Wat bedoelt de Bijbel met het laatste oordeel?
Wat bedoelt de Bijbel met het laatste oordeel?
In mijn vorige Bijbelstudie onderzocht ik de betekenis van Sheol, Hades en Gehenna. Daarbij ontdekte ik dat de woorden die in onze Bijbelvertalingen soms met ‘hel’ worden weergegeven, ieder hun eigen achtergrond hebben. De Bijbelschrijvers gebruiken verschillende woorden en beelden om over de dood, het dodenrijk en Gods oordeel te spreken.
Maar daarmee zijn nog niet alle vragen beantwoord. Jezus spreekt over eeuwige straf en over een vuur dat niet wordt gedoofd. In Openbaring lezen we over een grote witte troon, boeken die worden geopend en een vuurpoel die de tweede dood wordt genoemd. Wat betekenen deze uitspraken? Hoe begrepen de oorspronkelijke lezers deze beelden en welke verbindingen zijn er met de geschriften van het Oude Testament?
Om deze vragen te onderzoeken, beginnen we opnieuw bij het begin van de Bijbel. Want voordat we kunnen begrijpen wat Gods uiteindelijke oordeel betekent, moeten we eerst kijken naar Gods bedoeling met Zijn schepping, de plaats van de mens daarin en de manier waarop de Bijbel spreekt over Gods rechtvaardigheid.
Gods goede schepping en het ontstaan van het kwaad
In Genesis 1 lezen we hoe God hemel en aarde schept. Hij brengt orde aan, vult de wereld met leven en ziet dat Zijn schepping goed is. De mens krijgt daarin een bijzondere plaats. God maakt de mens naar Zijn beeld en geeft hem de opdracht om vruchtbaar te zijn, de aarde te vullen en over de levende wezens te heersen (Genesis 1:26–28).
De mens wordt daarmee geroepen om Gods karakter te weerspiegelen en Zijn goede heerschappij zichtbaar te maken binnen de schepping. Deze roeping vormt een belangrijk vertrekpunt voor de grotere lijn van de Bijbel.
In Genesis 3 lezen we hoe de mens van de boom van de kennis van goed en kwaad eet. De mens grijpt naar wijsheid op eigen voorwaarden en overtreedt Gods gebod. De gevolgen worden zichtbaar in schaamte, angst, verwijdering en uiteindelijk de dood. In de hoofdstukken die volgen verspreidt het kwaad zich verder. Kaïn doodt zijn broer Abel en in Genesis 6 wordt de aarde beschreven als een wereld die vol geweld is geraakt.
Gods reactie op het kwaad maakt vanaf het begin deel uit van deze geschiedenis. Hij spreekt de mens aan op zijn handelen, confronteert Kaïn met de dood van Abel en brengt in het zondvloedverhaal oordeel over een wereld waarin geweld de overhand heeft gekregen.
Tegelijkertijd blijft Gods bedoeling met Zijn schepping bestaan. Na de vloed sluit Hij een verbond met Noach, zijn nakomelingen en alle levende wezens (Genesis 9:8–17). Vervolgens roept Hij Abraham en belooft Hij dat via hem alle families van de aarde gezegend zullen worden (Genesis 12:1–3).
Vanaf het begin zien we hoe het kwaad Gods goede schepping aantast en hoe God daartegen optreedt. Zijn oordeel staat binnen de grotere lijn waarin Hij werkt aan het herstel van wat door menselijk handelen beschadigd is geraakt.
Wat betekent Gods oordeel?
Wanneer we vandaag het woord ‘oordeel’ horen, denken we misschien vooral aan een rechtbank waarin wordt vastgesteld of iemand schuldig is en welke straf daarop volgt. Dat beeld is niet vreemd aan de Bijbel. Er wordt gesproken over rechtspraak, schuld, verantwoording en bestraffing.
De Bijbelse betekenis van oordeel is echter breder. In het Oude Testament wordt Gods oordeel verbonden met Zijn rechtvaardigheid, Zijn trouw aan het verbond en Zijn optreden tegen het kwaad.
Het Hebreeuwse woord mishpat wordt onder andere gebruikt voor recht, rechtspraak en een rechtvaardige ordening van het leven. Het hangt samen met het werkwoord shafat, dat ‘oordelen’ of ‘rechtspreken’ betekent. Wanneer God rechtspreekt, gaat het daarom om meer dan het vaststellen van schuld. Zijn rechtspraak heeft ook betrekking op het beschermen van kwetsbare mensen, het beëindigen van onderdrukking en het herstellen van recht.
Dat zien we bijvoorbeeld in de Psalmen, waar Gods komst om de aarde te oordelen een reden tot vreugde kan zijn. In Psalm 96 wordt de hele schepping opgeroepen om te juichen, omdat God komt om de aarde rechtvaardig te oordelen (Psalm 96:11–13).
Voor mensen die onrecht ondervinden, betekent Gods oordeel de hoop dat het kwaad niet onbeperkt zal blijven voortbestaan. Voor degenen die anderen onderdrukken of geweld plegen, klinkt datzelfde oordeel als een ernstige waarschuwing.
Daarbij ontstaat een moeilijke vraag. Het kwaad is in de Bijbel niet uitsluitend iets wat buiten de mens bestaat. Mensen nemen er zelf aan deel, soms door bewust geweld en onrecht te plegen, maar ook doordat zij zich laten vormen door manieren van leven waarin hebzucht, onderdrukking en ontrouw een plaats krijgen. Israël wordt bijvoorbeeld geroepen om Gods rechtvaardigheid zichtbaar te maken, maar de profeten laten zien hoe ook Gods eigen volk zich schuldig maakt aan het onrecht waartegen God optreedt.
Wanneer God het kwaad oordeelt, raakt dat daarom ook de mensen die eraan deelnemen. Zijn oordeel kan niet los worden gezien van de verantwoordelijkheid van de mens. Tegelijkertijd lezen we hoe God mensen blijft oproepen tot bekering en hoe Zijn geduld en barmhartigheid een plaats hebben binnen Zijn omgang met de wereld.
Gods rechtvaardigheid betekent dat Hij het kwaad serieus neemt en mensen ter verantwoording roept. Zijn oordeel is verbonden met Zijn bedoeling om recht te doen en Zijn schepping te herstellen. Hoe Gods optreden tegen het kwaad zich verhoudt tot Zijn verlangen om mensen te redden, wordt een belangrijke vraag wanneer we verder lezen over Jezus.
De dag van de HEER
Bij de profeten komen we regelmatig de uitdrukking ‘de dag van de HEER’ tegen. Daarmee wordt gesproken over een beslissend moment waarop God ingrijpt in de geschiedenis om recht te doen en het kwaad te oordelen.
In Amos 5:18–24 waarschuwt de profeet mensen die verlangen naar de dag van de HEER. Zij verwachten blijkbaar dat deze dag gunstig voor hen zal zijn, maar Amos vertelt hun dat deze dag duisternis kan brengen. Israël kan zich niet op zijn bijzondere positie beroepen terwijl het volk zelf onrecht pleegt.
