Genezing in de Bijbel

In de Bijbel lezen we op verschillende plaatsen over genezing. God maakt Zich aan Israël bekend als degene die geneest, de profeten kijken uit naar een tijd van herstel en in de evangeliën zien we hoe Jezus zieken geneest wanneer Hij Gods Koninkrijk aankondigt. Ook na Zijn opstanding en hemelvaart vinden er genezingen plaats.

Toch blijven ziekte, lijden en dood deel uitmaken van het menselijke bestaan. Hoe moeten we de genezingen in de Bijbel dan begrijpen? Wat laten ze ons zien over God en Zijn Koninkrijk? En wat betekenen ze voor ons vandaag?

Om die vragen te begrijpen, beginnen we bij het begin van de Bijbel, waar God de mens het leven geeft.

Leven en sterfelijkheid

De Bijbel begint met een wereld vol leven. God vormt de mens uit stof van de aarde en blaast hem levensadem in. Midden in de tuin staat de boom van het leven (Genesis 2:7–9). Het leven van de mens wordt vanaf het begin beschreven als iets wat van God ontvangen wordt.

In Genesis 3 vertrouwt de mens Gods woorden en Zijn wijsheid niet langer en neemt hij het bepalen van goed en kwaad in eigen hand. De toegang tot de boom van het leven wordt afgesloten en de mens keert uiteindelijk terug tot het stof waaruit hij genomen is (Genesis 3:19, 22–24). Vanaf dat moment leven mensen buiten de tuin in een wereld waarin lichamelijke kwetsbaarheid, lijden en dood deel zijn van het menselijke bestaan.

 

God als degene die geneest

Kort na de doortocht door de zee trekt Israël de woestijn in. Drie dagen lang vinden ze geen water. Wanneer ze bij Mara komen, blijkt het water daar zo bitter dat ze het niet kunnen drinken. Het volk klaagt bij Mozes, waarna God hem een stuk hout aanwijst. Mozes gooit het in het water en het water wordt drinkbaar (Exodus 15:22–25).

Daar spreekt God tot Israël:
‘Ik, de HEER, ben het die jullie geneest.’
(Exodus 15:26)

God spreekt deze woorden kort nadat Hij Israël uit Egypte heeft bevrijd, midden in hun eerste ervaringen in de woestijn. Hij verwijst naar de ziekten die over Egypte zijn gekomen en roept Israël op naar Hem te luisteren en te doen wat goed is in Zijn ogen. Het volk dat jarenlang in Egypte heeft geleefd, leert in de woestijn om met de HEER mee te gaan en voor water, voedsel en leven op Hem te vertrouwen.

Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt God genoemd als degene die geneest. Wanneer koning Hizkia ernstig ziek wordt, bidt hij tot God en krijgt hij door de profeet Jesaja te horen dat God zijn gebed heeft gehoord en zijn tranen heeft gezien. Zijn leven wordt verlengd (2 Koningen 20:1–7).

Ook in de Psalmen klinkt het vertrouwen dat God degene is die geneest:
‘Hij vergeeft u alle schuld, Hij geneest al uw kwalen.’
(Psalm 103:3)

Het boek Job laat een andere kant zien. Job wordt zwaar getroffen door lichamelijk lijden. Zijn vrienden zoeken de oorzaak daarvan in wat Job verkeerd zou hebben gedaan, terwijl God aan het einde van het boek zegt dat zij niet juist over Hem hebben gesproken (Job 42:7).

 

De profeten kijken uit naar herstel

De profeten kijken uit naar een tijd waarin God Zijn volk en Zijn schepping zal herstellen.

Jesaja schrijft:
‘Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen.’
(Jesaja 35:5–6)

In hetzelfde hoofdstuk begint de woestijn te bloeien, stroomt water door dorre grond en keert Gods volk met vreugde terug.

Elders kijkt Jesaja vooruit naar de overwinning op de dood:
‘Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht.’
(Jesaja 25:8)

 

Jezus kondigt Gods Koninkrijk aan

Wanneer Jezus in Galilea begint op te treden, vat Matteüs Zijn werk als volgt samen:
‘Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.’
(Matteüs 4:23)

Jezus verkondigt dat Gods Koninkrijk nabij is en geneest zieken. 

In de hoofdstukken die volgen wordt een man met een huidziekte gereinigd, de dienaar van een centurio genezen, Petrus’ schoonmoeder van haar koorts bevrijd en worden mensen die door demonen worden gekweld bevrijd (Matteüs 8:1–17).

Volgens de reinheidsvoorschriften in de Torah kon iemand door bepaalde lichamelijke aandoeningen ritueel onrein worden. Ook kon aanraking met bepaalde vormen van onreinheid iemand zelf onrein maken (Leviticus 13–15). Wanneer Jezus in Matteüs 8 een man met een huidziekte ontmoet, strekt Hij Zijn hand uit en raakt hem aan. De man wordt door Zijn aanraking gereinigd. Daarna zegt Jezus dat hij zich aan de priester moet laten zien en het offer moet brengen dat Mozes heeft voorgeschreven (Matteüs 8:1–4; Leviticus 14).

Meer over Gods Koninkrijk en hoe Gods goede heerschappij in Jezus dichtbij komt lees je in Gods Koninkrijk.

 

Jezus en de verwachting van Jesaja

Wanneer Johannes de Doper gevangen zit, stuurt hij zijn leerlingen naar Jezus met de vraag of Hij degene is die komen zou.

Jezus antwoordt:
‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden zien en verlamden lopen, mensen die onrein zijn door een huidziekte worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’
(Matteüs 11:4–5)

Met deze woorden grijpt Jezus terug op de verwachting van Jesaja. Jesaja had gesproken over blinden die weer zien, doven die horen en verlamden die weer lopen, en over goed nieuws voor armen (Jesaja 35:5–6; 61:1). Wat Johannes’ leerlingen bij Jezus horen en zien, is het herstel waarover de profeten hadden gesproken.

 

De Geest en het werk van Jezus

Aan het begin van Jezus’ bediening daalt de Heilige Geest op Hem neer.

Daarna gaat Jezus in de kracht van de Geest naar Galilea en leest Hij in de synagoge van Nazaret uit Jesaja:
‘De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd.’
(Lucas 4:18)

De woorden die volgen gaan over goed nieuws voor armen, vrijheid voor gevangenen, zicht voor blinden en het uitroepen van een genadejaar van de Heer (Lucas 4:18–19). Jezus leest hier uit Jesaja 61. Het genadejaar roept ook het jubeljaar in herinnering, waarin vrijlating en herstel een belangrijke plaats hadden (Leviticus 25).

Jezus zegt vervolgens dat deze Schriftwoorden voor de aanwezigen in vervulling zijn gegaan (Lucas 4:21). Daarna geneest Hij zieken, bevrijdt Hij mensen van onreine geesten en verkondigt Hij het goede nieuws van Gods Koninkrijk.

 

Ziekte en persoonlijke zonde

In Johannes 9 ontmoeten Jezus en Zijn leerlingen een man die vanaf zijn geboorte blind is.

De leerlingen vragen:
‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’
(Johannes 9:2)

Jezus antwoordt dat zijn blindheid niet het gevolg is van zijn eigen zonde of die van zijn ouders (Johannes 9:3). Ook in Lucas 13 spreekt Jezus over mensen die door geweld of een ramp om het leven zijn gekomen. Zij waren volgens Jezus geen grotere zondaars dan anderen (Lucas 13:1–5).

Ziekte en lichamelijk lijden betekenen niet dat iemand ziek is door een persoonlijke zonde. We leven in een wereld waarin ieder mens te maken krijgt met lichamelijke kwetsbaarheid, verval en uiteindelijk de dood.

 

Jezus betrekt Zijn leerlingen bij Zijn werk

Jezus geneest mensen en betrekt ook Zijn leerlingen bij Zijn werk. Wanneer Hij de twaalf uitzendt, geeft Hij hun gezag over onreine geesten en om ziekten en kwalen te genezen (Matteüs 10:1).

Zij moeten verkondigen dat het Koninkrijk van de hemel nabij is en daarbij zieken genezen, doden opwekken, mensen met huidvraat reinigen en demonen uitdrijven (Matteüs 10:7–8).

