Dezelfde God in het Oude en Nieuwe Testament?
Wie door de Bijbel heen leest, kan soms het gevoel krijgen dat God in het Oude Testament heel anders naar voren komt dan in het Nieuwe Testament. We lezen over de vloed, de plagen in Egypte, oorlogen en Gods oordeel, terwijl Jezus Zijn leerlingen leert hun vijanden lief te hebben, te vergeven en vrede te zoeken.
Is God ergens onderweg veranderd? Hoe passen Gods liefde, geduld en ontferming bij de gedeelten waarin we lezen over Zijn oordeel? En wat ontdekken we wanneer we deze teksten lezen binnen hun context en de grote lijn van de Bijbel?
Om deze vragen verder te onderzoeken, beginnen we in Exodus, waar God Zelf aan Mozes bekendmaakt wie Hij is.
Hoe God Zichzelf bekendmaakt
In Exodus lezen we hoe God Israël uit Egypte bevrijdt en bij de Sinaï een verbond met het volk sluit. Terwijl Mozes op de berg is, maakt het volk een gouden kalf en vereert het God op een manier die Hij hun kort daarvoor had verboden. Vrijwel meteen wordt het verbond dat Israël met God heeft gesloten geschonden.
Na deze gebeurtenis maakt God Zich aan Mozes bekend:
‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die trouw blijft tot in het duizendste geslacht, die schuld, misdaad en zonde vergeeft maar niet alles ongestraft laat, en die voor de zonde van de ouders de kinderen en kleinkinderen ter verantwoording roept, tot in het derde en vierde geslacht.’
(Exodus 34:6–7)
Nadat Israël Hem ontrouw is geworden, beschrijft God Zichzelf als liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarachtig. Hij vergeeft schuld, misdaad en zonde en laat het kwaad niet onverschillig aan Zich voorbijgaan.
Ook de verhouding binnen deze woorden is veelzeggend. De gevolgen van zonde worden genoemd tot het derde en vierde geslacht, terwijl Gods trouw zich uitstrekt tot het duizendste. Het zwaartepunt ligt op Gods blijvende trouw en ontferming. Ondanks Israëls ontrouw blijft Hij met Zijn volk verdergaan.
Deze woorden worden later steeds opnieuw opgepakt. We vinden ze terug in de Psalmen, bij de profeten en in andere Bijbelboeken wanneer schrijvers spreken over Gods geduld, ontferming, trouw, vergeving en oordeel.
Het Hebreeuwse ’erekh appayim, dat hier met ‘geduldig’ wordt vertaald, betekent letterlijk iets als ‘lang van neus’. Het is een beeld voor iemand die niet snel tot woede overgaat. God is geduldig en geeft mensen ruimte om zich om te keren. Dat betekent niet dat het Hem onverschillig laat wat mensen elkaar aandoen. Hij ziet het geweld en onrecht in Zijn wereld en wat dit met mensen en Zijn goede schepping doet.
Door de geschiedenis van Israël heen zien we dit terug. Het volk heeft moeite om op God te vertrouwen, verlangt terug naar Egypte en keert zich verschillende keren van Hem af. Later krijgen afgoderij, onrecht, geweld en uitbuiting steeds meer een plaats binnen Israël. De profeten spreken het volk daarop aan, waarschuwen voor de gevolgen van deze weg en roepen hen terug naar God.
Ook wanneer Israël uiteindelijk in ballingschap terechtkomt, eindigt Gods omgang met Zijn volk daar niet. De profeten spreken over herstel, vergeving, een vernieuwd verbond en een nieuw hart.
Jona en Gods ontferming
In Jona komen de woorden uit Exodus 34 opnieuw terug. Nineve staat bekend om haar kwaad en geweld. God stuurt Jona naar de stad om haar te waarschuwen. Wanneer de inwoners zich omkeren en God het aangekondigde onheil afwendt, wordt Jona boos. Hij zegt:
‘Ik wist het wel: U bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en bereid het onheil af te wenden.’