Verderop in hetzelfde gedeelte spreekt Amos over recht dat moet stromen als water en gerechtigheid als een altijd stromende beek (Amos 5:24).
Ook bij Jesaja, Joël, Sefanja en Maleachi lezen we over de dag van de HEER. Soms gaat het om het oordeel over Israël of andere volken binnen de geschiedenis. Op andere plaatsen krijgt de verwachting een bredere betekenis en wordt uitgezien naar een toekomst waarin God het kwaad definitief zal aanpakken.
Een belangrijke achtergrond vinden we ook in het boek Exodus. Israël leeft onder de onderdrukking van de farao, die zichzelf als hoogste gezag beschouwt en weigert Gods volk vrij te laten. Wanneer God ingrijpt, wordt de macht van de farao gebroken en wordt Israël bevrijd.
Hetzelfde ingrijpen betekent oordeel voor Egypte en bevrijding voor Israël. Deze gebeurtenis wordt een belangrijk voorbeeld van hoe God optreedt tegen onderdrukking en Zijn volk redt.
De profeten gebruiken later beelden van duisternis, vuur, aardbevingen en ontwrichting om Gods toekomstige ingrijpen te beschrijven. Deze beelden behoren tot de taal van profetische aankondigingen en drukken uit hoe ingrijpend Gods optreden zal zijn.
Om zulke passages te begrijpen, moeten we telkens onderzoeken tegen wie de profeet spreekt, welke historische omstandigheden een rol spelen en hoe de gebruikte beelden aansluiten bij eerdere Bijbelgedeelten.
Vuur als beeld van Gods oordeel
Vuur komt door de hele Bijbel heen voor en heeft verschillende betekenissen. Het kan verbonden zijn met Gods aanwezigheid, Zijn heiligheid, zuivering en oordeel.
Wanneer God bij de Sinaï verschijnt, wordt de berg omgeven door vuur en rook (Exodus 19:18). In Jesaja 6 wordt de profeet gereinigd wanneer een gloeiende kool zijn lippen aanraakt. Bij de profeten wordt vuur ook gebruikt als beeld van vernietiging en Gods oordeel over het kwaad.
In Maleachi 3:2–3 wordt Gods komst vergeleken met het vuur van een smelter. Zoals metaal door verhitting wordt gezuiverd, zo wordt hier gesproken over een reinigend optreden van God.
Even later gebruikt Maleachi een ander beeld. De komende dag zal branden als een oven en degenen die kwaad doen worden vergeleken met stoppels die worden verbrand (Maleachi 3:19–21).
Deze beelden laten zien dat vuur in de Bijbel niet overal precies dezelfde betekenis heeft. Soms ligt de nadruk op zuivering, soms op vernietiging en soms op de overweldigende aanwezigheid van God.
Dat is belangrijk wanneer we later Jezus' woorden over vuur en de beelden in Openbaring onderzoeken. We kunnen niet vooraf aannemen dat ieder vuurbeeld op dezelfde manier moet worden uitgelegd.
2 Petrus 3 – een wereld die door vuur wordt geoordeeld
Ook in het Nieuwe Testament wordt het beeld van vuur gebruikt om Gods toekomstige oordeel te beschrijven. Een belangrijk gedeelte vinden we in 2 Petrus 3.
Petrus schrijft aan gelovigen die worden geconfronteerd met mensen die twijfelen aan de beloofde komst van Jezus. Zij vragen zich af waarom alles nog steeds doorgaat zoals het altijd is geweest. Petrus herinnert zijn lezers aan de schepping en aan de zondvloed. Daarmee laat hij zien dat de wereld volgens de Bijbel eerder door Gods ingrijpen is veranderd en geoordeeld (2 Petrus 3:3–7).
Vervolgens beschrijft hij de dag van de Heer als een dag waarop de hemelen met groot geraas zullen verdwijnen, de elementen door vuur zullen worden aangetast en de aarde met haar werken aan het licht zal komen of door vuur zal worden getroffen, afhankelijk van de tekstoverlevering en vertaling (2 Petrus 3:10).
Deze woorden kunnen de indruk wekken dat Petrus spreekt over de volledige vernietiging van de materiële wereld. Toch is het belangrijk om te onderzoeken welke beelden hij gebruikt en hoe die aansluiten bij de profeten.
De zondvloed als eerdere gebeurtenis
Petrus verwijst naar de zondvloed, die in Genesis 6–9 wordt beschreven. In dat gedeelte lezen we hoe de aarde vol geweld raakt en hoe God besluit een einde te maken aan de verdorvenheid die zich heeft verspreid.
Het water van de vloed herinnert aan de wateren uit Genesis 1, waar God orde aanbrengt en ruimte maakt voor het leven. Tijdens de vloed wordt de geschapen orde als het ware teruggedraaid. Het water bedekt opnieuw het land en het leven wordt bedreigd.
Maar de geschiedenis eindigt niet met de vloed. Het water trekt zich terug, het droge land verschijnt opnieuw en Noach en zijn familie krijgen de opdracht om vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen. Daarmee herinnert de tekst aan de scheppingsopdracht uit Genesis 1.
De zondvloed wordt zo verbonden met Gods oordeel over een wereld vol geweld en met een nieuw begin. De aarde houdt niet op te bestaan, maar de wereld zoals die vóór de vloed was, komt ten einde.
Wanneer Petrus schrijft dat de toenmalige wereld door water is vergaan, gebruikt hij deze gebeurtenis als achtergrond voor het toekomstige oordeel door vuur (2 Petrus 3:6–7).
De verbinding met de profeten
Petrus gebruikt taal die herinnert aan Jesaja 34 en Sefanja 3. In deze profetische gedeelten wordt Gods oordeel beschreven met beelden van vuur en ontwrichting.
In Sefanja 3:8 wordt gesproken over de volken die onder Gods oordeel komen en over een aarde die door het vuur van Zijn toorn wordt getroffen. Maar het gedeelte eindigt daar niet. In de verzen die volgen lezen we hoe God de volken verandert, zodat zij Zijn naam aanroepen en Hem dienen (Sefanja 3:9–10).
De beweging van oordeel naar herstel is belangrijk. Het vuur van Gods oordeel wordt verbonden met het verwijderen van het kwaad en het ontstaan van een vernieuwde werkelijkheid.
Ook in 2 Petrus 3 eindigt het gedeelte met de verwachting van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13).
Wat betekent het smelten van de elementen?
Het Griekse woord dat in 2 Petrus 3 met ‘elementen’ wordt vertaald, is stoicheia. Dit woord kan in verschillende contexten verwijzen naar de bestanddelen van de wereld, hemellichamen of andere fundamentele machten en ordeningen.
Er bestaan daarom verschillende interpretaties van wat Petrus precies bedoelt wanneer hij schrijft dat de elementen door vuur zullen worden ontbonden.
Ook de tekst van 2 Petrus 3:10 kent een belangrijke variatie in de overgeleverde Griekse handschriften. Sommige tekstvormen spreken over de aarde en haar werken die gevonden of blootgelegd zullen worden, terwijl andere lezingen sterker de nadruk leggen op verbranding.
Deze verschillen zijn van belang voor de uitleg. Tegelijkertijd is de grotere lijn van het gedeelte duidelijk. Petrus verwacht Gods toekomstige ingrijpen, waarbij het kwaad wordt geoordeeld en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verschijnen waarin gerechtigheid woont.
De vraag is daarom hoe het beeld van vuur binnen deze verwachting functioneert. Gaat het om de vernietiging van de bestaande schepping, om haar zuivering en vernieuwing, of om een ingrijpende verandering die met beide beelden wordt beschreven?
Wanneer we 2 Petrus 3 naast de profeten en Openbaring 21 leggen, zien we hoe het oordeel door vuur verbonden wordt met de hoop op een wereld waarin het kwaad geen plaats meer heeft.
Daniël 7 – de hemelse rechtbank
Een belangrijk gedeelte voor het Nieuwe Testament is Daniël 7. Daniël beschrijft een visioen waarin vier grote dieren uit de zee opkomen. Deze dieren vertegenwoordigen koninkrijken die hun macht uitoefenen en geweld gebruiken.
Vervolgens verandert het tafereel. Daniël ziet tronen worden neergezet en de Oude van Dagen plaatsnemen. Er wordt een hemelse rechtbank beschreven, waarin boeken worden geopend en het oordeel wordt uitgesproken (Daniël 7:9–10).
Daarna ziet Daniël iemand die eruitziet als een mensenzoon, die met de wolken van de hemel komt en voor de Oude van Dagen wordt geleid. Aan hem worden macht, eer en koningschap gegeven, zodat alle volken hem zullen dienen (Daniël 7:13–14).
Binnen de uitleg van het visioen wordt duidelijk dat de gewelddadige koninkrijken hun macht zullen verliezen en dat het koningschap uiteindelijk aan de heiligen van de Allerhoogste wordt gegeven (Daniël 7:18, 27).
Het oordeel brengt de werkelijkheid aan het licht
De manier waarop Daniël de koninkrijken beschrijft, is bijzonder. Vanuit menselijk perspectief kunnen wereldrijken indrukwekkend lijken door hun macht, rijkdom en militaire overwinningen. In het visioen verschijnen deze koninkrijken echter als gevaarlijke dieren.
Daniël krijgt daarmee een ander perspectief op de machten die de wereld beheersen. Hun uiterlijke grootheid verhult hoe gewelddadig hun heerschappij kan zijn.
Dit sluit aan bij de betekenis van apocalyptische literatuur. Het Griekse woord apokalypsis betekent ‘onthulling’ of ‘openbaring’. In zulke visioenen wordt zichtbaar gemaakt wat vanuit het gewone menselijke perspectief verborgen blijft.
De geopende boeken en de hemelse rechtbank in Daniël 7 laten zien dat de macht van deze koninkrijken niet buiten Gods oordeel valt. Hun handelen wordt aan het licht gebracht en hun heerschappij wordt beoordeeld.
Deze voorstelling krijgt later een belangrijke plaats in Openbaring, waar Johannes eveneens visioenen ziet die de werkelijkheid van menselijke koninkrijken vanuit Gods perspectief laten zien.
Het oordeel over de machten achter het kwaad
De Bijbel spreekt over het kwaad op verschillende manieren. Soms gaat het over concrete mensen die geweld plegen of anderen onderdrukken. Op andere plaatsen wordt gesproken over koninkrijken, machten en geestelijke tegenstanders die zich verzetten tegen Gods bedoeling met de wereld.
In Daniël 7 verschijnen de wereldrijken als dieren die uit de zee opkomen. De beelden laten zien hoe menselijke koninkrijken zich kunnen ontwikkelen tot machten die geweld gebruiken en anderen overheersen. In Daniël 10 wordt daarnaast gesproken over hemelse vorsten die verbonden worden met aardse koninkrijken.
Ook in het Nieuwe Testament wordt het kwaad verbonden met geestelijke machten. Paulus schrijft over machten en krachten die hun invloed uitoefenen en over de overwinning die God door Jezus Christus tot stand brengt (Efeziërs 6:12; Kolossenzen 2:15).
Daarmee krijgt het oordeel over het kwaad een bredere betekenis. Gods optreden is gericht tegen het onrecht dat mensen plegen, tegen gewelddadige koninkrijken en tegen de machten die zich verzetten tegen Zijn goede heerschappij.
In de Bijbel worden deze werkelijkheden met elkaar verbonden. Menselijke keuzes hebben gevolgen en mensen blijven verantwoordelijk voor hun handelen. Tegelijkertijd wordt het kwaad beschreven als iets dat een grotere macht kan krijgen en mensen, volken en samenlevingen gevangen kan houden.
De verwachting van Gods uiteindelijke oordeel heeft daarom ook betrekking op de bevrijding van de schepping uit de macht van alles wat haar beschadigt.
Daniël 12 – opstanding en oordeel
In Daniël 12 wordt de verwachting van Gods toekomstige ingrijpen verbonden met de opstanding van de doden.
Daniël hoort dat velen die slapen in het stof van de aarde zullen ontwaken. Sommigen zullen opstaan tot eeuwig leven, anderen tot schande en eeuwige afschuw (Daniël 12:2).
Deze tekst behoort tot de duidelijkste uitspraken over een toekomstige opstanding in het Oude Testament. De dood vormt niet langer het einde van Gods handelen met mensen. Er wordt uitgezien naar een moment waarop gestorvenen zullen opstaan en hun leven in het licht van Gods oordeel wordt geplaatst.
De woorden ‘eeuwig leven’ en ‘eeuwige afschuw’ zijn ook belangrijk voor het verdere onderzoek. Ze laten zien dat de verwachting van opstanding verbonden wordt met verschillende uitkomsten.
Tegelijkertijd geeft Daniël 12 geen uitgebreide beschrijving van wat mensen na dat oordeel zullen ervaren. Het gedeelte gebruikt krachtige taal om het verschil tussen de toekomst van de rechtvaardigen en die van de goddelozen uit te drukken.
Wanneer Jezus later spreekt over eeuwig leven en eeuwige straf, klinkt deze oudtestamentische achtergrond mee.
Jezus en het toekomstige oordeel
Jezus verkondigt dat Gods Koninkrijk dichtbij is gekomen en roept mensen op tot bekering. In Zijn onderwijs spreekt Hij over Gods goede heerschappij, vergeving, barmhartigheid en het leven dat bij Zijn Koninkrijk hoort.
Tegelijkertijd waarschuwt Hij voor het oordeel. Hij spreekt over mensen die verantwoording moeten afleggen, over een komende scheiding tussen rechtvaardigen en goddelozen en over de Mensenzoon Die in heerlijkheid zal verschijnen.