Lucas vertelt later over de uitzending van een grotere groep leerlingen. Ook zij genezen zieken en zeggen:
‘Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.’
(Lucas 10:9)

 

Genezing na Pinksteren

Na Jezus’ opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest blijven genezingen plaatsvinden. In Handelingen 3 ontmoeten Petrus en Johannes bij de tempel een man die vanaf zijn geboorte niet kan lopen.

Petrus zegt tegen hem:
‘Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.’
(Handelingen 3:6)

De man staat op en gaat met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend (Handelingen 3:7–8).

Wanneer de mensen verbaasd naar Petrus en Johannes toestromen, vraagt Petrus waarom zij naar hen kijken alsof zij deze man door hun eigen kracht of vroomheid hebben laten lopen (Handelingen 3:12). Vervolgens spreekt Petrus over Jezus, die zij hadden verworpen en die God uit de dood heeft opgewekt (Handelingen 3:13–16).

Ook later in Handelingen vinden genezingen plaats door de bediening van onder anderen Petrus, Filippus en Paulus (Handelingen 5:12–16; 8:4–8; 9:32–42; 14:8–10; 19:11–12).

Meer over de plaats van tekenen en wonderen in de evangeliën en Handelingen lees je in Tekenen en wonderen in de Bijbel.

 

Gaven om te genezen

Wanneer Paulus in 1 Korintiërs 12 over de verschillende gaven van de Geest schrijft, noemt hij ook genezing:
‘de ander de gave om te genezen’
(1 Korintiërs 12:9)

In het Grieks gebruikt Paulus hier voor zowel ‘gaven’ als ‘genezingen’ een meervoud: charismata iamatōn, ‘gaven van genezingen’. 

Paulus noemt deze gaven samen met verschillende andere werkingen van de Geest. Ze worden gegeven ‘tot welzijn van allen’ (1 Korintiërs 12:7). Even later schrijft hij:
‘Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals Hij wil.’
(1 Korintiërs 12:11)

Meer over de verschillende gaven en hun plaats binnen het lichaam van Christus lees je in De gaven van de Geest.

 

Heeft iedere gelovige de gave om te genezen?

Aan het einde van hetzelfde hoofdstuk stelt Paulus een reeks vragen:
‘Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?’
(1 Korintiërs 12:29–30)

Paulus heeft de gemeente vlak daarvoor met een lichaam vergeleken. Zoals een lichaam uit verschillende leden bestaat, hebben ook binnen de gemeente mensen verschillende gaven en hebben zij elkaar nodig (1 Korintiërs 12:12–27).

 

Gebed voor zieken

Aan het einde van zijn brief schrijft Jakobus over verschillende omstandigheden waarin gelovigen zich kunnen bevinden. Wie het moeilijk heeft wordt opgeroepen te bidden, wie vrolijk is een loflied te zingen en wie ziek is de oudsten van de gemeente bij zich te roepen (Jakobus 5:13–14).

Jakobus schrijft:
‘Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer.’
(Jakobus 5:14)

Vervolgens schrijft hij:
‘Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. Wanneer hij gezondigd heeft, zal het hem vergeven worden.’
(Jakobus 5:15)

Jakobus spreekt hier met veel vertrouwen over gebed voor zieken. Hij roept de zieke op de oudsten van de gemeente bij zich te laten komen, zodat zij voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. De genezing wordt daarbij aan de Heer toegeschreven: ‘de Heer zal hem laten opstaan.’

 

‘Door Zijn striemen bent u genezen’

Een andere tekst die regelmatig met lichamelijke genezing wordt verbonden, komt uit Jesaja 53.

Jesaja schrijft:
‘Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam.’
(Jesaja 53:4)

Even later staat:
‘De straf die hij onderging bracht ons vrede, zijn striemen gaven ons genezing.’
(Jesaja 53:5)

Deze woorden staan in een gedeelte van Jesaja waarin wordt uitgekeken naar het herstel van Gods volk. De dienaar draagt het lijden, de schuld en de wandaden van anderen. In het hoofdstuk lopen ziekte, lijden, zonde, schuld, vrede en herstel door elkaar heen. De dienaar wordt verwond vanwege de wandaden van anderen en door wat hij ondergaat komt er herstel.

