Het avondmaal
De woorden van Paulus over het avondmaal in 1 Korintiërs 11 kunnen behoorlijk ernstig klinken. Hij schrijft dat wie op onwaardige wijze van het brood eet of uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig maakt tegenover het lichaam en het bloed van de Heer. Vervolgens zegt hij dat ieder zichzelf moet toetsen en dat wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderscheiden, zichzelf een oordeel eet en drinkt (1 Korintiërs 11:27–29).
Deze woorden worden vaak heel persoonlijk gelezen. Voordat iemand deelneemt aan het avondmaal, zou hij eerst zijn eigen leven moeten onderzoeken. Heb ik gezondigd? Heb ik alles beleden? Leef ik wel zoals God van mij vraagt? Ben ik eigenlijk wel waardig om aan het avondmaal deel te nemen?
Maar wanneer we alleen bij deze verzen beginnen, missen we de aanleiding voor Paulus' woorden. Hij schrijft niet zomaar een algemene instructie over wie wel of niet aan het avondmaal mag deelnemen. Hij reageert op iets wat er tijdens de gezamenlijke maaltijden van de gemeente in Korinthe gebeurt.
Wanneer we dat gedeelte in zijn geheel lezen, wordt duidelijk waarom Paulus zulke scherpe woorden gebruikt en wat het avondmaal volgens hem zichtbaar hoort te maken.
Wat gebeurde er in Korinthe?
De gemeente in Korinthe bestond uit mensen met verschillende achtergronden en maatschappelijke posities. Er waren mensen met bezit en aanzien, maar ook mensen die weinig hadden. Verderop in dezelfde brief spreekt Paulus over Joden en Grieken, slaven en vrije mensen die door één Geest tot één lichaam zijn gevormd (1 Korintiërs 12:13).
In de Grieks-Romeinse samenleving waren verschillen in status heel normaal. Je maatschappelijke positie bepaalde voor een groot deel hoe je behandeld werd, met wie je omging en welke plaats je aan tafel kreeg.
In de gemeente kwamen mensen rondom Jezus samen die buiten de gemeente door hun verschillende maatschappelijke positie niet snel samen aan dezelfde tafel zouden zitten.
Paulus schrijft:
‘Want bij het eten neemt ieder alvast zijn eigen maaltijd, zodat de een honger heeft en de ander dronken is.’
(1 Korintiërs 11:21)
Daarna vraagt hij:
‘Of veracht u de gemeente van God en vernedert u degenen die niets hebben?’
(1 Korintiërs 11:22)
Sommige gemeenteleden hadden meer dan genoeg te eten en te drinken, terwijl anderen tekortkwamen. De verschillen die buiten de gemeente bestonden, werden zo ook zichtbaar tijdens de maaltijd waarmee ze hun eenheid in Jezus vierden.
Paulus vindt dit zo ernstig dat hij aan het begin van dit gedeelte zegt dat hun samenkomsten meer kwaad dan goed doen (1 Korintiërs 11:17).
Het avondmaal was onderdeel van een gezamenlijke maaltijd
Wanneer wij aan het avondmaal denken, denken we vaak aan een stukje brood en een kleine beker tijdens een kerkdienst. Bij de eerste christelijke gemeenten was het avondmaal verbonden met een gezamenlijke maaltijd.
Christenen kwamen samen in huizen om te eten, te bidden, onderwijs te ontvangen en het brood te breken. In de Grieks-Romeinse wereld konden ook aan tafel de verschillen in rijkdom en maatschappelijke positie zichtbaar worden.
Uit Paulus' woorden blijkt dat dit ook in Korinthe gebeurde. Terwijl sommige gemeenteleden genoeg te eten en te drinken hadden, bleven anderen met weinig of zelfs met honger achter. Tijdens de maaltijd die hun eenheid in Jezus zichtbaar hoorde te maken, werden de verschillen tussen rijk en arm opnieuw zichtbaar.
Daarom zegt Paulus:
‘Zoals u nu samenkomt, kan er eigenlijk geen sprake zijn van de maaltijd van de Heer.’
(1 Korintiërs 11:20)
Ze kwamen bij elkaar om de maaltijd van de Heer te vieren, maar volgens Paulus was de manier waarop ze dat deden zo in strijd met de betekenis ervan dat hun maaltijd nauwelijks nog de maaltijd van de Heer genoemd kon worden.
Om te begrijpen waarom Paulus hier zo scherp op reageert, brengt hij de Korintiërs terug naar Jezus.
‘Doe dit om Mij te gedenken’
Paulus herinnert de Korintiërs aan de nacht waarin Jezus werd overgeleverd. Jezus nam het brood, dankte God, brak het en zei:
‘Dit is Mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.’
Daarna nam Hij de beker en sprak over het nieuwe verbond in Zijn bloed (1 Korintiërs 11:23–25).
Jezus gaf deze maaltijd aan Zijn leerlingen vlak voordat Hij Zijn leven zou geven. Het gebroken brood en de beker herinneren hen aan Jezus Die Zichzelf geeft.
Paulus vervolgt:
‘Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.’
(1 Korintiërs 11:26)
Wanneer Zijn leerlingen samen het brood breken en uit de beker drinken, kijken ze terug naar Jezus' dood en tegelijkertijd vooruit naar Zijn komst. Ze herinneren zich wat Hij heeft gedaan en leven in verwachting van wat God nog zal doen.
Maar waarom gebruikt Jezus een maaltijd om betekenis te geven aan Zijn naderende dood? Daarvoor moeten we verder terug in de Bijbel.
Pesach en de bevrijding uit Egypte
De laatste maaltijd van Jezus met Zijn leerlingen staat tegen de achtergrond van Pesach. Tijdens Pesach werd Israël ieder jaar opnieuw herinnerd aan de bevrijding uit Egypte.
Het volk leefde als slaven onder de macht van farao. God zag hun ellende, hoorde hun geroep en kwam om hen uit Egypte te bevrijden (Exodus 2:23–25; 3:7–8).
Op de avond voordat Israël Egypte verliet, moesten de Israëlieten een lam slachten en het bloed aan de deurposten strijken. Daarna aten ze samen de maaltijd die hen voortaan ieder jaar zou herinneren aan wat God voor hen had gedaan (Exodus 12).
God bevrijdde Israël uit de macht van farao en bracht hen uit Egypte om hen tot Zijn volk te maken.
Bij de Sinaï sloot Hij een verbond met hen. Het volk dat als slaven in Egypte had geleefd, werd geroepen om als Zijn volk te leven en onder de volken zichtbaar te maken Wie hun God was (Exodus 19:4–6).
In het Exodusverhaal zien we daarom meer dan een volk dat uit Egypte wordt bevrijd. God bevrijdt hen uit slavernij, brengt hen in verbondenheid met Hem en leert hen hoe ze als Zijn volk mogen leven.
Toch wordt in de rest van het Oude Testament duidelijk dat de bevrijding uit Egypte het diepere probleem van de mens niet had opgelost. Israël was uit Egypte gekomen, maar zonde, ontrouw en dood bleven hun werk doen. Uiteindelijk kwam het volk opnieuw onder de macht van andere koninkrijken terecht en volgde de ballingschap.
De profeten begonnen vooruit te kijken naar een nieuwe daad van God.
De verwachting van een nieuwe Exodus
Vooral bij Jesaja wordt de toekomstige redding van Israël beschreven met beelden die herinneren aan de eerste Exodus. Zoals God Zijn volk uit Egypte had geleid, zou Hij opnieuw een weg maken, Zijn volk bevrijden en hen terugbrengen (Jesaja 40:3–5; 43:16–19; 52:7–12).
Jeremia kijkt vooruit en spreekt over een nieuw verbond:
‘De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit.’
(Jeremia 31:31)
God belooft dat Hij Zijn wet in hun binnenste zal leggen en die in hun hart zal schrijven. Hij zal hun God zijn en zij zullen Zijn volk zijn. Daarbij hoort de belofte van vergeving: Hij zal hun schuld vergeven en niet meer aan hun zonden denken (Jeremia 31:31–34).
Wanneer Jezus eeuwen later tijdens Pesach de beker neemt en zegt: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door Mijn bloed gesloten wordt’, komen deze lijnen bij elkaar.
De maaltijd die Israël herinnerde aan Gods bevrijding uit Egypte, wordt door Jezus verbonden met wat Hij zelf gaat doen.
Jezus en de nieuwe Exodus
De eerste Exodus bevrijdde Israël uit de macht van farao en Egypte. Maar vanaf Genesis zien we dat er een dieper probleem is. Zonde en dood zijn Gods goede wereld binnengekomen en de mens kan zichzelf niet uit hun macht bevrijden.
Paulus heeft eerder in dezelfde brief al geschreven:
‘Ons pesachlam, Christus, is geslacht.’
(1 Korintiërs 5:7)
Paulus verbindt Jezus hier zelf met Pesach en de Exodus.
Door Zijn dood en opstanding overwint Jezus de machten van zonde en dood die de mensheid gevangenhouden. De bevrijding die Jezus brengt gaat daarmee verder dan de bevrijding van Israël uit Egypte. In Jezus begint Gods bevrijding en vernieuwing van Zijn hele schepping.
Daarom horen kruis en opstanding bij elkaar. Jezus geeft Zijn leven, maar de dood krijgt niet het laatste woord. God wekt Hem op uit de dood en in Zijn opstanding begint het nieuwe leven dat God uiteindelijk voor Zijn hele schepping heeft bedoeld.
Wanneer Jezus Zijn leerlingen brood en beker geeft, plaatst Hij Zijn naderende dood midden in dit verhaal van bevrijding.
Het nieuwe verbond vormt een nieuw volk
Wanneer Jezus spreekt over het nieuwe verbond gaat het niet alleen over individuele vergeving, hoe belangrijk die ook is.
Bij Jeremia belooft God dat Hij de schuld van Zijn volk zal vergeven, Zijn wet in hun hart zal schrijven en opnieuw hun God zal zijn. Zij zullen Zijn volk zijn (Jeremia 31:31–34).
Dat zien we terug in de gemeente rondom Jezus. Mensen die in de samenleving van elkaar gescheiden waren, worden door Hem bij elkaar gebracht. Joden en Grieken, slaven en vrije mensen ontvangen dezelfde Geest en worden tot één lichaam gevormd (1 Korintiërs 12:13).
Vlak vóór zijn onderwijs over het avondmaal schrijft Paulus:
‘Is de beker waarvoor wij God loven en danken niet een deelhebben aan het bloed van Christus? Is het brood dat wij breken niet een deelhebben aan het lichaam van Christus?’
(1 Korintiërs 10:16)
Het avondmaal is daarmee meer dan terugdenken aan wat Jezus heeft gedaan. Door samen het brood te breken en uit de beker te drinken, delen Zijn volgelingen in wat Hij heeft gedaan en in het nieuwe leven dat Hij geeft.
Daarna schrijft Paulus:
‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.’
(1 Korintiërs 10:17)
Wanneer Zijn leerlingen samen van dat ene brood eten, wordt zichtbaar dat ze niet alleen delen in Jezus, maar door Hem ook met elkaar verbonden zijn als één lichaam.
En dat brengt ons terug bij wat er in Korinthe gebeurt.
Hun maaltijd vertelde een ander verhaal
De Korintiërs vieren een maaltijd die terugwijst naar Gods bevrijding uit Egypte, naar Jezus Die Zichzelf geeft en naar het nieuwe verbond waardoor God mensen opnieuw als Zijn volk bij elkaar brengt.
Maar terwijl ze die maaltijd vieren, heeft de een overvloed en blijft de ander hongerig achter.
Met het brood en de beker verkondigen ze de zelfgevende liefde van Jezus, terwijl hun manier van eten laat zien dat sommigen vooral voor zichzelf zorgen. Ze vieren dat God hen tot één lichaam heeft samengebracht, terwijl maatschappelijke verschillen nog steeds bepalen hoe mensen binnen die gemeenschap worden behandeld.
Hun manier van samenleven past niet bij het verhaal dat ze met het brood en de beker verkondigen.
Wat betekent ‘op onwaardige wijze’?
Tegen deze achtergrond schrijft Paulus:
‘Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of uit de beker van de Heer drinkt, maakt zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer.’
(1 Korintiërs 11:27)
Het is belangrijk om goed te lezen wat Paulus hier zegt. Hij zegt niet dat iemand eerst moet vaststellen of hij waardig genoeg is om aan het avondmaal deel te nemen.
Paulus spreekt over op onwaardige wijze eten en drinken. Het gaat om de manier waarop de maaltijd wordt gevierd.
De Korintiërs eten het brood en drinken uit de beker waarmee ze Jezus' zelfgevende liefde verkondigen, terwijl mensen binnen dezelfde gemeenschap worden vernederd en tekortkomen. Hun gedrag staat daarmee haaks op de betekenis van de maaltijd waaraan ze deelnemen.
Ons persoonlijke leven doet er natuurlijk wel toe. Door heel zijn brieven heen roept Paulus volgelingen van Jezus op om hun leven door Hem te laten veranderen. In dit gedeelte gaat het alleen niet over de vraag of iemand zichzelf waardig genoeg heeft gemaakt om aan het avondmaal deel te nemen.
Dat zou voorbijgaan aan wat brood en beker vertellen. We komen niet aan de tafel omdat we zonder zonde zijn of omdat we ons leven voldoende op orde hebben, maar omdat we afhankelijk zijn van wat Jezus voor ons heeft gedaan.
Het avondmaal brengt ons terug bij Zijn genade.
Paulus waarschuwt hier daarom niet in de eerste plaats mensen die zich te zondig voelen om bij Jezus te komen. Hij spreekt een gemeente aan die de genade van Jezus viert, maar diezelfde genade niet zichtbaar laat worden in de manier waarop mensen binnen de gemeenschap met elkaar omgaan.
‘Laat ieder zichzelf toetsen’
Paulus vervolgt:
‘Laat ieder zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt.’
(1 Korintiërs 11:28)
Wanneer we deze woorden losmaken van wat eraan voorafgaat, kan zelfonderzoek vooral een zoektocht worden naar alles wat we verkeerd hebben gedaan voordat we aan het avondmaal mogen deelnemen.
Maar dat is niet de situatie waarop Paulus hier reageert.
Hij vraagt de Korintiërs om te kijken naar de manier waarop ze aan deze maaltijd deelnemen. Hoe gaan ze met elkaar om? Wat gebeurt er met de mensen die weinig hebben? Past hun manier van samen eten bij het verhaal dat ze met brood en beker verkondigen?
Zelfonderzoek betekent hier niet dat we moeten proberen vast te stellen of we Gods genade wel waard zijn. Paulus vraagt de Korintiërs om hun manier van leven en hun omgang met elkaar in het licht te brengen van Jezus en Zijn zelfgevende liefde.
Wat betekent ‘het lichaam onderscheiden’?
Daarna schrijft Paulus:
‘Want wie eet en drinkt zonder te beseffen dat het om het lichaam van de Heer gaat, roept zijn veroordeling af over zichzelf.’
(1 Korintiërs 11:29)
Ook deze woorden moeten we lezen tegen de achtergrond van wat er in Korinthe gebeurt. De gemeente viert het avondmaal, maar ondertussen worden mensen binnen diezelfde gemeenschap vernederd en buitengesloten.
Vlak daarvoor schrijft Paulus:
‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.’
(1 Korintiërs 10:17)
En direct na zijn onderwijs over het avondmaal schrijft hij:
‘Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.’
(1 Korintiërs 12:27)
Het lichaam van Jezus dat in de maaltijd centraal staat en de gemeenschap die Hij rondom Zichzelf vormt, kunnen daarom niet van elkaar worden losgemaakt. De mensen die samen van het ene brood eten, zijn door Jezus samengebracht tot één lichaam.
Daar gaat het in Korinthe mis. Ze delen in het brood dat spreekt over het lichaam van Christus, terwijl ze tegelijkertijd mensen binnen datzelfde lichaam vernederen en tekortdoen.
Ze kunnen niet met het brood verkondigen dat Jezus Zichzelf voor hen heeft gegeven en ondertussen de mensen negeren die Hij rondom Zichzelf heeft samengebracht.
Waarom spreekt Paulus over ziekte, dood en oordeel?
Dan volgen enkele van de moeilijkste woorden uit dit gedeelte:
‘Daarom zijn er onder u veel zwakke en zieke mensen en zijn er al velen onder u gestorven.’
(1 Korintiërs 11:30)
Paulus verbindt de zwakte, ziekte en sterfgevallen binnen de gemeente met de manier waarop de Korintiërs samenkomen. Dat is een ernstige uitspraak. Paulus legt niet precies uit hoe we die verbinding moeten begrijpen.
Vervolgens spreekt hij over Gods oordeel:
‘Als we onszelf zouden toetsen, zouden we niet worden veroordeeld. Maar nu worden we door de Heer geoordeeld en terechtgewezen, opdat we niet samen met de wereld worden veroordeeld.’
(1 Korintiërs 11:31–32)
Paulus zegt dat ze door de Heer worden geoordeeld en terechtgewezen, zodat ze niet samen met de wereld worden veroordeeld. God laat de manier waarop ze met elkaar omgaan dus niet zomaar voortbestaan, maar corrigeert Zijn mensen.
Voor Paulus is wat er aan deze tafel gebeurt dus geen kleine zaak. De Korintiërs verkondigen met brood en beker de zelfgevende liefde van Jezus en vieren dat ze door Hem tot één lichaam zijn gevormd. Wanneer binnen diezelfde gemeenschap mensen worden vernederd, buitengesloten of met honger achterblijven, staat hun manier van samenleven haaks op wat ze tijdens het avondmaal verkondigen.
‘Wacht op elkaar’
Na alle woorden over oordeel, jezelf toetsen en het lichaam onderscheiden, eindigt Paulus heel praktisch:
‘Daarom, mijn broeders en zusters, als u samenkomt om te eten, wacht dan op elkaar.’
(1 Korintiërs 11:33)
Paulus roept de Korintiërs niet op om te stoppen met eten totdat ze zichzelf waardig genoeg vinden. Hij roept hen op om hun manier van samen eten te veranderen.
Ze moeten op elkaar wachten. Niemand hoort met honger achter te blijven terwijl een ander overvloed heeft. Niemand hoort tijdens deze maaltijd vernederd of vergeten te worden.
Wanneer ze samen het brood breken, vieren ze dat Jezus hen bij elkaar heeft gebracht en dat ze door Hem één lichaam zijn. Dat hoort ook zichtbaar te worden in de manier waarop ze met elkaar omgaan.
De tafel van Jezus
Het avondmaal is daarom geen beloning voor mensen die hun leven voldoende op orde hebben gekregen. Brood en beker brengen ons terug naar wat God heeft gedaan en naar het grotere verhaal waarvan wij deel mogen worden.
Ze herinneren aan de God Die Israël uit slavernij bevrijdde en een verbond met hen sloot. Ze wijzen naar Jezus Die door Zijn dood en opstanding de macht van zonde en dood overwint en het nieuwe verbond tot stand brengt. Ze maken zichtbaar dat Hij mensen met verschillende achtergronden rondom Zichzelf samenbrengt tot één lichaam.
Het avondmaal kijkt ook vooruit.
Paulus zegt dat we de dood van de Heer verkondigen ‘totdat Hij komt’ (1 Korintiërs 11:26). De bevrijding die in Jezus is begonnen, wacht nog op haar volledige voltooiing. De Bijbel eindigt met het beeld van God Die bij de mensen woont, de dood voorgoed wegdoet en heel Zijn schepping vernieuwt (Openbaring 21:1–5).
Brood en beker kijken daarom zowel terug als vooruit. We herinneren ons wat Jezus heeft gedaan en leven tegelijkertijd in de hoop op wat God nog zal doen.
We komen niet aan Zijn tafel omdat we Zijn genade hebben verdiend of omdat we ons leven eerst op orde hebben gekregen. We komen omdat we van Zijn genade leven. Jezus ontmoet ons midden in onze gebrokenheid met vergeving, hoop en nieuw leven.
Aan deze tafel komt niemand met meer recht dan een ander. Rijk of arm, slaaf of vrije, Jood of Griek: iedereen leeft van dezelfde genade en deelt in hetzelfde brood.
Die genade laat ons niet zoals we zijn, maar vernieuwt ons en leert ons steeds meer te leven zoals Jezus.
Daarom kunnen we het avondmaal ook niet losmaken van de gemeenschap die Hij vormt.
Paulus schrijft:
‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.’
(1 Korintiërs 10:17)
Aan deze tafel zitten geen mensen die waardig genoeg zijn geworden om bij Jezus te mogen horen. We worden door brood en beker herinnerd aan Jezus Die Zichzelf geeft om mensen te bevrijden uit de macht van zonde en dood, hen met God te verzoenen en hen samen te brengen tot een vernieuwde gemeenschap.
Iedere keer wanneer we het brood breken en uit de beker drinken, verkondigen we dat verhaal opnieuw, terwijl we uitzien naar de dag waarop God Zijn vernieuwingswerk volledig zal voltooien.
Totdat Hij komt.
Maak jouw eigen website met JouwWeb