Profetie in de Bijbel

Profetie heeft door de hele Bijbel heen een belangrijke plaats. We lezen over Mozes en de profeten van Israël, over mensen op wie Gods Geest rust en over de verwachting dat God Zijn Geest op Zijn volk zal uitstorten. Ook na Pinksteren lezen we over mensen die profeteren. Paulus noemt profetie als een van de gaven van de Geest.

Wat betekent profetie eigenlijk in de Bijbel? Wat was de taak van een profeet in Israël? Ging profetie vooral over het voorspellen van de toekomst? En wat verandert er met de komst van Jezus en de uitstorting van de Heilige Geest?

Wat is een profeet?

Een profeet is iemand die door God wordt geroepen om namens Hem te spreken. Profeten spreken soms over wat er in de toekomst zal gebeuren, maar veel van wat zij zeggen is gericht aan mensen in hun eigen tijd. Zij roepen Israël terug naar God, wijzen onrecht en afgoderij aan, herinneren het volk aan het verbond en spreken over Gods oordeel en Zijn beloften van herstel.

Wanneer God hem bij de brandende struik roept, krijgt Mozes de opdracht om naar farao te gaan en Gods woorden over te brengen. Mozes twijfelt of hij dat kan en zegt dat hij niet goed kan spreken. God antwoordt:
‘Ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’
(Exodus 4:12)

In Exodus 7 zegt God dat Aäron als Mozes’ profeet zal optreden tegenover farao (Exodus 7:1–2). Aäron spreekt hier namens Mozes. 

Mozes brengt Gods woorden over, bemiddelt tussen God en Israël, pleit voor het volk en spreekt het aan wanneer het van God afdwaalt.

Mozes krijgt binnen deze profetische lijn een bijzondere plaats. Aan het einde van Deuteronomium lezen we:
‘Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes, met wie de HEER zo vertrouwelijk omging.’
(Deuteronomium 34:10)

 

De Geest rust op de oudsten

Mozes draagt de verantwoordelijkheid voor het volk en raakt uitgeput. God neemt van de Geest die op Mozes rust en laat die ook op zeventig oudsten rusten. Wanneer de Geest op hen komt, beginnen zij te profeteren (Numeri 11:16–17, 24–25).

Twee mannen die in het kamp zijn achtergebleven beginnen ook te profeteren. Jozua wil dat Mozes hen tegenhoudt. Mozes verlangt ernaar dat heel het volk van de HEER profeten zou zijn en dat de HEER Zijn Geest op hen zou leggen (Numeri 11:26–29).

 

Profeten binnen het verbond

De profeten die later in Israëls geschiedenis optreden, spreken tot een volk dat al een lange geschiedenis met God heeft. God had Abraham beloofd dat uit hem een groot volk zou voortkomen en dat door hem alle volken op aarde gezegend zouden worden (Genesis 12:1–3). Bij de Sinaï roept God Israël om een koninkrijk van priesters en een heilig volk te zijn (Exodus 19:4–6). 

Wanneer Israël andere goden gaat dienen, armen en kwetsbaren onderdrukt en Gods geboden naast zich neerlegt, roepen de profeten het volk terug naar de God met wie het een verbond heeft gesloten.

In Deuteronomium had Mozes al gesproken over de gevolgen van Israëls trouw en ontrouw. Wanneer het volk andere goden volgt en Gods weg verlaat, zal dat uiteindelijk leiden tot verlies van het land en ballingschap (Deuteronomium 28).

Mozes spreekt ook over een toekomst waarin God Zijn verspreide volk weer bijeen zal brengen en hun hart zal besnijden, zodat zij Hem met hart en ziel zullen liefhebben (Deuteronomium 30:1–6). Later spreken Jeremia en Ezechiël over een vernieuwd hart en een vernieuwde verbondsrelatie met God.

De profeten waarschuwen Israël voor de weg die het gaat en spreken over het herstel dat God zal brengen. Jesaja spreekt bijvoorbeeld tegen mensen die offers brengen en religieuze bijeenkomsten houden, terwijl er tegelijkertijd onrecht plaatsvindt:
‘Leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, kom op voor wezen, sta weduwen bij.’
(Jesaja 1:17)

Amos zegt:
‘Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.’
(Amos 5:24)

Hosea gebruikt woorden die herinneren aan de geboden wanneer hij spreekt over liegen, moorden, stelen en overspel (Hosea 4:1–2). 

 

Profetie en de toekomst

De profeten spreken ook over wat er in de toekomst zal gebeuren, meestal midden in de omstandigheden van hun eigen tijd. Zij waarschuwen Israël en Juda voor de gevolgen van de weg die zij gaan. Assyrië en Babylon zijn koninkrijken die in deze periode steeds dichterbij komen en uiteindelijk een rol spelen in de ondergang van Israël en Juda en de ballingschap.

Naast de waarschuwingen voor oordeel en ballingschap spreken de profeten over een toekomst waarin God Zijn volk zal herstellen. Jeremia spreekt over een nieuw verbond waarin Gods onderwijzing in het hart van Zijn volk zal worden geschreven (Jeremia 31:31–34).

Ezechiël spreekt over een vernieuwd volk:
‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven.’
(Ezechiël 36:26)

Joël kijkt uit naar een dag waarop Gods Geest niet alleen op enkele mensen zal rusten:
‘Daarna zal zich dit voltrekken: Ik zal Mijn geest uitgieten over al wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude mensen zullen dromen dromen, en jongeren zullen visioenen zien.’
(Joël 3:1)

Jesaja spreekt over een toekomstige koning, een telg uit de stam van Isaï, op wie de Geest van de HEER zal rusten, een Geest van wijsheid, inzicht, raad, kracht en kennis (Jesaja 11:1–5).

Verderop spreekt Jesaja over iemand op wie Gods Geest rust en die goed nieuws brengt aan armen, gebrokenen vrijheid aankondigt en het genadejaar van de HEER uitroept (Jesaja 61:1–2).

 

Wanneer iemand namens God spreekt

Omdat profeten namens God spreken, krijgt Israël ook onderwijs over de vraag hoe het moet omgaan met mensen die zeggen dat zij een boodschap van Hem hebben ontvangen.

In Deuteronomium 13 gaat het over iemand die een teken of wonder aankondigt. Zelfs wanneer dat teken uitkomt, moet Israël hem niet volgen wanneer hij het volk naar andere goden leidt (Deuteronomium 13:2–4).

Israël kent God en heeft Zijn verbond en onderwijzing ontvangen.

Meer over de plaats van tekenen en wonderen, de vraag wie wonderen kan verrichten en hoe bijzondere tekenen in de Bijbel worden onderscheiden lees je in Tekenen en wonderen in de Bijbel.

In Deuteronomium 18 waarschuwt Mozes voor iemand die woorden in Gods naam spreekt die God hem niet heeft opgedragen:
‘Maar als een profeet het waagt om in mijn naam iets te zeggen dat Ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden.’
(Deuteronomium 18:20)

Wanneer het volk vraagt hoe zij zoiets kunnen herkennen, legt Mozes uit dat een woord dat namens de HEER wordt aangekondigd en vervolgens niet gebeurt, niet door Hem gesproken is (Deuteronomium 18:21–22). 

 

Profeten die het volk geruststellen

Jeremia leeft in een tijd waarin Juda steeds verder van God afdwaalt. Er is onrecht en afgoderij, terwijl veel mensen erop vertrouwen dat Jeruzalem en de tempel hun veiligheid garanderen. Jeremia waarschuwt dat Jeruzalem verwoest zal worden, terwijl andere profeten het volk geruststellen.

Jeremia beschrijft hen als mensen die zeggen:
‘Alles gaat naar wens.’
(Jeremia 6:14)

In Jeremia 23 zegt God:
‘Ik heb die profeten niet gezonden, toch rennen ze of ze mijn boden waren. Ik heb niet tot hen gesproken, toch spreken ze of ze profeten waren.’
(Jeremia 23:21)

Even daarvoor zegt God dat als deze profeten werkelijk in Zijn raad hadden gestaan, zij Zijn woorden aan het volk hadden doorgegeven en het van zijn verkeerde weg hadden teruggebracht (Jeremia 23:22).

Ook Jesaja beschrijft zijn roeping vanuit Gods aanwezigheid. Hij ziet de HEER op Zijn troon en hoort Hem vragen: ‘Wie zal Ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Jesaja antwoordt: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ Daarna wordt hij naar het volk gezonden om Gods woorden te spreken (Jesaja 6:1–9).

Verderop zegt God:
‘Een profeet die droomt, vertelt niet meer dan een droom, maar wie mijn woorden kent, geeft mijn woorden betrouwbaar weer.’
(Jeremia 23:28)

 

De verwachting van een profeet als Mozes

Deuteronomium 18 bevat naast de waarschuwing voor valse profeten ook een belofte:
‘Hij zal in uw midden steeds weer een profeet laten opstaan, een profeet zoals ik. Naar hem moet u luisteren.’
(Deuteronomium 18:15)

Even later zegt God:
‘Ik zal in hun midden steeds weer een profeet laten opstaan, een profeet zoals jij. Ik zal hem mijn woorden ingeven, en hij zal het volk alles overbrengen wat Ik hem opdraag.’
(Deuteronomium 18:18)

In dezelfde passage waarschuwt Mozes Israël voor waarzeggerij en bezwering. God zal Zelf profeten uit hun midden laten opstaan (Deuteronomium 18:9–18).

Aan het einde van Deuteronomium lezen we vervolgens dat Israël nooit meer een profeet heeft gekend als Mozes (Deuteronomium 34:10). 

 

Jezus en de profeten

Wanneer Jezus Zijn openbare optreden begint, roept Hij Israël op tot bekering en kondigt Hij Gods Koninkrijk aan.

Na de opwekking van de zoon van een weduwe in Naïn zeggen de mensen:
‘Een groot profeet is onder ons opgestaan.’
(Lucas 7:16)

Wanneer Jezus Zijn leerlingen vraagt wie de mensen zeggen dat Hij is, noemen zij Johannes de Doper, Elia, Jeremia of een van de andere profeten (Matteüs 16:13–14).

Petrus haalt later de woorden uit Deuteronomium 18 over de profeet als Mozes aan en verbindt deze met Jezus (Handelingen 3:22–26).

Ook Hebreeën begint met de woorden dat God vroeger door de profeten sprak en nu door Zijn Zoon:
‘Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten; nu, aan het einde van de tijd, heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon.’
(Hebreeën 1:1–2)

De profeten hadden gesproken over een vernieuwd verbond, een vernieuwd volk, Gods Geest, een rechtvaardige koning en het herstel dat God zou brengen. Aan het begin van Zijn optreden in Nazaret leest Jezus zelf uit de profeet Jesaja:
‘De Geest van de Heer rust op Mij,
want Hij heeft Mij gezalfd.’
(Lucas 4:18)

Het gedeelte spreekt over goed nieuws voor armen, vrijlating voor gevangenen, herstel van het zicht voor blinden en het genadejaar van de Heer. Daarna zegt Jezus:
‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’
(Lucas 4:21)

Jezus verkondigt dat Gods Koninkrijk dichtbij is gekomen en verzamelt leerlingen om Zich heen die Hem op die weg zullen volgen.

Jezus waarschuwt Zijn leerlingen ook voor valse profeten. Hij vergelijkt hen met bomen die aan hun vruchten herkend worden. Zelfs wanneer mensen zich op profetie, het uitdrijven van demonen of wonderen in Zijn naam beroepen, betekent dat volgens Jezus nog niet dat zij werkelijk naar Hem luisteren en Zijn wil doen (Matteüs 7:15–23).

Meer over Gods Koninkrijk en hoe de verwachting van Gods koningschap en de komende koning door de Bijbel heen naar Jezus loopt lees je in Gods Koninkrijk.

 

Pinksteren en profetie

Na Jezus’ dood en opstanding wordt de Heilige Geest over Zijn leerlingen uitgestort. In Handelingen 2 beginnen zij in andere talen te spreken en horen mensen uit allerlei volken hen in hun eigen taal over Gods grote daden spreken.

Petrus legt uit wat er gebeurt:
‘Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël.’
(Handelingen 2:16)

Daarna haalt hij Joëls woorden aan over zonen en dochters die zullen profeteren, jongeren die visioenen zien en ouderen die dromen ontvangen (Handelingen 2:17–18).

Veel eerder had Mozes al verlangd dat de HEER Zijn Geest op heel Zijn volk zou leggen (Numeri 11:29). Petrus gebruikt Joëls woorden om uit te leggen wat er op dat moment gebeurt.

Petrus verbindt de uitstorting van de Geest rechtstreeks met Jezus. Hij zegt dat Jezus aan Gods rechterhand is verhoogd, de beloofde Heilige Geest van de Vader heeft ontvangen en heeft uitgestort wat de mensen nu zien en horen (Handelingen 2:33).

Later in Handelingen komen we verschillende mensen tegen die profeteren. In Antiochië worden verschillende mensen ‘profeten en leraren’ genoemd (Handelingen 13:1) en ook de vier dochters van Filippus profeteren (Handelingen 21:8–9).

 

Agabus en profetie in Handelingen

In Antiochië kondigt Agabus door de Geest aan dat er een grote hongersnood zal komen. Lucas vertelt dat deze tijdens de regering van keizer Claudius plaatsvond. De leerlingen reageren door hulp te sturen naar de gelovigen in Judea (Handelingen 11:27–30).

Later ontmoet Agabus Paulus op zijn reis naar Jeruzalem. Hij pakt Paulus’ gordel, bindt daarmee zijn eigen handen en voeten en kondigt aan dat de eigenaar van de gordel in Jeruzalem gebonden en aan de heidenen overgeleverd zal worden (Handelingen 21:10–11). Deze symbolische handeling doet denken aan de profeten uit het Oude Testament, die hun boodschap soms op een vergelijkbare manier uitbeelden.

Agabus begint zijn woorden met:
‘Dit zegt de Heilige Geest.’
(Handelingen 21:11)

Wanneer de aanwezigen dit horen, proberen zij Paulus ervan te overtuigen niet naar Jeruzalem te gaan. Paulus laat zich niet tegenhouden. Hij is bereid om in Jeruzalem gevangengenomen te worden en zelfs te sterven voor de naam van Jezus. Uiteindelijk zeggen de anderen: ‘Laat gebeuren wat de Heer wil’ (Handelingen 21:12–14).

 

Profetie in de gemeente van Korinte

Wanneer Paulus in 1 Korintiërs over profetie schrijft, doet hij dat binnen een gemeente waar veel verschillende geestelijke gaven aanwezig zijn en waar tegelijk verdeeldheid en spanningen spelen.

Paulus schrijft:
‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente.’
(1 Korintiërs 12:7)

Daarna noemt hij verschillende gaven, waaronder profetie (1 Korintiërs 12:8–10). Paulus vergelijkt de gemeente met een lichaam dat uit veel delen bestaat. Ieder deel heeft zijn eigen plaats en de verschillende delen hebben elkaar nodig (1 Korintiërs 12:12–27).

Profetie wordt, net als de andere gaven, gegeven tot welzijn van de gemeente.

Ook in Efeziërs noemt Paulus profeten naast apostelen, verkondigers van het evangelie, herders en leraren. Zij worden aan de gemeente gegeven om de heiligen toe te rusten voor hun dienst, zodat het lichaam van Christus wordt opgebouwd en groeit naar volwassenheid (Efeziërs 4:11–16).

 

Streef naar de gave van profetie

Na zijn onderwijs over de verschillende delen van het lichaam schrijft Paulus uitgebreid over de liefde. Iemand kan in talen spreken, profetische gaven hebben en veel kennis bezitten, terwijl dit zonder liefde volgens Paulus niets voorstelt (1 Korintiërs 13:1–3).

Paulus beschrijft de liefde als geduldig en vol goedheid, zonder afgunst of zelfgenoegzaamheid en zonder het eigen belang te zoeken (1 Korintiërs 13:4–7).

Daarna schrijft hij:
‘Jaag de liefde na en richt u op de gaven van de Geest, vooral op die van de profetie.’
(1 Korintiërs 14:1)

Paulus vergelijkt profetie vervolgens met tongentaal. Wie in tongen spreekt, is zonder uitleg voor anderen niet verstaanbaar. Wie profeteert spreekt volgens Paulus woorden die bijdragen aan de opbouw, bemoediging en troost van de gemeente (1 Korintiërs 14:3).

Daarom schrijft hij:
‘Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat het opbouwend is voor de gemeente.’
(1 Korintiërs 14:5)

Paulus denkt ook aan iemand die niet vertrouwd is met de gemeente. Wanneer iedereen tegelijkertijd in tongen spreekt, kan zo iemand denken dat de aanwezigen buiten zinnen zijn (1 Korintiërs 14:23).

Over profetie beschrijft Paulus een andere situatie:
‘Maar profeteert iedereen, dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen op de juiste wijze worden beoordeeld en door iedereen worden terechtgewezen. Alles wat in zijn hart verborgen ligt zal aan het licht komen, en dan zal hij zich in aanbidding voor God neerwerpen en uitroepen: “Werkelijk, God is in uw midden.”’
(1 Korintiërs 14:24–25)

Paulus beschrijft hier wat er kan gebeuren wanneer een ongelovige of buitenstaander binnenkomt terwijl er wordt geprofeteerd. Hij wordt door wat er wordt gesproken beoordeeld en terechtgewezen, wat in zijn hart verborgen ligt komt aan het licht en hij erkent dat God werkelijk in hun midden is.

Meer over tongentaal in Handelingen en 1 Korintiërs lees je in Tongentaal in de Bijbel.

 

Profetie wordt beoordeeld

Paulus beschrijft hoe profetie tijdens de samenkomst een plaats krijgt:
‘Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken; daarna moeten de anderen het beoordelen.’
(1 Korintiërs 14:29)

Wanneer iemand anders iets ontvangt, maakt degene die aan het woord is ruimte. Paulus vervolgt:
‘U kunt ieder op uw beurt profeteren, zodat ieder van u kan worden onderwezen en bemoedigd.’
(1 Korintiërs 14:31)

Paulus schrijft dat wie profeteert macht heeft over zijn geest en dat God geen God van wanorde is, maar van vrede (1 Korintiërs 14:32–33).

Ook aan de gemeente in Tessalonica schrijft Paulus:
‘Doof de Geest niet uit en heb geen minachting voor profetieën. Onderzoek alles, behoud het goede.’
(1 Tessalonicenzen 5:19–21)

Paulus spreekt ook over het evangelie dat de gemeenten hebben ontvangen. Aan de Galaten schrijft hij dat zelfs wanneer hijzelf of een engel uit de hemel een ander evangelie zou verkondigen, dit verworpen moet worden (Galaten 1:8–9). Ook wanneer iemand zich op een bijzondere geestelijke ervaring of boodschap beroept, blijft voor Paulus het evangelie dat de gemeente heeft ontvangen het uitgangspunt.

Meer over het toetsen van geestelijke uitingen en wat Paulus bedoelt met het onderscheiden van geesten lees je in Onderscheiden van geesten.

 

Profetie vandaag

Met Pinksteren wordt Gods Geest over Zijn volk uitgestort. Petrus haalt de woorden van Joël aan over zonen en dochters die zullen profeteren, jongeren die visioenen zien en ouderen die dromen dromen (Handelingen 2:17–18).

Wanneer Paulus later over de gaven van de Geest schrijft, beschrijft hij de gemeente als één lichaam met verschillende leden. De Geest geeft verschillende gaven en deelt deze aan ieder afzonderlijk toe zoals Hij wil (1 Korintiërs 12:4–11). Paulus vraagt vervolgens of iedereen apostel, profeet of leraar is en of iedereen wonderen kan verrichten of in tongentaal spreekt (1 Korintiërs 12:29–30). Tegelijkertijd moedigt hij de Korintiërs aan om naar profetie te verlangen en schrijft hij dat zij ieder op hun beurt kunnen profeteren, zodat iedereen kan leren en bemoedigd kan worden (1 Korintiërs 14:1, 31).

Tegenwoordig zijn er cursussen en bijeenkomsten waarin mensen worden aangemoedigd om profetie te oefenen of daarin te groeien. Paulus moedigt gelovigen aan om naar profetie te verlangen en geeft aanwijzingen voor hoe profetie binnen de gemeente een plaats krijgt. Tegelijkertijd schrijft hij dat de Geest de gaven uitdeelt zoals Hij wil (1 Korintiërs 12:11). Hij beschrijft geen methode waarmee iemand door oefening kan leren om profetische boodschappen te ontvangen.

Paulus schrijft dat wat er tijdens de samenkomst wordt geprofeteerd door anderen moet worden beoordeeld (1 Korintiërs 14:29). En hij schrijft:
‘Doof de Geest niet uit en heb geen minachting voor profetieën. Onderzoek alles, behoud het goede.’
(1 Tessalonicenzen 5:19–21)

Ook in Deuteronomium krijgt Israël aanwijzingen voor het toetsen van profeten. Het volk moet niet alleen letten op wat iemand zegt dat zal gebeuren, maar ook op waar diegene hen naartoe leidt. Zelfs wanneer een aangekondigd teken uitkomt, mag het volk niet luisteren wanneer iemand hen bij God vandaan leidt (Deuteronomium 13:2–4). Wanneer iemand namens de HEER aankondigt dat iets zal gebeuren en het gebeurt niet, dan is dat woord niet door de HEER gesproken (Deuteronomium 18:21–22).

De omstandigheden waarin Mozes en Paulus hierover spreken verschillen, maar in beide gedeelten krijgt Gods volk de verantwoordelijkheid om woorden die namens God worden gesproken niet zomaar aan te nemen.

 

Paulus schrijft dat profetie dient tot opbouw, bemoediging en troost (1 Korintiërs 14:3). Daarbij blijft de vraag wat er wordt gezegd en waar het mensen naartoe leidt. Past wat er wordt gezegd bij het evangelie en bij wat Jezus Zijn leerlingen leert? Helpt het mensen om Hem te volgen en in liefde en trouw aan God en elkaar te leven? Of draait het vooral om persoonlijke verlangens, wat iemand hoopt te ontvangen of de positie van degene die profeteert?

Uiteindelijk gaat het erom dat wat binnen de gemeente wordt gesproken, bijdraagt aan de opbouw van anderen en mensen helpt om Jezus te volgen en te groeien in liefde en trouw aan God.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb