Wat bedoelt de Bijbel met de hel?
Wat bedoelt de Bijbel met de hel?
Wanneer we het woord ‘hel’ horen, denken we misschien aan een plaats van vuur en pijniging, waar mensen na hun dood terechtkomen. Door de eeuwen heen is dit beeld mede gevormd door kerkelijke tradities, kunst, literatuur en de manier waarop over de hel is gesproken.
In de Bijbel komen we verschillende woorden tegen die in onze vertalingen soms met ‘hel’ of ‘dodenrijk’ worden weergegeven. In het Oude Testament wordt het Hebreeuwse woord Sheol gebruikt, terwijl we in het Nieuwe Testament de Griekse woorden Hades en Gehenna tegenkomen. Deze woorden hebben ieder hun eigen achtergrond en worden gebruikt in Bijbelboeken die in verschillende perioden en omstandigheden zijn ontstaan.
Wat betekenden deze begrippen voor de oorspronkelijke schrijvers en lezers? Waarom gebruikt Jezus het woord Gehenna en welke verbindingen zijn er met de geschriften van het Oude Testament? Om deze vragen te onderzoeken, beginnen we bij Genesis en volgen we hoe de Bijbel spreekt over leven, dood, het dodenrijk en Gods oordeel.
Leven en dood vanaf het begin
De Bijbel begint met God Die een goede wereld schept en de mens naar Zijn beeld maakt. Binnen die schepping krijgt de mens een plaats en een roeping. In de tuin die God aanlegt, staan verschillende bomen, waaronder de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 2:8–9).
In Genesis 3 lezen we hoe de mens Gods gebod overtreedt door van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten. Daarna spreekt God over de gevolgen van hun handelen. De mens zal uiteindelijk terugkeren tot het stof waaruit hij genomen is (Genesis 3:19). Vervolgens wordt de toegang tot de boom van het leven afgesloten, zodat de mens niet van deze boom kan eten en voor altijd zal leven (Genesis 3:22–24).
De boom van het leven laat zien dat het leven verbonden is met God, Die de bron van het leven is. Wanneer de toegang tot deze boom wordt afgesloten, wordt de mens geconfronteerd met zijn sterfelijkheid. In de hoofdstukken die volgen zien we hoe de gevolgen van het menselijk handelen zich verder verspreiden. Kaïn doodt zijn broer Abel en in Genesis 6 wordt de aarde beschreven als een wereld die vol geweld is geraakt.
De dood wordt in de Bijbel ook verbonden met de manier waarop mensen leven. Wanneer geweld, onrecht en vernietiging zich verspreiden, zien we hoe de macht van de dood al tijdens het leven werkzaam is. De hoop op Gods bevrijding heeft daarom ook betrekking op het herstel van het leven en de schepping.
Deze gebeurtenissen vormen een belangrijk vertrekpunt voor de manier waarop de rest van de Bijbel over leven en dood spreekt. Later wordt de dood zelfs voorgesteld als een macht die over mensen heerst. Paulus beschrijft de dood als een vijand die uiteindelijk vernietigd zal worden (1 Korintiërs 15:25–26).
Sheol – het dodenrijk in het Oude Testament
Het Hebreeuwse woord Sheol (שְׁאוֹל) komt tientallen keren voor in het Oude Testament en wordt vertaald met ‘dodenrijk’. Afhankelijk van de context gebruiken vertalingen ook woorden als ‘graf’ of ‘onderwereld’.
In de Hebreeuwse Bijbel wordt Sheol voorgesteld als het rijk van de gestorvenen, verbonden met de diepte, duisternis en stilte. Mensen spreken over het afdalen naar Sheol wanneer zij sterven. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt waarbij uitsluitend mensen die kwaad hebben gedaan naar het dodenrijk gaan. Ook mensen die op God vertrouwen, verwachten uiteindelijk te sterven.
Jakob en Job spreken over Sheol
Wanneer Jakob denkt dat zijn zoon Jozef door een wild dier is gedood, is hij ontroostbaar. Hij zegt dat hij rouwend naar zijn zoon in het dodenrijk zal afdalen (Genesis 37:35). Jakob spreekt hier over zijn eigen sterfelijkheid en het verdriet om zijn zoon.
Ook Job gebruikt het woord Sheol. Midden in zijn lijden verlangt hij ernaar dat God hem in het dodenrijk zou verbergen, totdat Zijn toorn voorbij is (Job 14:13). In beide gedeelten wordt Sheol verbonden met de werkelijkheid van de dood, zonder dat het wordt beschreven als een bestemming die uitsluitend voor slechte mensen bedoeld is.
Duisternis, stilte en de diepte
In de Psalmen wordt het dodenrijk regelmatig beschreven met beelden van duisternis, stilte en afzondering van het leven. Psalm 88 is daarvan een aangrijpend voorbeeld. De dichter ervaart zijn lijden alsof hij al tot de doden behoort en spreekt over het graf, de diepte en de duisternis (Psalm 88:4–7). Ook in Psalm 6 vraagt de dichter om redding en verbindt hij de dood met het ontbreken van de mogelijkheid om God te loven zoals de levenden dat doen (Psalm 6:5–6).
In Prediker 9:10 lezen we dat er in het dodenrijk geen werk, overleg, kennis of wijsheid is zoals mensen die tijdens hun aardse leven kennen. Deze teksten behoren tot verschillende literaire genres en gebruiken beelden die passen bij de manier waarop de schrijvers over de dood spreken. Vooral in de Psalmen wordt poëtische taal gebruikt om angst, lijden en de nabijheid van de dood onder woorden te brengen. Daarom kunnen we deze beschrijvingen niet zonder meer samenvoegen tot één letterlijke voorstelling van hoe het dodenrijk eruitziet.
Is Sheol buiten Gods bereik?
Hoewel Sheol vaak wordt verbonden met duisternis en afzondering, wordt het dodenrijk nergens voorgesteld als een plaats waar Gods macht ophoudt. In Psalm 139 spreekt de dichter over Gods aanwezigheid en zegt hij dat God zelfs daar is wanneer hij zijn bed in het dodenrijk zou spreiden (Psalm 139:8).
Ook in Amos 9:2 lezen we dat niemand zich in het dodenrijk voor God kan verbergen. Zelfs de diepten van Sheol vallen onder Zijn gezag.
Kan God iemand uit Sheol bevrijden?
In het Oude Testament vinden we verschillende teksten waarin mensen hun hoop vestigen op Gods macht om hen uit de dood te bevrijden. In Psalm 49 spreekt de dichter over mensen die op hun rijkdom vertrouwen, terwijl geen mens met geld zijn leven kan vrijkopen of aan de dood kan ontsnappen. Vervolgens spreekt hij zijn vertrouwen uit dat God hem uit de macht van het dodenrijk zal bevrijden (Psalm 49:8–16).
Ook Psalm 16:10 spreekt over het vertrouwen dat God Zijn trouwe dienaar niet aan het dodenrijk zal prijsgeven. Bij zulke teksten moeten we rekening houden met hun oorspronkelijke context. Sommige uitspraken kunnen betrekking hebben op redding uit levensgevaar, terwijl andere ruimte bieden voor de verwachting dat God ook voorbij de dood leven kan geven.
In latere geschriften wordt die verwachting duidelijker uitgesproken. In Jesaja 26:19 lezen we over doden die zullen leven en lichamen die zullen opstaan. Daniël 12:2 spreekt over mensen die slapen in het stof van de aarde en zullen ontwaken. Deze teksten vormen een overgang naar de verwachtingen over opstanding die we later binnen de Joodse wereld tegenkomen.
Joodse verwachtingen over het leven na de dood
Tussen de laatste geschriften van het Oude Testament en de tijd van Jezus liggen enkele eeuwen waarin de Joodse wereld ingrijpend verandert. Israël leeft achtereenvolgens onder verschillende buitenlandse machten en vragen over Gods rechtvaardigheid, het lijden van rechtvaardige mensen en de toekomst van Zijn volk krijgen veel aandacht.
Wat gebeurt er met mensen die trouw blijven aan God, maar toch worden gedood? Zal God het kwaad uiteindelijk rechtzetten en wat betekent dat voor degenen die al gestorven zijn? In verschillende Joodse geschriften uit de Tweede Tempelperiode vinden we deze vragen terug.
Verschillende verwachtingen
In sommige Joodse geschriften wordt de verwachting van een toekomstige opstanding verder uitgewerkt, terwijl andere teksten spreken over een toestand waarin gestorvenen wachten op een toekomstig oordeel.
Een voorbeeld vinden we in 1 Henoch 22, waar verschillende verblijfplaatsen voor de geesten van gestorvenen worden beschreven. Zij verblijven daar in afwachting van het oordeel. Hoewel dit boek geen onderdeel is van de protestantse Bijbelcanon, is het wel een waardevolle historische bron om te begrijpen welke voorstellingen binnen bepaalde Joodse kringen bestonden.
Ook 2 Makkabeeën 7 is relevant. Daar lezen we over zeven broers en hun moeder die vanwege hun trouw aan God worden vervolgd en gedood. De broers spreken over hun vertrouwen dat God hen uit de dood zal opwekken. Dit geschrift behoort tot de katholieke en sommige orthodoxe Bijbeltradities, maar niet tot de protestantse Bijbelcanon.
Deze geschriften laten zien dat er binnen het Jodendom verschillende verwachtingen bestonden over de dood, opstanding en het toekomstige oordeel. Dat verschil zien we ook in het Nieuwe Testament. In Handelingen 23:6–8 lezen we dat de farizeeën de opstanding aanvaardden, terwijl de sadduceeën deze ontkenden. Wanneer Jezus over het dodenrijk en de opstanding spreekt, doet Hij dat binnen een Joodse wereld waarin al eeuwen over deze onderwerpen werd nagedacht.
De hoop op lichamelijke opstanding
In de Griekse filosofische wereld bestonden verschillende ideeën over de ziel en haar voortbestaan na de lichamelijke dood. Binnen de Joodse geschriften ontwikkelde zich daarnaast een sterke verwachting dat God de gestorvenen lichamelijk zou opwekken.
Deze verwachting gaat verder dan het idee dat een onsterfelijke ziel na de dood ergens anders verder leeft. Het gaat om Gods macht om mensen opnieuw leven te geven. Daarbij moeten we rekening houden met de verscheidenheid aan opvattingen binnen zowel de Griekse als de Joodse wereld.
In het Nieuwe Testament staat de opstanding van Jezus centraal. Zijn leerlingen verkondigen dat God Hem uit de dood heeft opgewekt en dat Zijn opstanding de basis vormt voor de toekomstige opstanding van degenen die bij Hem horen. Die verwachting wordt door Paulus uitgebreid besproken in 1 Korintiërs 15.
Wat gebeurt er tussen sterven en opstanding?
De verwachting van een toekomstige opstanding roept ook de vraag op wat er gebeurt met mensen in de periode tussen hun dood en die opstanding.
In het Oude Testament wordt Sheol vaak beschreven als het dodenrijk waar mensen na hun dood naartoe gaan, maar de teksten geven geen volledig uitgewerkt beeld van wat gestorvenen daar ervaren. Binnen de Joodse wereld van Jezus' tijd bestonden hierover verschillende voorstellingen.
Ook in het Nieuwe Testament vinden we uitspraken die vragen oproepen over deze tussenliggende toestand. Jezus spreekt tegen de misdadiger naast Hem aan het kruis over het paradijs (Lucas 23:43), terwijl Paulus schrijft over zijn verlangen om bij Christus te zijn (Filippenzen 1:23).
Deze passages hebben binnen de christelijke traditie tot verschillende interpretaties geleid. De Bijbel spreekt zowel over wat er na de dood gebeurt als over de toekomstige opstanding, maar geeft geen volledig uitgewerkte beschrijving waarin alle vragen over de tussenliggende periode worden beantwoord.
Hades – het dodenrijk in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament komen we het Griekse woord Hades (ᾅδης) tegen. In de Griekse wereld was Hades zowel de naam van een godheid als een aanduiding voor de onderwereld. Wanneer Joodse schrijvers dit woord gebruikten, kreeg het betekenis binnen hun eigen Bijbelse traditie.
Een belangrijke verbinding vinden we in de Septuaginta, de oude Griekse vertaling van de Hebreeuwse geschriften. Daar wordt het Hebreeuwse woord Sheol vaak weergegeven met Hades. In het Nieuwe Testament sluit Hades daarom regelmatig aan bij het oudtestamentische begrip van het dodenrijk.
Petrus en Psalm 16
In Handelingen 2 houdt Petrus een toespraak over Jezus' dood en opstanding, waarbij hij Psalm 16 aanhaalt. In de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst staat het woord Sheol, terwijl in de Griekse weergave die Petrus aanhaalt Hades wordt gebruikt (Handelingen 2:25–31).
Petrus legt deze woorden uit vanuit Jezus' dood en opstanding. God heeft Jezus niet aan het dodenrijk overgelaten, want de dood kon Hem niet vasthouden. Daarmee verbindt Petrus de woorden van David met wat God door Jezus heeft gedaan.
De poorten van Hades
In Matteüs 16:18 zegt Jezus dat de poorten van het dodenrijk Zijn gemeente niet zullen overweldigen. Poorten waren in de oudheid verbonden met de bescherming en macht van een stad. Het beeld van de poorten van Hades roept daarmee de macht van de dood op, die uiteindelijk niet zal kunnen verhinderen wat Jezus tot stand brengt.
Ook in Openbaring 1:18 wordt Jezus voorgesteld als Degene Die gestorven is en leeft. Hij heeft de sleutels van de dood en het dodenrijk. De sleutels zijn een beeld van gezag en laten zien dat Jezus door Zijn dood en opstanding de macht van de dood heeft overwonnen.
Hades en het uiteindelijke oordeel
In Openbaring 20 lezen we dat de dood en het dodenrijk hun doden afstaan. Vervolgens worden de dood en het dodenrijk zelf in de vuurpoel geworpen (Openbaring 20:13–14).
Hades wordt hier dus onderscheiden van het uiteindelijke oordeel. Het dodenrijk moet zijn doden afstaan en wordt vervolgens zelf vernietigd. Daarmee sluit deze passage aan bij de verwachting dat de dood uiteindelijk geen plaats meer zal hebben binnen Gods vernieuwde schepping.
Wat de vuurpoel en de tweede dood precies betekenen, vraagt om een afzonderlijke studie. Voor nu is vooral van belang dat Openbaring onderscheid maakt tussen het dodenrijk en het oordeel dat daarna wordt beschreven.
De rijke man en Lazarus
Een gedeelte dat vaak ter sprake komt bij vragen over de hel, is de vertelling over de rijke man en Lazarus (Lucas 16:19–31).
Jezus vertelt over een rijke man die tijdens zijn leven in overvloed leeft. Hij draagt kostbare kleding en geniet iedere dag van uitgebreide maaltijden. Bij zijn poort ligt een arme man, Lazarus, die verlangt naar de resten van zijn tafel. Wanneer beiden sterven, worden hun omstandigheden omgekeerd. Lazarus wordt door de engelen naar Abraham gedragen, terwijl de rijke man zich in Hades bevindt en pijn lijdt.
Dit gedeelte roept begrijpelijkerwijs vragen op. Beschrijft Jezus hier letterlijk wat mensen na hun dood meemaken? Om dat te onderzoeken, moeten we eerst kijken naar de plaats van deze vertelling binnen het Evangelie van Lucas.
De context van Lucas 16
In Lucas 16 spreekt Jezus over de omgang met geld en bezit. Eerder in het hoofdstuk vertelt Hij de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester en daarna spreekt Hij over de onmogelijkheid om zowel God als de mammon te dienen. Lucas vermeldt vervolgens dat de farizeeën, die gehecht waren aan geld, Jezus bespotten (Lucas 16:14). Tegen deze achtergrond vertelt Jezus over de rijke man en Lazarus.
De vertelling sluit aan bij een terugkerend thema in Lucas, waarin Jezus spreekt over Gods aandacht voor armen en kwetsbare mensen en waarschuwt voor de gevaren van rijkdom. Ook eerder in het Evangelie spreekt Hij over een omkering tussen rijken en armen (Lucas 6:20–26).
Binnen de Joodse wereld werd de uitdrukking ‘een goed oog hebben’ verbonden met vrijgevigheid en de bereidheid om anderen te helpen. Een ‘slecht oog’ kon verwijzen naar hebzucht, gierigheid en het vasthouden aan bezit. Deze achtergrond speelt ook een rol in Jezus' onderwijs in de Bergrede, waar Hij over het oog als de lamp van het lichaam spreekt en vervolgens zegt dat niemand twee heren kan dienen, God en de mammon (Matteüs 6:22–24).
De rijke man heeft de mogelijkheid om voor Lazarus te zorgen, maar in de vertelling gebeurt dat niet. Zijn omgang met bezit sluit daarmee aan bij Jezus' bredere onderwijs over rijkdom, vrijgevigheid en de zorg voor anderen.
Een gelijkenis met bekende beelden
Jezus gebruikt in Zijn onderwijs regelmatig gelijkenissen om Zijn luisteraars aan het denken te zetten over Gods Koninkrijk en hun eigen manier van leven. De vertelling over de rijke man en Lazarus heeft verschillende kenmerken van zo'n gelijkenis en begint op een vergelijkbare manier als de voorafgaande vertelling.
Binnen de Joodse en bredere antieke wereld bestonden bovendien vertellingen waarin de omstandigheden van rijke en arme mensen na hun dood werden omgekeerd. Deze achtergrond laat zien dat Jezus beelden gebruikt die voor Zijn luisteraars herkenbaar konden zijn, zonder dat we daarmee hoeven aan te nemen dat Hij eenvoudigweg een bestaande vertelling herhaalt.
Waarom krijgt Lazarus een naam?
Een bijzonder detail is dat Lazarus bij naam wordt genoemd, terwijl de rijke man naamloos blijft. De naam Lazarus is afgeleid van de Hebreeuwse naam Eleazar, die betekent: ‘God heeft geholpen’.
Tijdens zijn leven ligt Lazarus bij de poort van de rijke man, zonder dat hij de zorg ontvangt die hij nodig heeft. In de vertelling wordt hij echter bij naam genoemd en na zijn dood getroost. De arme man die tijdens zijn leven nauwelijks aandacht kreeg, wordt wel gezien, terwijl de rijke man die zoveel bezat naamloos blijft.
Luisteren naar Mozes en de profeten
Aan het einde van de vertelling vraagt de rijke man of Lazarus naar zijn broers gestuurd kan worden om hen te waarschuwen. Abraham antwoordt dat zij Mozes en de profeten hebben en naar hen moeten luisteren.
Wanneer de rijke man aandringt dat iemand uit de dood hen misschien tot inkeer zal brengen, antwoordt Abraham dat zij zich zelfs niet zullen laten overtuigen wanneer iemand uit de dood opstaat, als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren (Lucas 16:27–31).
De rijke man had tijdens zijn leven de geschriften van Mozes en de profeten. Daarin wordt Israël herhaaldelijk opgeroepen om recht te doen aan armen, vreemdelingen, weduwen en wezen. Hij had dus al kunnen weten hoe God Zijn volk opriep om met anderen om te gaan. Lazarus lag bij zijn poort en zijn nood was zichtbaar. De rijke man had de gelegenheid om hem te helpen, maar liet die voorbijgaan.
Het probleem was daarmee niet dat hij onvoldoende wist over wat er na de dood zou gebeuren. Tijdens zijn leven had hij al kunnen luisteren naar wat God door Mozes en de profeten bekend had gemaakt. Het slot van Jezus' vertelling krijgt daardoor extra betekenis. Zelfs wanneer iemand uit de dood zou opstaan, zou dat volgens Abraham degenen die niet naar Mozes en de profeten luisteren niet overtuigen.
Binnen het Evangelie van Lucas krijgt deze uitspraak nog een diepere betekenis wanneer we verder lezen over Jezus' eigen dood en opstanding. De vraag is of mensen werkelijk bereid zijn te luisteren naar wat God bekendmaakt.
Hoewel deze vertelling vragen oproept over wat er na de dood gebeurt, ligt de nadruk binnen de context van Lucas 16 op de omgang met bezit, de zorg voor anderen en het luisteren naar Mozes en de profeten.
Gehenna – het dal van Hinnom
Naast Hades gebruikt het Nieuwe Testament het woord Gehenna (γέεννα). Dit woord is afgeleid van de Hebreeuwse naam Ge Hinnom, het dal van Hinnom, dat bij Jeruzalem ligt.
Om te begrijpen waarom Jezus deze naam gebruikt, moeten we terug naar het Oude Testament, waar het dal verbonden wordt met een van de ernstigste vormen van afgoderij in Israël en Juda.
Het dal waar kinderen werden geofferd
In 2 Koningen 23:10 lezen we hoe koning Josia de offerplaats Tofet in het dal van Ben-Hinnom ontwijdt, zodat niemand daar nog zijn zoon of dochter als offer aan Molech zou kunnen verbranden.
Ook de profeet Jeremia spreekt over deze plaats. In Jeremia 7:30–34 veroordeelt God de praktijken die in het dal plaatsvinden. Het volk heeft daar offerplaatsen gebouwd en kinderen in het vuur geofferd. Jeremia kondigt vervolgens aan dat deze plaats niet langer Tofet of het dal van Ben-Hinnom genoemd zal worden, maar het dal van de slachting.
Wanneer we Jeremia 7 verder lezen, zien we dat het oordeel over Jeruzalem verbonden is met de manier waarop het volk heeft geleefd. De profeet spreekt over onrecht, onderdrukking, afgoderij en het vergieten van onschuldig bloed (Jeremia 7:5–11).
De plaats waar mensen verschrikkelijk geweld hebben gepleegd, wordt zo verbonden met het oordeel dat over Jeruzalem zal komen.
Door de geschriften van het Oude Testament heen roept God Zijn volk op om recht te doen, trouw te blijven aan Zijn verbond en zich af te keren van geweld en afgoderij. Juist het volk dat geroepen was om Gods karakter te weerspiegelen, pleegde zelf onrecht, vergoot onschuldig bloed en offerde zelfs kinderen. De profeten spreken daarom niet alleen over de gevolgen van hun handelen, maar ook over God Die Zijn volk ter verantwoording roept.
Gods oordeel staat binnen de grotere context van Zijn rechtvaardigheid. Hij ziet het onrecht dat mensen elkaar aandoen en laat het kwaad niet onbeperkt voortbestaan. In de profetische geschriften wordt duidelijk dat Gods zorg voor kwetsbare mensen en Zijn optreden tegen geweld met elkaar verbonden zijn.
Wanneer Jezus later over Gehenna spreekt, gebruikt Hij een plaatsnaam die deze geschiedenis en de profetische waarschuwingen met zich meedraagt.
Gehenna in de Joodse wereld
In de eeuwen na de profeten ontwikkelden Joodse voorstellingen over Gods oordeel zich verder. De naam Gehenna werd binnen sommige Joodse tradities gebruikt om te spreken over bestraffing na de dood of over het toekomstige oordeel.
Niet iedere Joodse schrijver gebruikte dezelfde beelden of had dezelfde opvattingen. Sommige geschriften waarin Gehenna uitvoerig wordt besproken, zijn bovendien pas na de tijd van Jezus op schrift gesteld. We kunnen die daarom niet zonder meer gebruiken als bewijs voor wat iedereen in Jezus' tijd geloofde.
Wel zien we hoe een geografische plaats, die in de profeten verbonden was met geweld en oordeel, binnen Joodse tradities een bredere betekenis kreeg.
Gehenna in de Bergrede
In Matteüs 5:21–22 spreekt Jezus over het gebod om niet te moorden. Vervolgens betrekt Hij ook woede, belediging en minachting bij Zijn onderwijs en waarschuwt Hij voor het vuur van Gehenna.
Binnen de Bergrede onderwijst Jezus Zijn leerlingen over het leven onder Gods koningschap. Hij spreekt over de manier waarop mensen met elkaar omgaan en hoe hun houding tegenover anderen samenhangt met hun trouw aan God.
Tegen de achtergrond van het Oude Testament krijgt Zijn verwijzing naar Gehenna meer betekenis. Het dal van Hinnom was verbonden met menselijk geweld, het offeren van kinderen en Gods oordeel over die praktijken. Wanneer Jezus over woede en moord spreekt, gebruikt Hij een naam die al eeuwen verbonden was met de ernstige gevolgen van menselijk kwaad.
God vrezen in plaats van mensen
Jezus gebruikt het woord Gehenna ook wanneer Hij Zijn leerlingen voorbereidt op tegenstand en vervolging. In Matteüs 10:28 zegt Hij dat zij niet bang moeten zijn voor mensen die het lichaam kunnen doden, maar de ziel niet kunnen doden. In plaats daarvan moeten zij God vrezen, Die zowel ziel als lichaam in Gehenna kan vernietigen.
De context is belangrijk. Jezus stuurt Zijn leerlingen eropuit om het Koninkrijk te verkondigen en waarschuwt hen dat zij weerstand zullen ondervinden en zelfs met de dood bedreigd kunnen worden. Zijn woorden maken deel uit van Zijn oproep om trouw te blijven aan God, ook wanneer mensen hen bedreigen.
Gehenna wordt hier gebruikt in verband met Gods oordeel. Wat Jezus precies bedoelt met het vernietigen van ziel en lichaam, vraagt verdere aandacht voor de taal en context van deze uitspraak. Binnen dit gedeelte maakt Hij in ieder geval onderscheid tussen wat mensen kunnen doen en het gezag dat aan God toekomt.
Jezus' waarschuwing aan de schriftgeleerden en farizeeën
Ook in Matteüs 23 gebruikt Jezus het woord Gehenna. In dit hoofdstuk spreekt Hij uitvoerig tegen de schriftgeleerden en farizeeën. Hij verwijt hun onder andere dat zij zware lasten op anderen leggen, uiterlijke godsdienstigheid belangrijk maken en tekortschieten in rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw.
In Matteüs 23:15 spreekt Jezus over iemand die door hun onderwijs een kind van Gehenna wordt. Later vraagt Hij hoe zij aan het oordeel van Gehenna zullen ontkomen (Matteüs 23:33).
Deze waarschuwingen staan binnen een bredere aanklacht tegen religieus leiderschap dat anderen op een verkeerde weg brengt. Ook de profeten spraken tegen leiders die Gods naam droegen, maar door hun handelen onrecht en onderdrukking in stand hielden.
Jezus gebruikt Gehenna hier als een ernstige waarschuwing voor Gods oordeel. De betekenis van het woord gaat daarmee verder dan alleen de historische herinnering aan het dal van Hinnom.
Het vuur dat niet wordt gedoofd
In Marcus 9:43–48 gebruikt Jezus opnieuw het woord Gehenna. Hij spreekt over het vuur dat niet wordt gedoofd en over de worm die niet sterft.
Deze woorden verwijzen naar het slot van het boek Jesaja. In Jesaja 66:24 wordt beschreven hoe mensen naar de lijken kijken van degenen die tegen God in opstand zijn gekomen. Hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet doven.
De oorspronkelijke tekst spreekt over dode lichamen en gebruikt aangrijpende beelden van oordeel en schande. Wanneer Jezus deze woorden aanhaalt, grijpt Hij terug op deze profetische voorstelling.
Hoe de beelden van vuur, vernietiging en oordeel binnen Jezus' onderwijs precies begrepen moeten worden, vraagt om verdere studie van de verschillende Bijbelgedeelten waarin ze voorkomen.
Was Gehenna een brandende vuilnisbelt?
Misschien heb je weleens gehoord dat Gehenna in Jezus' tijd een vuilnisbelt was waar voortdurend afval en dode dieren werden verbrand. Deze uitleg wordt regelmatig gebruikt om Jezus' woorden over het vuur te verklaren.
Voor de bewering dat het dal van Hinnom in Jezus' tijd daadwerkelijk een voortdurend brandende vuilnisbelt was, ontbreekt echter overtuigend historisch bewijs.
De achtergrond van Gehenna kunnen we daarom beter onderzoeken vanuit de teksten waarvoor we wel duidelijke aanwijzingen hebben, zoals de geschiedenis van het dal van Hinnom in het Oude Testament, de profetische waarschuwingen van Jeremia en Jesaja en de manier waarop het woord binnen Joodse tradities en Jezus' onderwijs wordt gebruikt.
Waarom Sheol, Hades en Gehenna niet hetzelfde betekenen
Wanneer we deze drie woorden naast elkaar leggen, zien we dat ze ieder een eigen achtergrond hebben.
Sheol is in het Oude Testament vooral verbonden met het dodenrijk en de werkelijkheid van de menselijke sterfelijkheid. Hades is een Grieks woord dat binnen de Joodse en christelijke geschriften vaak aansluit bij Sheol, terwijl het in sommige teksten ook wordt verbonden met pijniging of oordeel. Gehenna heeft zijn oorsprong in het dal van Hinnom en is verbonden met de profetische waarschuwingen over geweld, ontrouw en Gods oordeel.
Deze begrippen staan niet helemaal los van elkaar. Ze maken deel uit van een grotere ontwikkeling in de manier waarop de Bijbelschrijvers spreken over de dood, Gods rechtvaardigheid en de hoop op leven. Wanneer we ze zonder onderscheid allemaal met ‘hel’ weergeven, kunnen belangrijke verschillen verloren gaan.
Daarom is het goed om bij iedere tekst opnieuw te kijken welk woord wordt gebruikt, in welk Bijbelboek het voorkomt en welke achtergrond de schrijver veronderstelt.
De dood heeft niet het laatste woord
Door de Bijbel heen zien we hoe ingrijpend de werkelijkheid van de dood is. Mensen sterven, rouwen en ervaren hoe kwetsbaar het leven is. In de Psalmen klinkt het verlangen om uit de macht van het dodenrijk bevrijd te worden, terwijl bij de profeten steeds duidelijker de verwachting naar voren komt dat God de dood uiteindelijk zal overwinnen.
In Hosea 13:14 spreekt de profeet over de macht van het dodenrijk en de dood. De Hebreeuwse formulering van dit vers is moeilijk te vertalen en kan, afhankelijk van de manier waarop de woorden worden opgevat, gelezen worden als een uitspraak over verlossing uit de dood of als een aankondiging van het oordeel.
Wanneer Paulus in 1 Korintiërs 15 over de opstanding schrijft, gebruikt hij woorden die aansluiten bij Hosea 13:14. Hij verbindt deze met Jesaja 25:8, waar wordt gesproken over God Die de dood voor altijd zal vernietigen.
Paulus beschrijft hoe door Jezus Christus de overwinning op de dood mogelijk is geworden (1 Korintiërs 15:54–55). Jezus is gestorven en opgestaan, en de apostelen verkondigen dat de dood Hem niet kon vasthouden (Handelingen 2:24). Paulus noemt Hem de eerste van degenen die uit de dood zijn opgewekt. Zijn opstanding vormt de basis voor de hoop dat ook anderen zullen worden opgewekt (1 Korintiërs 15:20–23). De dood, die over de mensheid heerst, wordt uiteindelijk als de laatste vijand vernietigd (1 Korintiërs 15:26).
De lijn die in Genesis begint bij de verloren toegang tot de boom van het leven, loopt via de hoop van de Psalmen en de profeten verder en komt samen in Jezus. Door Zijn dood en opstanding is de verwachting van leven voorbij de dood verbonden met wat God door Hem tot stand heeft gebracht.
Het onderzoek naar Sheol, Hades en Gehenna laat zien hoe verschillende woorden en beelden binnen de Bijbel worden gebruikt om over de dood en Gods oordeel te spreken. Hun betekenis wordt duidelijker wanneer we aandacht hebben voor de historische, culturele en literaire context en de verbindingen tussen de verschillende Bijbelboeken.
Er blijven nog belangrijke vragen over. Wat bedoelt Jezus wanneer Hij spreekt over eeuwige straf? Wat betekent de tweede dood in Openbaring? En hoe moeten we de beelden van vuur, vernietiging en oordeel begrijpen?
Die vragen wil ik in een afzonderlijke Bijbelstudie verder onderzoeken, met aandacht voor de verschillende teksten over het uiteindelijke oordeel.
Maak jouw eigen website met JouwWeb