Deze uitspraken staan binnen Zijn verkondiging van Gods Koninkrijk. Jezus roept mensen op om nu al te leven onder Gods koningschap, terwijl Hij ook spreekt over een toekomstig moment waarop Gods rechtvaardigheid zichtbaar zal worden.
In Johannes 5 vertelt Jezus dat de Vader het oordeel aan de Zoon heeft toevertrouwd (Johannes 5:22–27). Ook Paulus verkondigt dat God een dag heeft vastgesteld waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door de Man Die Hij daarvoor heeft aangewezen en uit de dood heeft opgewekt (Handelingen 17:30–31).
De schapen en de bokken
In Matteüs 25:31–46 vertelt Jezus over de Mensenzoon Die in Zijn heerlijkheid komt en plaatsneemt op Zijn troon. Alle volken worden voor Hem verzameld en Hij scheidt de mensen zoals een herder de schapen van de bokken scheidt.
De beelden van de Mensenzoon, de troon en de volken sluiten aan bij Daniël 7.
Jezus beschrijft vervolgens hoe de Mensenzoon mensen aanspreekt op hun omgang met hongerigen, dorstigen, vreemdelingen, mensen zonder kleding, zieken en gevangenen. Wat zij voor de geringsten hebben gedaan of hebben nagelaten, wordt verbonden met hun houding tegenover Hem.
Over wie Jezus precies bedoelt met ‘de geringsten van Mijn broeders’ bestaan verschillende uitleggingen. Sommige uitleggers begrijpen deze woorden als een verwijzing naar Jezus' leerlingen, die vanwege hun trouw aan Hem kwetsbaar kunnen zijn en afhankelijk zijn van de hulp van anderen. Andere uitleggers begrijpen de woorden breder en zien hierin een verwijzing naar mensen die honger hebben, ziek zijn, gevangen zitten of op een andere manier hulp nodig hebben.
Dit gedeelte sluit aan bij een belangrijk thema dat we al bij de profeten tegenkwamen. Gods rechtvaardigheid heeft ook betrekking op de manier waarop mensen met elkaar omgaan, vooral met degenen die kwetsbaar zijn.
Aan het einde van de vertelling spreekt Jezus over eeuwige straf en eeuwig leven (Matteüs 25:46).
Deze woorden roepen een belangrijke vraag op. Wat betekent ‘eeuwig’ hier precies en wat wordt bedoeld met ‘straf’?
Jezus' dood en opstanding in het licht van Gods oordeel
Wanneer we Jezus' onderwijs over het oordeel lezen, moeten we ook aandacht hebben voor wat de Evangeliën vertellen over Zijn eigen dood en opstanding.
Jezus kondigt het Koninkrijk van God aan, geneest zieken, vergeeft zonden en bevrijdt mensen uit de macht van het kwaad. Tegelijkertijd roept Zijn optreden steeds meer weerstand op. Uiteindelijk wordt Hij door de religieuze leiders aangeklaagd en door de Romeinse machthebbers ter dood veroordeeld.
In de kruisiging komen verschillende vormen van menselijk kwaad samen. Jezus wordt verraden, verlaten, bespot en onderworpen aan het geweld van een wereldrijk. De Mensenzoon, Die volgens Daniël 7 het koningschap ontvangt, wordt door mensen verworpen en gedood.
De Evangeliën beschrijven Zijn dood echter ook binnen de grotere lijn van Gods handelen met Israël en de wereld. Jezus spreekt over Zijn leven dat Hij geeft als losprijs voor velen (Marcus 10:45). Bij het laatste avondmaal verbindt Hij Zijn naderende dood met het verbond en de vergeving van zonden (Matteüs 26:26–28).
In het Nieuwe Testament wordt Zijn dood op verschillende manieren uitgelegd. Paulus spreekt over verzoening, bevrijding uit de macht van de zonde en de overwinning op de machten die mensen gevangenhouden. In Kolossenzen 2:13–15 wordt beschreven hoe God door het kruis de machten en krachten ontwapent en over hen triomfeert.
Ook de opstanding hoort bij deze overwinning. God wekt Jezus uit de dood en bevestigt daarmee dat de dood en de machten die Hem hebben gedood niet het laatste woord hebben.
In deze gebeurtenissen komt een belangrijke spanning uit de Bijbel samen. God oordeelt het kwaad en werkt tegelijkertijd aan de redding van mensen die zelf deel uitmaken van een wereld waarin dat kwaad werkzaam is. Jezus ondergaat het geweld van die wereld en overwint het door Zijn trouw aan God, Zijn zelfgave en Zijn opstanding.
Daarmee krijgt Gods oordeel een bijzondere plaats binnen het evangelie. De overwinning op het kwaad wordt zichtbaar in Jezus, Die Zichzelf geeft en door God uit de dood wordt opgewekt. Het toekomstige oordeel waarover Hij spreekt, staat binnen de grotere verwachting dat God door Hem alle dingen recht zal zetten.
Wat betekent het Griekse woord aiōnios?
In Matteüs 25:46 gebruikt Jezus het Griekse bijvoeglijk naamwoord aiōnios (αἰώνιος). Het woord is verwant aan aiōn, dat onder andere ‘tijdperk’ of ‘eeuw’ kan betekenen.
In het Grieks kan aiōnios verwijzen naar iets dat bij een tijdperk hoort, maar ook naar iets dat eeuwig of blijvend is. De betekenis moet daarom worden onderzocht binnen de zin en de bredere context waarin het woord wordt gebruikt.
Binnen de Joodse verwachtingen over de toekomst werd gesproken over de huidige wereldtijd en de komende tijd waarin God Zijn Koninkrijk volledig zou vestigen. In die context kan ‘eeuwig leven’ verbonden zijn met het leven van de komende eeuw.
Van de dood naar het leven
Wanneer de Bijbel over de dood spreekt, gaat het niet altijd uitsluitend over het moment waarop het lichamelijke leven eindigt. De dood wordt ook beschreven als een werkelijkheid die nu al invloed heeft op het menselijk bestaan.
In Genesis 2 waarschuwt God de mens dat het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad tot de dood zal leiden (Genesis 2:16–17). Wanneer Adam en Eva in Genesis 3 van de boom eten, sterven zij niet onmiddellijk lichamelijk. Wel verandert hun bestaan ingrijpend. Schaamte en angst komen in hun leven, zij verbergen zich voor God en uiteindelijk verliezen zij de toegang tot de boom van het leven.
De dood krijgt daarmee vanaf het begin verschillende dimensies. De mens wordt sterfelijk en leeft tegelijkertijd in een wereld waarin de relatie met God, met andere mensen en met de schepping beschadigd is geraakt.
Deze verbinding komt terug in het Nieuwe Testament. Paulus beschrijft hoe de zonde als een macht over mensen heerst en uiteindelijk tot de dood leidt (Romeinen 5:12–21; 6:23). In Efeziërs 2 spreekt hij zelfs over mensen die dood zijn door hun overtredingen en zonden, terwijl zij lichamelijk nog leven (Efeziërs 2:1–3).
