Jehova's getuigen?
Eens in de paar maanden wordt er hier aangebeld en staan er Jehovah’s Getuigen voor de deur. Ze vertellen over een wereld die steeds verder in verval raakt en over de hoop die de Bijbel volgens hen biedt. Ze hebben een Bijbel paraat, spreken over Jezus en Gods Koninkrijk en vertellen over de hoop op een nieuwe wereld.
Veel van wat zij zeggen en de Bijbelteksten die zij gebruiken, klinkt vertrouwd. En toch zijn er belangrijke verschillen in hoe zij deze teksten lezen en begrijpen. Die verschillen worden vooral zichtbaar in hun Nieuwewereldvertaling, wat zij geloven over Jezus, de Heilige Geest, de 144.000 en Gods Koninkrijk.
Wie zijn Jehovah’s Getuigen en hoe is deze beweging ontstaan? Wat geloven zij en waar verschilt hun uitleg van andere christelijke tradities?
Jehovah’s Getuigen en de Bijbel
Jehovah’s Getuigen gebruiken de Bijbel, spreken over Jezus als de Zoon van God en geloven in Gods Koninkrijk, de opstanding en een toekomstige wereld waarin God alles zal herstellen. Tegelijkertijd wijkt hun uitleg op een aantal belangrijke punten af van wat binnen het christendom meestal wordt geloofd.
Zo geloven zij dat Jezus het eerste wezen is dat God heeft geschapen en vóór Zijn leven op aarde de aartsengel Michaël was. De Heilige Geest zien zij als Gods werkzame kracht. Daarnaast geloven zij dat 144.000 mensen met Jezus in de hemel zullen regeren, dat Gods Koninkrijk in 1914 in de hemel begon te regeren en dat de meeste trouwe mensen uiteindelijk eeuwig op aarde zullen leven. Ook gebruiken zij een eigen Bijbelvertaling, de Nieuwewereldvertaling, waarin een aantal teksten anders is weergegeven dan in veel andere vertalingen.
Waar komen deze overtuigingen vandaan? Welke Bijbelteksten gebruiken Jehovah’s Getuigen hiervoor? En wat zien we wanneer we deze teksten binnen hun directe en bredere Bijbelse context lezen?
Wie zijn Jehovah’s Getuigen?
De geschiedenis van Jehovah’s Getuigen begint in de Verenigde Staten in de jaren 1870. Charles Taze Russell kwam in Pennsylvania met een kleine groep mensen samen om de Bijbel te bestuderen. Zij werden later bekend als Bijbelonderzoekers.
In 1879 begon Russell met het uitgeven van Zion’s Watch Tower and Herald of Christ’s Presence, waaruit later De Wachttoren ontstond. Na zijn overlijden in 1916 werd Joseph F. Rutherford een belangrijke leider binnen de beweging. In 1931 werd de naam Jehovah’s Getuigen aangenomen, ontleend aan Jesaja 43:
‘Jullie zijn Mijn getuigen.’
(Jesaja 43:10)
De naam Jehovah heeft binnen hun geloof een belangrijke plaats. Jehovah’s Getuigen gebruiken deze naam voor de ene almachtige God en maken een duidelijk onderscheid tussen Jehovah en Jezus.
Zij gebruiken daarnaast de Nieuwewereldvertaling. In deze vertaling staat de naam Jehovah ook in het Nieuwe Testament. De Nieuwewereldvertaling gebruikt de naam daar 237 keer, terwijl in de Griekse handschriften die we hebben op die plaatsen geen JHWH staat. Zij geloven dat de Godsnaam oorspronkelijk wel op bepaalde plaatsen in het Nieuwe Testament stond en later uit de tekst is verdwenen.
Dat is niet het enige verschil. Ook teksten over Jezus worden in de Nieuwewereldvertaling op sommige plaatsen anders vertaald. Daarin zien we ook terug wat Jehovah’s Getuigen over Jezus geloven.
Wie is Jezus?
Jehovah’s Getuigen geloven dat Jezus de Zoon van God is, maar niet de almachtige God. Volgens hun leer werd Hij als eerste door Jehovah geschapen en leefde Hij vóór Zijn geboorte op aarde als de aartsengel Michaël. Zij verbinden daarvoor onder andere teksten over Michaël met teksten waarin Jezus wordt beschreven als leider van de engelen.
Een van de teksten waarin hun uitleg duidelijk zichtbaar wordt, staat aan het begin van het evangelie van Johannes. De NBV21 vertaalt:
‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’
(Johannes 1:1)
De Nieuwewereldvertaling vertaalt het laatste gedeelte als:
‘het Woord was een god.’
(Johannes 1:1)
In het Grieks staat kai theos ēn ho logos. Voor theos, God, staat hier geen lidwoord. Dat betekent in het Grieks niet gelijk dat het woord daarom als ‘een god’ vertaald moet worden.
De rest van de opening van Johannes helpt om te zien hoe Johannes over het Woord spreekt. Hij begint bewust met woorden die teruggaan naar Genesis: ‘In het begin’. En vervolgens schrijft hij:
‘Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’
(Johannes 1:3)
Daarna wordt duidelijk over wie Johannes spreekt:
‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond.’
(Johannes 1:14)
Tegen het einde van het evangelie ontmoet Thomas de opgestane Jezus en zegt tegen Hem:
‘Mijn Heer en mijn God!’
(Johannes 20:28)
Ook in de Nieuwewereldvertaling staan hier de woorden ‘Mijn Heer en mijn God’.
Johannes maakt door zijn evangelie heen onderscheid tussen Jezus en Zijn Vader. Jezus bidt tot de Vader, wordt door Hem gezonden en spreekt over wat Hij van Hem heeft ontvangen. Tegelijkertijd begint Johannes met het Woord dat er in het begin al was, bij God was en God was, door wie alles is ontstaan en dat in Jezus mens wordt.
Is Jezus de aartsengel Michaël?
Jehovah’s Getuigen verbinden Jezus met Michaël. Michaël wordt in Judas 9 ‘de aartsengel’ genoemd. In 1 Tessalonicenzen 4:16 staat dat de Heer zal neerdalen ‘wanneer de aartsengel zijn stem verheft’. Ook wordt Michaël in Openbaring 12 beschreven als leider van engelen, terwijl Jezus op andere plaatsen eveneens met engelen verschijnt. Vanuit die combinatie concluderen Jehovah’s Getuigen dat Michaël en Jezus dezelfde persoon zijn.
De Bijbel zegt nergens rechtstreeks: ‘Jezus is Michaël.’ Een belangrijk gedeelte om daarnaast te lezen is Hebreeën 1. Daar wordt juist uitgebreid gesproken over de verhouding tussen de Zoon en de engelen.
De schrijver vraagt:
‘Tegen wie van de engelen heeft God ooit gezegd: “Jij bent Mijn Zoon, Ik heb je vandaag verwekt”?’
(Hebreeën 1:5)
Later vraagt hij:
‘Tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: “Neem plaats aan Mijn rechterhand, tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt”?’
(Hebreeën 1:13)
De engelen worden vervolgens ‘dienende geesten’ genoemd (Hebreeën 1:14).
Michaël wordt in dit hoofdstuk niet genoemd. De schrijver spreekt over de Zoon en de engelen en vraagt juist tegen welke engel God ooit de woorden heeft gesproken die Hij over de Zoon aanhaalt.
‘Eerstgeborene van heel de schepping’
Een andere belangrijke tekst voor de uitleg dat Jezus geschapen is, staat in Kolossenzen:
‘Beeld van God, de onzichtbare, is Hij, eerstgeborene van heel de schepping.’
(Kolossenzen 1:15)
Jehovah’s Getuigen verstaan ‘eerstgeborene van heel de schepping’ als een aanwijzing dat Jezus het eerste wezen is dat Jehovah heeft geschapen.
Binnen de Bijbel hoeft ‘eerstgeborene’ echter niet alleen te verwijzen naar degene die als eerste geboren is. In Psalm 89 zegt God over de koning uit het huis van David:
‘Ik maak hem tot Mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde.’
(Psalm 89:28)
De betekenis wordt ook duidelijker wanneer we in Kolossenzen verder lezen. Direct na ‘eerstgeborene van heel de schepping’ schrijft Paulus:
‘in Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door Hem en voor Hem geschapen.’
(Kolossenzen 1:16)
De Nieuwewereldvertaling heeft hier:
‘via hem zijn alle andere dingen in de hemel en op aarde geschapen.’
(Kolossenzen 1:16)
Ook in vers 17 staat in de Nieuwewereldvertaling:
‘Hij bestond vóór alle andere dingen.’
(Kolossenzen 1:17)
Het woord ‘andere’ staat niet als afzonderlijk woord in de Griekse tekst. Paulus gebruikt ta panta, ‘alle dingen’ of ‘alles’.
Dat verschil is belangrijk. Met ‘alle andere dingen’ past Jezus binnen de groep geschapen dingen: Hij zou eerst geschapen zijn en daarna zouden alle andere dingen door Hem zijn ontstaan. Zonder dat toegevoegde woord schrijft Paulus dat alles in, door en voor Hem is geschapen.
Een paar verzen later noemt Paulus Jezus ‘de eerstgeborene van de doden, zodat Hij in alles de eerste is’ (Kolossenzen 1:18). Binnen het hele gedeelte gaat ‘eerstgeborene’ daarmee samen met Jezus' plaats, gezag en voorrang.
Waarom staat ‘Jehovah’ in het Nieuwe Testament?
De naam van de God van Israël wordt in de Hebreeuwse Bijbel geschreven met de vier letters JHWH. In het Nieuwe Testament gebruiken de Griekse handschriften die we hebben op de betreffende plaatsen woorden als Kyrios, Heer, en Theos, God.
De Nieuwewereldvertaling gebruikt toch 237 keer ‘Jehovah’ in het Nieuwe Testament. Jehovah’s Getuigen geloven dat de Godsnaam oorspronkelijk op deze plaatsen voorkwam en later uit de Griekse tekst is verdwenen.
Een plaats waar dat verschil belangrijk wordt, is Romeinen 10. Paulus schrijft eerst:
‘Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered.’
(Romeinen 10:9)
Enkele verzen later citeert hij Joël:
‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’
(Romeinen 10:13)
In Joël staat op deze plaats JHWH. In de Griekse tekst van Romeinen staat Kyrios, Heer.
De Nieuwewereldvertaling geeft Romeinen 10:13 weer als:
‘Iedereen die de naam van Jehovah aanroept, zal worden gered.’
(Romeinen 10:13)
Daardoor ontstaat in de Nederlandse vertaling een duidelijk onderscheid tussen ‘Jezus de Heer’ in vers 9 en ‘Jehovah’ in vers 13. In het Grieks staat op beide plaatsen Kyrios.
Hetzelfde patroon zien we op andere plaatsen in het Nieuwe Testament. De schrijvers blijven onderscheid maken tussen Jezus en de Vader en gebruiken tegelijkertijd teksten uit de Hebreeuwse Bijbel over JHWH wanneer zij over Jezus schrijven.
Wie is de Heilige Geest?
Jehovah’s Getuigen geloven niet dat de Heilige Geest een Persoon is. Zij omschrijven de Geest als Gods ‘werkzame kracht’: de kracht waarmee God Zijn wil uitvoert.
De Bijbel verbindt Gods Geest inderdaad met Gods kracht en handelen. Het Hebreeuwse ruach en het Griekse pneuma kunnen afhankelijk van de context geest, wind of adem betekenen.
Tegelijkertijd wordt in het Nieuwe Testament op een manier over de Geest gesproken die verder gaat dan alleen kracht.
Jezus zegt:
‘De pleitbezorger, de heilige Geest die de Vader jullie namens Mij zal zenden, zal jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb.’
(Johannes 14:26)
In Handelingen zegt de Heilige Geest:
‘Stel mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die Ik hun heb toebedeeld.’
(Handelingen 13:2)
Petrus vraagt aan Ananias:
‘Hoe heeft Satan je hart kunnen vervullen, dat je tegen de heilige Geest hebt gelogen?’
(Handelingen 5:3)
Even later zegt hij:
‘Je hebt niet gelogen tegen mensen, maar tegen God.’
(Handelingen 5:4)
En Paulus schrijft:
‘Maak Gods heilige Geest niet bedroefd.’
(Efeziërs 4:30)
De Geest wordt dus met Gods kracht en handelen verbonden en tegelijk beschreven als Degene die spreekt, onderwijst, zendt en bedroefd kan worden.
De 144.000
Jehovah’s Getuigen geloven dat niet alle mensen die gered worden dezelfde bestemming hebben. Volgens hun leer zullen precies 144.000 mensen met Jezus in de hemel regeren. De overige trouwe mensen hebben de verwachting eeuwig op een herstelde aarde te leven. Zij verbinden de 144.000 onder andere met de ‘kleine kudde’ uit Lucas 12:32.
Het getal 144.000 komt uit Openbaring. Johannes schrijft:
‘Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend uit alle stammen van Israël.’
(Openbaring 7:4)
Daarna volgen twaalf groepen van twaalfduizend. Meteen daarna schrijft Johannes:
‘Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.’
(Openbaring 7:9)
Jehovah’s Getuigen lezen de 144.000 en de grote menigte als twee verschillende groepen met verschillende bestemmingen.
Openbaring is echter een boek vol symbolische beelden en getallen. Ook de 144.000 worden beschreven met sterk symbolische taal. Het getal bestaat uit twaalf maal twaalf maal duizend en wordt verbonden met twaalf stammen van Israël. De stammenlijst wijkt bovendien af van de gebruikelijke lijsten: Juda staat vooraan, Dan ontbreekt en zowel Jozef als Manasse wordt genoemd.
In Openbaring 14 verschijnen de 144.000 opnieuw. Zij staan met het Lam op de berg Sion, dragen Zijn naam en de naam van Zijn Vader op hun voorhoofd en worden ‘eerstelingen voor God en het Lam’ genoemd (Openbaring 14:1–5).
Daarom is de vraag niet alleen welk getal Johannes noemt, maar ook hoe getallen, stammen en andere beelden binnen Openbaring functioneren. Dat maakt het moeilijk om alleen het getal 144.000 letterlijk te lezen terwijl veel van de beschrijving eromheen als symbolische visioentaal wordt gelezen.
Gods Koninkrijk en 1914
Het jaar 1914 heeft een belangrijke plaats binnen de leer van Jehovah’s Getuigen. Zij geloven dat Jezus in dat jaar in de hemel als Koning van Gods Koninkrijk begon te regeren.
Die datum staat niet rechtstreeks in de Bijbel. Zij wordt berekend vanuit Daniël 4.
In Daniël 4 droomt koning Nebukadnessar over een grote boom die wordt omgehakt. Over de boom zullen ‘zeven tijden’ voorbijgaan. Daniël legt vervolgens zelf uit wat het visioen betekent: de boom stelt Nebukadnessar voor. Hij zal zijn koningschap tijdelijk verliezen en na die periode herstellen.
Jehovah’s Getuigen zien daarnaast een grotere vervulling. Zij rekenen de zeven tijden om naar 2520 dagen en gebruiken vervolgens op basis van andere Bijbelteksten een ‘dag voor een jaar’. Zo worden de 2520 dagen 2520 jaar. Zij laten deze periode beginnen in 607 v.Chr. en komen zo uit bij 1914.
Wanneer Daniël 4 zelf wordt gelezen, wordt de eerste betekenis van de droom echter duidelijk in het hoofdstuk gegeven. Daniël zegt tegen Nebukadnessar:
‘U bent die boom, majesteit.’
(Daniël 4:19)
De ‘zeven tijden’ horen binnen het verhaal bij de vernedering en het herstel van Nebukadnessar. Een tweede periode van 2520 jaar die uiteindelijk in 1914 eindigt, wordt in Daniël 4 zelf niet genoemd. Die ontstaat door Daniël 4 met verschillende andere teksten en berekeningen te verbinden.
Dat maakt 1914 geen datum die eenvoudig uit één Bijbeltekst kan worden gelezen, maar het resultaat van een bepaalde manier waarop verschillende teksten met elkaar worden gecombineerd.
De opstanding van Jezus
Jehovah’s Getuigen geloven dat Jezus na Zijn dood niet met Zijn menselijke lichaam werd opgewekt. Volgens hun uitleg werd Hij als geestelijk wezen opgewekt en nam Hij daarna bij Zijn verschijningen tijdelijk menselijke lichamen aan.
Daarbij verwijzen zij onder andere naar 1 Petrus:
‘Hij is naar het lichaam gedood maar tot leven gewekt door de Geest.’
(1 Petrus 3:18)
Ook verwijzen zij naar Paulus' woorden over een ‘geestelijk lichaam’ in 1 Korintiërs 15.
In de evangeliën wordt na Jezus' opstanding tegelijkertijd nadrukkelijk over Zijn lichaam gesproken. Wanneer de leerlingen denken dat zij een geest zien, zegt Jezus:
‘Kijk naar Mijn handen en voeten, Ik ben het Zelf! Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en botten zoals jullie zien dat Ik heb.’
(Lucas 24:39)
Daarna eet Hij voor hun ogen (Lucas 24:41–43).
Ook Johannes vertelt dat Thomas de wonden van Jezus wil zien. Wanneer Jezus opnieuw verschijnt, zegt Hij:
‘Leg je vingers hier en kijk naar Mijn handen, en leg je hand in Mijn zij.’
(Johannes 20:27)
Paulus spreekt inderdaad over een ‘geestelijk lichaam’, sōma pneumatikon (1 Korintiërs 15:44). Hij spreekt daarbij nog steeds over een sōma, een lichaam. De tegenstelling in het hoofdstuk loopt tussen het huidige vergankelijke en sterfelijke bestaan en het onvergankelijke leven van de opstanding.
De opstanding wordt in het Nieuwe Testament daarmee niet beschreven als eenvoudig terugkeren naar hetzelfde sterfelijke bestaan. Jezus is werkelijk opgestaan en Zijn opstandingslichaam behoort tot de nieuwe schepping. De evangeliën leggen daarbij nadrukkelijk een verbinding tussen Degene die werd gekruisigd en Degene die lichamelijk aan Zijn leerlingen verschijnt.
Kruis of paal?
Jehovah’s Getuigen geloven dat Jezus niet aan een kruis met een dwarsbalk stierf, maar aan een rechtopstaande paal. Daarom gebruikt de Nieuwewereldvertaling het woord ‘martelpaal’. Zij erkennen zelf dat de Bijbel de precieze vorm van het executiewerktuig niet beschrijft, maar menen dat stauros op een rechtopstaande paal wijst.
Het Griekse stauros kon inderdaad naar een paal verwijzen, maar werd in de Romeinse wereld ook gebruikt voor verschillende vormen van kruisiging. Uit het woord alleen kan de precieze vorm daarom niet eenvoudig worden vastgesteld.
De schrijvers van het Nieuwe Testament leggen zelf weinig nadruk op de vorm van het hout. Hun aandacht ligt op wat er met Jezus gebeurt en wat Zijn dood betekent.
Paulus schrijft:
‘Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus.’
(1 Korintiërs 1:23)
Of het Romeinse executiewerktuig precies de vorm had die later het bekende christelijke kruis werd, is daarmee een andere vraag dan de betekenis die de Bijbelschrijvers aan Jezus' kruisiging geven.
Waarom deze verschillen ertoe doen
In de Nieuwewereldvertaling zien we op verschillende plaatsen dat teksten die belangrijk zijn voor de vraag wie Jezus is anders zijn vertaald. Johannes 1:1 zegt dat het Woord ‘een god’ was, in Kolossenzen 1 wordt ‘andere’ toegevoegd aan ‘alle dingen’ en in het Nieuwe Testament wordt op honderden plaatsen ‘Jehovah’ gebruikt terwijl dat niet in de Griekse tekst staat.
Deze verschillen raken aan de kern van wie Jezus volgens de Bijbelschrijvers is. Wanneer woorden worden toegevoegd of een tekst anders wordt vertaald, verandert daarmee ook wat de lezer in die tekst over Jezus leest. Daarom is de vraag wie Jezus is geen klein verschil in uitleg. Het raakt aan wie God is, wie Jezus is en het hart van het evangelie.
In het Nieuwe Testament wordt verschillende keren gewaarschuwd om zorgvuldig te zijn met wat er over Jezus en het evangelie wordt verkondigd.
Paulus schrijft aan de gemeente in Korinte:
‘U verdraagt het immers zonder enig bezwaar als iemand u een andere Jezus verkondigt dan wij hebben verkondigd, of als u een andere geest ontvangt dan u hebt ontvangen, of een ander evangelie aanneemt dan u hebt aangenomen.’
(2 Korintiërs 11:4)
Paulus zijn woorden laten zien dat het belangrijk was welke Jezus werd verkondigd.
Ook Johannes roept zijn lezers op om niet iedere geest te geloven, maar te toetsen wat er wordt verkondigd en wat er over Jezus wordt beleden (1 Johannes 4:1–3). Aan de Galaten schrijft Paulus over mensen die het evangelie van Christus verdraaien en spreekt hij over ‘een ander evangelie’ dan het evangelie dat zij hadden ontvangen (Galaten 1:6–9).
Ook met de woorden van de Bijbel zelf wordt zorgvuldig omgegaan. Mozes zegt tegen Israël:
‘Voeg niets toe aan wat ik u voorschrijf en doe er niets van af.’
(Deuteronomium 4:2)
Aan het einde van Openbaring staat een soortgelijke waarschuwing over de woorden van de profetie van dat boek (Openbaring 22:18–19).
Deze teksten laten zien hoe belangrijk het binnen de Bijbel zelf is om zorgvuldig om te gaan met wat God heeft gesproken en met wat er over Jezus wordt verkondigd.
Aan de deur
Jehovah’s Getuigen komen zelf aan de deur om over hun geloof te vertellen. Daarmee kan er gelijk een gesprek ontstaan over de Bijbel en over Jezus.
De verschillen die er zijn, gaan verder dan een andere Bijbelvertaling of een andere uitleg van bepaalde Bijbelteksten. Ze raken aan de vraag wie God is, wie Jezus is en wie de Heilige Geest is.
Dat ze aan de deur komen, zou je daarom ook kunnen zien als een gelegenheid om het evangelie te delen. De Bijbel laat zien dat misleiding ook een geestelijke kant heeft en dat geestelijke machten zich verzetten tegen Gods goede heerschappij. Jezus kwam om deze machten te overwinnen en mensen vrij te maken. Zo ontstaat er aan de deur een mooie kans om te vertellen wie Jezus werkelijk is, wat Hij heeft gedaan en wat Zijn overwinning betekent.
Maak jouw eigen website met JouwWeb