(Jona 4:2)
Jona blijkt goed te weten wie God is. Omdat hij weet dat God genadig en geduldig is, wilde hij niet naar Nineve gaan. Hij hield er rekening mee dat God Zich over de inwoners zou ontfermen wanneer zij zich van hun kwaad zouden omkeren.
Gods bekendmaking krijgt in Exodus 34 een bijzondere plaats. Israël heeft zelf steeds Gods geduld en trouw ervaren. In Jona zien we diezelfde ontferming uitgaan naar Nineve, een stad buiten Israël die bekendstaat om haar geweld. Jona heeft er moeite mee dat God ook aan Israëls vijanden ruimte geeft om zich om te keren.
Gods genade en geduld verschijnen niet pas wanneer we bij Jezus en het Nieuwe Testament komen. Ze behoren al tot de manier waarop God Zich in de Schriften van Israël bekendmaakt en strekken zich ook uit naar mensen buiten Israël.
De vloed en een wereld vol geweld
In Genesis zien we hoe geweld zich steeds verder door de menselijke samenleving verspreidt. Kaïn doodt zijn broer. Lamech bezingt zijn gewelddadige wraak. Tegen de tijd dat we bij de vloed komen, wordt de aarde zo beschreven:
‘De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. [...] In Gods ogen was de aarde verdorven en vol onrecht.’
(Genesis 6:5, 11)
Het Hebreeuwse woord hāmās, dat hier met ‘onrecht’ wordt vertaald, verwijst naar geweld en gewelddadig onrecht. De aarde die God in Genesis 1 goed noemt, is gevuld geraakt met menselijk geweld.
De manier waarop de vloed wordt beschreven herinnert aan Genesis 1, maar dan in omgekeerde richting. In Genesis 1 worden de wateren begrensd en ontstaat een geordende wereld waarin leven mogelijk is. Bij de vloed breken de wateren opnieuw door en verdwijnt bijna de hele bewoonbare wereld onder het water. De schepping keert als het ware terug naar de chaos waaruit God haar had geordend.
Mensen en dieren sterven en bijna de hele wereld die God heeft gemaakt verdwijnt onder het water. Na de vloed blijkt dat het diepere probleem niet verdwenen is. Over het menselijke hart wordt opnieuw gezegd dat het van jongs af aan geneigd is tot kwaad (Genesis 8:21). God sluit vervolgens een verbond met Noach en belooft de aarde niet opnieuw op deze manier te treffen.
Al vroeg in de Bijbel zien we dat menselijk kwaad Gods goede wereld diep beschadigt, dat God het kwaad niet eindeloos laat voortgaan en dat Hij blijft werken aan het behoud en herstel van Zijn schepping.
Egypte en de plagen
De plagen in Egypte staan ook binnen een langere geschiedenis. Farao gebruikt zijn macht om de Israëlieten tot slaven te maken. Wanneer hun aantal blijft groeien, beveelt hij eerst de Hebreeuwse vroedvrouwen om pasgeboren jongetjes te doden. Wanneer zij weigeren, geeft hij opdracht om ieder Hebreeuws jongetje in de Nijl te werpen.
Wanneer God Mozes roept, zegt Hij dat Hij het lijden van Zijn volk heeft gezien en hun hulpgeroep heeft gehoord. Daarna volgt de confrontatie tussen God en farao. In deze hoofdstukken wordt op verschillende manieren over farao’s hart gesproken. Eerst lezen we dat farao hardnekkig blijft, dat zijn hart hard blijft en dat hij zelf zijn hart verhardt. Later in het verhaal wordt meerdere keren gezegd dat God farao’s hart verhardt.
God verhardt farao’s hart niet vanaf het begin. Farao heeft zijn macht dan al gebruikt om de Israëlieten te onderdrukken en hun zonen te laten doden. Ook wanneer Mozes hem namens God opdraagt Israël te laten gaan, blijft farao weigeren. Eerst lezen we verschillende keren dat zijn hart hard blijft of dat hij zelf zijn hart verhardt. Pas later wordt gezegd dat God zijn hart verhardt. Farao’s verharding begint bij zijn eigen herhaalde weigering om Israël te laten gaan.