Matteüs haalt deze woorden aan wanneer hij vertelt over Jezus’ genezingen. Nadat Jezus Petrus’ schoonmoeder en vele andere zieken heeft genezen, schrijft Matteüs:
‘Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: “Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.”’
(Matteüs 8:17)

Matteüs verbindt Jesaja 53 met de lichamelijke genezingen van Jezus. 

Petrus gebruikt later woorden uit dezelfde passage wanneer hij over Jezus’ lijden en dood schrijft:
‘Hij heeft onze zonden gedragen met zijn lichaam aan het kruishout, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen.’
(1 Petrus 2:24)

 

Wordt iedere gelovige genezen?

De evangeliën vertellen over veel mensen die door Jezus worden genezen. Soms staat er zelfs dat Hij iedereen genas die bij Hem werd gebracht. Die mensen worden werkelijk lichamelijk hersteld.

Ook na Pinksteren blijven genezingen plaatsvinden. Tegelijkertijd lezen we over gelovigen die ziek zijn of lichamelijke klachten houden.

Paulus schrijft aan Timoteüs:
‘Drink daarom niet alleen water, maar gebruik ook wat wijn voor je maag en vanwege je vele kwalen.’
(1 Timoteüs 5:23)

Aan het einde van 2 Timoteüs vertelt Paulus dat hij Trofimus ziek in Milete heeft achtergelaten (2 Timoteüs 4:20). Epafroditus was zo ernstig ziek dat hij bijna stierf. Paulus schrijft dat God Zich over hem heeft ontfermd en hem heeft gespaard (Filippenzen 2:25–30).

Het Nieuwe Testament vertelt over genezingen en roept op tot gebed voor zieken, terwijl er ook gelovigen zijn die ziek blijven. Dat iemand ziek is, wordt daarbij niet verbonden aan een gebrek aan geloof.

Paulus spreekt over een ‘doorn in zijn lichaam’ waarvoor hij drie keer de Heer vraagt die van hem weg te nemen. De Heer antwoordt: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid’ (2 Korintiërs 12:7–9).

 

Geloof en genezing

In verschillende genezingsverhalen spreekt Jezus over geloof.

Tegen de vrouw die jarenlang bloedverlies had zegt Hij:
‘Uw geloof heeft u gered.’
(Marcus 5:34)

Ook tegen Bartimeüs klinken deze woorden (Marcus 10:52). In beide verhalen brengt hun vertrouwen hen naar Jezus. De vrouw baant zich een weg door de menigte om Hem aan te raken en Bartimeüs blijft Hem roepen, ook wanneer anderen hem proberen tegen te houden.

Andere keren wordt het geloof genoemd van mensen die iemand bij Jezus brengen. Wanneer een verlamde man door het dak naar beneden wordt gelaten, ziet Jezus ‘hun geloof’ (Marcus 2:5).

Niet ieder genezingsverhaal verloopt op dezelfde manier. Bij de man bij Betzata neemt Jezus Zelf het initiatief (Johannes 5:1–9). Ook bij de blindgeboren man in Johannes 9 begint Jezus Zelf het gesprek en de genezing. Wanneer Jezus Lazarus uit het graf roept, ligt het initiatief ook bij Hem (Johannes 11:43–44).

Geloof heeft een belangrijke plaats in verschillende ontmoetingen met Jezus. Mensen vertrouwen zich aan Hem toe, roepen Hem om hulp of brengen iemand bij Hem. In andere verhalen komt Jezus Zelf naar mensen toe en neemt Hij het initiatief.

 

Gebed en zorg voor zieken

De Bijbel moedigt ons aan om voor zieken te bidden en naar herstel te verlangen. Tegelijkertijd lezen we hoe mensen zorg ontvangen voor hun lichamelijke klachten.

Jakobus schrijft dat de oudsten voor een zieke mogen bidden en hem in de naam van de Heer met olie zalven (Jakobus 5:14–15). Paulus adviseert Timoteüs iets te gebruiken vanwege zijn maag en terugkerende klachten (1 Timoteüs 5:23). In Jezus’ gelijkenis verzorgt de Samaritaan de wonden van een gewonde man met olie en wijn en brengt hij hem naar een plaats waar verder voor hem wordt gezorgd (Lucas 10:34–35).

Zo zien we dat gebed en praktische zorg voor zieken allebei een plaats hebben in de Bijbel.

 

De Geest als begin van wat nog komt

In Romeinen 8 beschrijft Paulus de hele schepping als zuchtend en verlangend naar bevrijding. Ook de volgelingen van Jezus delen in dat zuchten.

Paulus schrijft dat zij de Geest al als eerste gave hebben ontvangen, terwijl zij nog wachten op hun aanneming als kinderen en de verlossing van hun lichaam (Romeinen 8:23).

De Geest is al gegeven, terwijl het herstel waarop Gods volk en de schepping wachten nog niet voltooid is. Gods vernieuwende werk is al begonnen, en tegelijkertijd leven we nog in lichamen die kwetsbaar en sterfelijk zijn.

 

Wat betekent dit voor vandaag?

Ook vandaag mogen we met onze ziekte, pijn en zorgen bij God komen en Hem om genezing vragen. Jakobus moedigt gelovigen aan om voor zieken te bidden en naar elkaar om te zien (Jakobus 5:13–16).

Wanneer we naar Jezus kijken, zien we hoe Hij omgaat met mensen die ziek zijn en lijden. Hij wordt met ontferming bewogen, raakt mensen aan en brengt herstel. Door Zijn genezingen laat Hij iets zien van Gods Koninkrijk, waarin ziekte, kwaad en dood uiteindelijk geen plaats meer zullen hebben.

Jezus nodigt Zijn leerlingen uit om Hem te volgen en te leven zoals Hij dat heeft voorgedaan. Dat betekent dat we oog hebben voor mensen die lijden, voor hen bidden, hen helpen en voor hen blijven zorgen, ook wanneer genezing uitblijft.

We leven nog in een wereld waarin ziekte, lijden en dood aanwezig zijn. Paulus beschrijft hoe de hele schepping zucht en verlangt naar bevrijding. Ook wij delen in dat verlangen, terwijl we uitzien naar de verlossing van ons lichaam (Romeinen 8:22–25).

Zo mogen we blijven bidden, voor elkaar zorgen en ons vertrouwen op God stellen, ook wanneer genezing uitblijft.

 

Genezing, opstanding en nieuwe schepping

De genezingen van Jezus vinden plaats in een wereld waarin ziekte en dood nog aanwezig zijn. Mensen worden werkelijk genezen, maar ook zij worden ouder en sterven uiteindelijk. Zelfs Lazarus, die Jezus uit het graf roept, keert terug naar een sterfelijk leven.

Jezus wordt opgewekt tot een leven waarover de dood geen macht meer heeft. Paulus noemt Hem ‘de eersteling van de gestorvenen’ (1 Korintiërs 15:20). Zoals de eerste opbrengst van een oogst vooruitwijst naar wat nog volgt, zo wijst Jezus’ opstanding vooruit naar de opstanding van allen die bij Hem horen.

Paulus kijkt uit naar de dag waarop het vergankelijke lichaam onvergankelijk wordt opgewekt en het sterfelijke met onsterfelijkheid wordt bekleed (1 Korintiërs 15:42–54). Jezus’ opstanding wijst vooruit naar de dag waarop ook de dood zelf wordt overwonnen.

Aan het einde van de Bijbel beschrijft Johannes waar die hoop op uitloopt. Hij ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en hoort dat Gods woonplaats bij de mensen is. God zal bij hen wonen en alles nieuw maken (Openbaring 21:1–5).

‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’
(Openbaring 21:4)

Daar komt de roeping terug die God vanaf het begin aan de mens gaf. God woont bij de mensen en zij leven als Zijn beeld in Zijn vernieuwde schepping. Ziekte, pijn en dood hebben daar geen plaats meer.

We mogen bidden om genezing en verlangen naar herstel, zonder dat ons de zekerheid wordt gegeven dat ieder gebed om genezing in het leven van nu gevolgd wordt door lichamelijk herstel. De genezingen van Jezus wijzen vooruit naar het herstel dat in Zijn opstanding is begonnen en uiteindelijk heel Gods schepping zal omvatten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb