De gave van geloof

In 1 Korintiërs 12 noemt Paulus geloof als een van de werkingen die door de Heilige Geest worden gegeven. Iedere volgeling van Jezus wordt geroepen om op God te vertrouwen, terwijl Paulus hier schrijft dat geloof aan ‘de een’ wordt gegeven.

Wat bedoelt Paulus wanneer hij hier geloof noemt? Hoe past dit binnen de grotere Bijbelse lijn van vertrouwen op God? En wat betekent dit voor de manier waarop vandaag over de ‘gave van geloof’ wordt gesproken?