De plagen treffen Egypte zwaar en bij de laatste plaag sterven de eerstgeborenen. Binnen Exodus staat deze gebeurtenis in verbinding met wat eraan voorafgaat. Farao heeft zijn macht gebruikt om Israël tot slaaf te maken en heeft bevolen dat de Hebreeuwse zonen in de Nijl moeten worden geworpen. God noemt Israël vervolgens Zijn ‘eerstgeboren zoon’ en waarschuwt farao dat zijn eigen eerstgeboren zoon zal sterven wanneer hij Israël niet laat gaan (Exodus 4:22–23).
Door het verhaal heen zien we hoe het geweld waarmee farao Israël onderdrukt uiteindelijk tegen Egypte keert. Dat wordt ook zichtbaar bij de zee. Farao achtervolgt het volk met zijn leger, maar het leger dat Israël opnieuw in zijn macht wil krijgen komt zelf om in het water. De bevrijding van Israël betekent het einde van de macht waarmee farao hen gevangenhield.
De uittocht wordt later een van de belangrijkste beelden van bevrijding in de Bijbel. God hoort het geroep van mensen die worden onderdrukt en bevrijdt hen uit de macht van farao.
Israëls bevrijding krijgt een doel. God bevrijdt het volk uit Egypte en roept het bij de Sinaï om Zijn volk te zijn en Hem onder de volken te vertegenwoordigen. Israël draagt Gods naam en wordt geroepen om door hun manier van leven zichtbaar te maken wie Hij is.
Dat zien we later terug in de Torah. Israël moet zorg dragen voor de vreemdeling, de arme, de weduwe en de wees en wordt verschillende keren herinnerd aan de eigen geschiedenis in Egypte. Hun ervaring van bevrijding hoort door te werken in de manier waarop zij met anderen omgaan.
De lijn van Exodus loopt nog verder. God bevrijdt Israël om Zijn volk te zijn en onder hen te wonen. Aan het einde van Exodus vult Gods aanwezigheid de tabernakel in het midden van het volk. Zo loopt de uittocht van de bevrijding uit Egypte naar een volk onder wie God Zelf woont.
En hoe zit het dan met Kanaän?
De vraag hoe deze teksten passen bij wie God is, wordt nog indringender wanneer Israël het beloofde land binnengaat. In Deuteronomium en Jozua krijgt Israël de opdracht volken uit het land te verdrijven en wordt op sommige plaatsen gesproken over het volledig vernietigen van steden.
Al bij Abraham wordt vooruitgekeken naar de tijd waarin zijn nakomelingen in dit land zullen wonen. Toch geeft God hun het land nog niet. Hij zegt dat de schuld van de Amorieten nog niet haar hoogtepunt heeft bereikt (Genesis 15:16). Pas generaties later zal Israël het land binnengaan. De intocht in Kanaän wordt daarmee verbonden met Gods oordeel over het kwaad dat daar is gegroeid. Er gaan nog eeuwen voorbij voordat dit oordeel komt.
Deuteronomium maakt ook duidelijk dat Israël het land niet ontvangt omdat het zelf beter of rechtvaardiger is dan de volken die er wonen (Deuteronomium 9:4–6). Dat wordt vlak voor de inname van Jericho nog eens zichtbaar. Wanneer Jozua de aanvoerder van het leger van de HEER ontmoet, vraagt hij of hij voor Israël of voor hun vijanden is. Het antwoord is: ‘Geen van beide’ (Jozua 5:13–14). Israël kan er dus niet vanzelfsprekend van uitgaan dat God aan hun kant staat omdat zij Zijn volk zijn.