Toch blijft het daar niet bij. Paulus schrijft dat God mensen door Zijn grote liefde samen met Christus levend heeft gemaakt (Efeziërs 2:4–6). Ook in Romeinen 6 verbindt hij het nieuwe leven met Jezus' dood en opstanding. Wie bij Christus hoort, mag leren leven als iemand die niet langer onder de heerschappij van de zonde staat.
In het Evangelie van Johannes spreekt Jezus op een vergelijkbare manier over het eeuwige leven. Hij zegt dat wie Zijn woorden hoort en Hem vertrouwt, is overgegaan uit de dood naar het leven (Johannes 5:24). Even later spreekt Hij over een toekomstig moment waarop de doden uit hun graven zullen opstaan (Johannes 5:28–29).
Daarmee komen twee aspecten van het leven samen. Door Jezus kunnen mensen nu al deel krijgen aan het nieuwe leven, terwijl de lichamelijke opstanding nog toekomst is.
In Johannes 17:3 verbindt Jezus het eeuwige leven met het kennen van de enige ware God en Jezus Christus, Die door Hem gezonden is. De relatie die in Genesis 3 beschadigd raakte, wordt door Jezus hersteld.
Het nieuwe leven heeft daarom ook gevolgen voor de manier waarop we vandaag leven. Door de Geest worden mensen vernieuwd en leren zij leven onder Gods koningschap. Zij worden gevormd naar het beeld van Jezus en mogen opnieuw leren wat het betekent om Gods karakter te weerspiegelen binnen Zijn schepping (Romeinen 8:9–11, 29).
Zo loopt de lijn van Genesis 3 naar Jezus' dood en opstanding en uiteindelijk naar de vernieuwde schepping. Het eeuwige leven begint nu al en zal bij de opstanding zijn volledige vervulling krijgen.
Wat betekent eeuwige straf?
In Matteüs 25:46 wordt hetzelfde woord aiōnios gebruikt voor zowel straf als leven. Dat is een belangrijk gegeven bij de uitleg. We kunnen daarom niet eenvoudig stellen dat het woord bij het leven een onbeperkte duur betekent, terwijl het bij de straf vanzelfsprekend iets tijdelijks zou aanduiden.
Tegelijkertijd bepaalt het bijvoeglijk naamwoord op zichzelf nog niet hoe de straf precies wordt ervaren. Daarvoor moeten we ook onderzoeken wat met straf wordt bedoeld en welke beelden Jezus in de omliggende verzen gebruikt.
Het verband met de komende eeuw kan helpen om de Joodse achtergrond van Jezus' woorden te begrijpen. Het is echter onvoldoende om alleen vanuit de herkomst van aiōnios vast te stellen hoelang de straf duurt of welke vorm zij aanneemt. Het woord kan in verschillende contexten een blijvende of onbeperkte duur aanduiden.
Wat betekent kolasis?
Het Griekse woord dat in Matteüs 25:46 met ‘straf’ wordt vertaald, is kolasis (κόλασις).
In oudere Griekse teksten kon dit woord in bepaalde contexten worden gebruikt voor corrigerende bestraffing. In andere teksten heeft het de algemenere betekenis van straf of bestraffing. Het is daarom niet verantwoord om uitsluitend op basis van de herkomst van het woord te concluderen dat Jezus hier noodzakelijk een tijdelijke, opvoedende straf bedoelt.
Evenmin vertelt het woord op zichzelf precies wat de aard van die straf is.
Drie verschillende christelijke interpretaties
Binnen de christelijke traditie zijn verschillende opvattingen ontstaan over wat het uiteindelijke oordeel voor mensen betekent. Deze verschillen hebben onder andere te maken met de manier waarop teksten over eeuwige straf, vernietiging, vuur en Gods herstel van de schepping met elkaar worden verbonden.
Eeuwige bewuste bestraffing
Volgens deze opvatting blijven degenen die onder Gods uiteindelijke oordeel vallen voor altijd bestaan en ervaren zij een voortdurende toestand van bestraffing of uitsluiting.
Voorstanders verwijzen onder andere naar Matteüs 25:46, Marcus 9:43–48 en Openbaring 14:9–11. Zij benadrukken de ernst van de uitspraken over eeuwige straf, onuitblusbaar vuur en pijniging.
Een belangrijke vraag binnen deze uitleg is hoe de verschillende beelden van oordeel moeten worden begrepen en hoe zij zich verhouden tot de Bijbelse verwachting dat God het kwaad uiteindelijk zal overwinnen.
Uiteindelijke vernietiging
Een andere opvatting is dat het oordeel uiteindelijk leidt tot de vernietiging van degenen die het leven van Gods komende wereld afwijzen. Deze uitleg wordt vaak aangeduid als conditionalisme of annihilationisme, hoewel die termen niet in iedere uitwerking precies hetzelfde betekenen.
Voorstanders wijzen onder andere op teksten waarin wordt gesproken over vernietiging, vergaan en de tweede dood. Matteüs 10:28, Romeinen 6:23 en Openbaring 20:14–15 spelen daarbij een belangrijke rol.
Volgens deze uitleg is de straf definitief en onomkeerbaar, zonder dat dit noodzakelijk betekent dat iemand eindeloos bewust pijniging ervaart.
Ook deze opvatting roept vragen op, bijvoorbeeld hoe teksten over blijvende pijniging en eeuwige straf moeten worden uitgelegd.
Universele verzoening
Een derde opvatting is dat Gods oordeel uiteindelijk een reinigend doel heeft en dat God uiteindelijk alle mensen met Zich zal verzoenen.
Voorstanders wijzen onder andere op teksten waarin Gods bedoeling om alles te herstellen of met Zich te verzoenen wordt beschreven, zoals Handelingen 3:21, Kolossenzen 1:19–20 en 1 Korintiërs 15:22–28.
Binnen deze benadering wordt verschillend gedacht over de aard en duur van het oordeel. Sommige voorstanders spreken over een ingrijpende, toekomstige zuivering die uiteindelijk tot herstel leidt.
Een belangrijke vraag bij deze uitleg is hoe de Bijbelse waarschuwingen over definitief oordeel, vernietiging en eeuwige straf moeten worden begrepen.
Deze drie opvattingen laten zien dat christenen dezelfde Bijbelgedeelten op verschillende manieren met elkaar verbinden. Het is daarom belangrijk om niet alleen afzonderlijke woorden te onderzoeken, maar ook te kijken naar de grotere lijn van de Bijbel en de context waarin de verschillende uitspraken voorkomen.
De richting waarin een mens leeft
Naast de vragen over de duur en de aard van het uiteindelijke oordeel, is er nog een andere lijn die aandacht verdient. In de Bijbel wordt het toekomstige oordeel regelmatig verbonden met de manier waarop mensen nu leven.
In Genesis 3 zien we hoe de mens zich van God verwijdert wanneer hij zelf naar de kennis van goed en kwaad grijpt. In de hoofdstukken die volgen, zien we hoe deze verwijdering verder doorwerkt in de omgang tussen mensen en uiteindelijk leidt tot geweld en onrecht.
