou kunnen overlaten. Zijn hart keert zich om en Zijn medelijden wordt opgewekt (Hosea 11:8–9). Israël heeft zich steeds van Hem afgekeerd, ondanks alle liefde en zorg die God het volk heeft gegeven. Toch blijft Hij Zich over hen ontfermen. In dit hoofdstuk zien we hoe Gods boosheid over Israëls ontrouw samengaat met Zijn diepe liefde voor het volk.

 

Gods geduld geeft ruimte voor omkeer

Door de Bijbel heen zien we hoe God mensen blijft oproepen om zich om te keren. De profeten waarschuwen voor de gevolgen van afgoderij, geweld en onrecht. Zij roepen het volk terug naar God en naar de weg van het leven. Bij Ezechiël lezen we dat God geen vreugde vindt in de dood van een mens en oproept tot inkeer en leven (Ezechiël 18:32).

Ook in het boek Jona komt Gods geduld naar voren. Nineve, de hoofdstad van Assyrië, staat bekend om geweld en kwaad. God stuurt Jona om het oordeel over de stad aan te kondigen. Maar wanneer de inwoners zich van hun slechte weg afkeren, brengt God het aangekondigde onheil niet over hen. Jona wordt daar boos over. Hij zegt dat hij wist dat God genadig, liefdevol en geduldig is en bereid is het onheil af te wenden (Jona 4:2).

Hier herkennen we opnieuw de woorden uit Exodus 34. Diezelfde beschrijving van Gods karakter komt ook terug in het boek Nahum. Beide profeten spreken over Nineve, maar vanuit verschillende omstandigheden.

In Nahum lezen we dat de HEER langzaam tot toorn komt en groot van kracht is, maar het kwaad niet ongestraft laat (Nahum 1:2–3). Het oordeel over Nineve wordt aangekondigd vanwege het geweld en de onderdrukking waarmee Assyrië andere volken heeft getroffen.

Samen laten deze boeken zien dat Gods geduld ruimte geeft voor omkeer en vergeving, terwijl Zijn rechtvaardigheid betekent dat het kwaad niet eindeloos kan voortbestaan.

Ook in het Nieuwe Testament lezen we hierover. Paulus schrijft dat Gods goedheid, verdraagzaamheid en geduld mensen tot inkeer willen brengen (Romeinen 2:4). En in 2 Petrus 3:9 wordt Gods geduld verbonden met Zijn verlangen dat mensen tot inkeer komen.

 

Gods toorn in Romeinen

Een van de bekendste Bijbelgedeelten over Gods toorn vinden we in Romeinen 1. Paulus schrijft dat Gods toorn vanuit de hemel openbaar wordt over het kwaad en de ongerechtigheid van mensen die de waarheid onderdrukken (Romeinen 1:18).

Het Griekse woord dat hier met ‘toorn’ wordt vertaald, is orgē. Het wordt gebruikt voor boosheid of verontwaardiging en kan ook verwijzen naar Gods oordeel. Om te begrijpen wat Paulus bedoelt, moeten we kijken naar de grotere samenhang van zijn brief.

Paulus schrijft aan gelovigen in Rome, onder wie zowel Joden als niet-Joden. Hij behandelt vragen over de Joodse wet, de besnijdenis en wie bij Gods volk hoort. Zijn boodschap is dat Gods redding door Jezus Christus voor beiden toegankelijk is. In de eerste hoofdstukken beschrijft hij hoe de hele mensheid onder de macht van de zonde is geraakt.

In Romeinen 1 begint hij bij de verhouding tussen de mens en de Schepper. God heeft de wereld gemaakt en de mens naar Zijn beeld geschapen. Mensen zijn geroepen om Hem te vertegenwoordigen, maar Paulus beschrijft hoe zij de Schepper niet langer eren en in plaats daarvan geschapen dingen gaan vereren. Mensen die zelf naar Gods beeld zijn gemaakt, gaan beelden van mensen en dieren vereren (Romeinen 1:23). Daarmee wordt de bedoeling van Genesis 1 omgekeerd.

Vervolgens laat hij zien hoe deze omkering doorwerkt in het menselijke leven. Drie keer schrijft hij dat God mensen overgeeft aan hun verlangens en denkbeelden (Romeinen 1:24, 26, 28). Hierdoor krijgen afgoderij en verkeerde verlangens steeds meer invloed op hun leven, met schadelijke gevolgen voor henzelf en anderen.

In Romeinen 1 beschrijft Paulus hoe Gods toorn zich al in het heden openbaart. Gods oordeel krijgt hier onder andere vorm doordat Hij mensen laat doorgaan op een weg die steeds verder afwijkt van Zijn bedoeling met de mens. Dat doet denken aan het beeld uit Deuteronomium, waar God Zijn gezicht verbergt en Israël de gevolgen van zijn ontrouw laat ervaren.

Wie Romeinen 1 leest, zou kunnen denken dat Paulus vooral spreekt over de zonden van anderen. Maar in Romeinen 2 richt hij zich tot degenen die anderen veroordelen, terwijl zij zelf ook verkeerde dingen doen. In Romeinen 3 komt hij tot de conclusie dat zowel Joden als niet-Joden onder de macht van de zonde staan. Niemand kan zich boven een ander verheffen.

Na zijn beschrijving van de mensheid onder de macht van de zonde, schrijft Paulus over Gods gerechtigheid die door Jezus Christus zichtbaar is geworden en beschikbaar is voor allen die geloven (Romeinen 3:21–26). Daarmee komt ook Gods reddende handelen in beeld: door Jezus opent God een weg naar herstel voor zowel Joden als niet-Joden.

 

Gods toorn en het toekomstige oordeel

In Romeinen 1 beschrijft Paulus hoe Gods toorn zich al in het heden openbaart. In Romeinen 2 spreekt hij over de dag waarop Gods rechtvaardige oordeel openbaar zal worden. God zal ieder mens beoordelen naar zijn daden (Romeinen 2:5–6). Paulus benadrukt dat God daarbij geen onderscheid maakt tussen mensen. Zowel Joden als niet-Joden zullen voor Hem verantwoording afleggen (Romeinen 2:9–11).

Ook in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen schrijft Paulus over Jezus, Die God uit de dood heeft opgewekt en Die ons redt van de komende toorn (1 Tessalonicenzen 1:10).

Deze woorden sluiten aan bij de profeten van Israël, die spraken over de dag van de HEER. Zij verwachtten een tijd waarin God zou ingrijpen, het kwaad zou oordelen en Zijn volk zou bevrijden.

Maar de profeten waarschuwden dat ook Israël zelf onder Gods oordeel kon komen. Het volk was geroepen om Gods karakter te weerspiegelen, terwijl er onder hen afgoderij, onderdrukking en onrecht plaatsvonden. Daarom waarschuwt Amos dat de dag van de HEER voor Israël ook een dag van duisternis kan zijn (Amos 5:18–24).

Gods toekomstige oordeel staat daarmee binnen de grotere verwachting dat Hij het kwaad uiteindelijk zal aanpakken en Zijn goede bedoeling met de schepping zal voltooien. Daarbij zullen mensen verantwoording moeten afleggen voor hun daden, ongeacht hun afkomst of positie. 

Voor mensen die lijden onder geweld, onderdrukking en onrecht, ligt hierin ook een hoopvolle belofte. God zal het kwaad niet voor altijd laten voortbestaan. 

Maar hoe redt Jezus mensen van de komende toorn? En welke betekenis hebben Zijn dood en opstanding binnen deze grotere lijn?

 

Jezus en de beker van Gods toorn

Wanneer Jezus in Getsemane bidt, gebruikt Hij een beeld dat we eerder bij de profeten tegenkwamen. Hij spreekt Zijn Vader aan en vraagt of de beker aan Hem voorbij mag gaan. Tegelijkertijd geeft Hij Zich over aan de wil van Zijn Vader (Marcus 14:36).

Wat bedoelt Jezus met deze beker?

In de Hebreeuwse Bijbel wordt een beker regelmatig gebruikt als beeld voor het oordeel dat over Israël en de volken komt. In Jeremia 25 krijgt de profeet de opdracht om een beker met de wijn van Gods toorn aan de volken te geven.

In die periode groeit Babylon uit tot een machtig rijk dat verschillende volken onderwerpt. Jeremia kondigt aan dat Juda en de omliggende volken geconfronteerd zullen worden met oorlog, verwoesting en ballingschap (Jeremia 25:15–29).

De beker is hier een beeld voor de gevolgen van Gods oordeel, dat onder andere zichtbaar wordt wanneer volken door vijandelijke legers worden overwonnen.

Ook Jesaja gebruikt het beeld van een beker wanneer hij spreekt over Jeruzalem dat Gods oordeel heeft ondergaan. Maar in hetzelfde hoofdstuk belooft God dat Hij de beker uit de hand van Jeruzalem zal wegnemen (Jesaja 51:17–23). Het oordeel krijgt niet het laatste woord. God belooft Zijn volk te herstellen.

Wanneer Jezus later in Getsemane over de beker spreekt, klinkt deze profetische achtergrond mee. Om Zijn gebed beter te begrijpen, moeten we ook kijken naar Zijn plaats binnen de geschiedenis van Israël.

Israël was geroepen om Gods volk te zijn en Hem onder de volken te vertegenwoordigen. Maar door de geschiedenis heen zien we hoe het volk steeds opnieuw ontrouw wordt aan het verbond. De profeten kondigen aan dat Israël de gevolgen van deze ontrouw zal ondervinden, maar kijken ook vooruit naar herstel, een vernieuwd verbond en een tijd waarin God Zijn volk zal bevrijden en Zijn koningschap zichtbaar zal worden.

Wanneer Jezus verschijnt, kondigt Hij aan dat Gods Koninkrijk nabij is gekomen. Hij roept Israël op om zich om te keren en opnieuw te leren leven onder Gods koningschap. In Zijn leven zien we hoe Hij trouw blijft aan God, waar Israël als volk herhaaldelijk ontrouw is geweest. Hij weerstaat de verzoekingen in de woestijn (Matteüs 4:1–11), leeft in gehoorzaamheid aan Zijn Vader en laat zien wat het betekent om werkelijk als Gods beeld te leven.

In de Bergrede onderwijst Jezus hoe het leven onder Gods koningschap eruitziet. Hij roept mensen op om hun vijanden lief te hebben, te bidden voor wie hen vervolgen en vrede te zoeken in plaats van kwaad met kwaad te vergelden (Matteüs 5:9, 38–48).

Deze woorden krijgen een bijzondere betekenis wanneer we bedenken dat Israël onder Romeinse overheersing leeft. Veel Joden verlangen naar bevrijding en herstel van hun volk. Jezus verkondigt Gods Koninkrijk en wijst Zijn volgelingen een weg van liefde, vergeving en vrede, ook tegenover hun vijanden.

Tegelijkertijd waarschuwt Hij voor het oordeel dat over Jeruzalem zal komen. In Lucas 19 lezen we hoe Jezus over de stad huilt, omdat zij niet heeft herkend wat haar vrede kon brengen. Hij voorzegt dat haar vijanden haar zullen omsingelen en verwoesten (Lucas 19:41–44).

Wanneer Jezus in Getsemane over de beker spreekt, staat Zijn naderende dood binnen deze grotere geschiedenis. Israël leeft opnieuw onder de macht van een vreemd rijk en Jezus heeft gewaarschuwd voor het oordeel dat Jeruzalem te wachten staat.

Als de Messias vertegenwoordigt Jezus Zijn volk. Zijn weg naar het kruis staat daarmee ook in verbinding met de geschiedenis van Israël en het oordeel waarover de profeten hebben gesproken. Hij wordt verraden, onrechtvaardig veroordeeld en door de Romeinen gekruisigd. Daarmee ondergaat Hij Zelf het geweld van het rijk dat ook voor Israël een bedreiging vormt.

Tegen de achtergrond van de profeten krijgt Jezus' gebed in Getsemane een diepere betekenis. Als de trouwe Messias gaat Hij de weg van lijden en dood, die verbonden is met het oordeel waarover de profeten hebben gesproken. Hij weet wat Hem te wachten staat en vraagt Zijn Vader of de beker aan Hem voorbij mag gaan. Toch blijft Hij trouw aan Zijn Vader en is Hij bereid deze weg te gaan.

Maar hoe verhoudt het oordeel waarover de profeten spraken zich precies tot Jezus' dood? En wat betekent het dat Hij deze weg gaat namens Zijn volk en uiteindelijk ten behoeve van de hele mensheid?

 

Heeft Jezus Gods toorn gedragen?

Door de eeuwen heen hebben christenen op verschillende manieren geprobeerd te begrijpen wat Jezus' dood betekent en hoe die samenhangt met Gods toorn.

Binnen de klassieke gereformeerde uitleg wordt vaak benadrukt dat Jezus plaatsvervangend de straf draagt die zondige mensen verdienen. Gods rechtvaardige toorn over de zonde wordt daarbij verbonden met het lijden en sterven van Christus.

Andere christelijke benaderingen leggen meer nadruk op Jezus Die de macht van zonde en dood overwint, mensen bevrijdt en door Zijn trouw aan God de weg naar nieuw leven opent.

Wanneer we deze verschillende uitleggingen onderzoeken, is het belangrijk om te kijken naar wat de Bijbelschrijvers zelf zeggen en welke beelden zij gebruiken.

In Romeinen 5 schrijft Paulus dat wij, nu wij door Jezus' bloed zijn vrijgesproken, dankzij Hem gered zullen worden van de toorn (Romeinen 5:9).

Onze redding van Gods toorn wordt hier duidelijk verbonden met Jezus. Paulus schrijft in dit vers echter niet uitdrukkelijk dat Gods toorn op Jezus werd uitgestort.

In de verzen ervoor lezen we dat God Zijn liefde voor ons heeft bewezen doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren (Romeinen 5:6–8).

Gods liefde staat aan het begin van Zijn reddende handelen.

Wanneer we Romeinen 1–8 als één geheel lezen, ontdekken we hoe Paulus zijn uitleg verder opbouwt.

In Romeinen 1 beschrijft hij hoe de mensheid zich van de Schepper heeft afgekeerd en hoe dit leidt tot afgoderij en een manier van leven die steeds verder verwijderd raakt van Gods bedoeling.

In Romeinen 5 plaatst Paulus Jezus tegenover Adam. Door Adams ongehoorzaamheid zijn zonde en dood de menselijke wereld binnengekomen, terwijl door de trouw van Jezus gerechtigheid en leven komen.

In de hoofdstukken die volgen, beschrijft Paulus hoe mensen door Jezus worden bevrijd uit de macht van de zonde. In Romeinen 8 lezen we vervolgens over het nieuwe leven door de Heilige Geest.

Mensen die bij Christus horen, mogen leren leven als een vernieuwde mensheid, gevormd naar het beeld van Gods Zoon (Romeinen 8:29).

Daarmee komen we terug bij Genesis 1, waar de mens naar Gods beeld wordt gemaakt en de roeping krijgt om Hem in Zijn schepping te vertegenwoordigen. Door Jezus en het werk van de Heilige Geest worden mensen vernieuwd om opnieuw vanuit die roeping te leven.

En Paulus kijkt nog verder vooruit. In Romeinen 8 beschrijft hij hoe ook de schepping uitziet naar de bevrijding van het verval en de dood (Romeinen 8:19–23). Gods reddende werk door Jezus heeft dus gevolgen voor de mens én voor de wereld die Hij heeft gemaakt.

 

Jezus laat zien Wie God is

Wanneer we willen begrijpen Wie God is, neemt Jezus een bijzondere plaats in.

Johannes schrijft dat niemand ooit God heeft gezien en dat de Zoon Hem heeft doen kennen (Johannes 1:18). Later zegt Jezus tegen Filippus dat wie Hem heeft gezien, de Vader heeft gezien (Johannes 14:9).

In Jezus leren we de God kennen Die Zich eerder aan Mozes bekendmaakte als liefdevol, genadig, geduldig en trouw.

In Zijn woorden en daden zien we hoe Hij Zich ontfermt over mensen, zieken geneest, zonden vergeeft en mensen bevrijdt uit de macht van het kwaad.

Maar we lezen ook dat Jezus boos kan worden.

In Marcus 3 wordt beschreven hoe Jezus op sabbat een man met een verschrompelde hand wil genezen. Sommige aanwezigen houden Hem nauwlettend in de gaten om te zien of zij Hem kunnen beschuldigen.

Jezus vraagt of het op sabbat geoorloofd is goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te vernietigen. Wanneer zij zwijgen, kijkt Hij hen boos aan en is Hij bedroefd over hun hardleersheid (Marcus 3:1–6).

Zijn boosheid en verdriet worden hier samen genoemd. Jezus ziet hoe mensen zo vasthouden aan hun eigen opvattingen dat zij geen ruimte meer hebben voor het herstel van iemand die lijdt.

Ook wanneer Jezus de tempel binnengaat, treedt Hij op tegen wat daar gebeurt. Hij verwijst naar de profeten en spreekt over Gods huis als een huis van gebed dat tot een rovershol is gemaakt (Marcus 11:15–17).

In Jezus zien we hoe Gods liefde, ontferming en rechtvaardigheid samengaan met Zijn verzet tegen het kwaad.

Meer over hoe Gods karakter door de hele Bijbel zichtbaar wordt, lees je in De God van het Oude en Nieuwe Testament.

De toorn van God en het Lam

Ook in Openbaring komen we Gods toorn tegen.

Johannes gebruikt beelden van oordeel, plagen, bekers en Gods boosheid. Veel van deze beelden grijpen terug op Exodus en de profeten.

In Openbaring 6 wordt zelfs gesproken over de toorn van het Lam (Openbaring 6:16–17).

Het Lam is Jezus, Die eerder in Openbaring wordt beschreven als geslacht en toch levend. In Openbaring 5 lezen we dat Hij heeft overwonnen en waardig is om de boekrol te openen (Openbaring 5:5–10).

Dezelfde Jezus wordt later verbonden met het uiteindelijke oordeel over het kwaad. Zijn overwinning betekent dat de machten die Gods wereld verwoesten niet voor altijd zullen blijven bestaan.

Babylon, dat in Openbaring symbool staat voor een onderdrukkende en gewelddadige wereldmacht, wordt geoordeeld. Ook de draak, de beesten en uiteindelijk de dood verdwijnen uit Gods vernieuwde wereld.

De beelden van oordeel in Openbaring kunnen moeilijk zijn om te begrijpen. Johannes gebruikt profetische taal en verwijst voortdurend naar eerdere Bijbelboeken.

Wanneer we die achtergrond meenemen, zien we hoe het oordeel verbonden is met Gods overwinning op het kwaad. En midden in deze beelden staat Jezus, het Lam dat Zijn leven heeft gegeven.

Aan het einde van de Bijbel ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. God woont bij de mensen en de dood zal er niet meer zijn. Ook rouw, jammerklacht en pijn verdwijnen (Openbaring 21:1–5).

De Bijbel eindigt met de hoop op een vernieuwde schepping waarin het kwaad geen plaats meer heeft.

Blijven er moeilijke vragen over?

Wanneer we alle Bijbelgedeelten over Gods toorn naast elkaar leggen, blijven er ook moeilijke vragen bestaan.

In Exodus 34 maakt God Zichzelf bekend als langzaam tot toorn. Toch lezen we op andere plaatsen over Zijn boosheid die ontbrandt en over oordelen die ingrijpende gevolgen hebben.

Sommige gebeurtenissen kunnen voor ons moeilijk te begrijpen zijn, zeker wanneer we lezen over mensen die sterven of over het oordeel dat hele gemeenschappen treft.

Het is belangrijk om die vragen serieus te nemen, want de Bijbel geeft ons niet bij iedere gebeurtenis een volledige verklaring.

Wanneer we zulke teksten onderzoeken, helpt het om te kijken naar de historische en literaire context en naar de plaats die ze hebben binnen de grotere lijn van de Bijbel. Daarbij blijft Gods eigen bekendmaking in Exodus 34 belangrijk. Hij is liefdevol, genadig, geduldig en trouw, en neemt tegelijkertijd het kwaad serieus.

Wat vertelt Gods toorn ons over Zijn karakter?

Wanneer we Gods toorn lezen binnen de grotere lijn van de Bijbel, zien we hoe Zijn boosheid verbonden is met Zijn betrokkenheid bij de wereld die Hij heeft gemaakt. God is langzaam tot toorn, blijft mensen oproepen om zich om te keren en laat het kwaad niet voor altijd voortbestaan.

In Jezus leren we Gods karakter verder kennen. Hij laat zien hoe Gods liefde, genade en rechtvaardigheid samengaan en roept mensen op om onder Gods goede koningschap te leven.

Gods geduld geeft mensen ruimte om zich om te keren en opnieuw te leren leven zoals Hij het vanaf het begin heeft bedoeld. We zijn geschapen om Zijn karakter te weerspiegelen in de wereld om ons heen. Wanneer we Jezus volgen, mogen we door de Heilige Geest steeds meer leren leven vanuit Zijn liefde, geduld en rechtvaardigheid.

Door Jezus' dood en opstanding begint de overwinning op de machten van zonde en dood en opent God de weg naar verzoening en nieuw leven.

De God Die de wereld goed heeft gemaakt, laat haar niet voor altijd over aan zonde, geweld en dood. In Jezus zien we hoe ver Gods liefde en trouw reiken en hoe Hij Zijn schepping uiteindelijk tot herstel wil brengen.