Ook het verhaal van Rachab laat zien dat het niet alleen gaat om de vraag tot welk volk iemand behoort. Rachab woont in Jericho, een van de steden die Israël inneemt. Zij erkent de HEER als God en wordt samen met haar familie gespaard. Daarna blijft zij bij Israël wonen (Jozua 2; 6:22–25).
Israël wordt zelf gewaarschuwd dat het het land zal verliezen wanneer het zich van God afkeert en dezelfde weg van afgoderij en onrecht gaat. Later gebeurt dat ook. De profeten spreken Israël aan op afgoderij, geweld, onderdrukking en onrecht. Uiteindelijk komt het volk zelf onder oordeel, verliest het land en gaat in ballingschap.
Israël wordt dus niet neergezet als het goede volk tegenover slechte volken. Het volk dat God uit de onderdrukking van Egypte heeft bevrijd, kan later zelf anderen gaan onderdrukken. Wanneer dat gebeurt, laat God ook het kwaad van Zijn eigen volk niet zomaar voorbijgaan.
Ook de manier waarop Jozua over de strijd spreekt vraagt aandacht. Op sommige plaatsen lijkt het alsof de overwinning volledig is. In Jozua 10 lezen we bijvoorbeeld dat Jozua het hele land verslaat en dat niemand ontkomt (Jozua 10:40). Later vertelt hetzelfde boek dat er nog grote gebieden zijn die Israël niet heeft ingenomen en dat verschillende Kanaänitische volken tussen Israël blijven wonen (Jozua 13:1; 15:63; 16:10; 17:12–13).
Dat laat zien dat uitspraken als ‘niemand ontkwam’ en ‘volledig vernietigd’ zorgvuldig gelezen moeten worden. Binnen hetzelfde boek worden zulke woorden gebruikt, terwijl er later nog mensen uit deze volken in het land wonen.
De intocht in Kanaän maakt uiteindelijk ook geen einde aan het kwaad. Israël krijgt het land, maar gaat later zelf steeds meer dezelfde weg van afgoderij, geweld en onderdrukking. Het volk dat ooit uit de macht van farao werd bevrijd, gaat zelf dingen doen waarvoor God de volken rondom hen had geoordeeld.
Daarmee blijft de vraag hoe God Zijn wereld uiteindelijk van het kwaad zal bevrijden. Wanneer we verder lezen, brengt die vraag ons uiteindelijk bij Jezus.
Jezus en de God van Israël
Wanneer Jezus verschijnt, spreekt Hij over de God van Abraham, Isaak en Jakob en noemt Hij Hem Zijn Vader. In Zijn onderwijs grijpt Hij voortdurend terug op de Schriften van Israël. De woorden, beelden en beloften waarmee Jezus over Zijn eigen werk en Gods Koninkrijk spreekt, komen voort uit deze eerdere geschiedenis.
Aan het begin van Zijn openbare optreden leest Hij in de synagoge van Nazaret uit Jesaja:
‘De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft Hij Mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’
(Lucas 4:18–19)
Ook in Jezus’ woorden en daden zien we lijnen terug die eerder in de Bijbel beginnen. De God Die in Exodus het hulpgeroep van Zijn volk hoort en hen uit slavernij bevrijdt, is dezelfde God over Wiens Koninkrijk Jezus spreekt.
Wanneer Jezus over liefde spreekt, grijpt Hij terug op de Schriften van Israël. Op de vraag wat het belangrijkste gebod is, brengt Hij Deuteronomium 6:4–5 en Leviticus 19:18 bij elkaar. God liefhebben met heel je hart, ziel en verstand en je naaste liefhebben als jezelf horen voor Jezus bij elkaar (Matteüs 22:34–40).
In Zijn leven zien we wat dat betekent. Jezus zoekt mensen op die door anderen worden buitengesloten, vergeeft zonden, geneest zieken en eet met mensen op wie anderen neerkijken. Hij leert Zijn leerlingen ook hun vijanden lief te hebben, te vergeven en vrede te zoeken.