Ook Jezus verbindt het toekomstige oordeel met het leven dat mensen leiden. In Matteüs 25 spreekt Hij over de manier waarop mensen omgaan met degenen die honger hebben, vreemdeling zijn of hulp nodig hebben. Hun handelen maakt zichtbaar hoe zij zich verhouden tot de waarden van Gods Koninkrijk.
In Lucas 16 vertelt Jezus over een rijke man en een arme man, Lazarus. De rijke man leeft in overvloed, terwijl Lazarus bij zijn poort ligt en verlangt naar voedsel. Na hun dood worden hun omstandigheden omgekeerd. De rijke man vraagt Abraham om Lazarus naar hem toe te sturen en hem water te brengen. Later vraagt hij of Lazarus naar zijn broers gestuurd kan worden om hen te waarschuwen (Lucas 16:19–31).
Ook na zijn dood blijft de rijke man Lazarus beschouwen als iemand die op zijn verzoek gestuurd kan worden. Dit kan erop wijzen hoe diep zijn houding tegenover andere mensen in hem geworteld is geraakt.
Dat roept de vraag op hoe onze keuzes, verlangens en gewoonten ons vormen. Wanneer mensen zich steeds opnieuw laten leiden door hebzucht, hoogmoed of onrecht, kan dat steeds meer bepalen hoe zij naar God en andere mensen kijken.
Tegelijkertijd verkondigt Jezus dat mensen zich kunnen bekeren en een nieuw leven kunnen ontvangen. Door Zijn dood en opstanding wordt de macht van de zonde doorbroken en worden mensen uitgenodigd om opnieuw te leren leven onder Gods koningschap.
Het toekomstige oordeel staat daarmee ook in verbinding met het leven dat we vandaag leiden. De Bijbel roept mensen op om zich te laten vernieuwen door Gods Geest en te groeien in liefde, rechtvaardigheid en trouw.
Hoe deze levensrichting zich precies verhoudt tot de uiteindelijke straf, blijft onderdeel van de verschillende interpretaties. Wel maakt deze lijn duidelijk waarom Jezus' waarschuwingen over het oordeel zo nauw verbonden zijn met Zijn oproep om Hem te volgen.
Paulus over Gods oordeel
Ook Paulus spreekt over een toekomstig oordeel. In Romeinen 2 schrijft hij dat God ieder mens rechtvaardig zal oordelen en dat Hij geen onderscheid maakt op grond van afkomst of positie.
Paulus spreekt over Gods geduld en goedheid, die mensen tot inkeer willen brengen. Tegelijkertijd waarschuwt hij dat mensen verantwoording zullen afleggen voor hun handelen (Romeinen 2:4–11).
Verderop in de brief beschrijft Paulus hoe de mensheid onder de macht van de zonde is gekomen en hoe God door Jezus Christus bevrijding brengt. Het oordeel staat daarmee binnen de grotere lijn waarin God het kwaad aanpakt en mensen uitnodigt om deel te krijgen aan het nieuwe leven door Jezus.
De dood als laatste vijand
In 1 Korintiërs 15 verbindt Paulus de opstanding van Jezus met de toekomstige opstanding van degenen die bij Hem horen.
Hij beschrijft hoe Christus regeert totdat alle vijanden onder Zijn voeten zijn gelegd. De laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood (1 Korintiërs 15:25–26).
Daarna spreekt Paulus over de voltooiing van Gods heerschappij, wanneer alles aan Christus onderworpen is en God alles in allen zal zijn (1 Korintiërs 15:28).
Deze woorden spelen een belangrijke rol in het nadenken over het uiteindelijke oordeel. Paulus beschrijft een toekomst waarin de machten die Gods goede schepping aantasten, hun heerschappij verliezen en de dood zelf wordt vernietigd.
Hoe deze verwachting zich precies verhoudt tot de verschillende uitspraken over het lot van degenen die onder Gods oordeel vallen, is een vraag die binnen de christelijke traditie verschillend wordt beantwoord.
Het oordeel in Openbaring
Het boek Openbaring gebruikt een bijzondere vorm van Bijbelse literatuur die we apocalyptiek noemen. Johannes beschrijft visioenen waarin beelden uit de geschriften van het Oude Testament worden samengebracht.
We komen dieren, draken, tronen, boeken, een vuurpoel en een hemelse stad tegen. Deze beelden moeten worden gelezen binnen de literaire opbouw van het boek en tegen de achtergrond van de Bijbelgedeelten waarnaar Johannes verwijst.
Openbaring werd geschreven aan gemeenten die leefden binnen de wereld van het Romeinse Rijk. Het boek bemoedigt hen om trouw te blijven aan Jezus en laat zien dat de macht van gewelddadige koninkrijken niet het laatste woord heeft.
Een belangrijk thema is dat Jezus, het geslachte Lam, de overwinning behaalt en dat God uiteindelijk recht doet.
Babylon en het oordeel over het kwaad
In Openbaring 17 en 18 wordt Babylon beschreven als een machtige stad die verbonden is met rijkdom, onderdrukking, geweld en afgoderij.
De naam Babylon roept herinneringen op aan het koninkrijk dat Jeruzalem verwoestte en Gods volk in ballingschap voerde. Tegelijkertijd herkennen de oorspronkelijke lezers in deze beschrijving kenmerken van de macht en rijkdom van Rome.
Het oordeel over Babylon wordt beschreven met beelden die teruggrijpen op de profeten. Haar macht komt ten einde en haar ondergang laat zien dat menselijke koninkrijken die gebouwd zijn op geweld en uitbuiting niet voor altijd zullen blijven bestaan.
Het oordeel in Openbaring heeft dus ook betrekking op machten en systemen die het leven op aarde aantasten.
Het geslachte Lam dat overwint
Een belangrijk beeld in Openbaring is Jezus als het Lam. In Openbaring 5 ziet Johannes een boekrol die niemand kan openen. Vervolgens hoort hij dat de leeuw uit de stam Juda heeft overwonnen en de boekrol kan openen.
Wanneer Johannes kijkt, ziet hij echter een Lam dat eruitziet alsof het geslacht is (Openbaring 5:5–6).
Deze overgang is belangrijk voor de manier waarop Openbaring Jezus' overwinning beschrijft. Johannes hoort over een overwinnende leeuw, maar ziet een geslacht Lam. Jezus overwint door Zijn trouwe zelfgave en Zijn dood.
In Openbaring 19 verschijnt Jezus opnieuw als de overwinnende Koning. Hij rijdt op een wit paard en wordt beschreven als Degene Die trouw en betrouwbaar is en rechtvaardig oordeelt.
Zijn kleding is met bloed doordrenkt voordat de strijd wordt beschreven (Openbaring 19:13). Dat beeld roept herinneringen op aan Jesaja 63, waar God als een krijger verschijnt Die Zijn vijanden oordeelt.
