Misleiding in de Bijbel

Door de hele Bijbel heen komen mensen in aanraking met geestelijke machten, profeten, tekenen, wonderen en bijzondere ervaringen. Ook vandaag komen mensen binnen en buiten de kerk in aanraking met allerlei vormen van spiritualiteit. Binnen de kerk wordt gesproken over het werk van de Heilige Geest, profetie, genezing en wonderen. 

Hoe kunnen we onderscheiden wat van God komt? Waaraan wordt misleiding in de Bijbel herkenbaar? Hoe spreekt de Bijbel over andere geestelijke machten? En waarom waarschuwen Jezus en de apostelen ook voor misleiding binnen de geloofsgemeenschap?

Om daar meer zicht op te krijgen, gaan we terug naar het begin van de Bijbel. 

De slang in de tuin

In Genesis 1 wordt de mens geschapen als Gods beeld en krijgt hij de taak om namens Hem over de aarde te regeren. God zegent de mensen en geeft hun de opdracht vruchtbaar te zijn, zich te vermenigvuldigen en over de aarde te heersen. In Genesis 2 krijgt de mens een tuin met bomen die mooi zijn om te zien en waarvan de vruchten goed zijn om te eten. God geeft de mens overvloed en stelt daarbij één grens: van de boom van de kennis van goed en kwaad mag hij niet eten.

In Genesis 3 verschijnt de slang en zijn eerste woorden zijn gericht op die grens:
‘Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’
(Genesis 3:1)

God had de mens gezegd dat hij van alle bomen in de tuin mocht eten, behalve van die ene boom (Genesis 2:16–17). De slang legt de nadruk op de grens die God heeft gesteld.

Wanneer de vrouw antwoordt dat eten van die boom tot de dood zal leiden, spreekt de slang God rechtstreeks tegen:
‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’
(Genesis 3:4–5)

De slang stelt niet alleen Gods woorden ter discussie, maar wekt ook de indruk dat God iets goeds voor de mens achterhoudt.

De mens is geschapen als Gods beeld en geroepen om namens Hem over de wereld te regeren. Daarbij staat de mens voor de keuze of hij vertrouwt op Gods wijsheid over wat goed en kwaad is, of zelf naar die wijsheid grijpt en goed en kwaad op eigen voorwaarden gaat bepalen.

De vrouw ziet dat de vrucht goed is om van te eten, een lust voor het oog en aantrekkelijk omdat ze wijsheid zou geven. Zij neemt ervan en eet, en ook de man eet ervan (Genesis 3:6).

Na het eten van de vrucht schamen de man en de vrouw zich en verbergen zij zich voor God. De keuze om zelf te bepalen wat goed en kwaad is, werkt door in hun relatie met God en met elkaar. In Genesis 4 zien we waar deze weg verder toe leidt wanneer Kaïn zijn broer Abel doodt. In de generaties die volgen neemt het geweld steeds verder toe.

Al aan het begin van de Bijbel zien we hoe misleiding begint met het verdraaien van Gods woorden en het zaaien van twijfel over Zijn goedheid.

 

Andere goden en geestelijke machten

Israël leeft tussen volken die allerlei andere goden vereren. Dat was al zo in Egypte en ook in Kanaän worden verschillende goden vereerd. God waarschuwt Israël daarom opnieuw om Hem trouw te blijven en niet de goden van de volken om hen heen te gaan dienen.

Bij de Sinaï herinnert God Israël eerst aan wat Hij voor hen heeft gedaan:
‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.’
(Exodus 20:2)

Daarna zegt Hij:
‘Vereer naast Mij geen andere goden.’
(Exodus 20:3)

Israël ontvangt deze woorden als het volk dat God al uit Egypte heeft bevrijd. Zij behoren bij Hem en worden geroepen om Hem te dienen en Hem onder de volken te vertegenwoordigen.

In Deuteronomium wordt over Israëls afgoderij ook gesproken over demonen en andere goden:
‘Ze brachten offers aan demonen, aan goden die geen goden zijn, goden die zij eerst niet kenden, nieuwkomers, nog maar net in zwang, die voor hun voorouders niet eens bestonden.’
(Deuteronomium 32:17)

Paulus grijpt eeuwen later op deze gedachte terug wanneer hij de gemeente in Korinte waarschuwt voor deelname aan afgodsoffers. Hij schrijft dat een afgod op zichzelf niets is en dat er maar één God is, de Vader, en één Heer, Jezus Christus (1 Korintiërs 8:4–6). Tegelijkertijd verbindt Paulus afgoderij ook met geestelijke machten. Later schrijft hij dat wat de volken offeren aan demonen wordt geofferd en waarschuwt hij de Korintiërs om daar geen gemeenschap mee te zoeken (1 Korintiërs 10:19–21).

Afgoderij raakt aan de roeping die de mens vanaf Genesis heeft gekregen. De mens is geschapen als Gods beeld en geroepen om Hem in Zijn wereld te vertegenwoordigen. In Romeinen 1 beschrijft Paulus hoe mensen in plaats daarvan de Schepper inruilen voor het geschapene en gaan vereren en dienen wat God heeft gemaakt (Romeinen 1:23–25).

Vanaf de bevrijding uit Egypte loopt voor Israël steeds de vraag mee wie zij zullen dienen, naar wie zij zullen luisteren en op wie zij zullen vertrouwen. 

Meer over de plaats van geestelijke machten binnen de grotere lijn van de Bijbel lees je in Geestelijke machten in de Bijbel.

 

Waarzeggerij en contact met de geestelijke wereld

Wanneer Israël op het punt staat het beloofde land binnen te gaan, waarschuwt Mozes het volk voor verschillende praktijken die bij de omringende volken voorkomen. Hij noemt onder andere waarzeggerij, toverij, het raadplegen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:9–14).

Direct daarna spreekt Mozes over profeten:
‘Hij zal in uw midden steeds weer een profeet laten opstaan, een profeet zoals ik. Naar hem moet u luisteren.’
(Deuteronomium 18:15)

Israël staat op het punt een land binnen te gaan waar andere volken op allerlei manieren proberen te weten te komen wat zij moeten doen en wat de toekomst zal brengen. Israël hoeft daarvoor geen waarzeggerij of geesten te raadplegen. God Zelf spreekt tot Zijn volk en roept hen om naar Hem te luisteren.

Een bekend voorbeeld vinden we bij koning Saul. Wanneer hij geen antwoord krijgt op zijn vragen, gaat hij naar een vrouw in Endor die geesten kan raadplegen. Saul had zulke praktijken eerder zelf uit het land laten verwijderen, maar zoekt haar nu toch op omdat hij wanhopig naar leiding zoekt (1 Samuel 28).

 

Wanneer een teken werkelijk gebeurt

Mozes waarschuwt Israël ook voor iemand die een teken of wonder aankondigt dat werkelijk gebeurt en hen vervolgens oproept om andere goden te volgen (Deuteronomium 13:2–4).

Een voorspelling die uitkomt of een indrukwekkend teken zegt nog niet waar een boodschap vandaan komt. Ook binnen Israël zelf kunnen mensen zeggen dat zij een woord van God hebben ontvangen, terwijl God hen niet heeft gezonden.

Meer over de plaats van tekenen en wonderen en de manier waarop de Bijbel hiermee omgaat, lees je in Tekenen en wonderen in de Bijbel.

 

Profeten die namens God spreken

In 1 Koningen 22 wil koning Achab ten strijde trekken tegen Ramot in Gilead. Ongeveer vierhonderd profeten verzekeren hem dat hij succes zal hebben. Koning Josafat vraagt toch of er nog een profeet van de HEER is die zij kunnen raadplegen. Dan wordt Micha geroepen.

Micha geeft uiteindelijk een heel andere boodschap. Hij ziet Israël zonder herder over de bergen verspreid en kondigt aan dat Achab niet veilig uit de strijd zal terugkeren (1 Koningen 22:17–23). In het visioen dat Micha vervolgens beschrijft verschijnt een geest die een leugengeest zal zijn in de mond van Achabs profeten.

Achab wil liever horen wat aansluit bij zijn eigen verlangen. Over Micha zegt hij dat hij hem haat, omdat deze nooit iets goeds over hem profeteert (1 Koningen 22:8).

Ezechiël beschrijft later profeten die hun eigen geest volgen terwijl zij niets hebben gezien (Ezechiël 13:1–7). Mensen kunnen woorden aan God toeschrijven die niet van Hem komen. Eigen verlangens, gedachten en overtuigingen kunnen worden aangezien voor een boodschap van God. 

Ook Jeremia leeft in een tijd waarin profeten het volk vertellen wat zij zeggen van God ontvangen te hebben. Sommigen spreken over vrede terwijl Juda op weg is naar het oordeel en de ballingschap.

God zegt over hen:
‘Ik heb die profeten niet gezonden, toch rennen ze of ze mijn boden waren. Ik heb niet tot hen gesproken, toch spreken ze of ze profeten waren.’
(Jeremia 23:21)

Jeremia zegt dat de profeet die Gods woord heeft ontvangen het betrouwbaar moet spreken en stelt vervolgens de vraag:
‘Wat heeft stro met graan gemeen? – spreekt de HEER.’
(Jeremia 23:28)

Jeremia zet hier de woorden van profeten die hun eigen dromen en gedachten vertellen tegenover het woord dat werkelijk van God komt. Niet alles wat als een boodschap van God wordt gebracht, komt van Hem.

 

Jezus wordt op de proef gesteld

Wanneer Jezus aan het begin van Zijn bediening de woestijn ingaat, wordt Hij daar door de duivel op de proef gesteld (Matteüs 4:1–11). Kort daarvoor heeft bij Zijn doop de stem uit de hemel geklonken dat Hij Gods geliefde Zoon is (Matteüs 3:17). De woorden waarmee de tegenstander Hem benadert raken aan die identiteit:
‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’
(Matteüs 4:3)

De duivel gebruikt zelfs woorden uit de Schrift wanneer hij Jezus oproept Zich van het hoogste punt van de tempel naar beneden te werpen (Matteüs 4:5–6). Jezus antwoordt zelf telkens vanuit de Schrift en blijft vertrouwen op Zijn Vader.

Bij de laatste beproeving worden Hem alle koninkrijken van de wereld aangeboden wanneer Hij voor de duivel neerknielt. Jezus antwoordt:
‘Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.’
(Matteüs 4:10)

Jezus antwoordt in de woestijn telkens met woorden uit Deuteronomium, uit gedeelten die teruggrijpen op Israëls eigen reis door de woestijn (Deuteronomium 6:13, 16; 8:3). Israël had daar moeite om God te vertrouwen en werd later telkens verleid om andere goden te volgen. Jezus blijft vertrouwen op Zijn Vader en weigert te grijpen naar voedsel, bescherming of macht buiten Hem om.

 

Jezus waarschuwt voor misleiding

In de Bergrede spreekt Jezus over valse profeten die zich voordoen alsof zij bij Gods volk horen:
‘Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar in wezen roofzuchtige wolven zijn.’
(Matteüs 7:15)

Jezus zegt vervolgens dat zij aan hun vruchten te herkennen zijn. Zoals een goede boom goede vruchten voortbrengt en een slechte boom slechte vruchten, zo wordt uiteindelijk zichtbaar wat iemands woorden en leven voortbrengen (Matteüs 7:16–20).

In Genesis staat de mens voor de keuze om op Gods wijsheid te vertrouwen of zelf te bepalen wat goed en kwaad is. Aan het einde van de Bergrede spreekt Jezus over twee wegen: een weg die naar het leven leidt en een weg die naar de ondergang leidt (Matteüs 7:13–14).

Even later spreekt Jezus over mensen die Hem ‘Heer’ noemen en zeggen dat zij in Zijn naam hebben geprofeteerd, demonen hebben uitgedreven en wonderen hebben verricht. Profetie, het uitdrijven van demonen en wonderen kunnen indrukwekkend zijn. Toch wijst Jezus niet naar deze werken als bewijs dat iemand Hem werkelijk kent. Vlak daarvoor heeft Hij gesproken over de vrucht waaraan iemand herkenbaar wordt. Hier spreekt Hij over het doen van de wil van Zijn Vader en zegt Hij tegen sommigen die zich beroepen op wat zij in Zijn naam hebben gedaan: ‘Ik heb jullie nooit gekend’ (Matteüs 7:21–23).

Later waarschuwt Jezus opnieuw dat tekenen op zichzelf geen betrouwbare maatstaf zijn. Wanneer Zijn leerlingen Hem vragen naar de verwoesting van de tempel en de gebeurtenissen die zullen volgen, zegt Hij:
‘Pas op dat niemand jullie misleidt.’
(Matteüs 24:4)

In hetzelfde gesprek waarschuwt Hij voor valse messiassen en valse profeten die tekenen en wonderen zullen doen om mensen te misleiden.

 

De vader van de leugen

In Johannes gebruikt Jezus nog andere taal om over het kwaad te spreken. Tegen mensen die Hem willen doden zegt Hij over de duivel:
‘Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest. Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen.’
(Johannes 8:44)

In Genesis zien we leugen en dood al met elkaar verbonden. De slang misleidt de mens en zegt dat hij niet zal sterven. Wat als een weg naar wijsheid en leven wordt voorgesteld, loopt uiteindelijk uit op dood.

 

Jezus en de machten van het kwaad

De evangeliën beschrijven hoe Jezus mensen bevrijdt die door onreine geesten worden gekweld. Wanneer Hij ervan wordt beschuldigd dat Hij demonen uitdrijft door de macht van Beëlzebul, antwoordt Hij:
‘Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen.’
(Matteüs 12:28)

Jezus vergelijkt wat er gebeurt met iemand die het huis van een sterke man binnengaat. Eerst moet die sterke man worden vastgebonden voordat zijn huis kan worden leeggeroofd (Matteüs 12:29). Wat Jezus doet wordt verbonden met de komst van Gods Koninkrijk en de overwinning op het kwaad.

Deze lijn begint al in Genesis. In Genesis 3 zegt God tegen de slang dat er vijandschap zal zijn tussen hem en de vrouw en tussen hun nakomelingen. Een nakomeling van de vrouw zal de slang aan de kop treffen, terwijl de slang hem in de hiel zal treffen (Genesis 3:15).

Paulus schrijft later dat God de machten en krachten heeft ontwapend en in Christus over hen heeft getriomfeerd (Kolossenzen 2:15). Jezus’ leerlingen hoeven daarom niet vanuit angst voor deze machten te leven. Zij behoren bij Hem en worden geroepen om trouw te blijven aan Zijn weg.

Meer over Gods Koninkrijk en hoe Jezus’ overwinning op het kwaad binnen deze grotere Bijbelse lijn staat lees je in Gods Koninkrijk.

 

Simon en geestelijke kracht

In het boek Handelingen komen de leerlingen van Jezus ook in aanraking met magie, waarzeggerij en andere vormen van geestelijke macht.

In Samaria woont Simon, die magie bedrijft en daarmee veel indruk op de mensen heeft gemaakt. De mensen luisteren naar hem en noemen hem zelfs ‘de grote kracht van God’ (Handelingen 8:9–11).

Wanneer Filippus in Samaria het goede nieuws over Gods Koninkrijk en Jezus Christus verkondigt, komen veel mensen tot geloof. Ook Simon gelooft en wordt gedoopt. Hij blijft bij Filippus en is diep onder de indruk van de tekenen en grote wonderen die hij ziet (Handelingen 8:12–13).

Wanneer later Petrus en Johannes naar Samaria komen en Simon ziet dat mensen de Heilige Geest ontvangen wanneer de apostelen hun de handen opleggen, biedt hij hun geld aan:
‘Geef ook mij deze macht, zodat iedereen wie ik de handen opleg de heilige Geest ontvangt.’
(Handelingen 8:19)

Petrus reageert scherp en zegt dat Simons hart niet recht staat tegenover God (Handelingen 8:20–23). Simon was gewend aan magie en aan de indruk die hij daarmee op mensen maakte. Wanneer hij ziet wat er door de Heilige Geest gebeurt, wil hij ook deze macht hebben. Petrus maakt duidelijk dat de gave van God niet iets is wat iemand kan kopen of zelf in handen kan krijgen.

 

Niet iedere geest komt van God

Na Jezus’ opstanding blijven de apostelen waarschuwen voor geestelijke misleiding. Johannes schrijft:
‘Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen.’
(1 Johannes 4:1)

Hij verbindt het toetsen van geesten direct met valse profeten en met wat mensen over Jezus verkondigen.

Daarbij staat Jezus centraal:
‘De Geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God.’
(1 Johannes 4:2–3)

Deze woorden staan in een brief waarin Johannes veel schrijft over wie Jezus is, over waarheid en leugen en over liefde voor elkaar. Eerder schrijft hij over mensen die uit de gemeenschap zijn weggegaan en ontkennen dat Jezus de Christus is (1 Johannes 2:18–27). Tegen die achtergrond schrijft Johannes dat de gelovigen niet iedere geest moeten vertrouwen, maar moeten onderzoeken of die van God komt.

Verderop verbindt hij dit met het getuigenis van de apostelen en spreekt hij over de Geest van de waarheid en de geest van de dwaling (1 Johannes 4:5–6).

Na zijn woorden over het toetsen van de geesten schrijft Johannes:
‘Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort.’
(1 Johannes 4:7)

Iemand kan zeggen God te kennen, terwijl de manier waarop hij over Jezus spreekt en met anderen omgaat iets anders laat zien. 

In Handelingen 16 ontmoet Paulus in Filippi een vrouw die door een geest kan waarzeggen. Daarmee verdient zij veel geld voor haar eigenaars. Ze loopt achter Paulus en zijn medewerkers aan en roept dat zij dienaren van de allerhoogste God zijn en de weg naar de redding verkondigen (Handelingen 16:16–17). Wat zij zegt klinkt waar, maar Lukas vertelt tegelijkertijd dat zij dit zegt vanuit een geest van waarzeggerij. Uiteindelijk gebiedt Paulus de geest in de naam van Jezus Christus uit haar weg te gaan (Handelingen 16:18).

Meer over het onderscheiden van geesten en de plaats daarvan binnen het Nieuwe Testament lees je in Onderscheiden van geesten.

 

Een andere Jezus en een andere geest

Ook Paulus waarschuwt voor geestelijke misleiding. In zijn tweede brief aan de Korintiërs schrijft hij over mensen die binnen de gemeente invloed hebben gekregen en een andere boodschap brengen. Hij waarschuwt dat de Korintiërs gemakkelijk meegaan wanneer iemand een andere Jezus verkondigt, zij een andere geest ontvangen of een ander evangelie horen dan zij eerder hebben ontvangen (2 Korintiërs 11:4).

Paulus waarschuwt de oudsten van Efeze dat misleiding ook vanuit hun eigen kring kan komen:
‘Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen.’
(Handelingen 20:30)

In 2 Korintiërs 11 schrijft Paulus ook over mensen die zich voordoen als apostelen van Christus terwijl zij dat volgens hem niet zijn. Daarbij schrijft hij dat zelfs satan zich voordoet als een engel van het licht (2 Korintiërs 11:13–15). Misleiding hoeft er dus niet meteen verkeerd uit te zien. Iets kan goed en overtuigend klinken en toch mensen bij Jezus en het evangelie vandaan leiden.

Ook in andere brieven waarschuwt Paulus voor het afwijken van het evangelie. Aan de Galaten schrijft hij dat hij verbaasd is dat zij zich zo snel laten afbrengen van het evangelie dat zij ontvangen hebben en zich naar een ander evangelie keren (Galaten 1:6–9). Aan Timoteüs schrijft hij dat mensen zich van het geloof kunnen afkeren en zich kunnen richten op dwaalgeesten en misleidend onderwijs (1 Timoteüs 4:1).

 

Profetie moet worden getoetst

Paulus schrijft aan de Tessalonicenzen:
‘Doof de Geest niet uit en heb geen minachting voor profetieën. Onderzoek alles, behoud het goede en vermijd alle kwaad, in welke vorm dan ook.’
(1 Tessalonicenzen 5:19–22)

Hij roept de gemeente niet op om profetie af te wijzen, maar ook niet om alles zonder meer aan te nemen. Wat wordt gezegd, moet worden onderzocht en het goede moet worden behouden.

Ook in Korinte schrijft Paulus over profetie binnen de samenkomst. Wanneer iemand profeteert, moeten de anderen beoordelen wat er wordt gezegd (1 Korintiërs 14:29).

Meer over profetie binnen de grotere lijn van de Bijbel lees je in Profetie in de Bijbel.

 

De vrucht van de Geest

Paulus schrijft in Galaten ook over het leven door de Geest:
‘Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.’
(Galaten 5:22–23)

Hij zet het leven door de Geest tegenover een leven waarin mensen zich laten leiden door hun eigen verlangens. Vlak daarvoor noemt hij onder andere vijandschap, ruzie, jaloezie, woede en verdeeldheid (Galaten 5:19–21).

Paulus roept gelovigen op om door de Geest te leven en zich door Hem te laten leiden (Galaten 5:16, 25). De vrucht die hij beschrijft laat zien hoe de Geest mensen vormt in hun karakter en in de manier waarop zij met anderen omgaan.

Meer over de plaats van deze vrucht binnen Galaten en de grotere lijn van de Bijbel lees je in De vrucht van de Geest.

 

De strijd is niet tegen mensen

Wanneer Paulus aan de gemeente in Efeze schrijft over geestelijke strijd, zegt hij:
‘Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.’
(Efeziërs 6:12)

Paulus heeft eerder in de brief al geschreven dat Christus boven iedere hemelse vorst, heerser, macht en kracht is verheven (Efeziërs 1:20–21). Ook schrijft hij hoe Christus mensen die van elkaar vervreemd waren met God en met elkaar verzoent en samenbrengt (Efeziërs 2:14–16).

Wanneer Paulus aan het einde van de brief over geestelijke strijd schrijft, richt die strijd zich daarom niet tegen andere mensen. Hij roept de gemeente op om stand te houden met waarheid, gerechtigheid, vrede, geloof, redding en Gods woord (Efeziërs 6:13–17). Door de hele brief heen roept hij hen op om de eenheid te bewaren en elkaar lief te hebben.

Meer over waarheid, geloof en Gods woord binnen Paulus’ onderwijs over geestelijke strijd lees je in De wapenrusting van God.

 

Geestelijke ervaringen toetsen

Soms kunnen christelijke en andere spirituele ervaringen aan de buitenkant op elkaar lijken. Mensen kunnen spreken over vrede, genezing, dromen, visioenen, bijzondere kennis of andere geestelijke ervaringen. Een teken kan werkelijk gebeuren, informatie kan blijken te kloppen en woorden kunnen heel Bijbels klinken.

Door de Bijbel heen zien we hoe belangrijk het is om te onderzoeken waar iets vandaan komt, naar wie het leidt en welke vrucht het voortbrengt. Daarbij staat de geloofsgemeenschap niet buitenspel. Paulus schrijft dat profetische woorden door anderen beoordeeld moeten worden (1 Korintiërs 14:29). Ook Johannes richt zijn oproep om de geesten te onderzoeken aan een geloofsgemeenschap (1 Johannes 4:1–6).

Gelovigen worden opgeroepen om samen te onderzoeken wat zij horen en ervaren.

 

De Geest wijst naar Jezus

Wanneer Jezus Zijn leerlingen voorbereidt op Zijn vertrek, vertelt Hij hun over de komst van de Heilige Geest:
‘Door jullie bekend te maken wat Hij van Mij heeft, zal Hij Mij eren.’
(Johannes 16:14)

De Geest zal de leerlingen herinneren aan wat Jezus hun heeft geleerd en hen verder leiden in de waarheid. Jezus zegt dat de Geest Hem zal eren door bekend te maken wat Hij van Hem ontvangt (Johannes 14:26; 16:13–15).

Vanaf Genesis loopt de vraag mee naar wie de mens luistert en wie hij vertrouwt. De slang stelt Gods woorden en Zijn goedheid ter discussie en houdt de mens een andere weg voor. Door de rest van de Bijbel heen blijft die vraag terugkomen.

In Jezus wordt zichtbaar hoe de mens op God vertrouwt en trouw blijft aan Zijn weg. De Geest wijst naar Hem en vormt mensen om Hem te volgen.

Daarom hoeft het onderzoeken van geestelijke ervaringen niet vanuit angst te gebeuren. Johannes schrijft in dezelfde brief waarin hij oproept om de geesten te onderzoeken:
‘Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst.’
(1 Johannes 4:4)

Johannes roept zijn lezers op om vast te houden aan wat zij vanaf het begin over Jezus hebben gehoord: dat Hij de Christus is, de Zoon van God, die als mens is gekomen. Hij roept hen op om in God te blijven en elkaar lief te hebben (1 Johannes 2:22–24; 4:2–7).

Door de hele Bijbel heen zien we hoe belangrijk het is om op Gods goedheid en wijsheid te vertrouwen en naar Zijn woorden te luisteren. Jezus laat ons zien wat het betekent om trouw te blijven aan de Vader. Als Zijn volgelingen worden we geroepen om Hem te volgen en ons door de Heilige Geest te laten vormen in de manier waarop we leven en met anderen omgaan.