Tegelijkertijd spreekt Jezus ook over oordeel. Hij roept mensen op zich om te keren en waarschuwt voor de gevolgen van de weg die zij gaan. Hij spreekt mensen aan op onrecht, huichelarij en misbruik van macht, zoals de profeten vóór Hem Israël steeds weer terugriepen naar God.
We kunnen Gods genade niet alleen bij Jezus en het Nieuwe Testament plaatsen en Gods oordeel alleen bij het Oude Testament. In de Schriften van Israël leren we God al kennen als liefdevol, genadig, geduldig en trouw. En ook Jezus spreekt over kwaad, de gevolgen daarvan en Gods oordeel.
De lijn loopt naar Jezus
Wanneer Jezus Zijn leerlingen de wereld in stuurt, geeft Hij hun geen opdracht om Gods Koninkrijk met geweld uit te breiden. Hij leert hen hun vijanden lief te hebben, te bidden voor wie hen vervolgen en vrede te zoeken.
Dat krijgt extra betekenis wanneer we bedenken dat Israël in die tijd onder Romeinse overheersing leeft. Ook wanneer Jezus wordt gearresteerd en Petrus naar zijn zwaard grijpt, zegt Jezus dat hij het weer moet opbergen (Matteüs 26:52).
Jezus gaat Zelf de weg naar het kruis. Het kwaad en geweld dat we vanaf Genesis steeds opnieuw tegenkomen, keert zich uiteindelijk tegen Hem. Hij wordt verraden, onrechtvaardig veroordeeld, bespot, mishandeld en gedood.
Toch eindigt het daar niet. Door Zijn dood en opstanding brengt Jezus verzoening en overwint Hij de macht van zonde en dood.
Paulus schrijft dat de strijd niet tegen andere mensen gericht is:
‘Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.’
(Efeziërs 6:12)
Meer over hoe Paulus deze strijd beschrijft en wat hij bedoelt met de wapenrusting van God lees je in De wapenrusting van God.
Jezus roept mensen uit alle volken tot Zijn Koninkrijk. De mensen die Zijn leerlingen als vijanden kunnen ervaren, zijn de mensen die zij geroepen zijn lief te hebben. In het leven van Jezus en Zijn leerlingen wordt zichtbaar hoe zij weerstand bieden aan het kwaad.
Gods Koninkrijk wordt bekendgemaakt door getuigenis, dienstbaarheid, liefde en trouw aan Jezus, terwijl de uiteindelijke overwinning op het kwaad bij God ligt.
Meer over Gods Koninkrijk en Jezus’ onderwijs over vijanden liefhebben en het leven onder Gods koningschap lees je in Gods Koninkrijk en De Bergrede.
Jezus laat zien wie God is
Aan het begin van het Johannesevangelie schrijft Johannes dat het Woord mens is geworden en onder de mensen heeft gewoond. Hij beschrijft Jezus als vol van genade en waarheid (Johannes 1:14). Deze woorden herinneren aan Exodus 34, waar God Zich aan Mozes bekendmaakt als liefdevol, trouw en waarachtig.
Ook het woord ‘gewoond’ herinnert aan Exodus. Daar komt God in de tabernakel midden onder Zijn volk wonen. Johannes gebruikt dit beeld wanneer hij over Jezus schrijft. In Jezus komt God Zelf onder de mensen wonen.
Even later schrijft Johannes dat niemand ooit God heeft gezien en dat de Zoon Hem heeft doen kennen (Johannes 1:18). Later zegt Jezus tegen Filippus:
‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’
(Johannes 14:9)
Johannes beschrijft Jezus met woorden en beelden die teruggrijpen op de manier waarop God Zich eeuwen eerder aan Israël bekendmaakte. De liefde, genade en trouw die in Jezus zichtbaar worden, vormen geen nieuw beeld van God dat tegenover het Oude Testament staat.
De Vader die Jezus laat kennen, is de God Die Zich aan Mozes bekendmaakte als liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarachtig. Dezelfde God Die het hulpgeroep van mensen in Egypte hoorde, Die Israël ondanks hun ontrouw bleef opzoeken en Die Zich over Nineve ontfermde.
De Bijbel loopt naar herstel
De grote lijn die in Genesis begint, loopt uiteindelijk naar een vernieuwde schepping. In Openbaring ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. God woont bij de mensen. De dood zal er niet meer zijn en ook rouw, jammerklacht en pijn verdwijnen (Openbaring 21:1–5).
Hier komt iets terug wat we eerder in de Bijbel al zagen. In Exodus bevrijdt God Israël uit Egypte en komt Hij in de tabernakel midden onder Zijn volk wonen. In Jezus komt God onder de mensen wonen. Aan het einde van de Bijbel ziet Johannes een vernieuwde wereld waarin God voor altijd bij de mensen woont.
Openbaring spreekt ook over Gods oordeel over machten die mensen onderdrukken en misleiden en de aarde verwoesten. Het kwaad blijft niet voor altijd bestaan. De God Die Zich in Exodus bekendmaakt als liefdevol, genadig en geduldig, werkt toe naar een wereld waarin het kwaad geen plaats meer heeft.
De Bijbel eindigt zo met God Die bij de mensen woont, in een vernieuwde schepping waarin dood, verdriet en kwaad niet langer aanwezig zijn.
Meer over de lijn van schepping naar Gods vernieuwde wereld lees je in De rode draad van de Bijbel.
Dezelfde God door de hele Bijbel
Sommige teksten over oordeel en geweld blijven moeilijk en vragen om zorgvuldig gelezen te worden binnen hun historische, culturele en literaire context. Toch ontstaat er wanneer we de Bijbel als geheel lezen geen beeld van een strenge God in het Oude Testament die bij Jezus plaatsmaakt voor een liefdevolle God.
Al in Exodus maakt God Zich bekend als liefdevol en genadig, geduldig, trouw en bereid om te vergeven. Jona kent Hem als de God Die Zich zelfs over Israëls vijanden ontfermt wanneer zij zich van hun kwaad omkeren. Door de profeten heen zien we Gods geduld met Israël, terwijl Hij tegelijkertijd geweld, onderdrukking, afgoderij en onrecht niet zomaar voorbij laat gaan.
Wanneer Jezus verschijnt, leren we geen andere God kennen. Jezus noemt de God van Israël Zijn Vader en laat in Zijn woorden en daden zien wie Hij is. Hij ontfermt Zich over mensen, vergeeft, geneest en bevrijdt. Tegelijkertijd spreekt Hij het kwaad aan, roept mensen op zich om te keren en waarschuwt Hij voor oordeel.
Aan het kruis keert het geweld van de menselijke wereld zich tegen Jezus Zelf. Hij wordt verraden, onrechtvaardig veroordeeld, mishandeld en gedood. Door Zijn dood en opstanding overwint Hij de macht van zonde en dood en begint het nieuwe leven waar de Bijbel naartoe heeft uitgezien.
Ook de manier waarop Zijn leerlingen met vijanden omgaan krijgt vanuit Jezus vorm. Zij worden niet uitgezonden om andere volken met het zwaard te onderwerpen. Jezus leert hen hun vijanden lief te hebben en voor hen te bidden. Paulus schrijft later dat hun strijd niet tegen andere mensen gericht is.
Aan het einde van de Bijbel ziet Johannes een vernieuwde schepping waarin het kwaad geen plaats meer heeft. God woont bij de mensen en dood, rouw en pijn zijn verdwenen.
De God Die Jezus laat zien is dus geen andere God dan de God Die we in de Schriften van Israël leren kennen. In Jezus zien we waar Gods werk vanaf het begin naartoe gaat. Door Hem bevrijdt God Zijn goede schepping uit de macht van zonde en dood en werkt Hij toe naar een vernieuwde wereld waarin Hij bij de mensen woont en Zijn wereld vol is van leven.
Maak jouw eigen website met JouwWeb