Tegelijkertijd heeft Openbaring Jezus eerder voorgesteld als het geslachte Lam. Daardoor ontstaat een belangrijke verbinding tussen de overwinning van Jezus en Zijn eigen bloed. De tekst zegt niet uitdrukkelijk van wie het bloed op Zijn kleding afkomstig is, maar binnen de grotere opbouw van Openbaring krijgt het beeld betekenis door de manier waarop Jezus eerder als het Lam wordt beschreven.
Ook het wapen waarmee Jezus verschijnt, is bijzonder. Uit Zijn mond komt een scherp zwaard (Openbaring 19:15). Dit beeld sluit aan bij Jesaja 11:4 en 49:2, waar Gods gezalfde door Zijn woorden rechtspreekt en het kwaad confronteert.
De uiteindelijke overwinning op het kwaad moet daarom worden gelezen in het licht van de identiteit van de overwinnende Koning. Hij is dezelfde Jezus Die in de Evangeliën Zijn vijanden liefheeft, Zichzelf geeft en het kwaad overwint door Zijn trouw aan God.
De grote witte troon
In Openbaring 20:11–15 ziet Johannes een grote witte troon en Degene Die daarop zit. De aarde en de hemel wijken voor Zijn aanwezigheid. Vervolgens ziet Johannes de doden, groot en klein, voor de troon staan.
Er worden boeken geopend en daarnaast wordt een ander boek geopend, het boek van het leven. De doden worden geoordeeld naar wat zij hebben gedaan, zoals in de boeken staat opgeschreven.
De voorstelling van de hemelse troon en de geopende boeken herinnert aan Daniël 7. Ook daar wordt een hemelse rechtbank beschreven waarin de macht van gewelddadige koninkrijken wordt geoordeeld.
In Openbaring wordt het oordeel uitgebreid tot de doden. De zee, de dood en het dodenrijk staan hun doden af, waarna ieder wordt geoordeeld.
De geopende boeken laten zien dat het handelen van mensen niet verborgen blijft. Wat mensen hebben gedaan, wordt zichtbaar en wordt betrokken bij Gods rechtspraak. De voorstelling sluit daarmee aan bij de bredere Bijbelse gedachte dat God het kwaad aan het licht brengt en rechtvaardig oordeelt.
Dat heeft ook betekenis binnen het boek Openbaring zelf. De oorspronkelijke lezers leefden in een wereld waarin machtige koninkrijken zichzelf konden presenteren als bronnen van vrede, veiligheid en voorspoed. Johannes laat echter zien dat achter die uiterlijke grootheid ook geweld, afgoderij en onderdrukking schuilgaan.
Door de visioenen wordt zichtbaar hoe deze machten vanuit Gods perspectief beoordeeld worden. Hun macht is tijdelijk en hun handelen blijft niet zonder gevolgen.
Wat betekent de tweede dood?
Na het oordeel worden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel geworpen. Johannes noemt de vuurpoel de tweede dood (Openbaring 20:14).
Deze uitdrukking roept verschillende vragen op. Wat betekent het dat iemand een tweede dood kan ondergaan? En waarom worden ook de dood en het dodenrijk zelf in de vuurpoel geworpen?
De eerste dood is de lichamelijke dood die mensen in de huidige wereld ervaren. De tweede dood wordt in Openbaring verbonden met het uiteindelijke oordeel.
Het beeld dat de dood en het dodenrijk zelf in de vuurpoel worden geworpen, maakt duidelijk dat hun macht ten einde komt. De dood heeft geen blijvende plaats in de toekomst die God tot stand brengt.
In Openbaring 20:15 wordt vervolgens gezegd dat wie niet in het boek van het leven staat, in de vuurpoel wordt geworpen. De tekst maakt daarmee een verbinding tussen de tweede dood en het oordeel over mensen.
Binnen de verschillende christelijke interpretaties wordt verschillend uitgelegd wat deze tweede dood precies inhoudt. Sommigen begrijpen haar als een toestand van blijvende bewuste bestraffing, anderen als definitieve vernietiging en weer anderen onderzoeken of de vuurbeelden binnen het grotere geheel van Gods oordeel een reinigende betekenis kunnen hebben.
Om die opvattingen te beoordelen, moeten we ook rekening houden met andere passages in Openbaring, waaronder de beschrijvingen van pijniging en het vuur dat blijft branden.
Vuur, rook en vernietiging
In Openbaring 14:9–11 wordt gesproken over mensen die het beest aanbidden en over de rook van hun pijniging die opstijgt tot in alle eeuwigheid.
Ook in Openbaring 19:3 wordt gesproken over rook die voor altijd opstijgt, ditmaal in verband met het oordeel over Babylon.
Deze beelden sluiten aan bij oudtestamentische profetieën. In Jesaja 34:9–10 wordt het oordeel over Edom beschreven met vuur dat niet wordt gedoofd en rook die voortdurend opstijgt. De profetie gebruikt deze beelden om de verwoesting en de blijvende gevolgen van Gods oordeel uit te drukken.
Dat verband is belangrijk, omdat Openbaring voortdurend beelden uit de profeten overneemt en opnieuw gebruikt.
Tegelijkertijd moeten we voorzichtig zijn met de conclusie dat alle vuurbeelden in Openbaring daarom uitsluitend symbolisch zijn of precies dezelfde betekenis hebben. In Openbaring 20:10 wordt bijvoorbeeld gesproken over de duivel, het beest en de valse profeet die dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.
De teksten gebruiken verschillende beelden en spreken over verschillende personen en machten. Daarom vraagt de uitleg om aandacht voor de afzonderlijke passages én hun samenhang.
Hoe lezen we de volgorde van de visioenen?
Bij het lezen van Openbaring kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat Johannes alle gebeurtenissen in een strikte tijdsvolgorde beschrijft. Toch is het boek opgebouwd uit verschillende visioenen waarin beelden en thema's terugkeren.
Zo worden Gods oordeel, de overwinning op het kwaad en de uiteindelijke heerschappij van Jezus op verschillende plaatsen beschreven. Sommige uitleggers begrijpen deze visioenen als opeenvolgende gebeurtenissen, terwijl anderen erop wijzen dat Johannes bepaalde werkelijkheden vanuit verschillende gezichtspunten laat zien.
Dit verschil speelt ook een rol bij de uitleg van Openbaring 20–22. Wanneer we de vuurpoel, de tweede dood en de mensen buiten het Nieuwe Jeruzalem onderzoeken, moeten we rekening houden met de mogelijkheid dat Johannes beelden gebruikt die niet allemaal bedoeld zijn als een letterlijke beschrijving van opeenvolgende gebeurtenissen.
Daarmee worden de waarschuwingen van het boek niet minder ernstig. De vraag is hoe de beelden functioneren binnen het geheel van Openbaring en wat Johannes daarmee aan zijn oorspronkelijke lezers wil duidelijk maken.
De nieuwe hemel en de nieuwe aarde
Na de beschrijving van het oordeel ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan en ook de zee is er niet meer (Openbaring 21:1).
Vervolgens ziet hij het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen. God komt bij de mensen wonen en Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. De dood zal er niet meer zijn, evenmin als rouw, jammerklacht en pijn (Openbaring 21:2–4).
Deze beelden sluiten aan bij de profeten, vooral bij Jesaja 25 en 65–66. God wordt voorgesteld als Degene Die Zijn schepping vernieuwt en het kwaad en de dood uiteindelijk wegneemt.
Van Eden naar het Nieuwe Jeruzalem
In Genesis 2 lezen we over een tuin waarin God de mens plaatst. De tuin wordt beschreven als een plaats waar de mens leeft in Gods aanwezigheid en waar de boom van het leven staat.
Verderop in de Bijbel krijgt Gods aanwezigheid bij Zijn volk een bijzondere plaats binnen de tabernakel en later de tempel. Deze heilige ruimten worden beschreven met beelden die herinneren aan Eden, waaronder bomen, bloemen, cherubs en kostbare materialen.
De tabernakel en de tempel worden plaatsen waar hemel en aarde als het ware samenkomen, omdat God daar te midden van Zijn volk woont. Tegelijkertijd blijft de toegang tot Zijn heilige aanwezigheid begrensd.
Wanneer Johannes het Nieuwe Jeruzalem beschrijft, komen verschillende van deze beelden terug. De stad wordt voorgesteld als een plaats waar God en het Lam wonen en waar geen afzonderlijke tempel meer nodig is, omdat God Zelf en het Lam haar tempel zijn (Openbaring 21:22).
Ook de vorm van de stad is bijzonder. Haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk (Openbaring 21:16). Dit herinnert aan het allerheiligste van de tempel, dat eveneens een kubusvorm had (1 Koningen 6:20). De ruimte die vroeger slechts voor de hogepriester toegankelijk was, wordt zo verbonden met de hele stad waarin God bij Zijn volk woont.
In Openbaring 22 verschijnt opnieuw de boom van het leven. Wat in Genesis 3 voor de mens ontoegankelijk werd, krijgt een plaats in het visioen van de vernieuwde schepping.
De bladeren van de boom zijn tot genezing van de volken (Openbaring 22:2). Daarmee komt de grotere lijn van de Bijbel opnieuw in beeld. Gods bedoeling met de mens en Zijn schepping, die al in Genesis werd bekendgemaakt, wordt verbonden met het herstel dat door Jezus tot stand komt.
Hemel en aarde worden verenigd
In Openbaring 21 ziet Johannes het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen. Gods woonplaats is bij de mensen en Zijn aanwezigheid vervult de vernieuwde schepping.
Deze voorstelling verschilt van het beeld waarin de uiteindelijke hoop uitsluitend bestaat uit het verlaten van de aarde om voor altijd ergens anders te leven. Het visioen van Johannes is gericht op Gods komst om bij de mensen te wonen en op de vernieuwing van hemel en aarde.
Wie bevinden zich buiten de stad?
In Openbaring 21 en 22 lezen we ook over mensen die buiten de stad worden geplaatst of geen toegang krijgen tot het Nieuwe Jeruzalem (Openbaring 21:8, 27; 22:14–15).
Deze uitspraken roepen vragen op wanneer we ze naast de beschrijving van de nieuwe schepping leggen. Hoe moeten we begrijpen dat er buiten de stad nog mensen worden genoemd, terwijl eerder wordt gezegd dat de dood en het kwaad zijn overwonnen?
Binnen de uitleg van Openbaring bestaan hierover verschillende opvattingen. Sommige uitleggers zien deze passages als een beschrijving van een blijvend onderscheid tussen degenen die tot Gods volk behoren en degenen die daarvan zijn uitgesloten. Anderen wijzen erop dat Openbaring visioenen en waarschuwingen bevat die niet noodzakelijk als een strikt chronologische beschrijving van de toekomstige wereld gelezen moeten worden.
Ook de oorspronkelijke lezers moeten hierbij in gedachten worden gehouden. Johannes schrijft aan gemeenten die voortdurend worden opgeroepen om trouw te blijven aan Jezus en afstand te nemen van afgoderij, geweld en de macht van Babylon. De waarschuwingen over wie wel en niet tot de stad behoort, functioneren ook binnen die oproep.
In Openbaring 22:14 worden degenen die hun gewaden wassen gelukkig geprezen, omdat zij toegang krijgen tot de boom van het leven en door de poorten de stad mogen binnengaan. Kort daarna klinkt de uitnodiging om van het water van het leven te drinken (Openbaring 22:17).
De aanwezigheid van deze uitnodiging aan het einde van het boek heeft tot verschillende interpretaties geleid. Sommige uitleggers zien hierin een laatste oproep aan de huidige lezers om tot Jezus te komen. Anderen onderzoeken of de beelden ook iets zeggen over de reikwijdte van Gods toekomstige herstel.
De tekst geeft geen uitgebreide uitleg over hoe deze uitspraken zich precies tot elkaar verhouden. Daarom moeten we voorzichtig zijn met conclusies die uitsluitend op het beeld van de mensen buiten de stad worden gebaseerd.
Gods rechtvaardigheid en het herstel van de schepping
Wanneer we de verschillende Bijbelgedeelten naast elkaar leggen, zien we hoe Gods oordeel verbonden is met Zijn rechtvaardigheid en Zijn bedoeling met de wereld. Vanaf Genesis lezen we hoe het kwaad Gods goede schepping aantast en hoe God mensen ter verantwoording roept. Tegelijkertijd blijft Hij werken aan het herstel van Zijn schepping.
De profeten spreken over een dag waarop God zal ingrijpen om recht te doen. In Daniël wordt deze verwachting verbonden met de beëindiging van de macht van gewelddadige koninkrijken en de komst van Gods heerschappij. Jezus verkondigt dat Gods Koninkrijk is aangebroken en spreekt over een toekomstig oordeel dat aan Hem is toevertrouwd.
Door Zijn dood en opstanding wordt de overwinning op de macht van de zonde en de dood zichtbaar. In Openbaring zien we hoe deze verwachting uiteindelijk samenkomt in het beeld van een vernieuwde hemel en aarde, waar God bij de mensen woont en de dood geen plaats meer heeft.
Toch blijven er vragen bestaan over de precieze betekenis van eeuwige straf, de tweede dood en de beelden van vuur en vernietiging. Christenen hebben deze passages op verschillende manieren met elkaar verbonden en zijn daarbij tot verschillende conclusies gekomen.
Daarom wil ik voorzichtig zijn met uitspraken die verder gaan dan wat de Bijbelteksten zelf duidelijk maken. Het helpt om de verschillende woorden en beelden binnen hun historische en literaire context te onderzoeken en aandacht te hebben voor de verbindingen tussen de Bijbelboeken.
Het laatste woord van de Bijbel is verbonden met Gods aanwezigheid bij de mensen, de boom van het leven en een vernieuwde schepping waarin de dood niet langer zal heersen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb